IX.

_Een oude lotgenoot._

Ik wil u vertellen van een ouden lotgenoot, van een zéér ouden! Hij was

van de lichting 303 N. Chr. .... neen, lezer, lach nu even niet, want

het staat in een boek!

Het boek heet »Historia Lausiaca« en de schrijver, Palladius, wijdt een

hoofdstuk aan mijnen lotgenoot. Hij werd omstreeks 292 geboren, en werd

in 313 onder de wapenen geroepen, in het leger van Koning Constantijn.

Met andere jongelui van zijne lichting werd hij den Nijl langs gevoerd,

en naar Thebe gebracht, waar blijkbaar het infanterie-depôt was, en--zoo

zegt de schrijver--»daar opgesloten.«

De Grieksche, Koptische, Arabische en Syrische teksten en

levensbeschrijvingen, betreffende _Pachomius_, mijnen

mede-landstormplichtige van die oude lichting, vermelden niet de

namen der korporaals en sergeanten, superieuren althans, van _Pach_,

zooals hij onder zijne escouade-genooten wel genoemd zal zijn, doch

wèl vertellen zij, dat de behandeling der recruten in het depôt te

Thebe zéér hard was.

Arme Pach, was je maar bij ons, bij het 7e geweest! Wij krijgen peen en

vet in overvloed, terwijl gij, met uwe kornuiten, grootendeels afhingt

van een aantal liefdadige burgers.

Zestienhonderd en drie jaren, nadat gij den Nijl langs gedreven wierd,

verlieten mijne vrienden Simon, Kees en zoovele anderen Amsterdam, en

stapten langs de Vecht naar een vriendelijk groen fortje, waar hen de

meest overheerlijke boonen wachteden...

Arme Pach... eind 313 was hij afgericht, en toen dorst hij aarzelig te

vragen, wie de goede burgers waren die hem getroost hadden en

gespijzigd.

Men antwoordde hem, dat het Christenen waren, en dat zij barmhartigheid

betoonden aan vreemdelingen en aan alle anderen....

Dit onthield Pach, en, toen zijn lichting naar huis mocht, trok hij naar

een dorp in de Thebaïs, en liet zich doopen.

Professor Pijper, die in zijn studie over de kloosters een hoofdstuk

aan Pachomius wijdt, zal mij vergeven, wanneer ik hier verklaar, mij

verbaasd te hebben over het vervolg van Pachomius' levenswandel.

En ik stel op den voorgrond, dat ik mij niet als _mensch_ verbaas, doch

uitsluitend en alleen als _recruut_, als collega dus.

Want wat, lezer, deed Pachomius toen hij de kazerne van Thebe eindelijk

uit mocht?... Wat hij deed?....

Wel, ge ziet al iets schemeren! Ge denkt al aan onze soldaten, die naar

huis mogen, en die, bepakt en wel, zooals ze afgepresenteerd zijn (- of

»hebben«, wat is het?) schreeuwend door de stad zwieren....

Wellicht is dien nacht Thebe het tooneel geweest van feestelijke

afzwaai-partijen, van soldaten met burger-mantels om.... maar wie daar

niet bij was, dat was Pachomius.

Hij verwisselde de kazerne voor het klooster....!

Neen, lezer, nu in gemoede, en dat zult ge toch met mij eens zijn: daar

kan een Amsterdamsche jongen van _hatjememaar_ niet bij.

Die bedrinkt zich, en zingt van:

»_asse me de rotzooi gaan verláaate!_«

of

»_gaif me me burregerpet terug!_«

--die loopt met z'n ransel op den rug, en zijn geweer op den

schouder, en aan iederen arm een meisje, waarvan hij alléén de vóórnaam

kent tot in het holst van den nacht de kroegen af....

--die, ja, die doet àlles, juist behalve dat, wat Pachomius deed.

Pachomius had een zwaren dienst, en heelemaal geen »lijn« en hij kwam

gelouterd uit den dienst. Hoe zullen wij Simon, Kees, Klaas en Hein,

..., hoe zullen wij, mijne vrienden, uit den dienst komen? Simon als

een reuze-voetballer, en Kees als een man die op alle uren van den dag

slapen kan, en Klaas vol stiekeme stoutigheidjes....

Vrienden, laten wij zijn als onze collega van de lichting 313! Laten wij

profiteeren van de _goede elementen_, waarmede de dienst ons

toevalliglijk in contact brengt.

Dat wil nu juist niet zeggen, dat wij in kloosters behoeven te gaan....

neen, daarvoor zal het leven ons nog te zeer behoeven.

