Hadde hij niet eene vuile infanterie-uniform gedragen, dan zou ik hem
voor een reddenden Kobold gehouden hebben.
Met oneindige liefde in mijne oogen keek ik hem aan, en ik strekte twee
dampend natte bloote zeepsoparmen tot hem uit.
»Drie kwartjes?« herhaalde eenvoudig-weg de bovenaardsche verschijning.
[Illustratie]
»Drie kwartjes!« riep ik schier buiten mijzelf van vreugd.
De bovenaardsche verschijning hield mij een modderzwarte hand voor. In
minder dan géén tijd blonken er drie zilveren munten in.
De Kobold wierp zijn tuniek uit, en verdween in de wolk van vet
zeepwater.
Hij was even geheimzinniglijk verdwenen als hij gekomen was.
Ik snelde juichend weg, en greep een reglement.
En ik leerde vele voorschriften, waaronder er echter geen was op het
wasschen van vuile pannen.
Dat zal ik ook wel nimmer leeren....
Het is in het leven de kunst, de moeilijkheden te omzeilen, niet ze op
te lossen.
Want daartoe is altijd wel een ander bereid....
... Voor drie kwarretjes....
* * * * *
_Kè-je niet groete?_
Deze vraag, burger, zal u wel zelden gesteld worden, en is zeker niet
meer tot u gericht, sinds uw groentijd aan deze of gene hoogeschool.
Mij werd zij dezen middag op het onverwachtst gedaan.
Ik wandelde met zekeren goeden Bertus.
»Dag Bertus,« riep een passeerende korporaal.
»Besjoer!« riep Bertus.
»Besjoer!« zei de korporaal weer, en ging naast Bertus loopen.
Ik wandelde aan Bertus' andere zijde.
Wij zwegen alle drie.
Omdat ik mindere ben, en die korporaal een korporaal is, kon ik niet
zeggen: »wie is die vent!«
Intusschen werd dit onuitgesproken vraagstuk evenmin van Bertus' zijde,
als van die des korporaals opgelost.
Opeens begon de korporaal een geanimeerde conversatie door mij toe te
voegen:
»Kè je niet groete?«
Blijkbaar kende hij zijn reglementen zeer goed.
Intusschen overwoog ik, hoe ik mij op de meest geschikte wijze van dit
vreemd en anoniem geleide zou kunnen ontdoen.
Ik vond een eenvoudigen weg, in het uitspreken der woorden:
»Dag Bertus!«
Het afscheid was al niet veel minder zonderling dan de kennismaking.
Met hetzelfde systematische superioriteitsbetoon herhaalde de korporaal:
»Kè je niet groete?«
Ook ditmaal logenstrafte ik deze veronderstelling.
Dit is een vreemd geval.
De vraag is: Kán een meerdere zich in het simpel particulier bestaan van
een mindere dringen, en hem vervolgens op militaire wijze hard vallen?
Ik ben maar een eenvoudig en ongegradueerd wandelaartje langs 's Heeren
wegen.
En ik smeek u, heeren korporalen, mij mijne wandelgenooten zelf te doen
kiezen.
Gaarne groet ik u op straat op de voorgeschreven wijze, gaarne volg ik u
in het eerste dubbelrot.
[Illustratie]
Maar verschoont me in mijn vrijen tijd van uw hoog geleide, want:
niemand kijkt naar een soldaat en lieve schoolmeisjes kijken naar een
officier.
Maar de soort vrouwen, die op straat het oog welgevallig op gele en
gouden strepen doen rusten, vrees ik met de angst, die ik voor zeepsop
en gestold vet koester.
En, korporalen, uw glorie straalt teveel af op mijn simpele
verschijning.
Ook klinkt uw commando mij slechts dragelijk binnen de muren van het
dienstgebouw.
* * * * *
_Theorie en practijk._
Weer zitten wij, leergierigen, verzameld om den kundigen sergeant.
Buiten giert de wind langs de wanden van het fort. Het is een gure
morgen, en, tesamenhokkend rondom een snorrende potkachel, genieten wij
militair onderwijs.
»Waarom,« vraagt de kundige sergeant, »verdedigen wij het Vaderland?«
De sergeant doet niets, zonder te weten waarom hij het doet. Keesje
droomt, dat de sergeant hèm aankijkt, en schrikt wakker.
Met glazige oogen staart hij den sergeant aan, wiens houding inderdaad
aanduidt, dat hij het patriotisch antwoord uit Keesjes mond wenscht te
vernemen.
