V.

_Over het synthetisch element in de africhting van den recruut._

Bij nader beschouwing ware het wèl zoo passend geweest, in een minder

pretentieus bovenschrift mijne simple vertoogen aan te kondigen. Alsnog,

als blijk van mijn berouw in dezen, de volgende nadere toelichting:

[Illustratie]

Wanneer iemand u of mij verzocht, of gelasten mocht den neus te snuiten,

dan zouden wij ons--daar twijfel ik niet aan--intuïtief van deze taak

kwijten op eene wijze, die zeer zekerlijk de tevredenheid van onzen

lastgever zoude opwekken. Dit geval heeft echter alléén betrekking tot

de burgerlijke samenleving.

Een militaire lastgever toch, zou als volgt te werk gaan: Zonder uitleg

of inleiding zou hij de volgende reeks van bevelen tot ons richten:

Breng de rechterhand naar de rechter broekzak. Steek deze (de hand) er

in.

Knel de vingers te samen, en grijp de zich in de broekzak bevindende

neusdoek stevig vast.

Breng snel en krachtig de hand (waarin zakdoek) naar buiten, en

vervolgens naar boven, tot op circa 2 c.M. afstand van den neus. Haal

diep adem.

Breng de zakdoek om den neus, zoodat beide openingen geheel door het

doek omgeven zijn. Pers nu krachtig de lucht uit de longen door de

neusholte naar buiten, _en zorg daarbij den mond gesloten te houden...._

De rest zal ik u--kiesch-en-kuisch-heids-halve--besparen.

Nu is het ieder individu, na nauwkeurige bestudeering dezer oefeningen,

overgelaten, ze in goede volgorde uit het hoofd te leeren.

Pas wanneer dit--op straffe van hechtenis--is geschied, gaat de

instructeur er toe over de reeks bewegingen »zonder tusschenbevelen«, in

snel tempo te doen afwerken.

Indien deze leerwijze wordt toegepast op een klasse van zeg dertig

menschen, dan komt men voor het zonderlinge geval te staan dat--na een

week studie--_slechts twee of drie hunner den neus kunnen snuiten_....

hoe schitterend ook hunne antecedenten in dezen mogen zijn. En het

zwaartepunt der verklaring ligt in het feit, dat het kostelijk

materiaal, dat ons door de natuur als _intuïtie_ wordt gegeven,

brutaalweg genegeerd wordt, en plaats moet maken voor een reeks

»model-bepalingen«, wier noodzakelijk onderling verband den eenvoudige

van geest ontgaat.

Slechts weinigen zijn in staat de integraal van deze oneindige

hoeveelheid nietigheden voor zich zelve te bepalen.

Men zal mij van militaire zijde tegenwerpen, dat een zelfde beweging

door allen op dezelfde wijze uitgevoerd moet worden, en ik twijfel er

niet aan, dat een groot aantal--inmiddels vergetene--ontleedkundigen

zich ernstiglijk heeft bezig gehouden met de differentiatie van een

schijnbaar simpele beweging als »rechts-om-keert«.

Hier zou ik het voorbeeld willen aanhalen van mijn strijdmakker Hannes,

die, na bijna 3 maanden ernstiglijk oefenens, en behebd zijnde met

bijkans middelmatige verstandelijke vermogens, nog niet in staat is mij

op de voorgeschrevene wijze den rug toe te wenden.

Intusschen riep ik hem eens op straat, toen hij voor mij uit

dandineerde, aan met den modelkreet: »Amodjo! kameraod, gao je mee 'n

joajempie hikken?«

Tot mijn schrik en verrassing _voerde hij snel en behendig het

rechts-om-keert op onverbeterlijke wijze uit_!

»Hannes!«--zoo kreet ik verheugd----»Hannes, ge hebt hem te pakken!«

»'k Hè d'r nog geen eene gepakt!« deed hij naïef, niet begrijpend.

»Rechts om keert!« deed ik triomfantelijk. De lach bestierf hem op de

lippen.

»Mò jij me nou óók péste...?«

_Hij had het niet geweten!_

En ziet!

Nòg worstelt mijn kameraad met het euvel, en struikelt over zijne

conscientieus gepoetste schoenen, wanneer het fataal bevel klinkt!

* * * * *

Ik zeide u te zullen spreken over het synthetisch element in de

africhting van den recruut.

En ge zult mij begrepen hebben:

Ik bedoel het noodzakelijke opklimmen van de bijzondere stellingen tot

eene algemeene.

En alweer licht ik dit toe met »rechts-om-keert«.

De eerste stelling van deze beweging is:

plaats de linkervoet schuin vóór de rechter, in een hoek van circa

90 graden met den oorspronkelijken stand, zoodat de holte op ongeveer

2 c.M. afstand is van de punt van... mijn hemel! het _is_ mij niet

mogelijk het alles op te schrijven... het duizelt mij van standen,

stellingen en tusschentellen... Het is zoo met duizenderlei oefeningen

op de plaats, met het geweer..., erbarmen!

Het is alles gecompliceerd, en schijnbaar zonder noodzaak. En ik weet

niet anders te doen, dan in starre ontzetting de bezoedelde handen ineen

te slaan, krijtend de cosmische, zij het gemeenplaatselijke roep van

_»Waarom?_«

* * * * *

_De »starre blik« en »lijnen«._

De soldaat is kenbaar aan... neen, denk niet dat ik u wil gaan épateeren

met de resultaten van het door mij genoten militaire onderwijs. Ik wilde

slechts zeggen, dat een soldaat kenbaar is aan zekeren geestesafwezigen,

starren blik.

[Illustratie]

Hiermede is slechts de soldaat binnen-de-kazerne bedoeld; zijn blik is

als die van chauffeurs, die van achter hun stuur vreemdstrak in vage

verten kunnen staren.

Dat is de blik van den afwachtende, voor wien de perspectieven

eindeloos, en tegelijk zoo benauwend eng òpdringend zijn. Dat is de

blik, waarmede een nabij Sloterdijk opgestelde schildwacht over drassig

grasland tuurt, waarover--hij weet het--geen vijand naken zal.

Dat is de blik van den willooze, voor wien het tijdsbesef in nevelen van

belangstellingloosheid vergaan is.

De kostelijke uren van jeugd worden gretiglijk stuk voor stuk, of bij

dozijnen van de dragensmoede schouders geworpen, en de nog restende

tijd-last gaat benauwend zwaar wegen, daar de gedachten er zich op

concentreeren, en geen belangstelling ze tot gebodene centra kan

afleiden.

Wachten en tijd-dooden, dagen lang, en als opperst ideaal: »_De Lijn_«.

Deze is de vervulling en het doodsbed van wenschen; wanneer de lijn,

de rustige betrekking, verkregen wordt, dan is de situatie van den

gebrekkige als die van een in de sneeuw ingeslapen reiziger... hij

slaapt in, en zacht sterft de energie van zijn jeugd in het verraderlijk

bed.

Vaders en voogden, laat uwe zonen en pupillen geen »lijnen« verkrijgen;

laat hen zich interesseeren voor hun dienst, voor hun simpele taak. Want

waarlijk, voor wie zoekt, is dikwerf een uitleg te vinden voor

schijnbaar verwerpelijke zaken en harde maatregelen.

_Voor wie zoekt_, zeg ik, want àl te weinig wordt ons de beteekenis

verklaard van onzen bescheiden rol in het militair verband.

Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige. · 第 25 / 60 题