VIII.

_Welkom, Collega's!_

In het groote nationale hôtel, dat onze kazerne is, zijn eenige

honderden nieuwe gasten aangekomen.

Maar geen belletje heeft getinkeld bij hun binnentreden, en geen

portiers of liftboy's zijn hen tegemoet gesneld. Hoogstens heeft een

overmoedig milicien-recruutje hen, van uit het gelid, »hádjememáár«

toegeroepen, voor welke daad van gastvrijheid hij zich eenige dagen

kwartier-arrest toebedeeld zag.

Bij het aanzien dier stoet van benepen loerende burgers, kwam mij weer

helder mijn eigen aankomst in de gedachten, in dit ietwat wrak gebouw,

dat mij sindsdien zoo dierbaar geworden is...

Ik herinner mij als gisteren, hoe men ons, vredige particulieren,

een kring deed formeeren, hoe vervolgens een rossige en sproetige

sergeant-majoor ons de krijgsartikelen voorlas, met luider stemme

sprekend, telkens wanneer quaestie was van »_de dood_«, »_straf_«,

»_dood door de kogel_«...

Velen onzer vermeenden nimmer te voren in grooter doodsgevaar verkeerd

te hebben, dan dit oogenblik, en staarden vol ontzetting naar den

sproetigen sergeant-majoor, die op één dreun voortging met het lezen

der verschrikkelijkheden, die ons bedreigden, terwijl de toorn-aderen

in zijn voorhoofd zwollen, alsof hij aanstonds uitvoering zou gaan

geven aan het geprojecteerde bloedbad.

Ik weet niet, collega's dien ik het welkom toeroep, in hoeverre de

sp. S. M. ook u verschrikt heeft, maar het komt mij voor, dat--waar

het meerendeel uwer gehuwd is--onder u een oogenblik het schrikbeeld

geheerscht moet hebben van tallooze weduwen, en bloedjes van vaderlooze

kinderen...

Vreest echter niet.

Indien ge ervoor zorgt, 's morgens tijdig wakker te zijn, uwe schoenen

gepoetst te hebben, en geen appèls te verzuimen, dan verwed ik er wat

onder, dat er onder u slechts weinigen zullen vallen als slachtoffer van

de krijgstucht.

_Uwe manieren._

Denkt nu niet, dat ik u houd voor barbaren, of onbehoorlijke lieden,

wanneer ik u wenken geef betreffende uw gedrag en optreden. Integendeel.

Doch hoe hoofsch en beminnelijk uw optreden tot nu toe geweest moge

zijn,... ik ben er van overtuigd, dat gij beginnen zult u als een

ònwellevend soldaat te gedragen.

Waag het niet ànders op uw meerderen toe te komen, dan als wildet gij

hen van de been loopen.

Sta dan met één ruk stil, en vraag beleefdelijk of ge hen iets vragen

moogt.

In de meeste gevallen zal men u toestemmend antwoorden, en gij aarzelt

dan ook niet met te vragen, of ge hen een vraag moogt stellen. Indien

uw meerdere ook hierop gunstig beschikt, stelt ge kort en zakelijk uw

vraag. Ten slotte zult ge u wel wachten, uw dankbaarheid onder woorden

te brengen.

Ook zult ge ervoor moeten waken »met je poote op je bed te legge«, en

in het oog te houden dat »de tafel is om van te éte, en niet om op te

poesse, want dat doe je thuis ook niet!«

Wanneer men u een dweil geeft, om een vloer te reinigen, dan zult ge

niet moeten aarzelen met het verwekken van breede plassen, daar ge

anders onvoorwaardelijk onder verdenking zult komen van »te doen zoo'as

je je selon thuis zwabbert.«

Zoo zoude ik u duizenderlei wenken kunnen geven betreffende poetsen en

vegen... doch ik zie mij het gras voor de voeten weggemaaid door reeds

bestaande litteratuur op dit gebied, als daar zijn: »_Het handboek voor

de aankomende jonge dienstbode_« door Estella en »_de wenken betreffende

het onderhoud van geweer-loopen_« uitgegeven op last van het ministerie

van oorlog (natuurlijk het laatste alleen).

Gij zult goed doen, uwe familie de wandeling in de omgeving van

oefenterreinen te verbieden, wilt ge tenminste niet voor het geval komen

te staan, dat uw jongste u op een vrijen dag toevoegt: »Pa, wat dée u

gèk laatst!«, of: »pa, was de meester bòòs op u?«

_Boosdoeners._

Lang zijn de tijden voorbij, dat ik afschuw of huivering gevoelde bij

het zien van gevangenissen of dievenwagens. Men behoeft slechts in nader

contact met het strafsysteem te komen, om te begrijpen, dat al deze

uiterlijkheden het wezen der zaak niet bereiken.

Wanneer 's morgens, op het Kazerneplein, de gevangenen »gelucht« worden,

en ronddrentelen onder bewaking van soldaten, dan aarzel ik niet hen een

kameraadsschappelijken groet te brengen.

Gevangenen... mijn hemel; Ge denkt aan van bloed-druipende

moordenaarshanden, wilde oogen, en worgende vingers... hoe naïef zijt

ge.

