Kleilust, Jan. 1917.
_Moeilijke Grondbeginselen._
Wij allen wijden onze beste krachten aan het Vaderland.
Goed!
Wij worden soldaat.
Best!
Wij laten ons opleiden tot een rang.
Uitstekend!
Wij ontzien daartoe geen moeiten, en leeren alle reglementen en
voorschriften.
Natuurlijk!
Ook willen wij wel aardappelen-jassen.
Waarom ook niet?
Maar, geef ons op dat laatste punt een béétje toe!
Een béétje maar!
Vergeef ons, indien wij eenige aardappelen minder ontbolsteren dan onze
buurman, als wij daarvoor enkele voorschriften beter bestudeeren.
Ach, ware dat zoo!
Maar dezen morgen moest ik alweer ondervinden, dat een _man_ als
zoodanig geen _individu_ is.
Ondanks noesten ijver, geraakte ik met het aardappel-ontbolsteren
achterop.
Het blanke vleesch van nauwelijks veertien naakte vruchten schemerde aan
mijn voet.
»Kom _jij_ d'r es uit!« deed dreigend de sergeant.
Ik gehoorzaamde.
Aanstonds dirigeerde hij mij op een gelijkelijk moeilijk werk, doch dat
van even weinig strategische waarde is, als het aardappeljassen.
Hij voerde mij, nu dreigend zwijgend als een onweerslucht, naar... de
keuken.
Daar wachtte mij een zeer moeilijke arbeid.
Deze bestond uit het reinigen van de eetketels van den vorigen dag.
De herinnering alleen aan de pyramide van vette, nog ten deele met
bruine boonen en gestold vet gevulde pannen, doet mijn hart nu nog
tesamen trekken.
Maar ook _dit_ grondbeginsel diende met lust beoefend te worden; de
sergeantelijke hemel bleef dreigen...
[Illustratie]
Ik greep de eerste pan; als een gladde visch ontsnapte zij aan mijn
hand, en plonsde in de bak met geel zeepwater. Weer onderdrukte ik een
rilling.
»Hoi, haalop!« riepen de koks, terwijl zij geheele reeksen vuile
etenspannen gereed zetten.
Met den moed der vertwijfeling wierp ik mijn tuniek uit, en stroopte de
hemdsmouwen op.
Een afschuwelijke walm van warm zeepwater, oud vet, en boonen omving
mij.
Ik trachtte te vergeten, dat ik nog vele reglementen te leeren had, en
stortte mij op het besmeurde vaatwerk....
Toen geschiedde er een wonder.
Duidelijk hoorde ik een mannenstem zeggen:
»Voor drie kwartjes doe ik het ook!«
Lezer, het was geen angst voor de onafzienbare reeksen pannen, die mij
deed opschrikken; veeleer was het een laaiende hoop, de hoop die dubbel
machtiglijk opwelt, wanneer er al geen verwachting op uitkomst meer
bestond.
Wild drong ik door den nevel van vet en stoomwalm, en riep uit:
»Wie sprak daar?«