Klaas eet een stuk droog brood: »tegen et opbreke van et vet.«

En ik... ach, ik stamel dommelend voor mij heen de eenige troostreden,

die mij tot formule geworden is: »ik ben buiten... heerlijk buiten.«

Ik tracht een boek te lezen, maar het is te donker onder het schemerig

gewelf; ik kan niet schrijven, want de tafel ligt vol schoensmeer en

etensresten.

Daarenboven gaan wij over een uur weer exerceeren, in de modder. Maar ik

ben buiten... o, dierbare formule, verlaat mij niet.

Wanneer men zich in de stad heeft opgevoed tot een fatsoenlijk

neurasthenisch jongmensch, dan komt in dit landelijk leven van frissche

lucht en luiheid de gezondheid u besluipen als een gevaarlijke en

afzichtelijke ziekte.

Mijn wangen worden rood en dik... ik ben heerlijk buiten...

Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige. · 第 52 / 60 题