Voor mij zijn gevangenen slechts ongelukkige collega's, in wie het

initiatief niet gewaardeerd is. Ik ben vertrouwd geraakt met cellen en

kettingen, zooals ge u in Engeland went aan custard, in Indië (_te_

Indië zegt Hannes) aan rijsttafel met roode vischjes. Ik aarzel niet, de

hand te drukken van iemand, die een dag dienst verzuimd heeft, doch zorg

zelve geen dag te mankeeren om... geen straf te krijgen. En zoo betrapte

ik mij onder dienst op het feit, dat ik voor het eerst van mijn leven

mijn plicht deed... uit angst voor straf. Vergeleken met miliciens,

mogen wij, landstormers »bewuste menschen« genoemd worden. En wij geven

er ons rekenschap van, dat er dikwijls juist zóóveel gedaan wordt als

noodig is, om niet wegens gebrek aan dienstijver gestraft te worden.

Moge dat bij miliciens, jonge menschen, wier karakter en

levensbeschouwing nog gevòrmd moeten worden, niet àl te ongunstig

werken!

* * * * *

_Toilet._

»Kijk es«--zeide Simon dezen morgen, terwijl wij naast elkander stonden

in het wasch-lokaal--»kijk es wat ik femorge me hàre fijn geplakt

hét.«

Inderdaad lag zijn vettig hoofdhaar in twee, door een rechten lijn

gescheiden, plakken op zijn schedel.

Simon plakt iederen morgen zijn »hare«, en gaat éénmaal per week onder

's rijks douche. Dit voorrecht geniet hij met ons allen, die in twintig

minuten moeten aan-, uitkleeden en douchen. Jammer dat het meestal

vóór in de week is, vindt hij, want Zondags ben je al niet meer knap.

Met oogen vol nijd en afgunst plegen wij te loeren naar de blikken

wasch-kommen, die de miliciens krijgen, terwijl wij ouderen, zoowat

plensen onder een kraantje. Dit neemt echter niet weg, dat wij als

om strijd weelde-toilet-artikelen medebrengen, en elkander de oogen

uitsteken met geriefelijkheden, als daar zijn: handiglijk tot

reisnécessaire ingerichte sigaren-kistjes of chocolade-reependoozen,

in krantenpapier gewikkelde stukjes sunlight-zeep, of heusche

tandenborstels.

Één was er--en hier gevoel ik met schaamte, hoe de afgunst mijn stem

doet dalen tot schor-kwaadsprekers-timbre--één was er, die een ècht

beenen dingetje had, met aan de ééne kant een nagelpeuter, en aan de

andere een tandenstoker d'r aan! Ja, ja, zoo weten sommige gegoeden het

zich--zij het dan ook zonder kòsten te ontzien--geriefelijk te maken in

eene kazerne.

* * * * *

_Mijn eigen bed._

Onlangs heb ik dan waarlijk mijn eigen burger-bed weer gezien. En de

désillusie was volkomen. Ik begrijp u allen niet: hoe ge slapen kunt in

al die kille lakens! en dan dat ènge vachtje op den grond er voor, en

dat weeë veeren van de matras... neen, dat is niets voor mij! Ik houd er

van, de stevige, prikkelende stroosprieten in mijne heupen te gevoelen,

ik geniet bij het ontwaken met een mond vol deken-wol, en ik kàn niet

inslapen, zonder mijne ellebogen blauw gestooten te hebben tegen ijzeren

krib-stangen.

En wanneer ik ooit bij u ingekwartierd mocht worden, en ge dacht

mij genoegen te doen met het spreiden van een dier verfoeilijke,

gecompliceerde slaapgelegenheden, waarin ge u zelve pleegt rond te

wentelen... nu, dan kunt ge ervan overtuigd zijn (hoe ondankbaar zulks

schijnen moge) mij den volgenden morgen te zullen vinden: òf opgerold in

de mand van uwen hond, òf uitgestrekt op de ruwste uwer gangmatten.

_Eten._

Dezen middag heb ik een groot bord vol aardappelen gegeten. Nimmer heb

ik geweten, dat aardappelen zóó groot konden zijn, en dat er zóóvele op

één bord bijeen konden liggen.

Ik had grooten honger, en staarde met gulzige en blinkende oogen naar de

aardappelen op mijn bord.

Ook de aardappelen staarden! Zij staarden mij aan uit tallooze groenige

oogen, wat fletser dan de mijne wel is waar, doch véél, véél grooter in

aantal.

En zij schenen geheel verzoend met hun lot.

Trouwens, links en rechts, en tegenover mij staarden tallooze

aardappelen op àndere borden even goedig en suffig naar àndere

hongerigen.

Toen ik één aardappel gegeten had, kreeg ik plotseling een gevoel, alsof

hij, in mijn maag, met zijne oogen begon te rollen. Maar toen ik zag,

dat de anderen rustig bleven liggen, greep ik een groote, oranje peen,

met het oogmerk, die den aardappel na te zenden...

Hiermede, lezer, eindigde mijn feestmaal even plotseling als het

begonnen was. Nu moogt ge mij uitschelden voor eenen verkwister, of

verwenden kwast, die tallooze peenen en aardappelen ongestoord laat

ronddrijven in prima vet, doch dit is reeds niet meer noodig...

Ik heb mijn straf gevonden in den droevigen blik, waarmede, uit

duizenden verwijtende, groenige oogen, de overblijvende aardappelen mij,

hunnen versmader, aan bleven staren...

Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige. · 第 32 / 60 题