_Verlofsherinneringen._
Wie zijn--zoo zult ge u ongetwijfeld wel eens afgevraagd
hebben--wie zijn toch die uitdagend rond-ziende jongelieden, wier
gezichten steen-rood verweerd zijn, die hun pasmunt, in stede
van in de linkerbroekzak, ronddragen in dikke, ietwat vettige
keukenmeiden-beurzen, die bij het naderen van elken gegradueerden
militair eene reflex-beweging naar hun kwalijk-passend hoofddeksel
maken, en die--blijkens de lieden die hen kameraadschappelijk
groeten--connecties schijnen te bezitten onder minder- zoowel als
onder de meer-waardigen dezer samenleving.
[Illustratie]
Deze jongelieden dan zijn verlofsgangers; zij slapen in
bedden-met-lakens, zij kleeden zich in de zachtst-zijden lijfgoederen
en sprenkelen lavendel op hun linnen, zij doen zich de meest exotische
dranken mixen en huren stationeerende automobielen... kortom zij
genieten van de dingen dezer aarde, en stappen driemaal daags in warme
baden, waarin de geurigste der parfum-kristallen zijn opgelost.
Valt hen niet hard, wanneer zij in eethuizen luider spreken dan
betamelijk is, wanneer zij uwe dochteren en nichten àl te vrijmoediglijk
toelonken... zij hebben het mom der beschaving gekozen voor hunne
soldateske uitingen. En hoe kan het anders?
Werd ik zelve niet door de zusters en nichten mijner krijgsmakkers op
straat luide aangeroepen, en waren er niet onder deze jonge dochteren,
die,--niet geheel vrij van behaagziekte--mij coquettelijk
toeschreeuwden: »_Hádt je me maarrr!_«
* * * * *
Er wordt gezegd, dat negers, zoodra zij hun naakten,--eventueel
schaamschortelijken staat--verruilen tegen die van het Europeesch
toilet, dat deze negers dan zich te buiten gaan aan kleedingstukken
van de meest exorbitante soort. Deze zelfde eigenschap nu stempelt den
jongen verlofganger; van ònder af is hij ééne accumulatie van wijnrood
schoeisel en kanarie-gele slobkousen, flanellen kleeren en kleurig
linnengoed. Hij tracht zich gedurende één dag per maand voor dertig
dagen te »kleeden«.
Nog eens, vergeef hem!
[Illustratie]
* * * * *
_Cullinaire genietingen._
Het was in een der Amsterdamsche eethuizen, dat ik mijnen vriend en
wapenbroeder Jan eene ernstige berisping moest toedienen. Ik betrapte
hem er namelijk op, dat hij,--na zijn thee tot de laatste droppel
gedronken, en, voor zoover het de resteerende bladen in het kannetje
betrof, gepruimd te hebben--dat hij moeite deed, om aan het buffet het
vaatwerk, als kopje, schoteltje en kannetje aan de verschrikte bedienden
te verkwanselen. Men begreep hem niet, totdat een der bedienden, die
zelve soldaat geweest was, tusschenbeide kwam. De quaestie is, dat in
onze Kantine de dranken in gebarsten koppen verstrekt worden, die men
tegen terugbetaling van vijf centen weder inlevert.
* * * * *
Nimmer zoude ik den ziener geloofd hebben die mij--een jaar
geleden--voorspeld mocht hebben, dat ik eenmaal verzot zou geraken op
»kogelfleschjes«.
Reeds van mijn jeugd af heb ik een grondigen afkeer gevoeld voor deze
ploertige producten onzer vaderlandsche industrie. Of het de rammelende
glazen bal was, die mij ontstemde dan wel het vuil-groene glas of de
arrogante kleur van het scherp-mousseerend vocht, ik weet het niet.
Slechts bierfleschjes vond ik bijna erger, omdat zij groen zijn als de
groene zeep, en er in hun _ziel_ een gedécideerd vàlsch schijnsel is.
Nù ben ik dol op kogelfleschjes; mijne antipathie tegen bierfleschjes
kan ik nog steeds niet overwinnen.
