Ja, ja: _pourvu qu'ils tiennent, les civils!!_

* * * * *

_De film van Leger en Vloot._

Wanneer ik een winkel had, zeide _Gerrit_, en ik bang was voor mijn

concurrenten, dan zou ik het volgende doen: Ik huurde een groot huis,

met veel étalage-kasten. In die étalage-kasten zette ik àllen voorraad

dien ik had. De winkel zelf bleef ledig; alleen moesten er een paar

vroolijk uitziende winkeljuffrouwen rondloopen. Ik zelf hing een zware

horlogeketting op mijn buikje, en antwoordde iedereen, die iets anders

wenschte, dan in de uitstalling lag: »het is uitverkocht maar reeds

na-besteld!«

Zoo'n winkel is de Leger- en Vlootfilm. Het is een étalage, en binnen

loopen soldaten met vroolijke gezichten.

»Ik wist niet, dat we zooveel paardenvolk hadden«, zei een juffrouw

naast me, toen ze _de_ cavalerie-brigade voorgesteld zag als _eenige

regimenten cavalerie_.

Toen de torpedobooten voorbij-joegen, maakte ze geluiden van ontzag: op

het juiste oogenblik verduisterde het beeld, om een nieuw te doen

verschijnen.

De duikboot herinnerde aan _de_ zakdoek van het verarmde adellijke

geslacht.

_De_ munitie-fabriek werd als _een_ munitie-fabriek met zwierige

nonchalance aangekondigd.

De afdeeling luchtvaart was een sport-evenement, het

anti-aircraftgeschut een surprise, en de 12-cm.-lang-batterij een min of

meer geslaagde aardigheid.

Maar wat goed was, dat waren _wij_. Wij tirailleerden in de duinen, dat

het zoo-maar niets leek, wij zwommen en turnden en fietsten, zooals wij

inderdaad allen doen. Wij marcheerden in dubbele-marsch-colonne over de

hei, alsof er geen gaten en struiken waren, en men juichte ons toe, toen

wij, over hekken en sloten jagend, een spoorwegdijk bezetten.

Opeens herkende ik Ari, die naar het veldleger vertrokken is. Hij stond

op een pontonbrug, schuin achter een divisie-commandant, en ik zag hem

zoo vlak in zijn gezicht, dat ik moeite had niet luidkeels uit, te

roepen:

[Illustratie]

»Hoi, kameraad! Amodjô!«

Ari keek zoo glunder, alsof hij mij erkende, maar de divisie-commandant

stond er bij, dus hij kon niets doen.

Plotseling maakte Ari een dwaas gebaar, met zijn hand aan zijn veldmuts.

Hemel--dacht ik bij mezelf--als die divisie-commandant eens omkeek!

Ari greinsde, trotsch op zijn moed.

De divisie-commandant had niets gezien, »gaf geen sjoege« zooals Ari en

ik dat noemen, en rookte rustig een sigaar.

Ari was gered! Branie was het tòch geweest.

Toen ik er later nog eens over nadacht, kwam op eens een akelig gevoel

in mij op: als die divisie-commandant eens naar de bioscope ging... en

hij herkende Ari, die toch bij het veldleger is...

Maar intusschen kwam er een verblijdend en geruststellend

krantenbericht, dat luidde:

H. M. de Koningin heeft de Leger- en Vlootfilm gezien, en er Hare

Tevredenheid over Uitgesproken. H. M. werd gevolgd door...

Toen kwamen er vele hooge heeren, waaronder ook de divisie-commandant.

Maar de Koningin is Tevreden: dus Zij neemt het Ari niet kwalijk. Nou,

dan kan die divisie-commandant óók niks zeggen!

Ik zal Ari een briefje schrijven.

Toch een branie, die Ari!

* * * * *

_Bazar voor Leger en Vloot._

Er is een tentoonstelling van de huisvlijtproducten, die wij in onze

ledige uren maakten.

Aardig denkbeeld! Wie er iets voor maakte, kreeg eenigen tijd vrij van

dienst.

U snapt, dat we allemaal aan 't werk gingen.

Keesje maakte een Zeppelin van leege groentenblikken; hij sneed zich 14

maal in de vingers, en het ding is bij 't vervoer uit elkaar gevallen.

Daan wilde van zes afgekeurde helmen een berglandschap maken; maar,

aangezien hij nooit een berglandschap gezien had, hield het kunstwerk,

toen het gereed was, het midden tusschen een kudde dromedarissen en een

Bedouïnen-dorp.

Hein was heel geheimzinnig bezig, in een schuurtje; elken dag kreeg hij

een standje op 't appèl, omdat hij telkens verscheen met roode verf op

z'n uniform, en stijfsel in z'n haren.

Eindelijk kwam hij op een dag trotsch de cantine binnenloopen.

Hij zwoegde onder een torenhoog toestel, dat knalrood geverfd was. Toen

hij het op tafel zette, viel er een stuk af; met een luiden bons viel

het op den planken-vloer.

Iedereen keek er naar. Hein wischte zich 't voorhoofd af, en raapte het

stuk op.

»De Westertoren?« vroeg er een.

»Naatje van de Dam?« informeerde Daan.

Hein haalde minachtend de schouders op.

Iedereen raadde. Achtereenvolgens ging het voorwerp door voor: »een

bloosend maissie«, »een kenon met bloed 'r an«, »Hein assie rooie kool

gegéte het«, »de duvel«, en »Troelstra«.

Het werd een kruisvuur van aanmerkingen op het voorwerp, en opmerkingen

aan 't adres van Hein.

Hij volhardde in z'n minachtende houding, wierp een vernietigenden blik

om zich heen, en kwam toen naast me zitten.

[Illustratie]

»Weet je«--zeide hij vertrouwelijk, »'t is Mars, je weet wel, van de

oorlog! Ik had er een plaatje van, maar ie lijkt niet erg! Ik heb oude

broodjes opgespaard, maar die benne te hard, zie-je, je ken d'r geen

vòrm in krijge«.

En hij toonde mij een steenhard stukje »kug«, dat vol roode verf zat.

Het was het stuk, dat er zooeven afgevallen was, en 't stelde blijkbaar

Mars' linkerarm voor...

Ach, waarom u verder te vermoeien, met de opsomming van alles, dat uit

ons nijver handenspel ontstond.

Gaat ze zien, de doosjes en vogelkooien en prenten en »huishoudelijke

voorwerpen«; koop wat op de bazar, waar vriendelijke dames tentjes

exploiteeren.

»Laat ze d'r pret hebbe!« zegt, goedig, Daan.

»La--me eerst es afwachte wat 'r van komt«, zegt Hein.

En hij maakt een tel-gebaar met duim en wijsvinger.

Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige. · 第 47 / 60 题