II.

_Maand-overzicht._

Het is nu een maand geleden, dat ik met u te samen ging wonen, Jan,

Gerrit, Gijs en Jacob, en in dien maand zijn wij soldaten geworden.

Velerlei hebben wij te samen genoten en verfoeid... en ik zoude... Ha!

ik zoude veel, veel meer vastgehouden hebben, van hetgeen ons overkwam,

indien niet zoo schaarsch geweest waren de vrije uren, waarin ik dit,

mijn besmoezeld zakboek, te voorschijn brengen mocht, en er in

neerschrijven ons gemeenschappelijk leed.

In dien tijd zijn een viertal onzer vader geworden, en even zoovelen

hebben hunne verkeering gewisseld; gisteren was er een broodje te weinig

aan het ontbijt, en verleden week is een onzer overleden.

Overigens waren de dagen aan elkaar gelijk. En voor ons is het

perspectief der wachtende weken wijd, emotieloos en grauw, als de in

zonnebrand vertrillende einder van eene zandwoestenij.

Waarin ik slechts substantieel voel mijne aanteekeningen, hard en

onbedekbaar als kantige steenen, waartegen wij vruchteloos schoppen op

onzen langen marsch naar het onbekende...

* * * * *

_9 April, Zondagmorgen._

Zooeven ben ik mijn bad ontstegen; juist is het geklok van het

wegstroomend, modderig water, vergorgeld, en als ik mijn eigen

slaapkamer betreed, omvangt mij daar de stilte als de mystieke

plechtigheid eener sinds lang verlaten abdij. Om zeven uur, twee uren

geleden, verliet ik de chambrée, waar de Zondagmorgen aanbrak in

feestelijk getier, vol pijnlijke geeuwen echter van mijne vele

kamergenoten, wier Zaterdagavond zich in bier en brandewijn ontwikkeld

had.

En nog slechts flauwelijk herinner ik mij, hoe zij, bij het avondappèl

ietwat waggelend voor hunne stroozakken stonden, vriendelijk lachend

tegen den strengen sergeant, met het kennelijk doel daardoor een

sympathieken en onschuldigen indruk teweeg te brengen.

Nu ik weer rustig bij mijn eigen haardje zit, overdenk ik deze week,

waarin één oogenblik was, waarin de realiteit van onze militaire

bestemming doorgeschemerd heeft.

Dat waren vreemde dagen; het was, alsof, naarmate de krijgsgeruchten

duidelijker verneembaar werden, al ons doen beteekenis verkreeg.

Het »verspreiden«, dat wij oorspronkelijk als eene moeilijke

orde-oefening beschouwd hadden, bleek ons plotseling eene manoeuvre te

zijn, om onverwacht invallend vuur te ontkomen; het doodstil liggen op

den viezen grond van het exercitie-terrein, met het geweer in de armen,

en het hoofd diep weggedoken, eene oefening, die ons tegengestaan had om

de noodzakelijk daaraan verbonden bevuiling van handen en tuniek, kreeg

opeens de sombere beteekenis van schuilen voor levensbehoud.

En zoo meer.

Het is nu ook een week geleden, dat wij onze stroozakken op den vloer

legden, en de kribben naar de nood-logies sjouwden. Men sprak van

Duitsche hulptroepen, n.b. Den nacht daarop sliepen wij weinig.

De vloer was hard, en de toekomst ongewis.

Ik herinner mij, hoe een pijnlijke spanning ontstond gedurende den nacht

door eene gebeurtenis, die--zonder de alarmeerende berichten der laatste

dagen--onopgemerkt gebleven zou zijn.

Op het rangeerterrein voor de kazerne n.l., waar reeds sinds

onheugelijke tijden een roode-kruis-trein staat te roesten, was

bewegelijkheid. De wagens rammel-bonkten tegen elkander, er klonken

hoornsignalen, en stoom siste. Wij lagen allen stil in de donkere

chambrée op ons stroo, en luisterden; niemand sprak, doch er was

aandacht in de stilte, spanning zelfs, die gebroken werd door gebrom

in een hoek: »daar komme wij nog es in terug!«

Niemand antwoordde: ieder hield zich slapende.

