VII.

Kleilust, Maart 1917.

_De Beestmensch._

Nimmer zal hij de roep verliezen van _een beestmensch_ te zijn. En toch

is hij geen bloederig man. Hij is schuchter en lang en slungelig; het

puntje van zijn neus is doorgaans rood van koude, en als hij een blauwen

plek heeft, smeert hij dien zesmaal per dag in met zalven en heilzame

kruiden, die zijne moeder hem toezendt. Maar hij is uiterst zenuwachtig,

en daardoor doet hij wel eens dingen van zóó bloederigen en

afschuwelijken aard, dat wij, die toch niet voor een klein geruchtje

vervaard zijn, vol afgrijzen het gelaat afwenden.

Voor 't eerst uitte zich zijn fatale aanleg bij een onlangs gehouden

velddienstoefening.

Een vijandelijke afdeeling kwam zich overgeven aan de wacht, die hij

commandeeren moest. Nu gaat het commando in den regel iemand, die

slechts gewend is te gehoorzamen, niet goed af.

Zoo was het dan ook meer ongewoonte dan buitengewone vrees, die zijn

stem deed overslaan, toen hij riep: »wapens neerleggen, handen

opheffen«.

De vijanden legden hunne wapens op den weg, en staken hunne handen in de

hoogte; twee dier handen waren met helderwitte wol bekleed, en behoorden

aan een wapenbroeder, die op deze wijze, zijn simpele uniform ten spijt,

bewijzen wil, welke een »beslist-prima heer« hij in de

burger-maatschappij wel is.

Mijn vriend aarzelde. Hij wist niet, wat hij met de nu onschadelijke

vijanden doen moest. Deze bleven met omhooggestrekte armen staan. Om de

lippen van den beslist-prima-heer-met-witte-handschoenen, speelde een

wereldsche glimlach, die eene oneindigheid van misprijzen uitdrukte.

De toestand hield nog aan; het wachten werd pijnlijk.

»Kom, wat doe je nu?« riep de ongeduldige officier.

Hulpeloos keek de zenuwachtige overwinnaar van links naar rechts.

Toen kuchte hij, en, zich vermannende, riep hij radeloos tot de zijnen:

»Salvo-vuur... Aan... vúúrr...!!«

Een storm van verontwaardiging loeide door onze overigens zoo

gedisciplineerde gelederen.

De ontwapende vijand was gefusilleerd...

Toen klonk voor 't eerst de naam: »_Beestmensch_«. En nu is er niemand

meer, die nog durft twijfelen aan de bloederigheid-van-ziel van mijn

krijgsmakker wiens naam ik u blijf verzwijgen.

* * * * *

_Jeugd!..._

Gij allen, die het geloof verloren hebt in lieve, kinderlijke zaken; die

de leegten, waaruit uwe jonge onnoozelheid gevlucht is, gevuld hebt met

wijsheid en overleg, gij allen, hoort mij aan.

Want ik was als gij, en ook ik waande mij een wijs man... totdat ik

soldaat werd.

Vanaf dien dag heb ik weer het geloof gekregen in het begrip _jeugd_.

Het gaat ons met de jeugd, als met de kniebroeken onzer schooljaren. Er

komt een dag, dat wij ze vèr van ons werpen, om onze spillebeenen te

omkleeden met »jongeheeren-kleeding«. De meesten onzer kiezen daartoe

stemmig donkerblauw, om daarná terug te keeren tot licht-zinnig, ruig

goed. Zóó werpen wij ook allen gelijktijdig onze jeugd van ons af, om

mannen te gaan schijnen.... aanvankelijk ernstige mannen en later

jolige...

En, wanneer wij niet het geluk hebben soldaat te worden, blijft het

proces in die richting verloopen.

Voorwaar, de opperbevelhebber heeft een goede daad verricht, door ons

allemaal weer kniebroeken aan te trekken.

Dat symboliseert onze toestand:

Wij zijn, àllen tesamen, met één slag weer jeugdig geworden.

Geen onzer had het alléén aangedurfd, maar de algemeene beweging heeft

ons den moed geschonken, onze jeugd weer op te vatten.

En nu geloof ik niet meer in oud-worden...

Oud-worden is een sloopingsproces, dat wij onbewust aan ons zelf

voltrekken,... indien wij allen in den dienst vergrijsden, zouden wij

den moed hebben als kinderen voort te leven, en dan zouden wij als

kinderen sterven.

Dan zouden alleen onze superieuren, die voor ons moeten denken, oud

worden.

Ik zie ze voortdurend om mij heen, die vreemde groote kinderen. Daar is

een groot slungelig kind, van bij-de-dertig. Vroeger was hij een bleeke,

bloedarme horlogemakersonderbediende, met een grafstem en blauwe kringen

om zijn oogen. Nu is hij een kwajongen, die slechts in schaal verschilt

van zijn jeugdiger aardgenooten.

Daar is een ingenieur, die vroeger zijn werklieden van-achter een breed

bureau her- en derwaarts dirigeerde.

Nu werpt hij onder de les met propjes papier en 's avonds met

broodkorsten.

Daar is de jong-verdorven groote-stads-zwerver, die onder gewone

omstandigheden misschien al achter slot en grendel gezeten zou hebben...

nu is zijn grootste zonde, dat hij een langen neus maakt achter den rug

van zijn sergeant....

En daar ben ik zelve, vroeger een nerveus heertje, en nu, o, liefelijk

wonder, een luidruchtige plattelander.

O, ge kunt u nauwelijks zoo dartel eene samenleving voorstellen als de

onze.

Het is, of ieders individueele ontwikkeling tijdelijk stop gezet is...

Wie onderweg was een òn-maatschappelijke boef te worden, en wie zich

op een zuiver geestelijk leven voorbereidde, wie reeds in innerlijk en

geest beloofde een slovend ambtenaartje dan wel een knoestige werkman te

zijn... zij allen zijn tijdelijk in hunne ontwikkeling blijven

stilstaan, als uurwerken in een horlogemakers-étalage.

Alleen verraadt een enkele maal het slagwerk hun persoonlijken aard.

Ook ik voel mijn uurwerk afloopen; met wanhopige inspanning tracht ik

nog, zoolang mogelijk, mijn veer gespannen en mijne wijzers gaande te

houden.

Maar ik luister met angst naar mijn eenzaam tikken temidden der reeds

dof zwijgende soortgenooten. Alle uurwerken zijn flink ingevet en tegen

roesten gevrijwaard; zoo blijven zij hagelnieuw en jeugdig... zij

slijten niet, maar zij dienen tot niets.

Zij zijn jong en krachtig, en gereed hun roeping te volgen... maar zij

staan stil....

Voorzeker, er zijn klokkenopwinders genoeg, er is zelfs een centraal

lichaam ter ontspanning en ontwikkeling van stilstaande uurwerken.

Maar er zijn er zoo weinig, en ach, de tijd is nog verre, dat alle

uurwerken electrisch zullen zijn, en gedreven door één centrale

krachtbron.

Er zijn er, die beweren, dat het daarvoor oorlog moet zijn, en dat de

Vaderlandsliefde de centrale bron voor al ons bewegen zal zijn. Maar

nu...?

Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige. · 第 53 / 60 题