VI.

_Liefdewerk._

Moeders van militie-plichtige zonen der lichting 1916! Het is niet om

mij zelven lof toe te zwaaien, of om gewelddadiglijk uwe erkentelijkheid

te winnen, dat ik u zeggen ga, dat uwe zonen zacht zullen rusten! Maar

ik durf te verzekeren, dat de stroozakken, die uwe zonen wachtten, zacht

gestopt waren, zonder kiezelsteenen of roestige spijkers. Ik zelve vulde

er twee met zachtkittelende stroohalmen--en, misschien, is het een uwer

nazaten beschoren, te rusten op een zak, waarin een zweetdroppel

opgedroogd is van schrijver dezes, zoet en mild als een regendrop van

September in een schoof van dor gewas des velds.

[Illustratie]

* * * * *

_Simon's pudding._

Het begrip »vergif« wordt voor u allen gesymboliseerd in een doodskop

met gekruiste botten, of in met zwart en rood beschilderde wangen en

oogen eener verloren vrouw... voor mij echter is vanaf gisteren vergif

analoog met Simon's pudding.

Zoo verleidelijk en tegelijk kwaadaardig toch als dit knalrood gerecht

was, kan bezwaarlijk absinth of nicotine of zelfs ether zijn... het was

de duivel zelve in pudding-vorm.

Simon is nu nog ziek; zijn vergiftigingsproces deed zich aanvankelijk

niet als zoodanig aanzien,--integendeel!

Wij waren op wacht, en het was Zondagnamiddag; nog twintig uren wachtens

en wakens lagen vóór ons, en gaperig, gemelijk en zwijgzaam zaten wij op

de banken aan het verlaten kazerneplein, beloerend elkanders bewegingen

en de enkele passeerende musschen. Tot dat plots uitbundig vreugdegetier

ons deed opschrikken; wij zagen Simon, toentertijd nog kerngezond. Hij

danste en juichte, en er was een grijns van verrukking op zijn overigens

gebaard gelaat; tusschen zijne handen was een pakje in courantenpapier.

Op ons vragend opzien was zijn antwoord een telkens in anderen toonaard

herhaald lied, luidende: »'k hè podding gekréege, 'k hè pódding

gekréege! Me vrouw hét me póooding gebracht!«

Na herhaaldelijk aandringen onzerzijds ontdeed hij met bevende vingeren

het pakje van het daarom gewikkelde Zondagsblad, en toonde ons triomfaal

een tusschen twee schoteltjes geborgen voorwerp, dat zachtjes deinde

en--ik zeide het u reeds--knalrood van kleur was.

[Illustratie]

»Frambóooze!« deed Hein gulzig, en trachtte het wiebelend uiteinde van

den spijs tusschen duim en wijsvinger te grijpen.

»Afblijve«, gromde Simon, om terstond weder zijn jubelzang te hervatten

en vervolgens ijlings te verdwijnen in de richting van het--op dat uur

gemeenlijk verlaten--waschlokaal.

[Illustratie]

Wij bleven zwijgend achter; misschien ware het mogelijk geweest, meester

te worden van de pudding, door ons de uitgave van een kwartje te

getroosten; Simon doet àlles voor kwartjes en bracht op mijn verzoek

zelfs een zijner persoonlijke vrienden een kaakslag toe, om zulk een

geldstuk te verdienen.

Daar de koop echter niet tijdig genoeg voorgesteld was, moesten wij het

aanzien, dat de gelukkige eenige minuten later likkebaardend, en nog

steeds grijnzend terugkeerde.

Vanaf dit oogenblik was het, alsof Simon door allen ietwat koel bejegend

werd...

Een uur later trad een nieuweling de wacht binnen; Simon was met hevige

buikpijnen naar de ziekenkamer gebracht, zoo vertelde deze achteloos.

Niemand gaf commentaar op dit bericht; alleen Jan zeide, zeer hoorbaar,

tot Gerrit:

»Nou, wij ete maar kug, hè? En wij lache maar!«

* * * * *

_Honorarium._

Ik weet niet, lezer, of gij op het punt van honoraria opstrijken zoo

gevoelig zijt als schrijver dezes. Voor hem is een bescheiden couvert de

eenige mogelijkheid, waaronder hij min of meer verdiende verdiensten kan

entameeren.

[Illustratie]

Zoo zult ge begrijpen, dat de Zaterdag, of betaaldag in de kazerne voor

hem een der minst verfijnd bedoelde, maar desondanks eene uiterst

verfijnde pijniging is.

Dit proces toch ontwikkelt zich in een aantal folterings-phasen, als

daar zijn:

_a._ anderhalf uur wachtens in eene lange file;

_b._ eerbiediglijk groetend treden voor een tafel, vol kwartjes en

dubbeltjes, waarachter een sergeant-majoor gezeten is; het geheel

herinnert aan den croupier in een speelhuis waar geringe bedragen

omgaan;

_c._ het (eerbiediglijk) uitstrekken van de linkerhand, en het ontvangen

van soldij;

_d._ het groetend rechts-om-keert maken en verheugd lachend weggaan.

Teruggekeerd op de chambrée wordt de aldus tot kapitaalkrachtigheid

geraakte soldaat aanstonds bestormd door collega's, die onder luid

geroep van: »_Wie nog? wie nog?_« groote doozen en kisten ronddragen,

boordevol likeur-reepen, amandel-koeken, Haloppi-sigaren, schoensmeer en

andere weelde- of genotsartikelen.

Om niet al te zeer op te vallen, koop ik dan een doosje z.g. »piraatjes«

of een schoenveter; de rest van het honorarium wordt verbrast aan melk

en krentenbrood.

Het is mij nog niet gelukt, deze financieën, bedragende 24 tot 26

stuivers zoodanig te bestieren, dat ik, zooals velen, twee avonden

achtereen in »kennelijken staat« thuis vermag te komen.

Ook zijn er Duitschers, die geen kennissen in Amsterdam hebben, en toch

sparen.... ik schaam mij!

* * * * *

_Gepoetste schoenen._

Men heeft mij de vraag gesteld, of het mijne gewoonte was, thuis »te

loopen met ongepoetste schoenen«; op mijn ontkennend antwoord gelastte

men mij, »dat dan hier ook niet te doen!«

Eerlijk gezegd, gevoel ik mij niet geheel verantwoord door mijne

mededeeling, en ik heb mij voorgenomen, eens ernstig met onzen

burger-oppasser te spreken. Ik herinner mij niet, mij »thuis« te aller

ure vergewist te hebben van het gepoetst zijn mijner schoenen, zooals

dat hier geschieden moet, doch ik placht vertrouwen te stellen in hen,

die mij niet »voor schande« zouden laten loopen.

Gepoetste schoenen! Het is mij een nachtmerrie geworden. Men eischt van

ons, dat onze schoenen _dof-glanzend_ zullen zijn, en het is mij nog

niet gelukt aan zoo streng een eisch te voldoen.

Ik heb getracht één schoen dof te maken, en één glanzend, om de neuzen

glanzend, de hakken dof te doen zijn, doch kreeg telkenmale berispingen.

Nu vraag ik u: zijn uwe schoenen dof-glanzend? En hoe zien zij er uit?

Zegt het mij en ik hoop mij te vrijwaren tegen onteerende straffen...!

Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige. · 第 26 / 60 题