RIJM-KRONYCK.

~Krijgsmanszangen IV.~

_Mijn Schietgeweer._

Mijn dierbaar, loodzwaar schietgeweer,

U geldt vandaag mijn zang;

Ik hef u op, en zet u neer,

wanneer ik 's morgens exerceer,

of leg u aan den wang.

Ik poets u 's middags blank en schoon,

van kruitdamp en van roet,

opdat, wanneer ik u vertoon

of presenteer, geen woord van hoon

uw meester blozen doet.

Soms kijk ik naar uw kleinen mond,

die nu nog vredig lacht,

en denk: »aan welken vreemden hond

hebt gij--stel dat er krijg ontstond--

uw gaven toegedacht?«

Kan 't zijn, dat ergens iemand leeft,

wien 't onbetrouwbaar lot,

dat niet om jeugd of blijheid geeft

een vroegen dood beschoren heeft

door uw, en door mijn schot...?

Of leeft er ergens een soldaat,

(de Wereld is zoo klein),

die zijn geweer nu gadeslaat,

onwetend, dat het, vroeg of laat,

op mij gericht zal zijn?

Mijn schietgeweer is als een Sphynx...

de mond blijft star en stom

-- -- -- -- -- -- -- -- -- --

Wat bliksem!--'t is een stuk metaal...

Zoo zijn geweren allemaal...:

Zoo dóódelijk, suf en dom...

Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige. · 第 24 / 60 题