Keesjes weet niet, waarover het gaat:
»Omme, omme....« stamelt hij.
Pijnlijke stilte.
Opeens zegt Hein luid, en vol overtuiging:
»Ja, de sersant het gelijk! Wáárom verdedigen wij het vaderland ook!«
Keesje lacht dom met de anderen mee.
Een stormvlaag veegt langs de deur; de les gaat voort. Het wordt ook
_mijn_ beurt.
»Wat zie jij, Stoke, als je een parlementair aan ziet komen?«
»Een parlementeer ankomme!« zegt Daan.
»Heet jij Stoke?« vraagt hem de sergeant.
»Nee, uwes?« informeert Daan.
[Illustratie]
Intusschen herinner ik mij, dat Gijsbrecht van Aemstel, in de zooveelste
acte van zijn treurspel een parlementair ontvangt.
Ik moderniseer en parafraseer de scéne tusschen Gijsbrecht en den heer
van Vooren (met den trompetter van achteren).
Vondel heeft blijkbaar zijn theorie goed gekend.
De kennis van zijn treurspel bezorgt mij een tot vreugde stemmend
cijfer; de les gaat voort.
Achtereenvolgens beschrijven wij nauwkeurig: »wat wij zou'en doen als:
een vliegmachine vlak bij ons neerviel, een vijandelijke ruiter ons,
onderscheidelijk stappend, dravend of galoppeerend naderde, een
slagveld-roover onder onze oogen een lijk bestal, een vijandelijk
soldaat ons als vrouw vermomd trachtte uit te hooren... als... als...
als, ja, wat al niet!«
»As de hemel naar benejen komt hebbe me allegaar 'n blauwe mus op!« zegt
Daan.
De anderen geven zonder onderscheid bloeddorstige antwoorden als: »'m
voor z'n raap schiete«, »'m door z'n test paffe«, of »'m z'n vet geve
dat ie 't niemeer over vertelt.«
[Illustratie]
Nu en dan geeft de sergeant een tactische terechtwijzing, maar, over het
algemeen blijken wij onzen taak juist in te zien.
Of wij intusschen de portée dezer bloeddorstige voornemens wel ten volle
beseffen, wordt twijfelachtig, wanneer de veronderstellingen op meer
persoonlijk terrein komen.
»Wat doe je?« vraagt de onderwijzer aan Keesje, »als Daan naast je
gewond wordt?«
»Daan helpe!« zegt Kees.
Wanneer het blijkt, dat hij dit niet dan op commando zal mogen doen,
kijkt hij Daan droevig aan.
»Ik ken Daan toch niet late verrèkke,« zegt hij eindelijk, »hij is toch
óók 'n mensch!«
»Je mag 'm alléén helpen op bevel van je meerdere!« zegt de onderwijzer.
»Nou, Daan, dan weet je 'n 't,« zegt Kees baloorig, »je ken verrèkke!«
Plotseling is de bloeddorstige stemming geweken.
»'t Is mooi!« roept er een, »dus as er zoo'n arme donder naas je lig te
bloeie, mag je 'n 'm geeneens meeneme?«
»Ik ken geen bees' sien lije!« roep een ander--»là-staan 'n kammeraad!«
»Al schiete ze Daan z'n beenen van z'n lijf, dan mag je nog niet de
linie verlaten om 'm te helpen!«
Nu schreeuwen ze allemaal door elkaar; de humanitaire gevoelens krijgen
de overhand.
Maar dan verzoekt de sergeant stilte.
De les gaat voort.
»Wat doe jij, Uiltjesbroekersma,--vraagt hij--als je buurman naast je
gewond wordt, en je ligt in de tirailleurs-linie?«
Uiltjesbroekersma wil z'n beurt niet bederven.
»Ik laat 'm liggen!« zegt hij kordaat.
Op de achterste bank klinkt gesis.
»Straks za'k je krijge, buite, wacht maar!« fluistert Daan venijnig.
»Heel goed,« zegt de sergeant.--»De volgende: Wat zou jij doen as«...
Zoo passeeren allerlei veronderstelde situaties de revue.
Men antwoordt.
De antwoorden staan in boekjes; het gemoed zwijgt.
Wat zouden wij doen als...
Ja, lezer, wanneer we geen boekjes hebben, weten wij het niet!
Is niet het levens-begrip zèlf een hypothese?...