Vervolgens de tweede, die vreeslijke 20 jaren, het tijdperk

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

Tolstoi's leven

Zijne persoonlijke herinneringen, brieven en aanteekeningen

1828-1863

Bewerkt door

P. Biroekoff

Geautoriseerde vertaling naar het Russische handschrift

Door

Emma B. van der Wijk

Met afbeeldingen

Amsterdam P. N. van Kampen & Zoon.

OPDRACHT.

Aan mijne vrouw Paula Nikolajewna wijd ik dit boek, het groote

werk van mijn leven, dat zoo zwaren, moeitevollen arbeid van mij

eischte. Met oprechten dank draag ik het op aan haar, die mij zoo

menigmaal mijn' last verlichtte, en mij uren schonk van ontspanning,

zoo noodig bij 't vervullen van mijn' taak.

Nooit toch had ik dit boek kunnen schrijven zonder hare

zelfverloochenende en zelfopofferende hulp, waarmee zij mij bijstond

in alle omstandigheden van mijn leven.

Ik draag mijn arbeid dus op aan mijne vrouw, en aan allen die er,

ongenoemd, aan hebben meegewerkt.

P. B.

INLEIDING.

Met eerbiedigen schroom en overtuigd van mijne geringe krachten, bereid

ik mij voor tot dit mij heilige werk: het schrijven van eene biographie

van den grooten ouden man, van mijn' onderwijzer, van Leo Tolstoi.

Eenige jaren geleden lag dit plan mij nog zóó ver, dat ik, hoewel

levende in zijne onmiddellijke nabijheid, en terwijl ik uren, ja soms

heele dagen in zijn huis doorbracht, nooit de minste aanteekening

maakte van hetgeen ik daar op kon vangen, zoo min van hem, als van de

hem omringende personen. En nu, om mijne godsdienstige overtuiging

verbannen uit mijn vaderland, ga ik dat groote werk beginnen. Eene

biographie van iemand wordt niet geschreven zonder toestemming van

die persoon zelf en zijne familie; dus wendde ik mij tot gravin Sofie

Andrejewna Tolstaja met verzoek eene biographie van haar echtgenoot

te mogen schrijven. Spoedig daarop ontving ik een mij zeer aangenaam

stemmend gunstig antwoord. Uit haar brief haal ik aan, wat op de zaak

betrekking heeft.

"Natuurlijk moogt gij gaarne met eene levensbeschrijving beginnen. Zelf

zou Tolstoi u wel willen antwoorden op wat gij hem gaat vragen,

maar dan zult ge u moeten haasten,--bijna toch was aan dit ons allen

zoo dierbare leven een einde gekomen. Gode zij dank is hij nu weer

herstellende en al weer aan den arbeid."

Om nu Tolstoi zelf niet lastig te vallen en overtuigd, dat hij mij

geene hinderpalen in den weg zou leggen, begon ik dus na ontvangst

van den brief. Na kennis te hebben genomen van de stof en na mij in

't wezen van het werk te hebben ingedacht, beklaagde ik mij eenerzijds

om den grooten omvang ervan, maar anderzijds heeft diezelfde arbeid

mij langzamerhand zóó meegesleept, mijne belangstelling zóó opgewekt,

en voel ik mij er reeds zoo mee verbonden, dat ik het nu noem: "het

Werk van mijn leven", ongeacht iedere overweging van den uitgever in

mij, welke het ook zij.

Ik begon dus de stof te bestudeeren, en, onvoorbereid als ik was,

ben ik gaan naslaan welke verklaring de encyclopaedie van Brockhaus

geeft van het woord "biographie". Ik vond daar de volgende definitie:

"Eene levensbeschrijving noemt men de schildering van een

zekere persoon, die voldoet aan de historische wetenschap. Als

wetenschappelijk werk bepaalt de beschrijving zich niet alleen tot

de uiterlijkheden, maar moet zij er naar streven de geestelijke en

moreele ontwikkeling te schetsen. Als kunstwerk moet zij den grondslag

van het karakter aangeven en in 't algemeen de behandelde persoon in

't helderste licht plaatsen."

Deze verklaring bevredigde mij volkomen, zoodat ik een aanvang met

mijn werk kon maken. Het is een verheven arbeid (des te meer, waar

dit een Tolstoi geldt), eene beschrijving te geven van 's menschen

innerlijk, d.w.z. van zijn geestelijk leven, van de ontwikkeling en

de veranderingen die erin plaats grijpen.

Maar nóg verhevener, nóg rijker is het, aan te toonen volgens welk

algemeen beginsel deze innerlijke ontwikkeling zich voltooide,

hoe karakter en ideeën zich vormden en hervormden. Slaagt men nu

tevens in 't weergeven van de uiterlijke omstandigheden van 't leven,

dienende gedeeltelijk als omlijsting, gedeeltelijk om nog scherper

licht te laten vallen op den mensch, dan kan men zeggen: "mijn arbeid

is geslaagd".

Deze overwegingen hebben mij gediend als gids bij mijn werk,

Het is van bijzonder groot gewicht, bij het geven van eene biographie,

dat de behandelde persoon nog leeft, daar iedere tegenspraak die men

ontmoet (door vergelijking met de getuigenissen uit andere bronnen)

misschien kan worden opgehelderd door de persoon zelf, zoodat de

feiten nu gegeven worden in hunne volle waarde.

De voorbereidende werkzaamheden bestonden in 't verzamelen der stof.

Deze stof nu splitste ik in vier deelen.

In de eerste afdeeling bracht ik:

Auto-biographische aanteekeningen van Leo Tolstoi, zijne brieven

gericht tot verschillende personen, en een uittreksel uit zijn dagboek.

In de tweede afdeeling: verschillende herinneringen en biographische

schetsjes van menschen, die Tolstoi van zeer nabij kenden, van

zijne bloedverwanten, zijne vrienden, enz., personen dus, die men

ieder op zichzelf kan vertrouwen. Aan deze tweede afdeeling voegde

ik nog toe verschillende officiëele gegevens, als: dienstbrieven,

stadhuispapieren, brieven van schoolbesturen, copie van gerechtelijke

en administratieve zaken, enz. enz.

In de derde afdeeling nam ik opstellen over Leo Tolstoi op, verkregen

uit andere bronnen, doch ook geschriften van hem zelf. Men moet echter

voorzichtig zijn met het gebruiken hiervan, daar werkelijke feiten

allicht zijn saamgeweven met des kunstenaars phantasie.

Ten slotte in de vierde afdeeling:

Kleine artikels, en ook opmerkingen van schrijvers, die niet ons volle

vertrouwen verdienen, maar die toch eene betrekkelijke waarde kunnen

hebben, ter aanvulling daar, waar andere bronnen te kort schoten. De

vermelding van de namen dier schrijvers acht ik overbodig.

