XI.

_Beroeps-risico._

Het was maar een héél kort, bescheiden berichtje, dat dezer dagen in

de Vaderlandsche pers gecirculeerd heeft, doch het was er een dat mij,

en velen met mij, vervuld heeft met innige dankbaarheid jegens onzen

goedertieren superieuren. In het kort kwam het hier op neer, dat het

legerbestuur een commissie afgevaardigd heeft naar een tentoonstelling

te Düsseldorf waar--naar men mij vertelt--allerlei nuttigs en

merkwaardigs te zien zal zijn op het gebied van kunstarmen, kunstbeenen,

glazen oogen, houten neuzen en diergelijken. Het gemoed schiet mij vol

bij de gedachte aan deze voorzorgen, genomen in een tijd, dat gelukkig

ieder Nederlandsch soldaat nog in het bezit is van een volledig stel

lichaamsdeelen en organen. Vooral de pers der centralen is sterk in het

verspreiden van berichten en foto's betreffende handige verminkten;

zelfs in de cinematograaf ziet men wedloopen van éénbeenigen, en

handenarbeid, verricht door éénarmigen. Het komt mij voor, dat minder

opgeblazen en reclame-achtige arbeid in deze richting méér sympathie

verdienen zou.

Aan den anderen kant is de risico, aan ons beroep verbonden, een al

te weinig onder het oog geziene factor. Dit komt door de duizenderlei

voorzorgen, waarmede de soldaat in vredestijd zich omringd ziet, als

daar zijn: watjes in de ooren bij schietoefeningen, overjassen aan bij

regenweer en gedwongen bedlegerigheid bij verkoudheden. Hoeveel mannen

zijn er, die ongaarne in een boom klimmen, of in een molenwiek, om te

observeeren?

Een ken ik er, die nu reeds maandenlang iederen morgen het hospitaal

bezoekt, om daar een soort neusgat-verwijdings-kuur te ondergaan,

waaraan in het »burgerleven« de gedachte niet bij hem zou zijn

opgekomen.

Een marsch bij regenweer wordt afgelast, terwijl een jachtpartij onder

dezelfde omstandigheden ongetwijfeld door zou gaan.

Hoe kortzichtig zijn wij soldaten, die in onzen binnenzak het boekje

met roode-kruis bepalingen dragen, om onze hals het identiteitsplaatje

en in het tuniekzakje de verbandpakjes....

En nu kunt ge me duizendmaal een onkieschen cynicus noemen, of een

smakeloozen beer, maar ik zeg het tòch! Ik zou het willen toeroepen

aan de boerenkinkels, die in uniform 's avonds tierend langs den weg

zwaaien, en aan de onverschillige pummels, die slapen in het gras: dat

ze soldaten zijn, en dat er iets ernstigs bestaat, dat beroeps-risico

heet.

Hebben wij het zelf niet één dag gevoeld, dien eersten mobilisatiedag,

toen, ieder naar zijn aard, ingetogen of luidruchtig-zenuwachtig, zijns

weegs ging, en zich _soldaat_ gevoelde?

[Illustratie]

* * * * *

_Het vakblad._

Gij allen, die uitgesloten zijt van ons groot organiek verband, gij hebt

ook uwe vakbladen. Wij hebben het ònze, in de _Soldaten courant_, die,

òndanks Kleerekooper, door gaat met het publiceeren van berichten uit

het _Handelsblad_ en verzen uit de cantine.

Ons vakblad heeft dit gemeen met andere vakbladen, dat wij het pas

lezen, wanneer er broodjes in verpakt geweest zijn. 's Morgens, wanneer

wij naar ons werk gaan, op de hei, of in de schietloodsen, dan schaffen

wij ons voor 1 cent het vakblad aan, en wikkelen daarin eenige

consumptie.

Pas wanneer deze genoten is, gaan wij de met margarine bevlekte

drukregelen lezen.

»Daarom«--zegt Kees--»moste ze die zwarte plaatjes d'r uit late--dat

geeft maar vuile inkt-rommel an je brood.«

Intusschen wordt de poëzie, die zeer door dit blad wordt aangemoedigd,

om niet te zeggen veredeld, in ruimen kring gewaardeerd. Afscheidszangen

aan korporaals zijn schering en inslag, zooals:

Korporaal Verbeek gaat ons verlaten

hij deelde lief en leed met ons een jaar

en was zeer goed voor zijn soldaten,

het ga' hem goed, roept onze vriendenschaar.

