IV.

_»Lolletjes«, en de waardeering ervan._

»En,« zoo vraagde mij mijn goede oom J., »hoe hebt ge u geamuseerd

vandaag?«

Mij docht, dat de vermoeienis en bevuiling, die duidelijk door mijn

uiterlijk gedemonstreerd werden, het antwoord »minimaal« overbodig

maakten en zoo zweeg ik, vragend...

»Voor veertienhonderd gulden«--zoo ging oom verder,--zoudt ge toch met

uwe kameraden een prettigen dag gehad kunnen...

Ik herhaalde verbaasd het bedrag, en toen vertelde hij mij, hoe dien

middag op de beurs dat geld bijeen gebracht was, om ons, Amsterdamsche

soldaten, een prettigen dag te bezorgen.

Een officier had gesproken van kregelige stemming, »door het inhouden

van verloven«, en onze beursvaderen hadden het hunne trachten te doen,

om onheilen te voorkomen.

»Dank u wel oom,« zeide ik hartelijk, »bij voorbaat!«

* * * * *

De »prettige dag« is er geweest, en was in zijn soort een zéér groot

onheil.

Des avonds, na den feestdag, zeiden wij hoofdschuddend tot elkander dat

het een zwàre dag geweest was, en wij toonden malkander de bonnetjes,

waarvoor wij ververschingen hadden kúnnen krijgen indien...

...Indien de dag niet tot een vreemde herinnering vergaan was, aan

duwen, Grieg, de gangen van het Concertgebouw, bier en slaap.

Ik heb het gezegd: wij bevolkten het Concertgebouw... nooit hebt ge

het eerbiedwaardig monument zóó bekleed gezien, het was eene symphonie

in grijs: het grijs der uniformen lag golvend uit over de parterre,

als morgennevels op zee, en het bedekte met egale grauwheid de ruimte,

die anders in zoovele nuances en schakeeringen prijkt: de plaatsen

waar dweepende jongemeisjes hunnen Willem toejuichen, de zetels

der heeren van Rees en Oyens en de zijstoelen der telaatkomers en

quasi-dandineerenden. Het grijs golfde òp tegen het podium, dekte de

gaanderijen, en er stegen geuren uit op, en eene murmeling, die den

grooten dirigent tot woede gebracht zouden hebben en in de bekende

afwachtende houding, totdat het laatste kuchje (gemeenlijk van mr.

J. A. L.) verstorven was.

Ik wil u niet spreken van het concert, of van de concerteerenden,

dit alles was slechts secundair; het belangrijke van dezen dag was de

vreemde stemming binnen deze muren van traditie, kalk en roode pluche.

Daar was het vreemde van menschen, die in de korte pauze tusschen

Allegro en Andante applaudisseerden, of opstonden en met los geknoopte

kleeding en scheeve hoofddeksels de zaal verlieten, om elders consumptie

te gaan genieten. Daar was het zotte van approuveerende geluidjes bij

het verschijnen der gracieuse zangeres, en het geroep van bekenden

onderling, tusschen balcon en parterre.

[Illustratie]

Daar was eindelijk de stroeve aanblik van lànge, lànge rijen slapende

jongemannen, en vervolgens de pauze, waarin de gangen het tooneel waren

van verwarring en bousculades, ingewikkelder dan de Alpen-symphonie,

waarin het bier klokte door duizenden kelen, als een bergbeek, het

verscherven van een ruit als een lawine...

Het vreemdste was echter het gedwongene van al deze vreugde; ik vraag

u in gemoede: waart ge ooit bij een concert, waar een schildwacht u

het heengaan belette, zaagt ge ooit op een feest dozijnen genoodigden

»ontsnappen« door den tuin, en, over de muur klimmend, een »goed

heenkomen« zoeken? Zijn concertgebouw-programma's ooit misbruikt door ze

te scheuren in het formaat van »bier-en-thee-bons«, en als zoodanig aan

de buffetten ingewisseld?

Neen immers?

Gedurende een korte flauwte, die mij tijdens de pauze beving, had ik een

vreemd vizioen: ik waande mij op een Zondagnamiddag, en alle kameraden

om mij heen kregen de gestalten van concertgebouwers.

Ik zag mr. Theodore Stuart en den heer Van Rees worstelen om een glas

Pils, ik zag mr. dr. A. Röell bestraft worden wegens het uittrekken van

zijn tuniek, door een luitenant, die de trekken vertoonde van den heer

Labouchère, en, puffend en pratend zaten amechtig op een gangbankje de

heeren S. P. van Eeghen en van Aalst naast elkander.

[Illustratie]

De obsessie was afschuwelijk, en ik ontwaakte niet, vóórdat een

luitenant mij de zaal weer binnenduwde.

Na de pauze vertoonden het verlaten podium, en de gapingen in de

parterre, hoevele »gasten« over het tuinhek ontvlucht waren.