De buitenlandsche literatuur is zeer arm aan biographische gegevens

aangaande Tolstoi, vooral wat betreft zijne eerste levensjaren. Daarom

heb ik deze bronnen niet afzonderlijk vermeld. [1]

Nadat ik de eerste schrede gedaan had, reeds bij 't schiften van

't verkregen materiaal, voelde ik dat het noodzakelijk was mij met

Tolstoi zelf in verbinding te stellen, daar ik op vele duistere punten

stootte, die alleen hij kon ophelderen. Ik heb lang overwogen of het

resultaat van den arbeid het zou rechtvaardigen, dat ik hem zooveel

moeite veroorzaakte. Evenwel, wetende dat hij een' kunstenaar nog nooit

geweigerd had eene buste naar hem te modelleeren of een portret van

hem te schilderen, noch den amateur-photografen eene opname te doen

(hoewel het hemzelf geen genoegen verschaft), besloot ook ik hem te

vragen voor mij te willen poseeren, ter verkrijging van zijn beeld

door woord en taal. Ook nu weer ontving ik een gunstig antwoord,

neergelegd in het volgend citaat van den aan mij gerichten brief van

den 2den December 1901:

"Zeer gaarne zal ik voor u poseeren en de vragen naar volgorde

beantwoorden."

Een gewichtige dienst bewees mij mijn vriend W. Gr. Tschjerkoff,

door het voor mij openstellen van zijn rijk archief, bevattende

eene persoonlijke correspondentie van Tolstoi en een uittreksel uit

zijn dagboek.

De onaangename zijde van mijn werk bestond hierin, dat ik, krachtens

eene onhebbelijke verordening uit Rusland verbannen [2], niet in

staat was mij persoonlijk in verbinding te stellen met den man over

wien ik ging schrijven. Ook werd ik daardoor verhinderd te werken

in Russische openbare bibliotheken en archieven. Deze hinderpalen

belemmerden mijn arbeid aanmerkelijk en zij konden, hoewel niet ten

volle, slechts door mij worden overwonnen door de vriendelijkheid van

eenige bezitters van Russische particuliere bibliotheken en de rijk

voorziene Russische afdeeling in 't Britsch Museum. Ik deed daarvoor

wat in mijn vermogen was; zelfs zond ik een smeekschrift aan den

Russischen minister van binnenlandsche zaken, ten einde toestemming

te verkrijgen, om _twee maanden_ in Rusland te mogen doorbrengen, doch

ontving eene onvoorwaardelijke afwijzing. En wat nu mijn werk betreft,

zal de lezer in het eerste deel wetenswaardigheden vinden, die voor

hem beslist nieuw zijn, herinneringen uit Tolstoi's jeugd, van zijne

familie, een groot aantal brieven en een uittreksel uit zijn dagboek.

Om te doen zien, hoeveel moeite het kostte om Tolstoi over te halen

zijne herinneringen neer te schrijven, laat ik hier een uittreksel

uit mijne correspondentie met hem over dat onderwerp volgen.

Herhaalde malen schreef ik hem en zijne bloedverwanten om mij eenige

aanteekeningen te zenden over zijne kinderjaren, al waren het maar

door hem gedane mondelinge vertellinkjes. Eindelijk kreeg ik daarop

het volgende antwoord:

".... Hoe graag ik ook wilde, dacht ik eerst u niet te kunnen

helpen. Ik vreesde de onoprechtheid, eigen aan iedere auto-biographie,

maar nu geloof ik den vorm gevonden te hebben, waarin ik aan uw wensch

kan voldoen, door u de hoofdtrekken te geven der verschillende elkander

opvolgende perioden in mijn leven: die uit mijne kinderjaren, mijne

jongelingsjaren en uit den tijd, toen ik volwassen was. Zoodra ik er

toe in staat zal zijn, zal ik er eenige uren aan wijden, en trachten

het op die wijze te doen."

In een der volgende brieven schrijft hij mij:

".... Mijne belofte om eenige van mijne herinneringen voor u op te

teekenen, vreesde ik niet te kunnen nakomen. Ik heb er over nagedacht,

en zag, hoe moeilijk het is Scylla en Charybdis te vermijden,

d.w.z. eenerzijds de klip van den eigenlof, door alleen het goede te

vermelden, en aan den anderen kant de cynische openhartigheid om alles

wat slecht is aan het licht te brengen. Indien ik vertel van al die

laagheid, domheid, verdorvenheid, en dan naar waarheid, oprechter nog

dan Rousseau, dan zal dat een boek of een hoofdstuk worden, dat veel

ergernis zal verwekken. De menschen zullen zeggen: 'Dat is dus de man,

dien velen hoogachten, en zie, hij is een nietswaardige! Och, wij

eenvoudige menschen, wat kunnen wij ons vergissen. Nu, 't is Gods wil.'

"Maar, zonder scherts, toen ik begon mijn leven ernstig te overdenken

zag ik al de domheid--werkelijke domheid--en laagheid ervan, en ik

dacht bij mij zelf: 'hoe toch zullen andere lieden zijn, als ik,

de veel geprezene, zoo'n dom, laag schepsel ben?' Daarbij komt het

dan nog aan 't licht, dat ik zooveel listiger ben dan de anderen. Dit

alles schrijf ik u niet om u wat mooie woorden te laten lezen, maar

ik heb dat alles werkelijk doorleefd."

Tolstoi's weifelingen ziende en 't volle gewicht ervan voelende,

besloot ik toch vol te houden en hem, om zoo te zeggen, een begonnen

patroon te geven, waaraan hij verder kon borduren. Daarom stuurde ik

hem het door mij ontworpen plan van zijne biographie. In dat programma

volgde ik het door velen aangenomen systeem van de verdeeling van het

menschelijk leven in zevenjarige tijdperken. Deze verdeeling hoorde ik

van Tolstoi zelf, toen hij, eens met mij pratende, de meening uitte,

dat de zevenjarige perioden in het physisch menschelijk leven (eene

leer, aangenomen door sommige physiologen) telkens in overeenstemming

zijn met een zevenjarig tijdperk van de ontwikkeling van het geestelijk

leven; waaruit voortvloeit, dat iedere zevenjarige periode ook eene

afzonderlijke geestelijke gestalte aanneemt.

Op bovenbedoelde wijze ingedeeld, krijgen we dus het volgend schema

van Tolstoi's leven:

Jaartal. Leeftijd. Inhoud van de perioden.

1 1828-1835 Van geboorte-7 jaren Kinderjaren.

2 1835-1842 Van 7-14 jaren Jongensjaren.

3 1842-1849 Van 14-21 jaren Jongelingsjaren, leertijd,

universiteit, begin van 't

besturen van zijn landgoed.

4 1849-1856 Van 21-28 jaren Begin van het schrijven,

dienstjaren, Kaukasus, Donau,

Sebastopol, Petersburg.

5 1856-1863 Van 28-35 jaren Ontslag, reizen, dood van een

broeder, paedagogie, huwelijk.

6 1863-1870 Van 35-42 jaren Familieleven, "Oorlog en Vrede",

huishouding.

