Boven het rikketikketik der geweren klinkt, duidelijk waarneembaar
het viezigheidje, waarmede Japanners hunnen gastheer het teeken van
over-verzadigd te zijn geven. In dit geval echter, is het minder
hoffelijk bedoeld, en de sergeant heeft gelijk, met op strengen toon te
vragen naar den dader. »Wie heeft dat gedaan?« roept hij, vergetende dat
er feitelijk--integendeel--iets gelaten is.
Doodsche, pijnlijke stilte.
»Wie?«
Iedereen kijkt zijn buurman aan met den ernst, die ons alleen op
belachelijke momenten beheerscht...
Het geval geeft aanleiding tot een ultimatum.
»Indien de dader zich niet direct aanmeldt...!«
Dan treedt Kees naar voren.
»Ik ben onschuldig«, zegt hij ridderlijk, »maar ik moet vanavond tòch
thuisblijven...«
»Neen, neen«, roepen wij, die niet minder edel willen zijn--»de dáder!«
Het debat duurt voort... tant de bruit, pour un tout petit bruit...
De »dader« is nog steeds niet gevonden.
Eindelijk wordt ook de luitenant van het geval in kennis gesteld; hij is
een practisch man.
»Als niemand het gedaan heeft«, zegt hij--»dan moet het de sergeant
geweest...«
Dan pas lachen wij.
Ook de sergeant... die intusschen even onschuldig is, als uw u dw.