_»Lolletjes«, en de waardeering ervan._
»En,« zoo vraagde mij mijn goede oom J., »hoe hebt ge u geamuseerd
vandaag?«
Mij docht, dat de vermoeienis en bevuiling, die duidelijk door mijn
uiterlijk gedemonstreerd werden, het antwoord »minimaal« overbodig
maakten en zoo zweeg ik, vragend...
»Voor veertienhonderd gulden«--zoo ging oom verder,--zoudt ge toch met
uwe kameraden een prettigen dag gehad kunnen...
Ik herhaalde verbaasd het bedrag, en toen vertelde hij mij, hoe dien
middag op de beurs dat geld bijeen gebracht was, om ons, Amsterdamsche
soldaten, een prettigen dag te bezorgen.
Een officier had gesproken van kregelige stemming, »door het inhouden
van verloven«, en onze beursvaderen hadden het hunne trachten te doen,
om onheilen te voorkomen.
»Dank u wel oom,« zeide ik hartelijk, »bij voorbaat!«
* * * * *
De »prettige dag« is er geweest, en was in zijn soort een zéér groot
onheil.
Des avonds, na den feestdag, zeiden wij hoofdschuddend tot elkander dat
het een zwàre dag geweest was, en wij toonden malkander de bonnetjes,
waarvoor wij ververschingen hadden kúnnen krijgen indien...
...Indien de dag niet tot een vreemde herinnering vergaan was, aan
duwen, Grieg, de gangen van het Concertgebouw, bier en slaap.
Ik heb het gezegd: wij bevolkten het Concertgebouw... nooit hebt ge
het eerbiedwaardig monument zóó bekleed gezien, het was eene symphonie
in grijs: het grijs der uniformen lag golvend uit over de parterre,
als morgennevels op zee, en het bedekte met egale grauwheid de ruimte,
die anders in zoovele nuances en schakeeringen prijkt: de plaatsen
waar dweepende jongemeisjes hunnen Willem toejuichen, de zetels
der heeren van Rees en Oyens en de zijstoelen der telaatkomers en
quasi-dandineerenden. Het grijs golfde òp tegen het podium, dekte de
gaanderijen, en er stegen geuren uit op, en eene murmeling, die den
grooten dirigent tot woede gebracht zouden hebben en in de bekende
afwachtende houding, totdat het laatste kuchje (gemeenlijk van mr.
J. A. L.) verstorven was.
Ik wil u niet spreken van het concert, of van de concerteerenden,
dit alles was slechts secundair; het belangrijke van dezen dag was de
vreemde stemming binnen deze muren van traditie, kalk en roode pluche.
Daar was het vreemde van menschen, die in de korte pauze tusschen
Allegro en Andante applaudisseerden, of opstonden en met los geknoopte
kleeding en scheeve hoofddeksels de zaal verlieten, om elders consumptie
te gaan genieten. Daar was het zotte van approuveerende geluidjes bij
het verschijnen der gracieuse zangeres, en het geroep van bekenden
onderling, tusschen balcon en parterre.
[Illustratie]
Daar was eindelijk de stroeve aanblik van lànge, lànge rijen slapende
jongemannen, en vervolgens de pauze, waarin de gangen het tooneel waren
van verwarring en bousculades, ingewikkelder dan de Alpen-symphonie,
waarin het bier klokte door duizenden kelen, als een bergbeek, het
verscherven van een ruit als een lawine...
Het vreemdste was echter het gedwongene van al deze vreugde; ik vraag
u in gemoede: waart ge ooit bij een concert, waar een schildwacht u
het heengaan belette, zaagt ge ooit op een feest dozijnen genoodigden
»ontsnappen« door den tuin, en, over de muur klimmend, een »goed
heenkomen« zoeken? Zijn concertgebouw-programma's ooit misbruikt door ze
te scheuren in het formaat van »bier-en-thee-bons«, en als zoodanig aan
de buffetten ingewisseld?
Neen immers?
Gedurende een korte flauwte, die mij tijdens de pauze beving, had ik een
vreemd vizioen: ik waande mij op een Zondagnamiddag, en alle kameraden
om mij heen kregen de gestalten van concertgebouwers.
Ik zag mr. Theodore Stuart en den heer Van Rees worstelen om een glas
Pils, ik zag mr. dr. A. Röell bestraft worden wegens het uittrekken van
zijn tuniek, door een luitenant, die de trekken vertoonde van den heer
Labouchère, en, puffend en pratend zaten amechtig op een gangbankje de
heeren S. P. van Eeghen en van Aalst naast elkander.
[Illustratie]
De obsessie was afschuwelijk, en ik ontwaakte niet, vóórdat een
luitenant mij de zaal weer binnenduwde.
Na de pauze vertoonden het verlaten podium, en de gapingen in de
parterre, hoevele »gasten« over het tuinhek ontvlucht waren.
