III.

_Verloven._

_Mei 1916._

Wij, soldaten, wenschen de lengte en het aantal der ons van hooger hand

toegestane verloven gehandhaafd te zien, zooals een huisdier het volume

van zijn portie voedsel.

En het moge u drie, viermaal gelukken, de etensbak van uwen hond weg te

nemen, terwijl hij slechts dreigend gromt... er komt een keer, dat hij

grimmig bijten zal. Intusschen zult ge in het daarop volgend conflict

de sterkste en machtigste blijken, doch onloochenbaar zal het incident

eene verkoeling teweeg brengen in de verhouding tusschen u en hem. De

vergelijking gaat echter op één punt mank: het zal u n.l. niet mogelijk

zijn, den hond aan het verstand te brengen, _waarom_ hij zijn gewone

portie derven moet, terwijl het ons, soldaten, zeer zeker aan het

redelijk verstand te brengen zoude zijn, welke de reden is van deze

onaangename onthouding.

En het meerendeel onzer zou deze explicatie, zoo niet getroost, dan toch

berustend aanvaarden. En in dit opzicht is dus onze wensch dezelfde als

die van de burger-maatschappij: eenig commentaar van de zijde der

regeering.

Nu is het grommen luider dan aangenaam is, en het gerucht van incidenten

en onlusten bereikte ons van het veldleger.

»Maar wat wil je?« zegt mijn »slaapie«--»als d'r één man staakt, pakken

er twee hem op, en douwen hem de pot in... als er een sectie staakt,

staat er een compie klaar... en tegenover een compie een bataljon, en

daartegenover weer een regiment, en dan een brigade en dan een divisie,

en dan vier divisies... en dan?«

Ja, meer is er niet heeft de sergeant ons op de »tieërie« geleerd... en

opeens flakkeren de oogen van Simon, den stiekemen anti-militarist, en

hij brult de gemeenplaatsen, die ik vandaag op de parapluie's eener

demonstreerende menigte geschilderd zag:

»Algemeene demobilisatie... geen man en geen cent voor het militarisme;«

Verder gaan mijne vrienden niet; voor deze stoute geestes-schepping

staan zij vol ontzag en ontzetting... zooals een groot kunstenaar voor

zijn meesterwerk!

* * * * *

_Oudjes._

Bij Kon. besluit van 11 dezer is aan Jan Jacob Pisters, milicien der

lichting 1855 voor de gemeente Nuth, vrijstelling voorgoed van den

dienst bij de militie verleend.

(_St. Ct._)

Bovenstaand bericht, geput uit de »N. R. Ct.« van Zondagmorgen, deed mij

in gepeinzen verzinken. Een tachtigjarige is dus voorgoed vrijgesteld

van den dienst bij de militie! Welk een veteraan! Neen zóó oud zijn er

bij ons niet. Wèl dommelt gemeenlijk bij een der kachels in de cantine

een soldaat, dien ik een dikke vijftig geef, doch deze is nog zeer

weerbaar.

[Illustratie]

* * * * *

_Een moment van ontzetting!_

Voor het eerst in mijn militairen loopbaan ben ik heviglijk geschrokken;

niet door het feit, dat dezer dagen mijne schoenen gestolen zijn...

Wij zijn er reeds lang aan gewend, dat telkens zaken spoorloos uit

de chambrées verdwijnen, en wij vatten dit op als roof- en plunder

oefeningen van een mede-krijgsman. De schrik beving mij achteraf, toen

men mij voorstelde als schadeloosstelling te aanvaarden: ...een paar

gedragen schoenen! Nu vraag ik u... men zoude mij evengoed in overweging

kunnen geven, mijns buurmans tandenborstel of oorlepel te benutten. Vol

afschuw haastte ik mij, deze vraag met de wedervraag te beantwoorden:

of er _nieuwe_ schoenen verkrijgbaar waren. Helaas zag ik mij

genoodzaakt den fourier te épateeren met het aanvaarden der laatste

mogelijkheid: vijf weken soldij in ruil voor een nieuw paar schoenen!

