_De kwartierzieke._
Gisteren is mijn kamergenoot Z.... ziek thuis gekomen, en van morgen
heeft hij zich opgegeven voor den dokter. Dit geschiedde tusschen
reveille en morgenappèl, terwijl wij allen binnensmonds mopperend, de
stugge broeken en tunieken om onze nog slaapslappe lichamen heeschen en
de beenen omwonden met windsels uit scheurgrage substantie. Deze levée
en masse is de onveranderlijk tragi-comische introductie tot een nieuwen
dag van reeds lang bekende verdeeling.... en de uren van vrijheid hebben
voor mij geen bekoring, wanneer ik ze van tevoren op de minuut bepalen
kan. Zoo was dan vanmorgen het ziek-zijn van onzen kameraad een
gebeurtenis, en als zoodanig belangrijk.... want, wat er buiten de
kazerne geschiedt, blijft voor de vele honderden menschen die het gebouw
bewonen onbekend, tot 's middags vijf uur... alswanneer wij het
ochtendblad lezen.
De dingen gingen hun gewonen gang, die weinig meer poëtische elementen
bevat, dan de reglementen, die hem regelen; want wie zou het wagen de
volgorde van: 1e aankleeden, 2e dekens opvouwen, 3e wasschen, op eigen
initiatief te veranderen? Slechts schroomvallig veroorlooft de een of
andere weeldemensch zich eene uitbreiding in punt 3.
Na de opeenvolging dezer gebeurlijkheden dan, ontwikkelde zich de dag
zoo als een roos, nl. op dezelfde wijze als alle reeds verbloeide en
toekomstige.
Het weder--naast den bataljons-commandant de hoogste
force-majeure--maakte ten slotte verder buiten-zijn onmogelijk, zoodat
onze weerbaarheid verdere ontwikkeling verkrijgen zou op de, in dien
tijd oppervlakkiglijk van nacht- en consumptie-vuil gereinigde,
chambrée. Daar werden, volgens voorschrift, tafels en banken op de
ijzeren kribben geworpen, om voldoende ruimte te winnen.... en pas bij
deze haastige bezigheid was het, dat wij onzen zieken vriend terug
vonden.
Een in allerhaast opgeruimde bank scheerde hem rakelings langs het
hoofdkussen en plofte neer op zijn krib....
»Hoe gaat het ermee?« vraagde ik belangstellend.