X.

_De militaire groet._

Een collega--»_Een Nederlandsch soldaat_«--betitelde hij zich, geloof

ik,--heeft gastvrijheid gevonden voor een ingezonden stuk van zijn hand,

in de meeste dagbladen onzer goede stad.

Boven zijn artikel schreef hij: »_de militaire groet_«. In zooverre

gevoel ik mij dus niet onschuldig aan plagiaat. Wat mijn confrère

betoogt, komt in hoofdzaak hierop neer,

--dat hij zijn plichtmatiglijk gebrachten groet wel eens genegeerd ziet,

of slordiglijk beantwoord,

--dat zulks in hem en anderen de lust tot salueeren aanmerkelijk heeft

doen bekoelen,

en dat hij dit--in het belang der krijgstucht--een leelijk teeken acht.

Behalve het hartstochtelijk ge-_Generaal_!! waardoor zich zijn in

vocatief-vorm gewrochte pennevrucht kenmerkt, heb ik een ander bezwaar

tegen zijn pathetisch betoog. Ik zoude namelijk mijnen wapenbroeder

willen toeroepen, met een commando-stem, die feitelijk mijnen bescheiden

rang kwalijk past:

»_Gij, snuiter, kent niet de poëzie van den militairen groet_«.

Want ontegenzeggelijk zijn er poëzie, fijne levenskunst en innige

beschaving toe noodig om den militairen groet in zijn diepste wezen te

kunnen genieten.

* * * * *

Op dit oogenblik waar--ik heb zulks nagecijferd--_in ons land per

secunde gemiddeld 72532 militaire handen tegen militaire

hoofdbedekkingen tikken_, lijkt mij deze zaak van genoegzaam algemeen

belang, om er eene nadere bespreking aan te wijden.

Ik zal dit doen op ego-centrisch-militaristische wijze, en begin

aanstonds te verklaren, dat ik gaarne salueer; de militaire groet is mij

van een plicht tot een genoegen geworden, van genoegen tot wellust en

van wellust tot hartstocht.

In café's en restaurants spring ik, bij het naken van welken meerdere

ook, als door een veer gedreven in kaarsrechte houding, niet lettende op

vaatwerk, dat in scherven van mijn schokkend tafeltje valt of op

buurlieden met wie ik in onzachte beroering geraak.

Bij den scheerder spring ik--het vlijmscherp mes verachtende--omhoog.

Op straat breng ik mijn groet met zóódanigen nadruk, dat de meest

hooggeplaatste superieuren snel pijp of sigaar uit den mond nemen en de

arm hunner echtgenoote loslaten bij mijne nadering, teneinde mijn groet

op dezelfde wijze te kunnen beantwoorden als ik hem breng.

Ik stoor er mij niet aan of zij al rustiglijk hun soep of drank genieten

in koffie- of eethuizen... ik plaats mij kaarsrecht, met aanéénkleppende

hakken rècht voor hun tafeltje en volhard in deze houding, totdat zij

gelieven mijne nietige aanwezigheid te aanvaarden en te approuveeren

door eene lichte neiging met het hoofd.

Ik groet meerderen in voorbijsuizende trams en huurautomobielen, weer

anderen met een pakje in iedere hand--die alsdan het hoofd in mijne

richting moeten draaien, mij daarbij aanziend--meerderen op vélocipèdes,

paarden en motorrijwielen... kortom, ik gedraag mij met innig wèlbehagen

naar de bestaande voorschriften.

Aan den anderen kant onderga ik met zeker filosofisch genot de

bejegeningen, welke mijn confrère heeft willen onderwerpen aan de

algemeene belangstelling.

Wanneer ik mijn reglementaire eerbetoon bracht, is het herhaaldelijk

voorgekomen, dat zulks beantwoord wierd met een goedmoedig:

»_besjoer_«.[F]

[F] _besjoer_ = _Nederlandsche volksuitdrukking, vermoedelijk afkomstig

van den Franschen groet: bonjour_ (= _goeden dag_) [Woordenboek.]

»_Besjoer_« schijnt--ondanks de hieronder aangegeven afleiding--eene

uitdrukking te zijn, die in zekere kringen zoo goed als morgen-,

namiddag- als avondgroet geldt. Geen enkel militair reglement bevat

overigens de uitdrukking _besjoer_ als equivalent aan den groet.

Een andere merkwaardigheid, die ik niet onopgemerkt mag laten in dit

verband, is deze, dat het meerderen vrij staat om, als teeken van

opperste goedertierenheid, een gebaar te maken, dat zooveel zeggen moet

als: »houd je gemak maar--ik ben niet gediend van dit eerbetoon«.

Als toelichtend voorbeeld moge hier gelden mijne ontmoeting van dezen

middag; ik zat--goedig--ergens, in een soort societeit, te lezen,

toen opeens de gapende deuropening de gestalte omlijstte van eenen

ongeschoren superieur met slecht geknipt hoofdhaar. Aanstonds ontrukte

ik mijn geest aan de lectuur, concentreerde deze op het reglement van

krijgstucht, en maakte aanstalten, om, verrijzende uit mijne liederlijk

gemakzuchtige houding, die aan te nemen van eenen jongen eik...