7 1870-1877 Van 42-49 jaren Hongersnood te Samarsk, "Anna

Karjenina", hoogtepunt van

literairen roem, familiegeluk

en rijkdom,

8 1877-1884 Van 49-56 jaren Crisis, biecht, evangelie,

"Waarin ik geloof?"

9 1884-1891 Van 56-63 jaren Moskou, "Wat moeten wij doen?"

volksliteratuur, bemiddelaar,

verspreiding zijner ideeën

onder de hoogere standen en

het volk, kritieken.

10 1891-1898 Van 63-70 jaren "Honger", "Het koninkrijk Gods

in ons", ketters, vervolging van

de aanhangers der ideeën.

11 1898-1905 Van 70-77 jaren "Opstanding", in den ban gedaan,

ziekte, laatste periode, bezig

met militairisme, volk,

geestelijke en politieke

personen, oorlog revolutionaire

en hervormingsbeweging in

Rusland.

Reeds met den eersten oogopslag bemerkt de lezer de afscheiding van

iedere geestelijke periode.

Het opzenden van dit schema of beginpatroon bleef niet zonder

resultaat. Heel spoedig ontving ik van Tolstoi een' brief, waarin

hij o.a. het volgende schrijft:

...."Ik kom u zeggen, dat ik u bij mijne levensbeschrijving heel gaarne

wil helpen, en ik zal u de gewichtigste gebeurtenissen meedeelen. Ik

besloot dat ik ertoe mocht overgaan, omdat het misschien interessant

en nuttig voor het menschdom kan zijn, wanneer ik het wijs op al de

verdorvenheid in mijn leven tot aan mijn ontwaken, en zonder valsche

bescheidenheid, al het goede na dien tijd (hoewel de goede voornemens

niet altijd werden uitgevoerd, door gebrek aan wilskracht). In dien

geest wilde ik u dan ook schrijven.

"Uw programma, met zijn 7-jarige indeeling, zal van nut zijn en zeker

vele gedachten bij mij opwekken. Ik zal ermee beginnen zoodra het

werk dat ik onderhanden heb is afgeloopen."

Eindelijk, na vier maanden, ontving ik de kostbare bladzijden met

herinneringen, door Tolstoi zelf geschreven en na dien niet meer

gecorrigeerd [3]. Ik haastte mij ze te gebruiken in de biographie,

aan welke zij kleur en gloed zullen verleenen.

Bij de eerste gelegenheid zond ik Tolstoi 't begin van mijn werk,

met verzoek mij zijn oordeel te zeggen. Daarop ontving ik een brief,

waarin hij o.a. het volgende schrijft:

"Mijn totale indruk is, dat ge een heel goed gebruik van mijne

aanteekeningen hebt gemaakt. In bijzonderheden treden zal ik niet,

omdat het me zou verleiden veranderingen aan te brengen, hetgeen ik

niet wil doen.

"Ik laat dus alles aan u over en voeg er slechts dit bij, dat gij in

de biographie, sprekende over mijne jeugd, moet vermelden:

"_Uit de mij verstrekte en ter verwerking gegeven ongecorrigeerde

gedenkschriften._"

Ik deel dit mede, om Tolstoi van iedere literaire verantwoordelijkheid

te ontslaan, en ik zal den gecursiveerden zin overal inlasschen waar

dit noodig is.

En zoo, onder deze opwekkende omstandigheden, begon ik mijn werk.

Het eerste deel dat het licht zal zien bevat de afstamming van Leo

Tolstoi en 't eerste tijdperk van zijn leven, dus: kinderjaren,

jongelingsjaren en ten slotte zijn huwelijk.

Het is noodig hier een rustpunt te maken, ten eerste omdat Tolstoi

zelf zijn huwelijk een begin van een nieuw leven noemt en ten tweede

uit een practisch oogpunt, daar de aanteekeningen voor dit eerste

gedeelte reeds voldoende zijn om een geheel boekdeel te vullen.

In het tweede deel hoop ik te spreken over het toppunt van Tolstoi's

literairen roem, van zijn familiegeluk en rijkdom, en de wedergeboorte

tot een nieuw geestelijk leven. Dit viel ongeveer tusschen de jaren

1863 en 1884, dus tusschen zijn 35ste en 56ste jaar.

Ten slotte volgt in het derde deel de tegenwoordige episode uit

Tolstoi's leven, die, naar wij hopen, nog in lang niet zal worden

afgesloten.

Volgens eene juiste opmerking van een of anderen schrijver gelijkt

Tolstoi's leven op een omgekeerde pyramide, die met den top naar

beneden, den voet naar boven, zich meer en meer verbreedt. In diezelfde

verhouding breidt de stof voor Tolstoi's levensbeschrijving zich uit,

gering zijnde in den aanvang, aangroeiende tot het onmetelijke. Ik zal

niet beproeven in deze inleiding eene karakterbeschrijving van Tolstoi

te geven. Reeds lang immers kent de geheele wereld hem als een genie.

Ik wil hier evenwel een paar feiten noemen, waaruit de lezer zelf

zijne gevolgtrekkingen kan maken.

Volgens mijne berekening zijn Tolstoi's werken nu reeds overgebracht en

uitgegeven in 45 verschillende talen, zoowel Oostersche als Westersche,

zoowel in die van Noordelijke als van Zuidelijke landen. En immer meer

neemt de uitbreiding toe. Gedurende mijn bijna tienjarig directeurschap

van de _Posrjednik_ verkochten wij jaarlijks gemiddeld drie millioen

brochures, in hoofdzaak verhalen van Tolstoi zelf, en verder artikels

en opstellen van schrijvers die op de een of andere wijze zijne ideeën

verkondigden, en die dikwijls door hemzelf waren aangegeven.

De _Posrjednik_ bestaat reeds ongeveer 20 jaren. Aangenomen dat het

aantal uitgegeven werken verminderde, kunnen wij toch constateeren, dat

de verkoop van boeken en brochures, meer of minder Tolstoi betreffende,

het ronde cijfer van 50 millioen bedroeg. En de stroom van deze ideeën

stortte zich uit over heel Rusland, alle hinderpalen wegspoelende,

die zoowel door kerkbesturen als door de lauwe, willooze liberalen

werden opgeworpen.

Het eerste deel van mijn boek is daarom bestemd om aan te toonen,

hoe deze schoone gedachten zich ontwikkelden en vormden.

_Onex bij Genève_, Villa Russe.

_Zwitserland._

15 Oct. 1904. P. J. Biroekoff.

Ik had het eerste deel van mijn werk reeds geëindigd, toen ik,

als gevolg van de mindere strengheid in Rusland, verlof kreeg

daarheen terug te keeren. Ik maakte hiervan gebruik en werd alzoo

in staat gesteld, de stof voor het eerste deel van de biographie nog

belangrijk te vermeerderen, zoowel doordat ik mij nu met Tolstoi in

onmiddellijke verbinding kon stellen als door de lectuur van zijn

dagboek en aanteekeningen.

Mijn oprechten dank breng ik aan gravin Sofie Andrejewna Tolstaja,

die mij de gelegenheid verschafte om het door haar verzamelde

materiaal (dat bewaard wordt in het historisch museum te Moskou,

in de "Tolstoi-kamer") te bestudeeren.

