V.

Kleilust, 1 Februari.

_Vorst._

Nu is de klei bevrozen. Goddank! Want daardoor zijn alle onaangename

eigenschappen van deze materie tot minima gereduceerd.

Wat eenmaal vette, voeten-inzuigende en kwalijk-riekende terreinen

waren, zijn nu steenharde vloeren; de drabbige slooten zijn versteend

tot spiegelgladde verkeersaderen, en de ons immer zoo verraderlijk

omkronkelende fortgracht is nu niets anders dan een volstrekt

onbelangrijk ijsvlak.

[Illustratie]

Alles is bevrozen.

De stroompjes vuil water, die van uit de keuken over de klinkers buiten

uitvloeien, zijn plots in hun tragen gang gestolten tot vadzige

viezigheid in ijsvorm.

Men toont u nog ijsblokken rondom de sinds lang onbruikbare pomp; daar

heeft, éven voor de schrikkelijke en plotse vorst, de laatste man zich

kunnen wasschen.

Nu is dat alles voorloopig onmogelijk; aan de punten der sokken, die wij

te droogen hebben gehangen, vormen zich lange ijskegels.

Gerrit breekt ze verstrooid af, en stopt ze in zijn mond.

En het blijft vriezen.

Toch is de ijspret al door het culminatiepunt.

De vreugd steeg steil tot uitbundigheid, en daalde toen zoetekens weg,

tot de hoogte waarop zij zich nu blijft handhaven.

O, die eerste dag!

Toen stoeiden de drie witte koks op het ijs, toen lag Teun op z'n buik,

en prikte zich met twee blanke bajonetten vooruit. Toen sulden ze met

stoelen en banken over het voorheen zoo onherbergzaam water, toen werden

er bloedneuzen op- en sterren in het ijs gevallen.

Daarop kregen ze den slag van voor drie jaar weer beet en dat bracht het

feit mede, dat ze de fortgracht verlieten, om de naburige plassen en

banen te gaan frequenteeren, waar de een zijn Keetje vond, en de andere

zijn Hendrika of Gijsbertina, altemaal rood-wangige en worst-armige

boerendochteren, die nog riepen: »kijkie nogeris om?« omdat

»hadjememaar« nog niet tot ze was doorgedrongen.

[Illustratie]

Verscheidene dezer dochteren heetten vele koeien te bezitten en gansche

kudden pluimvee, en er was een groote zwarte, die de allerrijkste was,

en dus met niemand een baantje reed.

Dat lag niet aan haar, ach neen, hare oogen waren even verlangend als

die van anderen, en in hare roodbolle wangen tintelden minstens evenveel

levenslust, als in die harer zusteren. Neen, de schuld lag veelal bij

ons.

Wij drongen te hoop, zoodat het ijs te dier plaatse vervaarlijk kraken

ging, en wij wezen elkander de groote zwarte boerendochter aan: de een

wist te vertellen van achttien zeugen, alle gereed tot biggen,--een

ander fluisterde met ontzag iets van vier en twintig koeien en twee

paarden....

Wij watertandden, de snijdende koude ten spijt, en Kees prevelde gretig

starend:

»En wij krijge maar zóó'n stukkie vlees' bij de door-me-kaar.«

De rijke boerendochter bleef alleen. En intusschen omzwierven haar heure

armere zusteren, allen met branie--en--met soldaten, en in iedere hoek

van de ijsbaan wist men weer nieuwe rijkdommen aan levende eetbaarheid

te verluiden.

* * * * *

Vervolgens strekte de hooge overheid hare goedertieren hand over de

feestvreugd uit; zij arrangeerde een ijsfeest.

Voor een feest zijn wedstrijden noodig, voor wedstrijden deelnemers, en

voor deelnemers lokmiddelen.

De lokmiddelen waren sommen gelds.

Kees heeft er een veroverd en de overheid heeft hem die, met een woord

van hulde, overhandigd.

»Nu Kees«, zeide ik na afloop van de plechtigheid, »waart ge onder den

indruk?«

Hij keek me ironisch aan, en leek, den prijs in contanten ten spijt, wel

ietwat verstoord.

»Nu«, ging ik vroolijk voort, »heeft men u in 't zonnetje gezet?«

»Och, zeide hij, het was een heele toespraak. Ik kon niet alles

verstaan. Maar hij zei ook, dat ze in de grijze tijd op osseribbe rede,

en nou op ijzers... wat gaat dat _mijn_ nou an... wat is dat nou voor 'n

gezegde...!« En ongeduldig wendde hij zich af.

