Kleilust, Jan. 1917.
_Reizen en Passen._
Goede burgers! Ge hebt allen gesidderd bij het vernemen der
formaliteiten, waaraan ieder, die zich naar het buitenland wil
begeven, zich heeft te onderwerpen. Achter op lijn 2 hebt ge tegen uw
medereiziger gezegd: »dat dat voorloopig nog wel zoo blijven zal, ook nà
den oorlog.« En daarna hebt ge gezamenlijk, tot schrik en verbazing van
den conducteur en den trammenden slagersknecht, anecdoten opgehaald van
arrestaties aan de Russische grenzen, en over beroepspassenvervalschers
in Griekenland en Siberië....
[Illustratie]
Onwetende burgers! Ge kent niet het verschrikkelijke van een
_binnen_landsche reis. Ge weet niet, aan welke gevaren en bezoekingen
een reizende soldaat in uniform, zelfs een in burgerkleeren, bloot staat
tusschen Utrecht en Amsterdam of aan de stations te Rotterdam en te
's-Gravenhage.
Overal staat men gereed om zijne passen te visiteeren en zijn
legitimatie te eischen, aan ieder loket weigert men hem een kaartje,
wanneer hij niet bewijzen kan, dat hij er een koopen màg.
Zoo zijn de loerende kameraden en meerderen, op Vaderlandschen bodem hem
vaak noodlottiger, dan Russische grens-ambtenaren het een reizenden jood
of nihilist, Grieksche contra-spionnen het een voortvluchtigen spion
zijn...
Let eens op, wanneer ge aan een groot station door de contrôle snelt,
om nog een taxi te vinden, buiten; let eens op, en bemerk de daar
posteerende militairen, die tusschen den stroom der burgers op uniformen
loeren! Zie dan, hoe gretig zij elken soldaat om pas en legitimatie
vragen, en, wanneer ge er een kwartiertje voor over hebt zult ge
bemerken, dat er daar in dat tijdsverloop méér worden gevat en
teruggezonden, dan zulks aan de Russische grenzen in een half jaar
geschiedt.
[Illustratie]
Rijd eens langs de wegen, die het verdedigde platteland met de stad
verbinden; ge zult daarlangs des avonds heele optochten van fietsende
soldaten zien. Zij mògen weg van hun forten, maar, zelfs voor hun eigen
kosten, mogen ze niet per trein reizen. Die menschen hebben er dagelijks
eenige uren fietsens voor over, om hun gezin even te bezoeken.
Dit alles, goede burgers, heeft een doel.
Dat doel is, dat gij voldoende steenkolen zult overhouden, om uwe
kachels te stoken, om electrisch licht te hebben, om te trammen, en
om--zij het dan ook slechts tot middernacht,--in verlichte koffiehuizen
te kunnen zitten.
Alles heeft zijn prijs.
Ge kunt reizen, zooveel ge wilt, en zònder passen-ellende. Wij,
soldaten, kunnen van tijd tot tijd reizen, en dan nog slechts op vertoon
van een pas.
Zoo sparen de spoorwegmaatschappijen kolen.
Alles heeft zijn prijs.
Immers, wanneer het verlangen naar huis eens een dag héél sterk in ons
is, dan pompen wij onzen achterband op, en fietsen een uur of wat, en,
indien wij wèl een gezin, maar geen rijwiel kunnen houden, nu, dan
slikken wij ons verlangen maar in, en houden het oog gevestigd op het
maandelijksch verlof.
Want er is kolen-nood.