Waarschijnlijk was mijn werk, ware het onder gunstiger omstandigheden

begonnen, beter geslaagd, maar 't is mij onmogelijk terug te keeren om

nog eens op nieuw te beginnen. Ik liet het dus zooals het is, alleen

bracht ik die veranderingen aan, die het noodzakelijk uitvloeisel

waren van de in Rusland verzamelde gegevens.

Ook de inleiding laat ik onveranderd, daar zij naar waarheid schetst

hoe mijn werk tot stand is gekomen, en ik hoop dat de lezer zal

begrijpen onder welke eigenaardige voorwaarden dit geschiedde. Want

als men schrijft over eene nog levende energieke persoonlijkheid, kan

het laatste woord nog niet gesproken worden. Een slotrede, waarin ik

den man, met zijn nog warm kloppend hart, de zoo wel verdiende hulde

zou willen brengen, kan ik dus niet schrijven.

Ten slotte noem ik dezen arbeid, met oprecht gemeende bescheidenheid,

slechts _een door mij verzameld materiaal voor het geven van een

levensbeschrijving van Leo Nikolajewitsch Tolstoi_.

Ik wilde niet langer wachten met het uitgeven van het eerste deel,

in de hoop dat het lezende publiek in mij iemand zal zien, die zeer

dankbaar alle herinneringen, documenten enz., Leo Tolstoi betreffende,

in ontvangst zal nemen.

P. B.

23 Augustus 1905.

Inleiding

Van Leo Tolstoi bij zijne herinneringen.

Mijn vriend P. Biroekoff, die van plan is een levensbeschrijving

van mij het licht te doen zien, vroeg mij om eenige gegevens. Heel

gaarne wilde ik zijn verzoek inwilligen en in gedachten begon ik

reeds met de samenstelling. In den beginne, zonder het te willen,

zonder het zelfs te bemerken, herinnerde ik mij alleen maar het goede

uit mijn leven, terwijl alle slechte, donkere oogenblikken zich

niet scherper vertoonden dan de schaduw op een schilderij. Dieper

echter in mijn leven doordringende, zag ik dat zulk een biographie

een leugen zou zijn, misschien niet in den vollen zin van 't woord,

maar dan toch een leugen als gevolg van het valsche licht, dat ik op

de gebeurtenissen liet vallen, en van de opsomming van al het goede,

gevoegd bij de verzwijging of vergoelijking van al het slechte. Ik

nam mij daarom voor, de waarheid neer te schrijven, en niets wat

slecht in mij is te verbergen, maar schrikte terug voor den indruk,

die zulk een biographie moest maken. Juist in dien tijd werd ik

ziek. In dien gedwongen rusttijd dwaalden mijne gedachten steeds weer

naar mijne herinneringen en deze waren ontzettend. Ik doorleefde alle

gewaarwordingen die Poeschkin beschrijft in zijn gedicht "Herinnering",

waarvan de laatste woorden zijn: "maar de regels van droefheid laten

zich niet uitwisschen", wat ik zou willen veranderen in: "maar de

regels van _schande_ laten zich niet uitwisschen".

Onder den indruk van het bovenstaande schreef ik in mijn dagboek:

_6 Januari 1903._

Ik lijd tegenwoordig hellepijnen. Ik herinner me al het lage van mijn

vroeger leven en die herinneringen laten me niet los en vergiftigen

mij. Gewoonlijk beklaagt men zich, dat de herinnering verdwijnt met den

dood. Welk een geluk, dat het zoo is. Wat zou het een kwelling zijn,

indien ik in het leven hiernamaals de herinnering moest meenemen

aan al het wreede, al het lage wat ik op aarde beging. Want zoo we

ons het goede konden herinneren zouden we het slechte niet kunnen

vergeten. Wat een geluk, dat de herinnering verdwijnt met den dood,

dat er slechts één bewustzijn overblijft, het bewustzijn dat ons wijst

op een vermenging van al het goede en het kwade, alles samenvloeiend

tot de groote onbekende X, tot het positieve of het negatieve, tot

het groote of het kleine.

Ja het is een groot geluk, dat de herinnering verdwijnt; bleef zij

bestaan, dan zouden wij nooit weer vroolijk kunnen zijn. Nu echter,

door haar vernietiging, zullen we in het andere leven overgaan met

een schoone, reine bladzijde, waarop wederom het goede en het kwade

kan worden neergeschreven.

Het is waar, dat mijn leven niet altijd zoo verdorven was als in den

tijd toen ik ongeveer 20 jaren telde; het is ook waar, dat het niet

voortdurend zoo slecht was, als ik het mij voorstelde in de dagen

mijner ziekte. Ook in dat tijdperk ontwaakte in mij soms de drang naar

het goede, te snel helaas weer verstikt door blinde hartstochten, die

mij naar omlaag trokken. Maar hoe het ook zij, de gedachten, ontkiemd

in de dagen mijner ziekte, toonden mij duidelijk aan, dat mijne

biographie, samengesteld op de wijze zooals men dat gewoonlijk doet,

n.l. met weglating van alle misslagen, verdorvenheid en onreinheid,

een leugen zou zijn, en laat ik haar verschijnen, dan moet zij waarheid

en niets dan waarheid bevatten. Geschreven op deze wijze, kan zij,

hoeveel schande ook over mij brengende, van groot en werkelijk nut

zijn voor den lezer.

Zoo mij in mijne herinneringen verdiepende en alles beschouwende

uit het gezichtspunt van goed en kwaad, kwam ik tot het besluit mijn

geheele leven in vier tijdperken te verdeelen.

Ten eerste: De heerlijke, blijde, onschuldige, poëtische periode

mijner kindsheid tot aan mijn 14de jaar.

Vervolgens de tweede, die vreeslijke 20 jaren, het tijdperk van

mijn groote bandeloosheid, van mijn verlangen naar roem en eer,

en in hoofdzaak van mijne zinnelijke begeerten. Dan de derde,

18-jarige periode, van mijn huwelijk af tot aan mijne geestelijke

wedergeboorte. Van een wereldsch standpunt bezien, kan dit tijdperk

het meest zedelijke worden genoemd. In die achttien jaren toch

leidde ik een ordelijk, geregeld, huiselijk leven, bekommerde mij

niet om de publieke opinie of lasterlijke praatjes, terwijl mijne

geheele belangstelling zich egoïstisch bepaalde tot mijne familie,

de vermeerdering van mijn vermogen en literair succes, en verder tot

allerlei kalme genoegens. En ten slotte de vierde, 20-jarige periode,

waarin ik nu leef, waarin ik ook hoop te sterven, in wier licht ik

de geheele beteekenis begrijp van het leven dat achter mij ligt,

en waaraan ik niets meer wensch te veranderen, behalve die slechte

gewoonten, die mij bij zijn gebleven uit mijn vorige tijdperken.

