Werkelijk, Z.... is geen simulant, en hij vertelde, hoe de
korporaal-ziekenvader met zijn horloge in de hand de diagnose had
uitgesproken. Er was geen plaats in de ziekenzaal, dus werd hij naar
zijn eigen bed verwezen. Ook lange Jan en smalle Barend, twee mijner
vrienden, waren inmiddels nader getreden en spanden zich in, leunend
tegen het bed, om uit hunne herinnering alle koorts-gevallen met
doodelijken afloop op te roepen, waarvan zij persoonlijk getuige geweest
waren.
De zieke zweeg, en sloot vermoeid de oogen; toen de anderen zwegen,
opende hij ze, en glimlachte: »die ziekenvader hè? zoo goeiïg.... net
een wijf, zoo zorgzaam!«
Jan en Barend gingen daarop niet in, doch gingen voort, het ziektegeval
te bespreken:
»Hij rilt effectief!«
»Kijk, z'n voorhoofd es bezweet weze!«
»Hij heb de koors!«
De machtstem des sergeants beval ons, in twee gelederen aan te treden.
Even later stapten ruim vijftig landstormplichtigen de chambrée rond,
maakten rechts- en links om's, en zwaaiden de armen. Het gloeikousje in
de lamp brak in wit stof uiteen, het vloervuil dwarrelde op onder den
krachtigen tred, bevelen klonken....
In de krib lag, diep onder zijn wolletje, de zieke.
Hij rilde; hij had »de koors«.