Hoe groot waren echter de schrik, en tevens het weldadig gevoel van

dankbaarheid in mij, toen deze meerdere, met een handgebaar als dat,

waarmede de Romeinsche Keizers het leven schonken aan onderliggende

gladiatoren, mij beval hem _niet te groeten_.

Ik heb niet de eer, dezen menschlievenden superieur van nabij te kennen,

en--hij duide het mij niet euvel--maar ik gevoel vrees voor eene

mogelijke kennismaking. Want wat moet men doen--in 's hemelsnaam

wàt--wanneer iemand uit vriendelijkheid je groet weigert?

Het duizelt in mijn--helaas--àl te gezelschappelijk--brein. En, méér dan

ooit, wil ik mij vanaf dezen namiddag militair gevoelen.

En nòg ben ik niet uitgepraat over den groet! Er rest mij een zeer

actueel, een _in lagere militaire kringen_ (van korporaals en nòg

hoogeren weet ik natuurlijk niets af) op het oogenblik

druk-bediscussieerd vraagstuk, dat ik mijn lezers met nadruk voorleg.

Het luidt als volgt:

_Wat of wien geldt de militaire groet? de distinctieven van een rang, òf

den drager dezer distinctieven?_

Ik persoonlijk acht mij niet competent het antwoord op dezen vraag te

geven; ik zeide u reeds, dat ik een slaaf ben van den

militairen-groet-hartstocht, en, gij weet het allen: in hartstocht

ontstoken menschen hebben geen rijp oordeel.

Ikzelve groet wáár en hoe ik slechts distinctieven zie: op mouwen, op

kragen, op overjassen...

Onlangs heeft men er mij in de kazerne zelfs op betrapt, dat ik--en ik

schaam mij bijna zulks in het publiek te bekennen--dat ik op mijnen weg

naar de cantine salueerde voor de goud-bestreepte overjas van onzen

sergeant, die aan een lijntje (de overjas, niet de sergeant) te drogen

hing...

* * * * *

_Feestgeschenken._

Bij al het goede, dat de dienst mij gegeven heeft is ook dit: ik zie nu

klaar en helder voor mij, wat de groote fout is in onze maatschappelijke

samenleving. Een fout, die bankroeten en veeten en brouilles en

mal-entendu's bij dozijnen in de wereld brengt, die huwelijken verstoort

en voorgenomen huwelijken doet afspringen...

Ik meen _de verderfelijke spilzucht_, die in ons allen is.

Wanneer onze ouders jarig zijn, of als wij het Sinterklaasfeest vieren,

dragen wij de meest prijzige zaken in huis; naar begrafenissen zenden

wij péperdure kransen en bloemstukken, en wij rusten niet, wanneer de

geschenkentafel van een bruidspaar zonder een zilveren jardinière of 250

oestervorkjes onzerzijds blijven moet...

Wij putten door onze beurzen onze harten ledig, en onze zielen vullen

zich met nijd en venijn, waar slechts liefde en toewijding behoorden te

bestaan.

Dit alles wilde ik zeggen, alvorens u het treffend voorbeeld van

waarlijk finantieel overleg te toonen, dat ik dezer dagen mocht

medemaken.

Een mijner collega's dan huwde, althans was van plan in het huwelijk te

treden.

Nu, als goede vrienden offer je dan met genoegen je dubbeltje of je drie

stuivers, teneinde een passend feestgeschenk te kunnen helpen

bekostigen.

Er zijn wel altijd booze tongen, die beweren, dat: »hij trouwt voor de

ondersteuning!« of »dattet een moetje is«, maar, waarlijk goed gezinde

kemeraden, zooals ik niet aarzel mij er een te noemen, hechten geen

geloof aan dezen taal, en getroosten zich het ongerief van tien of

vijftien centen, teneinde dien dag tot een onvergetelijke te doen zijn.

Aldus geschiedde, en, hoewel niet zonder vechten en kleerscheuren, kwam

een bedrag van f 9.22-1/2, zegge negen gulden en twee en twintig en een

halve cent bijeen. Nu denkt ge alweer aan de zilveren jardinière, of de

250 oestervorkjes...

Neen, lezer, dat hebt ge nu eens lekker mis! Geen stomme jardinière, en

geen doodgewone oestervorkjes, doch:

a. _een pendule voor schoorsteenmantel_,

b. _een dito zijstuk_,

c. _een dito dito_.

d. _een (ietwat gehavend) borstbeeld van Boerhaave op voetstuk_.

e. _twee schilderijen_.

f. _een doosje met opschrift: »Souvenir du Caire«_.

(dit laatste luxe voorwerp voorzien van een niet onkunstig uitgevoerde

voorstelling van het Casino met omgeving.)

»Nou«,--zeide Marinus, die de aankoop had gedaan, met kwalijk verholen

fierheid--»nou zèg, dat is nogges een kedo, waarvan ze op derlui kop

zullen gaan staan fan de lol, wàtte?«

Wat dan ook--naar men zegt--plaats heeft gehad.

* * * * *

N.B. Nadere berichten melden, dat het huwelijk niet doorgegaan is, ja,

dat de huwelijksplannen gefingeerd waren.

Dit zal u het feit verklaarbaar maken, dat de geschenken momenteel

vertoeven in den gemeentelijken Lombard.

Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige. · 第 35 / 60 题