De geschiedenis nu van deze vier tijdperken, geheel naar waarheid,

wensch ik te vertellen, zoo God mij kracht en leven schenkt. Ik geloof,

dat zulk een biographie van grooter nut voor het menschdom zal zijn

dan alle fraaie redeneeringen waarmee mijn twaalf deelen gevuld zijn

en waaraan de menschen van onzen tijd zoo'n grooten, onverdienden

lof toezwaaien.

En nu ga ik beginnen. Ik zal aanvangen met het eerste, vroolijke

tijdperk van mijn kinderjaren, waaraan ik zulke heerlijke herinneringen

heb, en dan (hoeveel schande het ook over mij zal brengen) zal ik

vertellen en niets verzwijgen van die vreeselijke twintig jaren, die

daarop volgen. Dan komt de derde periode, die velen minder belang

in zal boezemen, en ten slotte de laatste, waarin ik ontwaakte tot

de waarheid, en die mij het hoogste levensgeluk en een blijde rust

heeft geschonken, in afwachting van den naderenden dood.

Om niet in herhalingen te vervallen, herlas ik eens wat ik vroeger

onder den titel _Kinderjaren_ had uitgegeven en betreur het nu, dat dit

boek ooit het licht zag, zoo slecht en, van een letterkundig standpunt,

onwaardig als het geschreven is. Dat kon ook niet anders. Ten eerste,

omdat het niet de geschiedenis bevat van mijn eigen jeugd maar die

mijner vrienden uit dien tijd, en ten tweede, omdat ik toen nog lang

niet zelfstandig was in het vormen van mijn uitdrukkingen en sterk

onder den invloed stond van de twee schrijvers Sterne (_Sentimental

Journey_) en Töpfer (_Bibliothèque de mon Oncle_). Hoofdzakelijk zijn

het de twee laatste deelen, die mij nu niet meer bevallen. Behalve

een verward mengsel van waarheid en fantasie, is het tevens een

onwaar boek, waarin ik iets voorstel als gewichtig en goed, dat ik

in dien tijd noch goed, noch gewichtig vond, n.l. mijne democratische

richting. Ik hoop, dat wat ik nu ga schrijven beter en hoofdzakelijk

nuttiger voor anderen zal zijn. [4]

EERSTE DEEL.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE VOOROUDERS VAN LEO TOLSTOI VAN VADERSZIJDE. [5]

De graven van Tolstoi zijn van een oud adellijk geslacht, dat volgens

de genealogen afstamt van den heiligen Indriss, die in 1353 met twee

zonen en een leger van 3000 man naar Tschernigoff trok. Hij liet zich

doopen, ontving den naam Leontii en werd de stamvader van eenige

adellijke families. Zijn achterkleinzoon, Andrei Charjitonowitsch,

verhuisde van Tschernigoff naar Moskou, ontving van grootvorst

Wassilii Tjenni den achternaam Tolstoi, en was de stamvader van

de Tolstoi's. (Volgens den graaflijken stamboom van het geslacht

Tolstoi is Leo Nikolajewitsch een nakomeling van Indriss in den

tweeden graad). [6]

Een van zijn nakomelingen, Peter Andrejewitsch Tolstoi, diende in 1683

als Stolnik (een hoveling die het oppertoezicht heeft over de tafel,

enz.) aan het hof en was één van de hoofdleiders van den opstand der

Strelitzen. De val van de Tsarina Sophie dwong Tolstoi zijn bakens te

verzetten en naar de partij van Tsaar Peter over te gaan. Deze hield

hem echter steeds op een afstand en het duurde een langen tijd voor

dat Peter Andrejewitsch het vertrouwen van den Tsaar mocht winnen.

Daarvan vertelt men het volgende.

Eens, bij een woest drinkgelag, behaagde het den Tsaar Tolstoi zijn

grooten pruik van het hoofd te rukken. Hij sloeg hem er mee op den

kalen schedel en sprak: "Hoofdje, hoofdje, als jij niet zoo verstandig

waart, dan had men je reeds lang van den romp gescheiden."

Zelfs de groote militaire verdiensten van Tolstoi, in den tweeden

strijd om Azoff, konden het wantrouwen van den Tsaar niet overwinnen.

In 1697 zond Tsaar Peter eenige vrijwilligers naar het buitenland in

de leer. Tolstoi, toen reeds een man van rijperen leeftijd, bood aan

er heen te gaan, ter bestudeering van het zeewezen. Tevens stelde

hij zich volkomen op de hoogte van de West-Europeesche cultuur. In

't eind van 1701 werd Tolstoi benoemd tot gezant te Constantinopel,

een gewichtige maar moeilijke post. Ten tijde van de verwikkelingen

van 1710-1713 zat hij tweemaal op het "slot met de zeven torens"

gevangen. Daarom voeren de graven Tolstoi een wapen waarop dit slot

is afgebeeld.

In 1717 bewees Tolstoi den Tsaar een grooten dienst, waardoor hij

voor goed bij dezen in de gunst kwam.

Op korten afstand van Napels, waarheen Tolstoi was gezonden, ligt het

kasteel Sint-Elmo. Daar hield zich in dien tijd de Tsarewitsch Alexei

met zijne vriendin Eufrosyne verborgen. Met behulp van die vrouw

gelukte het Tolstoi, door ruwe bedreigingen en valsche beloften, den

Tsarewitsch te bewegen naar Rusland terug te keeren. Zijn werkzaam

aandeel in het gerechtelijk onderzoek, de zittingen van de geheime

rechtbank en de, op bevel van den Tsaar, heimelijke voltrekking

van het doodvonnis (met medewerking van Roemjantseff, Oeschakoff en

Boetoerlin) bezorgden hem eene belooning. Hij kreeg eenige landgoederen

ten geschenke en werd benoemd tot chef van de geheime kanselarij,

waar juist zeer veel te doen viel wegens oproer en gisting onder

't volk, veroorzaakt door den dood van den Tsarewitsch Alexei.

Tolstoi was in dien tijd een van de personen die zich steeds in de

onmiddellijke nabijheid van den Tsaar bevonden, en die het meest door

hem werden vertrouwd.

Door de zaak met den Tsarewitsch kwam hij ook in nauwere aanraking met

Keizerin Catharina. In vereeniging met Menschikoff werkte hij krachtig

mede aan hare troonsbestijging, waarvoor hij op den kroningsdag

beloond werd met den titel van graaf, en naderhand veel gunsten

bleef genieten. Onder de regeering van Peter II, een' zoon van den

vermoorden Tsarewitsch, was zijn val echter onvermijdelijk. Zonder

dat er met zijn hoogen leeftijd rekening werd gehouden (82 jaar),

werd Peter Tolstoi in het Solowetski-klooster gevangen gezet, waar

hij niet lang daarna, in 1729, overleed.

Er bestaat nog een dagboek met aanteekeningen van Tolstoi's

buitenlandsche reis van 1697 tot 1699, een karakteristiek staaltje

van den indruk, dien een Rus uit den tijd van Peter den Groote van

West-Europa kreeg. In 1705 stelde hij een geschrift samen, handelende

over de Zwarte Zee. Bovendien zijn van hem twee vertalingen bekend: _De

Metamorphose van Ovidius_ en _De Regeering van den Turkschen Staat_.