* * * * *

Des morgens geeft men elkander, zij 't ook niet geheel gewasschen,

rendez-vous op het ijs.

Daar komt de grappige cantine-beheerder, die, wanneer men een

schoenveter bij hem komt koopen, vraagt: »een linker of een rechter«;

daar komt de boerenzoon uit de buurt, die voor een gering wekelijksch

bedrag de afval van het fort opkoopt en daaronder een belangrijk

percentage rekent van H. M.'s soldatenbroodjes, die hij in een zak weg

draagt om er zijn vette volgevreten zwijnen meê te overvoederen; daar

komen de correcte heeren-soldaten van het bureau of de telefoon; daar

komen wij, simpele soldaten, die tenminste nog schaatsen bezitten of

leenen, en daar komen ook de nog simpeler soldaten die niet eens

schaatsen hebben, en die daarom maar sullen en stoeien, en onverhoeds op

elkanders rug springen, of op die van een passeerenden kunstrijder.

Waag dat maar eens op de Amsterdamsche IJsclub!

* * * * *

Wanneer dames op het ijs komen, is de animo direct veel grooter. Het was

op een middag, dat wij de eerste zagen verschijnen.

Opeens was er groote aandacht. Allen staarden op de naderende figuur,

zooals de leden eener zoölogische expeditie, op een exploratietocht in

nimmer betreden binnenlanden een nieuw soort kangaroe zouden waarnemen.

[Illustratie]

Zij bewoog zich door het sneeuwlandschap, en naderde de ijsvlakte; aan

den oever zette zij zich neer tusschen wuivend rietgewas, en keek om

zich heen.

Het was een circa 30-jarige boerin met zwarte kleeren en een zwarte

hoed. Alles was zwart, en stak fel af tegen den witten bodem.

Ademloos bleven wij staren, en opeens werd een smalle blanke strook

zichtbaar; het was haar onderrok, en zij wilde blijkbaar haar schaatsen

onderbinden.

»Hoooòi, koeiéééé!« riep Kees.

Zij bleef voorovergebogen zitten.

Het duurde lang.

Toen snelde ik opeens voorwaarts, vol ridderlijk besef, en, haar

naderend, bood ik haar op even wellevende als zichtbaar onbaatzuchtige

wijze, mijne diensten aan bij het vastsnoeren der riemen.

Reeds knielde ik neer, om het blanke ijzer onder haar ietwat plompen

laars te bevestigen.

Maar op hetzelfde oogenblik trof een geweldige slag mijn schedel, en een

schelle stem riep:

»Gà je heen, beroerde rotjonge!«

Toen ik opkeek, begreep ik, dat zij mij met de nog losse schaats een

slag op het hoofd had toegebracht, en tevens dat mijne diensten evenmin

gewaardeerd als aanvaard werden.

De dertigjarige, geheel zwarte boerin zat sidderend van woede vóór mij.

Achter mij tierden de kameraden.

De onheusche vrouw snelde kakelend den oever langs, als eene van haar

nest verjaagde henne.

Ik bleef duizelig achter; zij werd kleiner en kleiner, en was eindelijk

nog slechts een zwarte stip in het blanke landschap...

Lezer, leer hier uit, dat onze zorgvuldiglijk gecultiveerde zeden ons

op het land zedeloos doen schijnen, en dat het een ondankbaar, zoo niet

gevaarlijk werk is, om dertigjarige en geheel zwarte boerinnen de

schaatsen onder den voet te willen binden.

Gaat niet een poes blazen wanneer men haar streelt, en een kanarie

fladderen wanneer men haar grijpen wil?

* * * * *

_Van een luitenant en een piano._

Hij was een jonge kerel, en men had hem een piano leeren bespelen.

Maar hij had niets aan zijn jeugd, aangezien men hem had ingekwartierd

in een afgelegen gehucht van nauwelijks zestig inwoners; en ook zijn

behendigheid op 't klavier kwam hem bitter weinig te pas, daar in de

buurtschap slechts één amechtig harmonium leefde, dat bespeeld placht

te worden door eene menschenschuwe boerentante. Zij speelde psalmen en

gezangen.

Zoo bleef hij dan eenzaam, en gevoelde zijn geest verslappen en zijne

eenmaal krachtige en lenige piano-vingers verstijven.