De cellist speelde de »Träumerei«... mijne kameraden dommelden, met

zweet-beparelde voorhoofden, losgegespte kragen en verwarde hoofdharen.

Als gold het hier een orgiastisch feest, in stede van een bezoek aan het

concertgebouw...

* * * * *

»Nee jô! dan was het fijnder in de Flora onderlaatst!« voegde Kees mij

toe, »daar zàg je tenminste wat, en daar kò je méézingen!«

Hier had mijn vriend het oog op ons voorlaatste »lolletje«, eene

uiterst profane matinée in het bekende varieteiten théater. Daar was

men en pays de connaissance. Daar riep men »psssst« tegen heldinnen van

bioscope-drama's. Daar stemde men in met de liederen van zekeren Raf.

Kappers, aan het klavier begeleid door zijnen vriend Agsteribbe. Daar

rookte men de zaal blauw en schier ondoorwaadbaar, en verdween men onder

luid gejuich der overigen in een zéér zichtbare deur, waarop het woord

(of begrip) »_Dames_« geschilderd was. En het is een feit, dat men nóg

de liederen van den heer Kappers zingt, terwijl niemand zich van de

sonate van Grieg ook maar de eerste noten herinnert.

Trouwens men kènde de »artisten«, en in Flora waren vergissingen

uitgesloten, zooals die in het Concertgebouw plaats vonden, waar mijn

buurman vóór hij insliep den cellist bekeek, en toen het programma,

mompelend: »Mendelssohn.... Mendelssohn.... een mòf netuurlijk... dat

zie-je zoo!«

* * * * *

_Zingen._

Het spijt mij, maar van de liederen, die wij gemeenlijk tesamen

aanheffen, kan ik u den tekst bezwaarlijk herhalen. Doch toepasselijk

zijn ze àlle.

Zoo, toen Gerrit thuiskwam en ons stràlend van vadervreugde mededeelde,

dat vrouw Gerrit hem eenen zoon gebaard had.

Onmiddellijk werd mijn gelukwensch gesmoord, door het gemeenschappelijk

en krachtig ingezette lied, dat aanvangt met de woorden:

_Onze káter het jòngkies gekrége..._

en waarvan het refrein luidt:

_poes, poes, sméeerige poes..._

enz.

Voorts is er een lied, dat zeer populair is, en waarin men voortdurend

herhaalt, dat »bij ons alles zóó óóóóó gaat« afgewisseld met »hallo,

hallo«. _Wàt_ en _wáár_ en _hoè_ er iets »_gáát_« is echter niemand

recht duidelijk, evenmin als men met voldoende duidelijkheid motiveert

waarom »_een mensch niet van stroo_« is of in hoeverre men »_naar

Amsterdam terug_« gebracht wil worden... altemaal uitbundiglijk

populaire liederen, waarvan de strekking geen andere is, dan spektakel

maken.

[Illustratie]

* * * * *

_Meningitis-gevaar._

Het gevaar, dat ons soldaten bedreigt, aangestoken te worden door

meningitis cerebro spinalis, heeft tot nu toe geen andere moreele

uitwerking gehad, dan de nieuwe verwensching »krijg de nekkramp«.

Deze expressie is volstrekt niet gemeener dan die, welke iemand

respectievelijk de »pest«, »cholera« of anderszins toeschuiven en in den

laatsten tijd zelfs »de pokken«. De volksmond richt zich blijkbaar naar

de momenteel vigeerende ziekte!...

»Vandaag«, zeide de sergeant, »staat er in mijne orders, dat ik theorie

moet geven over de nekkramp... Ik zeg dus, weest zindelijk, in alles!

Deze ziekte is besmettelijk en gevaarlijk!«

»Weet iemand anders nog iets?«

Toen zeide Karel, dat het een »baktil« was, en betoogde Gerrit, dat

»hij« binnenkwam door de neus,... vervolgens ontstond twist onder de

toehoorders, waardoor de docent genoodzaakt werd de debatten te sluiten,

en den raad gaf, véél te rooken.

Kortom:

_De militaire geneeskundige dienst heeft ook hier gefaald, door niet

aan militaire dokters op te dragen een soort college te houden over de

nekkramp en de beveiligingsmiddelen tegen deze ziekte._

_Ook zij geconstateerd, dat ontsmettingsmiddelen voor de lokalen in

onvoldoende mate verstrekt zijn._

_Dat geen voldoende medische contrôle op deze reiniging plaats heeft._

_Noot:_ Zooeven heeft een tweede »lolletje« plaats gehad in Carré. Men

amuseerde zich uitbundiglijk. Den schenkers der benoodigde gelden dank,

ook namens Maupie Staal, eenen zanger van indécente coupletten, en den

exploitant der buffetten.

Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige. · 第 23 / 60 题