Tolstoi had een zoon, Iwan Petrowitsch, president van de rechtbank,

die tegelijkertijd met hem in de gevangenis werd gezet, waar hij

spoedig na zijn vader overleed.

Reeds onder de regeering van Elizabeth Petrowna, 26 Maart 1760, werden

de nakomelingen van Peter Tolstoi in hunne graaflijke waardigheid

hersteld en wel in de persoon van zijn kleinzoon Andrei Iwanowitsch,

den overgrootvader van Leo Tolstoi.

"Van een van mijne tantes hoorde ik van dezen Andrei Iwanowitsch,

die zeer jong met eene vorstin Tschtschetininaja in 't huwelijk trad,

eens het volgende verhaal.

"Door het een of ander toeval moest de vorstin zonder haar man naar

een bal. Toen ze was weggereden, waarschijnlijk in een koets, waaruit

men de banken had moeten verwijderen opdat het hooge kapsel niet door

het stooten tegen de zoldering zou worden beschadigd, herinnerde de

jonge vorstin (ze was waarschijnlijk 17 jaar) zich plotseling, dat

ze geen afscheid had genomen van haar man. Dadelijk liet ze keeren en

vond thuisgekomen haar gemaal in tranen. Hij weende omdat zij zonder

hem te groeten was weggegaan." [7]

Tolstoi vertelt het volgende van zijn grootvader en grootmoeder

van vaderszijde.

"Mijne grootmoeder Pelageja Nikolajewna was eene dochter van den

blinden vorst Nikolaas Iwan. Gortschakoff. Zij was, zoover ik het mij

kan herinneren, weinig ontwikkeld. Zooals allen in dien tijd sprak

zij beter Fransch dan Russisch, maar dat was dan ook alles wat ze

wist. Zij werd haar geheele leven zeer verwend, eerst door haar vader,

toen door haar man en daarna door haar zoon.

"Bovendien werd haar, als dochter van den oudste van het geslacht,

de grootste achting bewezen door alle Gortschakoffs, t.w. den gewezen

minister van oorlog, Nikolaas Iwanowitsch, Andrei Iwanowitsch en

de zonen van den vrijdenker Dimitri Petrowitsch, Peter Sergius en

Michael Sebastopolski.

"Mijn grootvader was ook, voor zoover ik nog weet, een weinig

ontwikkeld man, zwak van karakter, niet slechts vrijgevig maar

zelfs onuitsprekelijk verkwistend, en daarbij veel te goed van

vertrouwen. Op zijn landgoed, gelegen in het district Bjellewskaja

Paljana (niet te verwarren met Jasnaja Paljana) hield men steeds

feesten en drinkgelagen. Bals, comedie, diners en 't maken van kleine

uitstapjes wisselden elkaar af. Grootvader had een grooten hartstocht

voor het spel, hombre en whist, dat hij niet goed kende en waardoor

hij dus groote sommen verloor, daarenboven gaf en leende hij steeds

maar groote sommen uit, waarvan hij nooit iets terug zag. Het einde

van dit alles was, dat het groote landgoed van mijn grootmoeder zoo

met schulden was belast, dat er niets meer overbleef om van te leven,

en grootvader gedwongen was de betrekking van Gouverneur te Kazan aan

te nemen. Door zijn vele relaties viel het hem gemakkelijk dien post

te krijgen.

"Mijn grootvader was onomkoopbaar en nam slechts het geld dat

hem volgens algemeen gebruik van de pacht toekwam. Hij werd boos

wanneer men trachtte hem heimelijk om te koopen. Maar grootmoeder,

zooals men mij vertelde, nam, zonder dat haar man er iets van wist,

wel geschenken aan.

"De jongste dochter van grootmoeder, Pelageja, trouwde te Kazan

met Joeschkoff, de oudste, Alexandra, nog te Petersburg, met graaf

Osten Sacken.

"Na den dood van haar man, die te Kazan overleed, en na het huwelijk

van mijn vader, kwam grootmoeder bij ons te Jasnaja Paljana, en

zooals ze toen was, reeds een oude vrouw, kan ik mij haar nog heel

duidelijk voorstellen.

"Grootmoeder hield hartstochtelijk veel van mijn vader; wij, haar

kleinkinderen, werden door haar verwend; van de tantes hield zij ook,

maar ik geloof dat zij mijne moeder niet graag mocht lijden, omdat

zij haar niet goed genoeg vond voor vader en--omdat zij jaloersch

op haar was. Voor het personeel behoefde zij niet veeleischend te

zijn, want, wetende dat zij de eerste persoon in huis was, deden

alle bedienden ongevraagd alles wat ze konden om het haar naar

den zin te maken. Gascha, haar kamenier, had echter veel van haar

luimen te lijden en werd geregeld door haar gekweld. Met de woorden:

'jij bent mij de liefste' verlangde zij de onmogelijkste dingen van

haar en plaagde haar op alle manieren. Het opmerkelijkste hierbij is,

dat Gascha Arafa Michaïlowna [8], die ik nog heel goed gekend heb,

alle luimen van grootmoeder overnam en met haar ondergeschikten,

met haar kat, in één woord met allen over wie zij iets te zeggen had,

juist zoo omging als grootmoeder met haar.

"Van mijne eerste herinneringen aan mijne grootmoeder, tot aan onze

reis naar Moskou en ons leven daar, zijn drie indrukken het levendigst

gebleven.

"De eerste is, dat grootmoeder, als zij zich wiesch, met een bijzondere

zeep verwonderlijk mooie zeepbellen op haar handen te voorschijn

kon tooveren, die, naar ik toen geloofde, niemand dan zij zoo mooi

kon maken.

"Men bracht ons expres naar haar toe om er bij te zijn als zij zich

wiesch. Ik herinner mij haar witte koftoschka (lijfje met mouwen),

haar joebka (vrouwenrok), haar witte oude handen met de zeepbellen

en haar bleek, tevreden glimlachend gelaat.

"De tweede herinnering is deze: Grootmoeder zit in de groene cabriolet

op veeren, waarin wij dikwijls met onzen goeverneur Feodor Iwanowitsch

uit rijden gaan. Zij wordt getrokken niet door paarden maar door de

knechts van mijn vader. Wij gaan uit om noten te schudden, die er

dit jaar zeer overvloedig zijn.