Maar laten wij als goede menschen weer onder de burgerpet terugkeeren!

* * * * *

_Herinneringen aan een »rot-sersant«._

Nu ik hem wel nooit meer terug zal zien, durf ik herinneringen

opschrijven, die ik aan hem bewaar. Hij was een »rot-sersant«, althans

mijne kameraden hadden dit eenstemmig uitgemaakt, en, der conversatie

ter wille, noemde ik hem ook maar zoo.

Hij heeft nooit één onzer gestraft, en nimmer iemand vriendelijk

toegesproken. Op zijne inspecties sidderde de heele sectie, en als hij

ontevreden was, wisten ze, dat er geen straf volgen zou.

Hij kéék alleen maar. Nooit heb ik iemand of iets zoo zien kijken, als

hij het doen kon: hij keek je spuuglok onder je pet, de vlekken uit je

jas, en het roest van je bajonet. Hij keek zoo doordringend, dat je

zonder den blik neer te slaan wist, welke schoen ongepoetst was, of

welke knoop op je rug mankeerde.

Als je hem, ietwat stamelend, »goeie morgen« zeide, keek hij de adem uit

je longen weg, en als je ergens op de hei te slapen lag, kon hij je op

een uur gaans afstands wakker doen schrikken, door zijn kijker op je te

richten.

Hij kéék zijn kogels in de schijf, en z'n mannetjes in de houding.

Niemand wist wie of wat hij was, of hij thuis een kind op zijn schoot

had, of lachen kon hij op den verjaardag van zijn zuster.

»Ik weet het niet« zei Simon, »ik weet niet wat et is! Sagerijn is et

niet, en kapsones benne et niet.....«

En zoo werd, uit de algemeene onbegrepenheid de benadering »rot-sersant«

geboren.

's Avonds zeiden we tegen elkaar dat het onzin was, dat we kerels van

vier-en-twintig waren, en geen jongens op school. En 's ochtends, bij de

»tieerie«, als zijn vrééselijke blik over de klas van gesnorde kerels

waarde, dan was het zoo stil als in een bewaarschooltje. Niemand heeft

hem, toen hij wegging, vaarwel gezegd, en hijzelf heeft,--naar men

zegt--ergens uit een venster van de kazerne toegekeken hoe zijn sectie

voor goed afmarcheerde....

Later ben ik hem nog eens tegen gekomen, en, worstelend tegen de

magische krachten van zijn blik, ben ik naar hem toegegaan, om hem te

begroeten.

»Zoo hebt u er al heel wat laten weggaan«, converseerde ik

quasi-luchtig.

Hij keek dwars door mij heen, terwijl hij antwoordde: »Och, toen ik

zeventien jaar was, heb ik eens gehuild, toen m'n eerste sectie uit

elkaar ging,... maar daar wen je aan! In dienst moet je aan alles

wennen!«

Vanmorgen kreeg ik een briefkaart van Simon; na vele inlichtingen en

vragen schreef hij: »wanneer je de sersant mog ontmoete, doe hem dan de

groete van ons. Wat was die altijd aleenig met zen eige!...«

* * * * *

_Feesten._

»En als jelui nou zoo onder mekaar ben, en je heb een daalder in je zak,

ráke jelie em dan niet?« informeerde Jan, na een lang gesprek over de

geneugten en gevaren, verbonden aan het hebben

»van-een-daalder-in-je-zak.«

Ik haastte mij te verklaren, dat zelfs de fatale samenwerking der

factoren _»onder-mekaar-zijn_« en _»een-daalder-in-je-zak_«, niet

onherroepelijk behoeft te leiden tot smoordronkenschap.

Dit wilde er echter maar niet zoo-zonder-meer bij hem in.

»Kom-schei-nou-uit!« elleboogde hij knipoogend--»dan leg je immers zóó

voor merakel in de goot!«

Nogmaals spande ik mij in, hem te doen inzien, dat ik dikwijls met het

genoemde bedrag in mijn zak, en in gezelschap van eenige vrienden

geweest was, zonder beschonken of in goten te zijn geraakt.

Toen werd hij minachtend.

»Nou«, snoefde hij,--»dan bin jelie met je alle niet zóóveel!«

Dikwerf luister ik met onomwonden belangstelling naar de feestrelazen

mijner vrienden; ik hang aan Teunis' lippen, wanneer hij mij in een

reeks krachttermen, met enkele feiten gelardeerd, verhaalt van den nacht

in het politie-bureau, vanwaar men hem zooeven naar de kazerne heeft

doen vertrekken; met sympathie in mijne oogen bezie ik de tallooze snij-

en slaagwonden op zijne handen en aangezicht.

