VII.

_Verlofsherinneringen._

Wie zijn--zoo zult ge u ongetwijfeld wel eens afgevraagd

hebben--wie zijn toch die uitdagend rond-ziende jongelieden, wier

gezichten steen-rood verweerd zijn, die hun pasmunt, in stede

van in de linkerbroekzak, ronddragen in dikke, ietwat vettige

keukenmeiden-beurzen, die bij het naderen van elken gegradueerden

militair eene reflex-beweging naar hun kwalijk-passend hoofddeksel

maken, en die--blijkens de lieden die hen kameraadschappelijk

groeten--connecties schijnen te bezitten onder minder- zoowel als

onder de meer-waardigen dezer samenleving.

[Illustratie]

Deze jongelieden dan zijn verlofsgangers; zij slapen in

bedden-met-lakens, zij kleeden zich in de zachtst-zijden lijfgoederen

en sprenkelen lavendel op hun linnen, zij doen zich de meest exotische

dranken mixen en huren stationeerende automobielen... kortom zij

genieten van de dingen dezer aarde, en stappen driemaal daags in warme

baden, waarin de geurigste der parfum-kristallen zijn opgelost.

Valt hen niet hard, wanneer zij in eethuizen luider spreken dan

betamelijk is, wanneer zij uwe dochteren en nichten àl te vrijmoediglijk

toelonken... zij hebben het mom der beschaving gekozen voor hunne

soldateske uitingen. En hoe kan het anders?

Werd ik zelve niet door de zusters en nichten mijner krijgsmakkers op

straat luide aangeroepen, en waren er niet onder deze jonge dochteren,

die,--niet geheel vrij van behaagziekte--mij coquettelijk

toeschreeuwden: »_Hádt je me maarrr!_«

* * * * *

Er wordt gezegd, dat negers, zoodra zij hun naakten,--eventueel

schaamschortelijken staat--verruilen tegen die van het Europeesch

toilet, dat deze negers dan zich te buiten gaan aan kleedingstukken

van de meest exorbitante soort. Deze zelfde eigenschap nu stempelt den

jongen verlofganger; van ònder af is hij ééne accumulatie van wijnrood

schoeisel en kanarie-gele slobkousen, flanellen kleeren en kleurig

linnengoed. Hij tracht zich gedurende één dag per maand voor dertig

dagen te »kleeden«.

Nog eens, vergeef hem!

[Illustratie]

* * * * *

_Cullinaire genietingen._

Het was in een der Amsterdamsche eethuizen, dat ik mijnen vriend en

wapenbroeder Jan eene ernstige berisping moest toedienen. Ik betrapte

hem er namelijk op, dat hij,--na zijn thee tot de laatste droppel

gedronken, en, voor zoover het de resteerende bladen in het kannetje

betrof, gepruimd te hebben--dat hij moeite deed, om aan het buffet het

vaatwerk, als kopje, schoteltje en kannetje aan de verschrikte bedienden

te verkwanselen. Men begreep hem niet, totdat een der bedienden, die

zelve soldaat geweest was, tusschenbeide kwam. De quaestie is, dat in

onze Kantine de dranken in gebarsten koppen verstrekt worden, die men

tegen terugbetaling van vijf centen weder inlevert.

* * * * *

Nimmer zoude ik den ziener geloofd hebben die mij--een jaar

geleden--voorspeld mocht hebben, dat ik eenmaal verzot zou geraken op

»kogelfleschjes«.

Reeds van mijn jeugd af heb ik een grondigen afkeer gevoeld voor deze

ploertige producten onzer vaderlandsche industrie. Of het de rammelende

glazen bal was, die mij ontstemde dan wel het vuil-groene glas of de

arrogante kleur van het scherp-mousseerend vocht, ik weet het niet.

Slechts bierfleschjes vond ik bijna erger, omdat zij groen zijn als de

groene zeep, en er in hun _ziel_ een gedécideerd vàlsch schijnsel is.

Nù ben ik dol op kogelfleschjes; mijne antipathie tegen bierfleschjes

kan ik nog steeds niet overwinnen.

