En ik... ach, ik stamel dommelend voor mij heen de eenige troostreden,
die mij tot formule geworden is: »ik ben buiten... heerlijk buiten.«
Ik tracht een boek te lezen, maar het is te donker onder het schemerig
gewelf; ik kan niet schrijven, want de tafel ligt vol schoensmeer en
etensresten.
Daarenboven gaan wij over een uur weer exerceeren, in de modder. Maar ik
ben buiten... o, dierbare formule, verlaat mij niet.
Wanneer men zich in de stad heeft opgevoed tot een fatsoenlijk
neurasthenisch jongmensch, dan komt in dit landelijk leven van frissche
lucht en luiheid de gezondheid u besluipen als een gevaarlijke en
afzichtelijke ziekte.
Mijn wangen worden rood en dik... ik ben heerlijk buiten...