Neen, bij zulke feesten zinkt iedere kroegjool in het niet!

Slechts éénen man heb ik gekend, die hoogere délices wist te

savoureeren; dat was mijn vriend Hannes, de schipper.

Hannes was een philosoof, en placht eene jonge dochter te beminnen die

»Merie« heette, en waarop, volgens zijn zeggen, »een merakels lief koppi

stond.«

Op zekeren dag hadden Amsterdamsche menschenvrienden een soirée voor ons

gearrangeerd in een der schouwburgen, en, op hoog bevel, hadden Hannes

en ik, en alle anderen, na de middagsnert onze handen gewasschen en het

voornaamste gedeelte van ons gezicht, teneinde »knap« in de comedie te

komen.

Vier aan vier, in een schier eindelooze stoet, trokken wij de vreugde

tegemoet. Hannes en ik liepen naast elkander, en deelden niet in de

algemeene opgewektheid.

Met zijne ietwat loenzende oogen keek hij eerst naar den sergeant, en

vervolgens fluisterde hij mij toe:

»Nou ik me eige tòch gewasse heef, ken ik toch beter met Merie gaan,

vanavond.«

»Hé je geen senie in de kemedie?« informeerde ik.

Hij keek minachtend en vreeselijk blasé op me neer:

»Wat doe ik met al die flauwe onzin! Ik ken toch beter een bakkie koffie

hale bij Merie?«

Reeds eerder had hij mij toevertrouwd, dat hij gaarne lange avonden

zwijgend doorbracht met Merie en koffie.

Toen maakten wij samen uit, dat »de kemedie« »géén werk« was, en dat wij

zouden probeeren te ontvluchten.

Aanvankelijk namen wij vol enthousiasme onze schellinkiesplaatsen in, en

brachten, als echte théater-habitué's een minuut of tien ongegeneerd

zingend, spuwend en schreeuwend door. Wij gaven, zooals Hannes terecht

opmerkte: »geen sjoege.«

Toen het scherm opging, riepen wij allebei »ssssst«, en kropen toen op

handen en voeten onder de banken door naar de nooduitgang.

In de gang ontmoetten wij een soort schildwacht, die ons aanhield.

»Hé, hé, wat was dat?«

Hannes, vol tegenwoordigheid van geest, verklaarde, »datte-me-naar de

koffiezaal moste, omdatte-me dorst krege van 't klappe.«

In de »koffie-zaal« was natuurlijk niemand, en de juffrouw in het buffet

keek ons wantrouwig aan.

Maar we knikten haar vriendelijk toe, en zeiden dat het »zoo warrem wier

binne«; Hannes was zoo beleefd mogelijk, spuwde slechts driemaal op den

grond van de foyer, en ging toen naar het raam, om te kijken, of de

brandladder bereikbaar was.

Na vijf minuten kwam hij me roepen, en, terwijl hij snel de rest van

mijn glas bier opdronk, fluisterde hij, »feruit, ze kijk net niet.«

Met kloppend hart kropen wij op handen en voeten het buffet langs, de

foyer uit, en de wandelgangen door.

Ieder oogenblik vreesden wij een suppoost of ouvreuse te zullen

ontmoeten; bij de tweede trap gleed Hannes uit, viel tegen mij aan, en

sleepte mij mede in zijn val; met een doffen bons vielen wij in het

portaal doch bleven muisstil liggen. Mijn been was pijnlijk geschaafd,

en op Hannes' zooeven nog gewasschen aangezicht waren vieze zwarte

streepen.

Ik weet niet meer, hoe wij er in geslaagd zijn een zijdeurtje te

bereiken, dat niet bewaakt werd, maar, een oogenblik later, stonden wij

in de frissche buitenlucht.

»Nou« zeide Hannes, wien ik nu blijkbaar overbodig was--»ajuus--ik ga na

Merie!«

Hij trok, bij het wegloopen, wat pijnlijk met zijn voet...

* * * * *

Indien, voor dit misdrijf, de lange arm der gerechtigheid ons niet meer

achterhalen zal, dan, Hannes, blijft ons slechts over onze excuses te

maken voor de groote ondankbaarheid, die wij dien avond getoond hebben.

Maar wat doe je al niet voor een bakkie koffie bij Merie...?

Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige. · 第 34 / 60 题