_Welkom, Collega's!_
In het groote nationale hôtel, dat onze kazerne is, zijn eenige
honderden nieuwe gasten aangekomen.
Maar geen belletje heeft getinkeld bij hun binnentreden, en geen
portiers of liftboy's zijn hen tegemoet gesneld. Hoogstens heeft een
overmoedig milicien-recruutje hen, van uit het gelid, »hádjememáár«
toegeroepen, voor welke daad van gastvrijheid hij zich eenige dagen
kwartier-arrest toebedeeld zag.
Bij het aanzien dier stoet van benepen loerende burgers, kwam mij weer
helder mijn eigen aankomst in de gedachten, in dit ietwat wrak gebouw,
dat mij sindsdien zoo dierbaar geworden is...
Ik herinner mij als gisteren, hoe men ons, vredige particulieren,
een kring deed formeeren, hoe vervolgens een rossige en sproetige
sergeant-majoor ons de krijgsartikelen voorlas, met luider stemme
sprekend, telkens wanneer quaestie was van »_de dood_«, »_straf_«,
»_dood door de kogel_«...
Velen onzer vermeenden nimmer te voren in grooter doodsgevaar verkeerd
te hebben, dan dit oogenblik, en staarden vol ontzetting naar den
sproetigen sergeant-majoor, die op één dreun voortging met het lezen
der verschrikkelijkheden, die ons bedreigden, terwijl de toorn-aderen
in zijn voorhoofd zwollen, alsof hij aanstonds uitvoering zou gaan
geven aan het geprojecteerde bloedbad.
Ik weet niet, collega's dien ik het welkom toeroep, in hoeverre de
sp. S. M. ook u verschrikt heeft, maar het komt mij voor, dat--waar
het meerendeel uwer gehuwd is--onder u een oogenblik het schrikbeeld
geheerscht moet hebben van tallooze weduwen, en bloedjes van vaderlooze
kinderen...
Vreest echter niet.
Indien ge ervoor zorgt, 's morgens tijdig wakker te zijn, uwe schoenen
gepoetst te hebben, en geen appèls te verzuimen, dan verwed ik er wat
onder, dat er onder u slechts weinigen zullen vallen als slachtoffer van
de krijgstucht.
_Uwe manieren._
Denkt nu niet, dat ik u houd voor barbaren, of onbehoorlijke lieden,
wanneer ik u wenken geef betreffende uw gedrag en optreden. Integendeel.
Doch hoe hoofsch en beminnelijk uw optreden tot nu toe geweest moge
zijn,... ik ben er van overtuigd, dat gij beginnen zult u als een
ònwellevend soldaat te gedragen.
Waag het niet ànders op uw meerderen toe te komen, dan als wildet gij
hen van de been loopen.
Sta dan met één ruk stil, en vraag beleefdelijk of ge hen iets vragen
moogt.
In de meeste gevallen zal men u toestemmend antwoorden, en gij aarzelt
dan ook niet met te vragen, of ge hen een vraag moogt stellen. Indien
uw meerdere ook hierop gunstig beschikt, stelt ge kort en zakelijk uw
vraag. Ten slotte zult ge u wel wachten, uw dankbaarheid onder woorden
te brengen.
Ook zult ge ervoor moeten waken »met je poote op je bed te legge«, en
in het oog te houden dat »de tafel is om van te éte, en niet om op te
poesse, want dat doe je thuis ook niet!«
Wanneer men u een dweil geeft, om een vloer te reinigen, dan zult ge
niet moeten aarzelen met het verwekken van breede plassen, daar ge
anders onvoorwaardelijk onder verdenking zult komen van »te doen zoo'as
je je selon thuis zwabbert.«
Zoo zoude ik u duizenderlei wenken kunnen geven betreffende poetsen en
vegen... doch ik zie mij het gras voor de voeten weggemaaid door reeds
bestaande litteratuur op dit gebied, als daar zijn: »_Het handboek voor
de aankomende jonge dienstbode_« door Estella en »_de wenken betreffende
het onderhoud van geweer-loopen_« uitgegeven op last van het ministerie
van oorlog (natuurlijk het laatste alleen).
Gij zult goed doen, uwe familie de wandeling in de omgeving van
oefenterreinen te verbieden, wilt ge tenminste niet voor het geval komen
te staan, dat uw jongste u op een vrijen dag toevoegt: »Pa, wat dée u
gèk laatst!«, of: »pa, was de meester bòòs op u?«
_Boosdoeners._
Lang zijn de tijden voorbij, dat ik afschuw of huivering gevoelde bij
het zien van gevangenissen of dievenwagens. Men behoeft slechts in nader
contact met het strafsysteem te komen, om te begrijpen, dat al deze
uiterlijkheden het wezen der zaak niet bereiken.
Wanneer 's morgens, op het Kazerneplein, de gevangenen »gelucht« worden,
en ronddrentelen onder bewaking van soldaten, dan aarzel ik niet hen een
kameraadsschappelijken groet te brengen.
Gevangenen... mijn hemel; Ge denkt aan van bloed-druipende
moordenaarshanden, wilde oogen, en worgende vingers... hoe naïef zijt
ge.