"Ik herinner me den zwaar beladen noteboom met de krakende, bewegende

takken, hoe Petroeschka en Matjoeschka, de tuinknechts, die de groene

cabriolet, waarin grootmoeder gezeten is, voorttrokken, de takken naar

haar toe bogen, en hoe grootmoeder zelf de heerlijk rijpe vruchten

aftrok en in haar tasch deed; hoe wij zelf de noten plukten, en hoe

Feodor Iwanowitsch ons verbaasde met zijne kracht, door de dikste

takken naar beneden te wringen. Hoe wij zelf noten verzamelden uit

alle macht, en hoe wij toch nog zagen, toen Feodor Iwanowitsch de

takken los liet, die zich langzaam, zich in elkaar verwarrend, weer

oprichtten, dat er vele noten waren blijven hangen. Ik herinner mij hoe

warm het was op die kleine weide, en hoe heerlijk koel in de schaduw,

hoe wij de prikkelende geuren inademden die noten en notebladeren van

zich gaven, hoe kleine meisjes, die bij ons waren, de noten kraakten

en tusschen hun lipjes staken, en hoe wij, onophoudelijk kauwden en

al maar kauwden aan de frissche, blanke, sappige kern.

"Wij verzamelden de noten in onze zakken, in onzen schoot en in

de groene cabriolet, en grootmoeder nam ze aan en prees ons. Wat

er verder gebeurde, nadat we thuis waren gekomen, daarvan heb ik

niets onthouden. Ik herinner me slechts grootmoeder, den noteboom,

den scherpen geur der bladeren, de knechts, de groene cabriolet,

de zon en dat alles samensmeltende tot eene blijde herinnering. Ik

geloofde dat, even als de zeepbellen slechts op grootmoeders handen

konden zijn, zoo ook de zon, het bosch en de noteboom een geheel

vormden met grootmoeder in haar groene cabriolet op veeren, die

getrokken werd door Petroeschka en Matjoeschka.

"De herinnering, die het innigst met grootmoeder is saamgeweven, is

die nacht, doorgebracht in grootmoeders slaapkamer: Leo Stepanitsch

(hij was een blinde sprookjesverteller, en reeds oud toen ik hem

leerde kennen), een overblijfsel uit den tijd toen de lijfeigenschap

nog bestond, een lijfeigene van mijn' grootvader. Hij was indertijd

gekocht alleen om sprookjes te vertellen, die hij, dank zij een slechts

blinden eigen bijzonder sterk geheugen, woordelijk kon verhalen nadat

men ze hem een paar maal had voorgelezen.

"Hij woonde ergens in ons huis en den geheelen dag bleef hij

onzichtbaar tot hij 's avonds in grootmoeders slaapkamer voor den dag

kwam. Grootmoeders slaapkamer was een groot, laag vertrek, waartoe een

klein trapje van een paar treedjes toegang gaf. Leo Stepanitsch zette

zich dan in de breede vensterbank, waar men hem zijn avondeten bracht

dat van de heerentafel kwam. Hier wachtte hij op grootmoeder die,

zonder schroom voor de tegenwoordigheid van den blinden ouden man,

haar nachttoilet in orde kon maken.

"Op dien dag, toen 't mijn beurt was om bij grootmoeder te overnachten,

zat Leo Stepanitsch met zijn blinde oogen, gekleed in een lange blauwe

jas en een doek om zijn schouders, reeds in de vensterbank bij zijn

avondeten. Ik kan mij niet herinneren of grootmoeder zich uitkleedde

in deze of in een andere kamer, ook niet hoe men mij te bed heeft

gebracht. Ik herinner mij slechts, toen het licht werd uitgedaan

en alleen een lampje bleef branden voor de gouden heiligenbeelden,

grootmoeder, diezelfde wonderbare grootmoeder, die zulke prachtige

zeepbellen kon maken, geheel in 't wit, omhuld met wit, bedekt

met wit, hoog liggend op haar witte kussen, en toen,--van uit de

diepe vensternis--de eentonige, rustige stem van Leo Stepanitsch:

'Beveelt ge, dat ik ga vervolgen?'--'Ja, ga verder.'--'Mijn geliefd

zustertje,' hernam Leo Stepanitsch met zijn langzame oude stem,

'doe ons een van die boeiende verhalen die gij zoo goed weet te

vertellen.' 'Zeer gaarne,' antwoordde Scheherezade, 'ik zou u de

geschiedenis van Prins Kamaralzaman willen vertellen, zoo gij ons

daarvoor uwe toestemming wilt geven.' Nadat zij deze had verkregen

begon de Sultane Scheherezade als volgt: 'Er was eens een Tsaar die

een eenigen zoon had...' en duidelijk woord voor woord vertelde Leo

Stepanitsch de geschiedenis van Prins Kamaralzaman. Ik hoorde noch

begreep wat hij zei, zoo geheel ging ik op in den geheimzinnigen

aanblik van mijne witte grootmoeder, van haar schaduw die zich op

den muur heen en weer bewoog, en van den grijsaard met zijn blinde

oogen, dien ik nu niet zag, maar dien ik mij bewust was, zittende op

de vensterbank, zeggende met zijne langzame stem eenige, naar het

mij toescheen, verheven woorden die weerklonken in deze in schemer

gehulde kamer, slechts verlicht door de trillende vlam eener lamp.

"Het kan zijn, dat ik dadelijk insliep en mij daarom niets meer

herinner dan dat ik den volgenden morgen, wakker geworden, weer in

verrukking kwam voor de wondermooie zeepbellen op de handen van mijn

grootmoeder." [9].

De volgende tabel geeft den lezer een overzicht van de jongste

voorouders van Leo Tolstoi.

Graven Tolstoi.

Peter Andrejewitsch, eerste graaf Tolstoi [† 1729].

Iwan Petrowitsch [† 1728].

Andrei Iwanowitsch [† 1803].

Ilija Andrejewitsch [† 1820] (Gouverneur van Kazan).

Alexandra, getrouwd met graaf Osten Sacken.

Nikolaas [† 1837].

Pelageja, getrouwd met W. I. Joeschkoff.

Ilija, stierf kinderloos

Nikolaas, geb. 1823.

Sergius, geb. 1826.

Dimitri, geb. 1827.

Leo, geb. 1828.

Maria, geb. 1830.

De familie Tolstoi heeft haar vertegenwoordigers in vele standen van

de maatschappij.

Wij veronderstellen, dat het den lezer zal interesseeren te weten

in welken graad van bloedverwantschap Leo Tolstoi tot eenigen hunner

staat. Wij herinneren hier aan Feodor Petrowitsch Tolstoi, een bekend

kunstenaar en vice-president van de Keizerlijke Kunstacademie, die

een neef was van den vader van den dichter Alex. Const. Tolstoi,

die op zijn beurt weer een achterneef is van Leo Tolstoi. De

gewezen minister Dimitri Andrejewitsch Tolstoi, bekend om zijn

reactionnaire maatregelen, staande in een meer verwijderden graad

van bloedverwantschap tot Tolstoi, stamt af van den algemeenen

stamvader Iwan Petrowitsch Tolstoi, zoon van den eersten graaf

Tolstoi, Peter Andrejewitsch, die evenals zijn vader stierf in het

Solowetski-klooster.

TWEEDE HOOFDSTUK.

VOOROUDERS VAN LEO TOLSTOI VAN MOEDERSZIJDE.

De vorsten Wolkonski klimmen met hun stamboom op tot Rurik.