En èrger: ik savoureer ijswafelen, nougatblokken, Cats-bonen en

verfrisschende-sport-pastilles; ik zet de gulzig plooiende lippen aan de

tuit van melkfleschjes-met-contrôle-papiertje, ik... maar ach, waarom u

»het-water-naar-de-mond« te jagen met de opsomming mijner vraat- en

drankzuchtige genietingen.

Leeft gelukkig met uwe beschimmelde kazen, uwe zéér droge champagnes,

en verduisterde caviars... wij, minderen, hebben de wàre cullinaire

behoeften gestild, wij sparen kwatta-soldaatjes en zilverpapier als

herinneringstropheeën aan onze gastronomische uitspattingen.

* * * * *

_»Geheime«-zaken._

Nu ik dit sensationeel bovenschrift geplaatst heb, ben ik wel

genoodzaakt verder te gaan--maar mijn hand beeft, en ik gevoel mij

onzeker, want ik ga u--ja, in ernst, lezer--ik ga u een zaak verklappen,

die ik onder de meest nadrukkelijke geheimhouding ervaren heb.

Sterker nog: men heeft mij, op straffe van hechtenis, gelast, dit geheim

aan niemand, zelfs niet aan nieuwsgierige officieren, te verklappen...

en toch, en toch kàn ik niet anders... ik moet het u zeggen.

Ik heb den korporaal, die mij inlichtte, gewaarschuwd, ik hèb hem

gezegd, en herhaald, dat ik op de jours van mijne moeder, met hare

vriendinnen, honderd-uit fluister, dat ik nieuwsgierig ben, walgelijk

nieuwsgierig! dat ik aan sleutelgaten loer en luister, dat ik in café's

menschen de woorden uit de mond staar... en dat ik alles, àlles wat ik

op deze wijze verneem, óververtel en nàpraat: van A aan B over C, van C

over A aan B, van B aan C over A...

Hij lette er niet op... en ik ga u het geheim, dat mij toevertrouwd

werd, verklappen.

* * * * *

Ik moest dan een wacht betrekken, van één uur tot drie uur in den nacht.

Het regende fijntjes en onzichtbaar door het stikduister. Wij togen--de

korporaal van de aflossing en ik--naar de plek, die ik de eer zou

genieten te mogen verdedigen.

Het was de »_wacht bij de privaten_«. Neen, burger, lach niet! Militaire

privaten staan in hoogen, zij het ook kwalijken reuk, voor zoover zij

voor méérderen bestemd zijn. Ik plaatste mij naast den man, dien ik

zou aflossen, en speurde aanstonds, door een lichte bezwangering der

atmosfeer, dat de privaten, hoewel zij door het duister aan mijn oog

onttrokken waren, niet vèr konden zijn.

»Presenteer geweer«, klonk sonoor des korporaals stem door den nacht.

En toen wij, in het stikdonker, en onder een fijn motregentje, naast

elkander dit eerbewijs--voor niemand zichtbaar--uitvoerden, klonk het

bevel »consignes overgeven«.[E]

[E] Mijn vriend Hannes spreekt van »_consumpties-overgeven_«.

Consignes, lezer, zijn zéér geheim, en worden fluisterend overgegeven.

Géén meerdere, al ware het mijn allerhoogste chef Snijders zelve, heeft

het recht, mij naar mijne consignes te vragen.

Dat ik ze hier _uit eigen beweging_ vertel, is echter een andere

quaestie, en van te voren verklaar ik, dat ik nòch door de uitgevers,

nòch van de zijde der redactie eenige pressie te dien opzichte heb

ondervonden.

[Illustratie]

De man bracht zijn mond bij mijn oor; duidelijk speurde ik zijn adem en

tabaksgeur, en, boven het stormgeloei uit, vernam ik zijn fluisterende

stem, terwijl hij mij eenige scherpe patronen overgaf:

»_Zorg datte d'r fen deuze private geen gebruik gemaakt wordt door

soldate beneide de rang fen onderofsier_«...

Pàts... het staat er... het schaamrood stijgt mij naar de wangen...

Tot mijne verontschuldiging nog slechts dit: gedurende mijne wachturen,

van één tot drie uur 's nachts, heeft géén mindere getracht, zich

wederrechtelijk tot een der hokjes toegang te verschaffen.

Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige. · 第 31 / 60 题