Voor mij zijn gevangenen slechts ongelukkige collega's, in wie het
initiatief niet gewaardeerd is. Ik ben vertrouwd geraakt met cellen en
kettingen, zooals ge u in Engeland went aan custard, in Indië (_te_
Indië zegt Hannes) aan rijsttafel met roode vischjes. Ik aarzel niet, de
hand te drukken van iemand, die een dag dienst verzuimd heeft, doch zorg
zelve geen dag te mankeeren om... geen straf te krijgen. En zoo betrapte
ik mij onder dienst op het feit, dat ik voor het eerst van mijn leven
mijn plicht deed... uit angst voor straf. Vergeleken met miliciens,
mogen wij, landstormers »bewuste menschen« genoemd worden. En wij geven
er ons rekenschap van, dat er dikwijls juist zóóveel gedaan wordt als
noodig is, om niet wegens gebrek aan dienstijver gestraft te worden.
Moge dat bij miliciens, jonge menschen, wier karakter en
levensbeschouwing nog gevòrmd moeten worden, niet àl te ongunstig
werken!
* * * * *
_Toilet._
»Kijk es«--zeide Simon dezen morgen, terwijl wij naast elkander stonden
in het wasch-lokaal--»kijk es wat ik femorge me hàre fijn geplakt
hét.«
Inderdaad lag zijn vettig hoofdhaar in twee, door een rechten lijn
gescheiden, plakken op zijn schedel.
Simon plakt iederen morgen zijn »hare«, en gaat éénmaal per week onder
's rijks douche. Dit voorrecht geniet hij met ons allen, die in twintig
minuten moeten aan-, uitkleeden en douchen. Jammer dat het meestal
vóór in de week is, vindt hij, want Zondags ben je al niet meer knap.
Met oogen vol nijd en afgunst plegen wij te loeren naar de blikken
wasch-kommen, die de miliciens krijgen, terwijl wij ouderen, zoowat
plensen onder een kraantje. Dit neemt echter niet weg, dat wij als
om strijd weelde-toilet-artikelen medebrengen, en elkander de oogen
uitsteken met geriefelijkheden, als daar zijn: handiglijk tot
reisnécessaire ingerichte sigaren-kistjes of chocolade-reependoozen,
in krantenpapier gewikkelde stukjes sunlight-zeep, of heusche
tandenborstels.
Één was er--en hier gevoel ik met schaamte, hoe de afgunst mijn stem
doet dalen tot schor-kwaadsprekers-timbre--één was er, die een ècht
beenen dingetje had, met aan de ééne kant een nagelpeuter, en aan de
andere een tandenstoker d'r aan! Ja, ja, zoo weten sommige gegoeden het
zich--zij het dan ook zonder kòsten te ontzien--geriefelijk te maken in
eene kazerne.
* * * * *
_Mijn eigen bed._
Onlangs heb ik dan waarlijk mijn eigen burger-bed weer gezien. En de
désillusie was volkomen. Ik begrijp u allen niet: hoe ge slapen kunt in
al die kille lakens! en dan dat ènge vachtje op den grond er voor, en
dat weeë veeren van de matras... neen, dat is niets voor mij! Ik houd er
van, de stevige, prikkelende stroosprieten in mijne heupen te gevoelen,
ik geniet bij het ontwaken met een mond vol deken-wol, en ik kàn niet
inslapen, zonder mijne ellebogen blauw gestooten te hebben tegen ijzeren
krib-stangen.
En wanneer ik ooit bij u ingekwartierd mocht worden, en ge dacht
mij genoegen te doen met het spreiden van een dier verfoeilijke,
gecompliceerde slaapgelegenheden, waarin ge u zelve pleegt rond te
wentelen... nu, dan kunt ge ervan overtuigd zijn (hoe ondankbaar zulks
schijnen moge) mij den volgenden morgen te zullen vinden: òf opgerold in
de mand van uwen hond, òf uitgestrekt op de ruwste uwer gangmatten.
_Eten._
Dezen middag heb ik een groot bord vol aardappelen gegeten. Nimmer heb
ik geweten, dat aardappelen zóó groot konden zijn, en dat er zóóvele op
één bord bijeen konden liggen.
Ik had grooten honger, en staarde met gulzige en blinkende oogen naar de
aardappelen op mijn bord.
Ook de aardappelen staarden! Zij staarden mij aan uit tallooze groenige
oogen, wat fletser dan de mijne wel is waar, doch véél, véél grooter in
aantal.
En zij schenen geheel verzoend met hun lot.
Trouwens, links en rechts, en tegenover mij staarden tallooze
aardappelen op àndere borden even goedig en suffig naar àndere
hongerigen.
Toen ik één aardappel gegeten had, kreeg ik plotseling een gevoel, alsof
hij, in mijn maag, met zijne oogen begon te rollen. Maar toen ik zag,
dat de anderen rustig bleven liggen, greep ik een groote, oranje peen,
met het oogmerk, die den aardappel na te zenden...
Hiermede, lezer, eindigde mijn feestmaal even plotseling als het
begonnen was. Nu moogt ge mij uitschelden voor eenen verkwister, of
verwenden kwast, die tallooze peenen en aardappelen ongestoord laat
ronddrijven in prima vet, doch dit is reeds niet meer noodig...
Ik heb mijn straf gevonden in den droevigen blik, waarmede, uit
duizenden verwijtende, groenige oogen, de overblijvende aardappelen mij,
hunnen versmader, aan bleven staren...