En het gerammel en gestoot ging verder...

's Morgens lag een groot stuk spoorbaan bloot, als een akelig gat

tusschen de nog restende wagons.

* * * * *

_Afgekeurden._

Langzamerhand heeft zich een nieuw element onder ons ontwikkeld: n.l.

dat der afgekeurden. Gemeenlijk zijn zij herkenbaar aan burgerkleeding,

een hooghartigen glimlach van bourgeois satisfait, ietwat zwierige en

on-militaire gedragingen, en veel verlof. De mil. geneesk. dienst toch,

die, voornamelijk op administratief gebied, zoozeer ijvert in het

landsbelang, laat perioden van 14 dagen tot circa een jaar verloopen,

alvorens zij aan afgekeurden de noodige papieren verstrekt, die hun

algeheele terugtrekking uit het legerverband mogelijk maken. Het is

geen geheim, dat in het begin van de mobilisatie b.v. iemand na drie

dagen dienst werd afgekeurd; daarop keerde hij met verlof en voor

rijks-rekening naar zijn betrekking in het buitenland terug. Na een

jaar werd hij ontboden om zijne papieren te halen, en kreeg daarbij tot

zijne verrassing... een jaar soldij (pl.m. f 150.--). Dergelijke zoete

perspectieven openen zich voor eenigen onder mijne kameraden, die

afgekeurd zijn, en geen dienst doen.

Zij zijn een soort blinde-darm in het legerverband, bezoeken de appèls

in burgerkleeding, als Cook's reizigers een abattoir in Chicago, en

wandelen kwatta-etend over het exercitie-terrein, dan wel spelen billard

in de cantine, als schatrijke particulieren.

Op ieder bevel antwoorden zij, rekenend op eene civiele behandeling, met

het machtwoord ~afgekeurd~.

Een hunner vereerde mij, ter viering van het blijde feit, een sigaar

met een bandje; een andere--ietwat angstig aangelegde--accentueert, uit

vrees voor her-goedkeuring het inconvenient zijner platvoeten, door zéér

wijdbeens en hinkend, met een als van smart verwrongen gelaat rond te

loopen, kreunend bij het passeeren van iederen korporaal of sergeant.

* * * * *

_W.C.-wee._

Stel u voor: een huisje, gelegen aan een ruim, ietwat afhellend,

exercitie-terrein. Het huisje is niet nader te omschrijven: het terrein

is grootendeels grauw; ik zeg grootendeels, want rondom het huisje is

een terrein-strook van verscheidene tientallen meters uitgebreidheid

donker getint en drassig. Ik onthoud mij van eene verdere verklaring

van dit verschijnsel, doch prevel slechts iets van verstopten afvoer.

Ten slotte zij medegedeeld, dat op het exercitie-terrein dikwijls, en

dan langdurig, plat op het aangezicht gelegen wordt... zonder

gasmaskers.

* * * * *

_Reclame-marsch._

Dezer dagen hebben wij met z'n tweeduizenden een Kalverstraatje

gewandeld. Het was eene z.g. reclame-marsch. Mijne aandoening was

veel-ledig.

Het is n.l. niet mijne gewoonte door de Kalverstraat te loopen om drie

uur des namiddags, en ik ontmoette dan ook weinig kennissen. Dan begrijp

ik, hoe onpleizierig vreemdelingen zich in onze stad moeten gevoelen,

daar zij en hun gezelschap met dezelfde starre blik aan- en nagestaard

worden als het met ons geschiedde.

Maar een trotsch gevoel is het, te zien, hoe het geheele verkeer stop

staat... voor Ons...; zoo iets als de bekende plaat van »His Majesty,

the Baby«.

Enkele burgers, die mij herkenden, wisten, dat zij niet groeten mochten,

daar het ons verboden is een groet te beantwoorden. Alleen E., een

automobiel-luitenant, groette mij vriendelijk. Mijn sergeant fronste de

wenkbrauwen.

Sinds dien dag ken ik een nieuwe luxe: vrij en zonder geleide op straat

te loopen.

Ik bestraf mijn hond niet meer, als hij een dag er van door gaat...

Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige. · 第 18 / 60 题