Dief! Indien deze regelen u onder de oogen mochten komen, bedenk

dan, dat ik vijf weken exerceeren zal, zonder daarvoor honorarium

te genieten... Het ergste is, dat men mij van diefstal schijnt te

verdenken; telkenmaal toch, dat ik met mijn citybag de kazerne verlaat,

gelast de deurbewaker mij met verwachtingsvolle en bevelende gebaren de

tasch te open!

[Illustratie]

* * * * *

_Regendag._

Een regendag in de kazerne is, wat een vleeschlooze dag in een

wildenbeestenspel zijn moet: het eenige noodige ontbreekt, en flauwe

surrogaten vermogen niet, het te vervangen.

Reeds stemt de simpele kleeding van mijn anders zoo sierlijk

geuniformden luitenant mij treurig, en met minder genoegen dan

gewoonlijk, schiet ik zelve de tuchthuisboevenkleedij aan, die hier

onder den naam van »werkgoed« verstrekt wordt. In dit goed nu wordt de

dag gedood. Het begint met urenlange aanslag-oefeningen op de chambrée,

waarbij gemikt wordt op de meubelen, en lang-uit gelegen op de vloer,

waarvan de geringe oppervlakte den schutter noodzaakt zijn beenen

onder de krib te schuiven, en den loop van zijn geweer onder het

tegenoverstaande bed. Deze omstandigheden suggereeren allerminst

slagveld-emoties, en de oefening verloopt met de animo, waarmede een

krasse oude heer op zijn slaapkamer met halters werkt.

's Middags klaart het weer wat op, en trekken wij, tot de tanden

gewapend, de modderzee van het exercitieterrein in, om een paar uur

later aanmerkelijke hoeveelheden daarvan aan onze doorweekte kleeding

het slaapvertrek weer binnen te dragen.

Een regendag is te hatelijker, door het gevoelen van een force-majeure,

die niet die des superieurs is. Er is weifeling in de lucht: wijfeling

omtrent de indeeling van den dienst,... want op regen is de kazerne niet

berekend.

....Zooals er ook geen rekening gehouden kan worden met schoenendieven

en andere krachten, die in on-militaire geheimzinnigheid en

onberekenbaarheid optreden.

[Illustratie]

* * * * *

_»Voor den dokter«._

Neen, neen, en nogmaals neen! Voor den dokter wensch ik mij niet aan te

melden. Niet, omdat de localiteit, waarin de medicus heerscht, mij al

te zeer aan een ongemeubelde stationswachtkamer derde klasse herinnert,

doch om het bloote feit, dat ik niet onder verdenking wil geraken van

simuleeren. Want evenzeer als het meerendeel der drankjes, die een

huisarts ons verstrekt, naar peperment riekt, is er aan de geneeswijzen

des militairen dokters een onmiskenbaar geurtje van _straf_. Het moge

zeer nuttig zijn, iemand, die gedurende den looppas uitvalt, twee dagen

achtereen na den dienst het bed te doen opzoeken, of een ander, die zijn

pols bezeerd heeft, hetzelfde recept te geven, ik persoonlijk prefereer

een meer »civiele« geneeswijze. Het is zonderling, maar ik, onmuzikaal

aangelegde, verwar altijd de hoornsignalen, die de zieken naar den

dokter en de gestraften naar de wacht roepen.

* * * * *

_Klein viezigheidje._

Op gevaar af, van mijne superieuren te mishagen, wil ik ook ditmaal

eindigen met een klein viezigheidje. D.w.z., voor u is het er een...

voor mij mindere, is het er sinds lang geen meer.

[Illustratie]

Exercitie met het geweer op de chambrée. Men staat in een lange rij, met

het geweer in den aanslag.

Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige. · 第 19 / 60 题