Een drenkeling komt nog éénmaal boven, vóór hij voorgoed verdwijnt. Een

luitenant in een stil gehucht krijgt nog één levende gedachte, alvorens

hij geestelijk ten onder gaat. Zoo kreeg dan ook deze luitenant op

zekeren dag een gedachte.

Hij sprak die uit tegenover Kees en Teunis, zeggende:

»Mannen, in 't naburige dorp weet ik een piano te huur, wilt ge die voor

mij halen?«

»Och, jawel!« zei Kees.

»Vrij rooken onderweg?« vroeg Teunis.

Met deze, en nog andere beloften, ongerekend nog veel overredingskunst,

gelukte het hem een zestal mannen voor het karweitje bereid te maken.

Zij vertrokken met een rammelend wagentje, dat ze bij een boer gehuurd

hadden, in de richting van 't naburig dorp. In afwachting zette de

luitenant zich voor zijn wankele één-poots-tafel, en trommelde, zooals

hij dat reeds vele avonden gedaan had, met zijne vingers op het

tafelblad zijn lievelingsmelodie, te weten: »_Einzug der Gladiatoren_«.

[Illustratie]

Toen hij die driemaal getrommeld had, ging hij zenuwachtig voor het

venster staan, en trommelde op de ruit: »_Ja, das haben die Mädchen so

gerne_«.

Hij was als een gramophone met vele oude platen.

Na bijna drie uur van pijnigend afwachten, klonk een luide slag door de

dorpsstraat.

Hij snelde naar buiten. De piano kwam de hoek om, maar was in de bocht

tegen het uithangbord van de plaatselijke vroedvrouw aangeslagen. De zes

soldaten rookten als Amerikaansche-munitie-fabrieksschoorsteenen; op de

piano, op den wagen, stond een ledig sigarenkistje; de zakken der

soldaten waren zéér vol.

Toen de piano een half uur later een-derde van de luitenants-kamer

besloeg, kwam het den officier voor, dat het instrument er jarèn ouder

uitzag, dan hij zich uit de verhuisinrichting meende te herinneren. Ook

gevoelde hij stekende pijnen aan zijn voet, waarop de piano driemaal

met kracht was neergekomen, en aan zijne knieën, die viermaal op

onverklaarbare wijze tusschen het instrument en de geel-behangen wand

beklemd waren geweest.

De rest van den dag speelde hij: _Einzug der Gladiatoren_ en _Das haben

die Mädchen so gerne_.

Hoewel het instrument zéér ontstemd was, stond de geheele bevolking

vóór het huis tehoop gedrongen. Om negen uur kwam de boer, van wien het

wagentje gehuurd was, tien gulden eischen voor beschadiging van zijn

eigendom. Om tien uur klonk plotseling muziek van de andere zijde van

het dorp: de menschenschuwe boerentante zat voor haar amechtig

harmonium, en speelde _Sien, Sien, Siene-là me lös_...

[Illustratie]

Om één uur in den nacht kwam de veldwachter den nog steeds spelenden

luitenant verbaliseeren wegens burengerucht.

Den volgenden morgen kwam een regeerings-telegram. Hij was onverwachts

overgeplaatst naar Amsterdam. Dienzelfden morgen kwamen de zes soldaten

weer, om de piano terug te brengen naar het naburige dorp.

Toen zij binnen kwamen speelde de luitenant: »_Einzug der Gladiatoren_«.

Zij grepen het instrument aan en wierpen het met een slag op een ander

wagentje, dat ze van een anderen boer gehuurd hadden.

Op een draf verlieten zij het gehucht, de piano op de rammelenden kar

achter zich aansleepend.

's Avonds kwamen zij zéér beschonken thuis; de kar lag in een sloot,

maar de piano was weggebracht. Even vóór hij naar zijn nieuwe

standplaats vertrok, kreeg de luitenant nog twee rekeningen.

Een van den boer, die f 50.-- schadevergoeding eischte voor zijn kar.

Een van den pianoverhuurder, die f 6.-- vroeg voor één maand huur en f

84.60 voor beschadiging van het instrument.

Nu is de luitenant in Amsterdam.

Iederen middag kunt ge hem vinden in de Bordelaise, waar hij naar

_Zunci's_ strijkje luistert en denkt aan zijn piano...

Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige. · 第 50 / 60 题