~Krijgsmansgezangen II.~
_Ode aan mijn Wapenrok._
Ik heb mijn wapenrok gekregen,
en, 's morgens vroeg op de chambrée,
dien aangedaan, en toen terdege
(_pardon_) de broek-gesp vastgeregen...
...en 'k ging als vecht-soldaat in zee...
Ik heb mijn rok op straat gedragen,
en duizend maal gesalueerd...
...zoo gaat het voortaan alle dagen...
...Ik speur naar sterren, streepen, kragen...
ach, vélen zijn gegradueerd!
Ik streel verheugd mijn gulden knoopen,
die talrijk zijn, en bijster mooi...
En hang mijn overjas graag open,
om goed in 't oog te laten loopen:
mijn simpel, koninklijk emplooi!
Doch 's nachts als d'anderen »ingemaft« zijn,
dan denk ik, starend naar mijn jas:
»mijn ijdelheid zou wèl gestraft zijn...
»als drie-kwart van ons neergepaft zijn,
»en ik... in jou gesneuveld was!...«
Wie weet, wat wij nog eens beleven,
o jas!... ik denk er dikwijls an...
..._jij_ bent dan nèt zoo grijs gebleven...
...alleen ontwaart men, misschien, èven
...een gaatje met wat rood d'r an...