~Krijgsmanszangen V.~
_Bekentenis_
ter overweging aan hoofden van gezinnen, die onder hunne kennissen
landstormplichtigen hebben.
Wanneer, na langen marsch,
de krijgsman uit wil blazen,
dan kijkt hij achterom,
en suffig, om zich heen:
Hij kent de weiën niet,
waar vreemde koeien grazen,
en zet zich zuchtend op
een nooit-gezienen steen.
Zoo kijk ook ik rondom,
na ruim een maand van zwoegen,
en vind mij-zelf terug,
in streken, die 'k niet ken...
mijn wangen zijn verweerd,
mijn huid vol ruwe voegen...
en 'k vraag mij peinzend af,
of ik dat zèlve ben.
Ik vond het vroeger vies,
om op den grond te slapen...
haha! belachelijk!
ik droeg een òverhemd!
Ik dronk nooit uit mijn hand,
en dorst er niet uit eten,
en had nog nooit een »pruim«
bezogen en omklemd.
Ik vond het vroeger vies,
mij 's morgens slecht te wasschen,
en poetste nooit een schoen...
en dweilde nooit een vloer!!!
Doch las--ik schaam mij dood--
sérieuze paperassen,
...en kende géén matroos
of smid of groentenboer!!
Ik praatte vroeger nooit
met mijn barbier z'n klanten,
of achter op de tram
met vreemden over 't weer...
Nu groet ik dagelijks
kapteins en luitenanten,
die 'k zelfs bij naam niet ken,
en die 'k niet frequenteer.
Mijn geest is afgestompt,
en 'k heb geen conversatie
dan over »rechts-om-keert«
en »schouder-het-geweer«...
dus, Moeders, vraagt mij niet
op uw diners, want gratie
manieren of fatsoen
bezit ik reeds niet meer.
'k Bezit niet meer den tact
uw dochters te behagen,
doch neem van elk gerecht
zoo dikwerf als 't slechts gaat...
mijn glas word voor-en-na
ad fundum omgeslagen...
...Ach! wend het weenend hoofd,
en zeg: »_hij is soldaat!_«