De jongens van de escouade

wenschen hem voorspoed op al zijn paden.

Dezer dagen heeft de Commissie tot het verkrijgen van een goeden tekst

op de muziek van de defileermarsch »_Turf in je ransel_« voor de zware

taak gestaan een keuze te moeten doen uit eenige honderden inzendingen.

Zij is geslaagd in de keuze, en heeft bovendien consolatie- en tweede

prijzen gegeven. Waarom was »_Turf in je ransel_« niet goed? Wanneer het

zoo door gaat, komt er weer een commissie voor »_Op de hei daar zal ik

je dondere_« of »_Sergeant ze gooie met steene_,« en een voor »_de

tentcommandant is dronke_.«

* * * * *

_Alweer de militaire groet._

Goede lezer, het schaamrood overvloeit mijne kaken, nu ik u een

bekentenis moet gaan doen: men heeft mij bestraft, bestraft wegens het

niet groeten van een meerdere in rang.

Ik wil mij niet verontschuldigen... ik heb gezondigd en geboet... ik ben

nu quitte met de gerechtigheid.

Het was een afschuwelijk moment, en bij de herinnering aan het geval, en

aan tante Alida, die er bij tegenwoordig was, krijg ik weer congestieve

gewaarwordingen van ontzetting.

Tante Alida had het middagmaal ten onzent genoten, en, tegen half tien,

maakte ik mij op haar tot hare nabijgelegen woning te geleiden. Onderweg

werden wij door een onverwachten regenbui overvallen, en ik haastte mij,

tante's regenscherm in staat van actie te brengen. Op hetzelfde moment,

dat het haakje over de pal knipte, klonk een luid, bevelend geschreeuw

achter ons. Tante, die geenerlei relaties met schreeuwende lieden

op straat pleegt te onderhouden, maakte geen aanstalten, om den

voortbrenger van het geroep te zien, en ik zelve, die evenmin

aangetrokken word door straatrumoer of relletjes, stapte beminnelijk

koutend naast haar voort.

Totdat--op eens--(bij de herinnering word ik aschgrauw in 't

aangezicht), een niet al te zindelijke hand mijn overjas van achteren

beroerde. Denkend aan mogelijke zakken-rollerijen, wendde ik mij

energiek om... doch wankelde.

Daar stond een meerdere, een sergeant, houdend in de linkerhand een

soort slagersboekje, in de rechter een afgekloven potloodstompje, en

zijn mond sprak toornig: »Wie bin je?«

Ik haastte mij te informeeren naar de bron zijner belangstelling, maar

reeds had tante Alida, hoewel sidderend, mij, en ook haarzelve, den

schrikkelijke bekend gemaakt, wellicht in de hoop hem daarmede milder te

stemmen.

[Illustratie]

Toen tante echter bemerkte, dat onze belager verzuimde hare beleefdheid

te beantwoorden, door zich aan haar en mij voor te stellen, werd zij

toornig.

»Melis«, zeide zij, »laat ons voortgaan. Ik houd er niet van, op straat

lastig gevallen te worden door... mannen«.

»Ik ook niet, tante«, deed ik deemoedig.

Inmiddels had zich een dichte haag van nieuwsgierigen, den regen ten

spijt, om ons verzameld.

Met groote letters schreef de schrikkelijke in het boek: »Stoke,

landstormplichtige, ...e Compie, .....e Reg....« en weer sprak zijn

mond: »Je heb je meerdere niet gegroet«.

Toen, alle moed waarover ik beschik verzamelend, zeide ik, dat ik hem

niet gezien had, en verzweeg daarbij ridderlijk, dat Tante Alida's

regenscherm de schuld aan alles droeg.

Daarop, vreezende, dat tante's reputatie onder dit relletje te lijden

zou hebben, drong ik haar en mij door de inmiddels aanzwellende

menschen-zee, en wij verdwenen in een steeg...

Tante Alida's reputatie was gered... ten koste van de mijne... want nu

vermeldt mijn conduite-staat een straf van vier dagen kwartierarrest,

wegens het niet groeten van een meerdere op den openbaren weg...

Zal tante ooit weten, welke de Groote Daad geweest is van mijn

militairen loopbaan...?

Primus in orbe deos fecit timor...

[Illustratie]

Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige. · 第 36 / 60 题