_Over het synthetisch element in de africhting van den recruut._
Bij nader beschouwing ware het wèl zoo passend geweest, in een minder
pretentieus bovenschrift mijne simple vertoogen aan te kondigen. Alsnog,
als blijk van mijn berouw in dezen, de volgende nadere toelichting:
[Illustratie]
Wanneer iemand u of mij verzocht, of gelasten mocht den neus te snuiten,
dan zouden wij ons--daar twijfel ik niet aan--intuïtief van deze taak
kwijten op eene wijze, die zeer zekerlijk de tevredenheid van onzen
lastgever zoude opwekken. Dit geval heeft echter alléén betrekking tot
de burgerlijke samenleving.
Een militaire lastgever toch, zou als volgt te werk gaan: Zonder uitleg
of inleiding zou hij de volgende reeks van bevelen tot ons richten:
Breng de rechterhand naar de rechter broekzak. Steek deze (de hand) er
in.
Knel de vingers te samen, en grijp de zich in de broekzak bevindende
neusdoek stevig vast.
Breng snel en krachtig de hand (waarin zakdoek) naar buiten, en
vervolgens naar boven, tot op circa 2 c.M. afstand van den neus. Haal
diep adem.
Breng de zakdoek om den neus, zoodat beide openingen geheel door het
doek omgeven zijn. Pers nu krachtig de lucht uit de longen door de
neusholte naar buiten, _en zorg daarbij den mond gesloten te houden...._
De rest zal ik u--kiesch-en-kuisch-heids-halve--besparen.
Nu is het ieder individu, na nauwkeurige bestudeering dezer oefeningen,
overgelaten, ze in goede volgorde uit het hoofd te leeren.
Pas wanneer dit--op straffe van hechtenis--is geschied, gaat de
instructeur er toe over de reeks bewegingen »zonder tusschenbevelen«, in
snel tempo te doen afwerken.
Indien deze leerwijze wordt toegepast op een klasse van zeg dertig
menschen, dan komt men voor het zonderlinge geval te staan dat--na een
week studie--_slechts twee of drie hunner den neus kunnen snuiten_....
hoe schitterend ook hunne antecedenten in dezen mogen zijn. En het
zwaartepunt der verklaring ligt in het feit, dat het kostelijk
materiaal, dat ons door de natuur als _intuïtie_ wordt gegeven,
brutaalweg genegeerd wordt, en plaats moet maken voor een reeks
»model-bepalingen«, wier noodzakelijk onderling verband den eenvoudige
van geest ontgaat.
Slechts weinigen zijn in staat de integraal van deze oneindige
hoeveelheid nietigheden voor zich zelve te bepalen.
Men zal mij van militaire zijde tegenwerpen, dat een zelfde beweging
door allen op dezelfde wijze uitgevoerd moet worden, en ik twijfel er
niet aan, dat een groot aantal--inmiddels vergetene--ontleedkundigen
zich ernstiglijk heeft bezig gehouden met de differentiatie van een
schijnbaar simpele beweging als »rechts-om-keert«.
Hier zou ik het voorbeeld willen aanhalen van mijn strijdmakker Hannes,
die, na bijna 3 maanden ernstiglijk oefenens, en behebd zijnde met
bijkans middelmatige verstandelijke vermogens, nog niet in staat is mij
op de voorgeschrevene wijze den rug toe te wenden.
Intusschen riep ik hem eens op straat, toen hij voor mij uit
dandineerde, aan met den modelkreet: »Amodjo! kameraod, gao je mee 'n
joajempie hikken?«
Tot mijn schrik en verrassing _voerde hij snel en behendig het
rechts-om-keert op onverbeterlijke wijze uit_!
»Hannes!«--zoo kreet ik verheugd----»Hannes, ge hebt hem te pakken!«
»'k Hè d'r nog geen eene gepakt!« deed hij naïef, niet begrijpend.
»Rechts om keert!« deed ik triomfantelijk. De lach bestierf hem op de
lippen.
»Mò jij me nou óók péste...?«
_Hij had het niet geweten!_
En ziet!
Nòg worstelt mijn kameraad met het euvel, en struikelt over zijne
conscientieus gepoetste schoenen, wanneer het fataal bevel klinkt!
* * * * *
Ik zeide u te zullen spreken over het synthetisch element in de
africhting van den recruut.
En ge zult mij begrepen hebben:
Ik bedoel het noodzakelijke opklimmen van de bijzondere stellingen tot
eene algemeene.
En alweer licht ik dit toe met »rechts-om-keert«.
De eerste stelling van deze beweging is:
plaats de linkervoet schuin vóór de rechter, in een hoek van circa
90 graden met den oorspronkelijken stand, zoodat de holte op ongeveer
2 c.M. afstand is van de punt van... mijn hemel! het _is_ mij niet
mogelijk het alles op te schrijven... het duizelt mij van standen,
stellingen en tusschentellen... Het is zoo met duizenderlei oefeningen
op de plaats, met het geweer..., erbarmen!
Het is alles gecompliceerd, en schijnbaar zonder noodzaak. En ik weet
niet anders te doen, dan in starre ontzetting de bezoedelde handen ineen
te slaan, krijtend de cosmische, zij het gemeenplaatselijke roep van
_»Waarom?_«
* * * * *
_De »starre blik« en »lijnen«._
De soldaat is kenbaar aan... neen, denk niet dat ik u wil gaan épateeren
met de resultaten van het door mij genoten militaire onderwijs. Ik wilde
slechts zeggen, dat een soldaat kenbaar is aan zekeren geestesafwezigen,
starren blik.
[Illustratie]
Hiermede is slechts de soldaat binnen-de-kazerne bedoeld; zijn blik is
als die van chauffeurs, die van achter hun stuur vreemdstrak in vage
verten kunnen staren.
Dat is de blik van den afwachtende, voor wien de perspectieven
eindeloos, en tegelijk zoo benauwend eng òpdringend zijn. Dat is de
blik, waarmede een nabij Sloterdijk opgestelde schildwacht over drassig
grasland tuurt, waarover--hij weet het--geen vijand naken zal.
Dat is de blik van den willooze, voor wien het tijdsbesef in nevelen van
belangstellingloosheid vergaan is.
De kostelijke uren van jeugd worden gretiglijk stuk voor stuk, of bij
dozijnen van de dragensmoede schouders geworpen, en de nog restende
tijd-last gaat benauwend zwaar wegen, daar de gedachten er zich op
concentreeren, en geen belangstelling ze tot gebodene centra kan
afleiden.
Wachten en tijd-dooden, dagen lang, en als opperst ideaal: »_De Lijn_«.
Deze is de vervulling en het doodsbed van wenschen; wanneer de lijn,
de rustige betrekking, verkregen wordt, dan is de situatie van den
gebrekkige als die van een in de sneeuw ingeslapen reiziger... hij
slaapt in, en zacht sterft de energie van zijn jeugd in het verraderlijk
bed.
Vaders en voogden, laat uwe zonen en pupillen geen »lijnen« verkrijgen;
laat hen zich interesseeren voor hun dienst, voor hun simpele taak. Want
waarlijk, voor wie zoekt, is dikwerf een uitleg te vinden voor
schijnbaar verwerpelijke zaken en harde maatregelen.
_Voor wie zoekt_, zeg ik, want àl te weinig wordt ons de beteekenis
verklaard van onzen bescheiden rol in het militair verband.