En èrger: ik savoureer ijswafelen, nougatblokken, Cats-bonen en
verfrisschende-sport-pastilles; ik zet de gulzig plooiende lippen aan de
tuit van melkfleschjes-met-contrôle-papiertje, ik... maar ach, waarom u
»het-water-naar-de-mond« te jagen met de opsomming mijner vraat- en
drankzuchtige genietingen.
Leeft gelukkig met uwe beschimmelde kazen, uwe zéér droge champagnes,
en verduisterde caviars... wij, minderen, hebben de wàre cullinaire
behoeften gestild, wij sparen kwatta-soldaatjes en zilverpapier als
herinneringstropheeën aan onze gastronomische uitspattingen.
* * * * *
_»Geheime«-zaken._
Nu ik dit sensationeel bovenschrift geplaatst heb, ben ik wel
genoodzaakt verder te gaan--maar mijn hand beeft, en ik gevoel mij
onzeker, want ik ga u--ja, in ernst, lezer--ik ga u een zaak verklappen,
die ik onder de meest nadrukkelijke geheimhouding ervaren heb.
Sterker nog: men heeft mij, op straffe van hechtenis, gelast, dit geheim
aan niemand, zelfs niet aan nieuwsgierige officieren, te verklappen...
en toch, en toch kàn ik niet anders... ik moet het u zeggen.
Ik heb den korporaal, die mij inlichtte, gewaarschuwd, ik hèb hem
gezegd, en herhaald, dat ik op de jours van mijne moeder, met hare
vriendinnen, honderd-uit fluister, dat ik nieuwsgierig ben, walgelijk
nieuwsgierig! dat ik aan sleutelgaten loer en luister, dat ik in café's
menschen de woorden uit de mond staar... en dat ik alles, àlles wat ik
op deze wijze verneem, óververtel en nàpraat: van A aan B over C, van C
over A aan B, van B aan C over A...
Hij lette er niet op... en ik ga u het geheim, dat mij toevertrouwd
werd, verklappen.
* * * * *
Ik moest dan een wacht betrekken, van één uur tot drie uur in den nacht.
Het regende fijntjes en onzichtbaar door het stikduister. Wij togen--de
korporaal van de aflossing en ik--naar de plek, die ik de eer zou
genieten te mogen verdedigen.
Het was de »_wacht bij de privaten_«. Neen, burger, lach niet! Militaire
privaten staan in hoogen, zij het ook kwalijken reuk, voor zoover zij
voor méérderen bestemd zijn. Ik plaatste mij naast den man, dien ik
zou aflossen, en speurde aanstonds, door een lichte bezwangering der
atmosfeer, dat de privaten, hoewel zij door het duister aan mijn oog
onttrokken waren, niet vèr konden zijn.
»Presenteer geweer«, klonk sonoor des korporaals stem door den nacht.
En toen wij, in het stikdonker, en onder een fijn motregentje, naast
elkander dit eerbewijs--voor niemand zichtbaar--uitvoerden, klonk het
bevel »consignes overgeven«.[E]
[E] Mijn vriend Hannes spreekt van »_consumpties-overgeven_«.
Consignes, lezer, zijn zéér geheim, en worden fluisterend overgegeven.
Géén meerdere, al ware het mijn allerhoogste chef Snijders zelve, heeft
het recht, mij naar mijne consignes te vragen.
Dat ik ze hier _uit eigen beweging_ vertel, is echter een andere
quaestie, en van te voren verklaar ik, dat ik nòch door de uitgevers,
nòch van de zijde der redactie eenige pressie te dien opzichte heb
ondervonden.
[Illustratie]
De man bracht zijn mond bij mijn oor; duidelijk speurde ik zijn adem en
tabaksgeur, en, boven het stormgeloei uit, vernam ik zijn fluisterende
stem, terwijl hij mij eenige scherpe patronen overgaf:
»_Zorg datte d'r fen deuze private geen gebruik gemaakt wordt door
soldate beneide de rang fen onderofsier_«...
Pàts... het staat er... het schaamrood stijgt mij naar de wangen...
Tot mijne verontschuldiging nog slechts dit: gedurende mijne wachturen,
van één tot drie uur 's nachts, heeft géén mindere getracht, zich
wederrechtelijk tot een der hokjes toegang te verschaffen.