VI.

Kleilust, Febr. 1917.

_Buiten...._

Zooals een in de wildernis verdwaalde mensch, die geen lucifers bezit,

de vonken van zijn vuurtje gedurig aanwakkert en levend houdt, zoo doe

ik met de toevallig bij mij gerezen gedachte: _dat ik heerlijk buiten

ben_.

De gedachte van _het heerlijk buitenleven_ verlaat mij niet des nachts,

in den benauwden droom, en evenmin des daags in de harde werkelijkheid.

Ik ben buiten, ik dorre stadsmensch, en ik wil dat blijven waardeeren.

Ik wil dat blijven waardeeren, wanneer ik rillend, in de grauwe

morgenschemering den pomp-zwengel aanvat, en mijn slaperig hoofd laat

overspoelen, ik wil het blijven bedenken, wanneer in den marsch het

regelmatig zuigen onzer laarzen in de slikmassa's hoorbaar is, en ik wil

het heerlijk buitenleven waardeeren, wanneer ik mij in 't holste van den

nacht langs glibberige en stikdonkere landwegen naar het stinkend

slaaphok spoed.

Wij allen, dorre stadsmenschen, genieten van het buitenleven. Wanneer

de dienst ons des morgens langs grazend vee en wuivend oeverriet voert,

letten wij op duizend dingen, die de stad ons niet vermag te toonen.

»Káák, 'n ráááger!« roept er een, duidend op een slanken vogel, en een

ander, die een zwart- en witten haan, te midden van vrouwelijk pluimvee

ontwaart, vestigt onzen aandacht daarop, zeggend: »Sèg, jô, 'n

tààgerháán!«

Wij schatten de zwaarte van zwijnen en runderen, en voorspellen met

landelijke zekerheid het weder van den volgenden dag.

Wij kennen vele boeren bij hunne voor- en geslachtsnamen, en kunnen met

één oogopslag een regeerings- van een particulier schaap onderscheiden.

Ik verzeker u, lezer, die gelachen hebt omdat Stastok Sr. zijn dag naar

het passeeren van den wagen van drieën indeelde, dat zaken als wagens

van drieën belangrijker zijn, dan het opdringerig beieren van uw

beursklok.

De aankomst van het bakkersknechtje, met zijn kist vol »tompoeze«

geeft ons een inniger sensatie, dan het kanon bij de Invalides het den

Parijzenaar ooit zal doen, en de aankomst van de veldpost, die ons een

enkel briefje brengt, is een heerlijker moment in onzen dag, dan een

vette morgencourier bij uw ontbijtbord het in den uwe is.

[Illustratie]

Let gij ooit op de sierlijke meeuwen, die in de gracht, juist tegenover

uw hoogen stoep, zoo dartel en sierlijk stoeien?

Neen! gij jaagt ze op, wanneer ge 's morgens haastig een parapluie

opsteekt, en uw keukenmeid werpt ze hoogstens een handvol oud brood toe.

Wij niet alzoo!...

Wij hebben óók meeuwen, en we hebben ze lief!

Zorgvuldig zoeken wij de oneetbare stukken pens, eelt, huid en darm uit

onze soep te zamen, en leggen ze op een hoopje vóór ons op tafel.

Vervolgens treedt Bertus naar buiten, en werpt ze onder het even ruraal

als goedig geroep van: »Meeuwéééé, Meeuwéééé!« den lieven dieren voor.

Wij kennen ze allen, en noemen ze bij namen als: »Vetpens« en

»Hinkepoot« en »Darremediefie«.

Zoo zijn wij, buitenmenschen.

En gij lezer, ge mist véél. Ge kent niet de zoete mestgeuren, die tot

ons overwaaien, en kunt u nauwelijks voorstellen, hoe men een ei uit een

kippenhok wegneemt.

En evenmin kent ge het heerlijke van de groote stad, wanneer ge die

sporadisch bezoekt.

Ons hart springt van vreugde op, wanneer wij een enkele maal in

Amsterdam den trein ontstijgen; wij zijn dan vol jolijt, vanaf den

eersten borrel in een grootsteedsch koffiehuis, tot het moment, dat we

ons haastig weer naar het station spoeden, door de duistere straten,

waar een dwalende vrouw ons vòl ingehouden haat tusschen de tanden door

toe-sist: »Dag ssschàt!«

* * * * *

_Dansen._

Lezer, ik ben dóódmoe... bijna te moe om nog verder te schrijven. Ik ben

niet moe door den dienst, maar door hetgeen bij de officieren onzer

zeemacht wordt verstaan onder: »representatieve verplichtingen«. Ik heb

namelijk gedanst.

Zooals de officieren van H. M.'s zoo-en-zoo, die te Paramaribo ligt,

verplicht zijn de dames dier stad ten dans te voeren, zoo heb ik mij

verplicht gevoeld de dames van het gehucht Kleilust te doen profiteeren

van mijne kundigheden op het gebied van: Polka, hossen, kruispolka,

schotsche-drie en nog eenige gezelschappelijke dansen.

Het gevolg is, dat ik met een paar blauwe schenen en een ingedrukten

borstkas kwartierziek te bed lig, terwijl naast mij mijn tuniek ligt,

die als doorzeefd is van zwarte brandgaten, die niet door kogels, zooals

ge wellicht zoudt denken, maar veeleer door de sigaren mijner onachtzame

mededanseurs veroorzaakt zijn.

Voor het bal had ik mij zoo netjes mogelijk gekleed, en eenigszins van

modder ontdaan; dit deed mij gunstig afsteken bij de andere heeren.

