~Krijgsmanszangen III.~
_Aan mijne nieuwe vrienden._
De kazerne is een woning,
waar de jeugd geen vreugde is,
en waar 't schuren, lange uren,
van portalen, gangen, muren,
de hoogste aller deugden is.
De kazerne is een zeestrand,
waar 'k gebracht ben door den vloed,
waar de eb mij heeft gelaten,
tusschen allerlei soldaten,
wier bestaan 'k nooit had vermoed.
Barend, Joopie, Kees en Gerrit,
strekken hun vermoeide lijf
naast het mijne in de kribben,
en des morgens port mijn ribben,
een sergeant, dien 'k niet beschrijf.
Gerrit, Joopie, Kees en Barend,
'k had nog nooit van u gehoord,
doch reeds kennen we elkaars vreugden,
zorgen, droefenis en deugden,
sokken, ondergoed en boord.
Kees heeft vaste-loop-verkeering,
Joop en Barend, zijn getrouwd,
Gerrit wacht zijn tweede »kleine«...
en 'k heb op mijn beurt ook mijne
hoop' en plannen hun ontvouwd.
. . . . . . . . . . . . . . .
De kazerne is een woning,
die men zuchtend binnen-gaat,
en die ieder vòl verlangen
naar zijn dierb'ren, na een langen
dag van rechts-om-keert's, verlaat...