De cellist speelde de »Träumerei«... mijne kameraden dommelden, met
zweet-beparelde voorhoofden, losgegespte kragen en verwarde hoofdharen.
Als gold het hier een orgiastisch feest, in stede van een bezoek aan het
concertgebouw...
* * * * *
»Nee jô! dan was het fijnder in de Flora onderlaatst!« voegde Kees mij
toe, »daar zàg je tenminste wat, en daar kò je méézingen!«
Hier had mijn vriend het oog op ons voorlaatste »lolletje«, eene
uiterst profane matinée in het bekende varieteiten théater. Daar was
men en pays de connaissance. Daar riep men »psssst« tegen heldinnen van
bioscope-drama's. Daar stemde men in met de liederen van zekeren Raf.
Kappers, aan het klavier begeleid door zijnen vriend Agsteribbe. Daar
rookte men de zaal blauw en schier ondoorwaadbaar, en verdween men onder
luid gejuich der overigen in een zéér zichtbare deur, waarop het woord
(of begrip) »_Dames_« geschilderd was. En het is een feit, dat men nóg
de liederen van den heer Kappers zingt, terwijl niemand zich van de
sonate van Grieg ook maar de eerste noten herinnert.
Trouwens men kènde de »artisten«, en in Flora waren vergissingen
uitgesloten, zooals die in het Concertgebouw plaats vonden, waar mijn
buurman vóór hij insliep den cellist bekeek, en toen het programma,
mompelend: »Mendelssohn.... Mendelssohn.... een mòf netuurlijk... dat
zie-je zoo!«
* * * * *
_Zingen._
Het spijt mij, maar van de liederen, die wij gemeenlijk tesamen
aanheffen, kan ik u den tekst bezwaarlijk herhalen. Doch toepasselijk
zijn ze àlle.
Zoo, toen Gerrit thuiskwam en ons stràlend van vadervreugde mededeelde,
dat vrouw Gerrit hem eenen zoon gebaard had.
Onmiddellijk werd mijn gelukwensch gesmoord, door het gemeenschappelijk
en krachtig ingezette lied, dat aanvangt met de woorden:
_Onze káter het jòngkies gekrége..._
en waarvan het refrein luidt:
_poes, poes, sméeerige poes..._
enz.
Voorts is er een lied, dat zeer populair is, en waarin men voortdurend
herhaalt, dat »bij ons alles zóó óóóóó gaat« afgewisseld met »hallo,
hallo«. _Wàt_ en _wáár_ en _hoè_ er iets »_gáát_« is echter niemand
recht duidelijk, evenmin als men met voldoende duidelijkheid motiveert
waarom »_een mensch niet van stroo_« is of in hoeverre men »_naar
Amsterdam terug_« gebracht wil worden... altemaal uitbundiglijk
populaire liederen, waarvan de strekking geen andere is, dan spektakel
maken.
[Illustratie]
* * * * *
_Meningitis-gevaar._
Het gevaar, dat ons soldaten bedreigt, aangestoken te worden door
meningitis cerebro spinalis, heeft tot nu toe geen andere moreele
uitwerking gehad, dan de nieuwe verwensching »krijg de nekkramp«.
Deze expressie is volstrekt niet gemeener dan die, welke iemand
respectievelijk de »pest«, »cholera« of anderszins toeschuiven en in den
laatsten tijd zelfs »de pokken«. De volksmond richt zich blijkbaar naar
de momenteel vigeerende ziekte!...
»Vandaag«, zeide de sergeant, »staat er in mijne orders, dat ik theorie
moet geven over de nekkramp... Ik zeg dus, weest zindelijk, in alles!
Deze ziekte is besmettelijk en gevaarlijk!«
»Weet iemand anders nog iets?«
Toen zeide Karel, dat het een »baktil« was, en betoogde Gerrit, dat
»hij« binnenkwam door de neus,... vervolgens ontstond twist onder de
toehoorders, waardoor de docent genoodzaakt werd de debatten te sluiten,
en den raad gaf, véél te rooken.
Kortom:
_De militaire geneeskundige dienst heeft ook hier gefaald, door niet
aan militaire dokters op te dragen een soort college te houden over de
nekkramp en de beveiligingsmiddelen tegen deze ziekte._
_Ook zij geconstateerd, dat ontsmettingsmiddelen voor de lokalen in
onvoldoende mate verstrekt zijn._
_Dat geen voldoende medische contrôle op deze reiniging plaats heeft._
_Noot:_ Zooeven heeft een tweede »lolletje« plaats gehad in Carré. Men
amuseerde zich uitbundiglijk. Den schenkers der benoodigde gelden dank,
ook namens Maupie Staal, eenen zanger van indécente coupletten, en den
exploitant der buffetten.