Toen ik binnentrad in de danszaal, was het bal reeds begonnen, hetgeen

merkbaar was aan veel gedreun, dikke tabaks- en stofwolken, geschreeuw,

gerinkel van glazen, en, nu en dan hoorbaar, ook pianospel.

Aangezien ik niemand kende, en er geen dames ontvingen, baande ik mij

een weg tusschen de menigte door, en ging op een jongmensch af, dat, met

zijn arm om de schouders eener jonge dame geslagen, een sigaar zat te

rooken.

Ik wilde, via hem, met de jongedame kennis maken, en trachtte mij voor

te stellen, maar hij raadde en voorkwam mijn wensch door haar, met den

uitroep: »Pak maar mee, verdorie!« in mijne armen te duwen.

Aanstonds klampte ze mij, plichtsgetrouw, in een danshouding vast, en,

vóór ik het wist, waren we in den stoet, en dansten, òm een houten tafel

heen, een z.g. Spaanschen wals.

Een wals was het echter niet, en ook het Spaansche element kòn ik,

behoudens dan misschien in het gewèldig gestamp, waarmede de dansers

telkens vóór- en achterwaarts sprongen, bezwaarlijk vaststellen.

[Illustratie]

Om iets tegen mijn danseuse te zeggen, maakte ik de opmerking: »dat het

fijn ging!«

Ze knikte van ja, en ik bemerkte, dat ze transpireerde.

Toen zeide ik dat het vol was, en weer lachte ze, knikte van ja, en

bleef transpireeren.

Daarna zeide ik achtereenvolgens, dat het warm was, dat ze zeker

verkeering had, dat haar kapsel modern was, en dat ik vreesde dat het

zou gaan dooien, en voortdurend bleef ze lachen, ja-knikken en

transpireeren.

Toen de dans uit was, bracht ik haar naar den jongeman terug, die

aanstonds zijn arm weer om haar hals legde.

Dien avond danste ik met vele lachende, ja-knikkende en transpireerende

boerinnen. Ten slotte werd ik wild en duizelig, rookte onder het dansen

3-cents sigaren, trapte en kreeg blauwe schenen, en dronk veel bier en

brandewijn.

Ook nam ik deel aan het algemeen vuistgevecht, dat het geanimeerd einde

van het bal was, en wist zelfs in belangrijke mate bij te dragen tot het

vernielen van tafels, lampen, stoelen, en ook van het buffet.

Het was werkelijk een aardig bal, mijn eerste van dezen winter. En het

is zoo prettig, geen digestie-visite te hoeven maken.

_Eten._

Neen, neen ge weet niet, en kunt nimmer vermoeden, _hoe wij eten_.

Ik weet zeker, dat gij het niet _eten_ zoudt noemen, maar veeleer

voederen.

Van het ontbijt behoef ik u niet veel te zeggen; eenige uren vóór dat

men u komt zeggen, dat uw morgenbad gereed is, klinkt vlak naast mijn

slapend hoofd een luide slag. Elken morgen wéér schrik ik van dien slag,

die intusschen van zeer goedaardige soort is, en slechts verwekt wordt

door een loodzwaar en keihard broodje, dat op mijn bed geworpen wordt.

Dit broodje vormt, bespoeld met lauwe thee uit een emmer, mijn ontbijt.

Van meer belang is echter het noenmaal.

Een kwartier vóór de voedering zal plaats hebben, worden wij onrustig,

wij dringen tezamen in ons hok, maken doffe geluiden, stampvoeten en

twisten, zooals ge dat ongetwijfeld kent van de beren en leeuwen in de

een of andere diergaarde.

De een slijpt zijn mes aan zijn schoenzool, een ander veegt zijn bord

nog eens af met een onderbroek, die hij tot dat doel stiekem van het bed

eens buurmans neemt, en allen maken wij vast onze halskragen en bovenste

jasknoopen los.

Zoodra de emmer met voedsel wordt binnengedragen, dringen wij, met

het bord in de eene hand, en met de andere de lepel boven het hoofd

zwaaiend, naar voren. De borden verraden in hun afmetingen en diepte de

vraatzucht hunner bezitters; de meeste borden zijn diep en rond, maar

sommige ook langwerpig en breed. Dat is het bord van Karel, die uit

louter gulzigheid groote hoeveelheden voedsel wil hebben, die hij niet

voor de helft verwerken kan.

Maar het zijn niet in de eerste plaats boonen of doormekaar die ons

dringen geldt, neen, wij dringen om het gróótste stuk vleesch machtig te

worden.

Het grootste stuk vleesch... dat is het dagelijksch strijdpunt, de bron

van vele smeulende twisten en veeten, en de oorzaak van menigen oorveeg.

Eens heb ik, per ongeluk, het grootste stuk vleesch gekregen.

Nimmer zal ik dien dag vergeten.

Er was haat en woede in het gesmak der etende monden om mij heen, die

kleinere stukken vleesch genoten.

Men sprak van: »zeker thuis nooit vleesch«, en, dagen daarna, volgden

mij nog sombere blikken.

Wanneer het voedsel verzwolgen is, ligt de tafel vol versmade resten,

en, na 'tgeen nog op onze borden is, in de pannedeksel teruggeschoven te

hebben, leggen wij ons hijgend en blazend op onze bedden, en maken nòg

een knoop los.

[Illustratie]

Karel echter, blijft nog om de pan zweven.

Hij krabt de gestolde jus van de randen en vult daar een kommetje mee.

Dat blijft bij zijn bed staan, en morgen smeert hij het op zijn

boterham.

Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige. · 第 51 / 60 题