Bij het leven van mijn grootvader bestond er nog een in olieverf

geschilderde stamboom van de vorsten Wolkonski. Daarop was de

stamvader, vorst Tschernogorski (als de heilige Michaël) afgebeeld,

met een boom in zijn vuist, wiens vertakkingen de rij van zijn

nakomelingen voorstellen.

Vorst Iwan Joerjewitsch, het 13de geslacht na Rurik, ontving in het

begin van de 14de eeuw het vorstendom Wolkon, gelegen aan de rivier

de Wolkona, die stroomt in het tegenwoordige gouvernement Kaloeka en

Toela; dit was het stamgoed van de vorsten van Wolkonski. Zijn zoon

Feodor Iwanowitsch viel in den slag bij Mamajeff in 1380. Wij noemen

van Leo Tolstoi's jongste voorouders zijn' overgrootvader, vorst

Sergius Fedorowitsch Wolkonski, om wiens persoon zich de volgende

legende weeft.

Vorst Sergius Fedorowitsch Wolkonski heeft deelgenomen aan den

zevenjarigen oorlog in den rang van generaal. Zijn vrouw droomde eens,

tijdens dien veldtocht, dat eene stem haar beval een heiligenbeeldje

te laten maken, vertoonende aan de eene zijde Sjiwonosni Istotschnik,

aan den anderen kant Nikolaas Tschoedotwortz, en hem dat te zenden. Zij

zocht daarvoor een plankje uit, gaf bevel het te schilderen en zond

het haren man door bemiddeling van den veldmaarschalk Apraksin. Op

dien zelfden dag bracht een koerier hem het bevel zich op weg te

begeven om den vijand op te zoeken. Vorst Sergius Feodorowitsch

bad God om hulp en stak het beeldje bij zich. Nu gebeurde het dat

een vijandelijke kogel hem trof, juist op de borst, waar hij op het

beeldje afstuitte. Dit beeldje, dat nu nog bewaard wordt door zijn

jongsten zoon, vorst Nikolaas Serghejewitsch, redde hem dus het

leven. Hij stierf 10 Maart 1784.

Leo Tolstoi, die deze legende natuurlijk kende, bediende zich ervan in

zijn roman _Oorlog en Vrede_, om de godsdienstige gevoelens weer te

geven van vorstin Maria Wolkonskaja, voordat vorst Andreï ten oorlog

trekt. De lezer zal zich herinneren dat Maria haar broeder vraagt,

dit beeldje mee te nemen. Terwijl zij het hem geeft, zegt ze: "Denk

wat je wilt, maar doe het dan voor mij, doe het, ik smeek het je! De

vader van mijn vader, onze grootvader, droeg het in alle oorlogen..."

Wij zien hier hoe de verbeeldingskracht van den kunstenaar en de

werkelijke historie in elkaar vloeien. Terwijl de laatste aan de

eerste het karakter van waarheid verleent, daar geeft de eerste aan

de laatste dien schijn van het echte leven, die aan alle personen,

voorkomend in _Oorlog en Vrede_, bezieling schenkt, zoodat wij niet

twijfelen aan hun werkelijk bestaan.

De jongste zoon van Sergius Feodorowitsch, Nikolaas Serghejewitsch,

was Tolstoi's grootvader van moederszijde. Hier volgt hetgeen de

stamboom van hem zegt.

Nikolaas Serghejewitsch, generaal der infanterie, jongste zoon van

vorst Sergius Feodorowitsch en vorstin Maria Dmitrijewna, geboren

Tschadajewna, werd geboren 30 Maart 1753. In 1780 werd hij opgenomen

in 't gevolg van Keizerin Catharina II te Moghileff, waar hij de

eerste samenkomst van haar met Keizer Joseph II bijwoonde. Later

begeleidde hij de Keizerin naar Taurië. In 1793 werd hij benoemd tot

eersten gezant te Berlijn, bij gelegenheid van het huwelijk van den

kroonprins, den lateren Frederik Willem III. Hij stierf 3 Februari

1821 op het landgoed Jasnaja Paljana, waar hij, zonder het ooit meer

te verlaten, zijne laatste jaren doorbracht, en dat, onder den naam

van Liesig Gor, door zijn kleinzoon in den roman _Oorlog en Vrede_

onsterfelijk is gemaakt.

Het lijk van dezen vorst is bijgezet in het Troitzko Serghejewskaja

lawra (een klooster).

Leo Tolstoi vertelt ons in zijne herinneringen het volgende van zijn'

grootvader.

"Van mijn' grootvader weet ik, dat hij onder Keizerin Catharina

het hooge ambt van generaal-en-chef bekleedde, doch plotseling werd

ontslagen, omdat hij weigerde te trouwen met Warjenka Engelhardt,

de nicht en tevens geliefde van Potjemkin. Hij antwoordde toen deze

het hem vroeg: 'Hoe kom je op de gedachte, dat ik zou trouwen met uwe

bijzit.' Dat antwoord brak zijne carrière. Behalve dat hij niet werd

bevorderd, verplaatste men hem als veldmaarschalk naar Archangel,

waar hij, geloof ik, bleef tot aan de troonsbestijging van Keizer

Paul. Hij nam ontslag uit den dienst, trouwde met vorstin Catharina

Dmitrijewna Troebjetzkaja en vestigde zich op het landgoed Jasnaja

Paljana, dat hij van zijn' vader had gekregen.

"Vorstin Catharina Dmitrijewna stierf jong, hem een eenige dochter

nalatende.

"Hij hield heel veel van deze dochter en bleef tot aan zijn dood,

in 1821, met haar en hare Fransche gezelschapsjuffrouw samenwonen.

"Men zegt van mijn' grootvader, dat hij een zeer streng landheer

was, hoewel ik nooit van die vreeselijke straffen hoorde gewagen,

zoo algemeen in zwang in die tijden. Ik veronderstel dat er toch

wel gestraft werd en mijn vader sprak ook wel eens minder gunstig

over hem. De boeren echter uit dien tijd hadden zoo grooten eerbied

voor gezag en macht, dat zij, hoe dikwijls er ook naar gevraagd,

zich er niet over uitlieten. Zij roemden grootvader als een goed

landheer, die zorg droeg voor zijne boeren en voor zijne groote,

mooie bezitting. Hij liet huisjes bouwen voor de boerenknechts,

en zorgde dat ze niet slechts goed gevoed maar ook goed gekleed en

vroolijk zouden zijn. Op feestdagen was het voor hen ook feest. Hij

zorgde dan voor schommels en liet hen dansen, enz.

"Iedere verstandige landheer uit die dagen zorgde voor den welstand der

boeren. Zoo deed ook hij, terwijl zijne hooge positie den Iesprawnik

(de eerste uit het district) met zijne dienaren eerbiedig ontzag

inboezemde, hetgeen zijne boeren weer vrijwaarde voor uitbuiting en

onderdrukking, zoodat het hun steeds beter ging.

Tolstoi's leven Zijne persoonlijke herinneringen, brieven en aanteekeningen 1828-1863 · 第 1 / 32 段