I.

_Onze Analphabeet._

Onze analphabeet heet Jacob, en hij is uit de provincie. Intusschen

heeft hij gretig gebruik gemaakt van de hem hier geboden gelegenheid,

om zich verder te ontwikkelen. Er zijn namelijk cursussen ingesteld

in allerlei nuttige vakken, en Jacob was een der eersten die zich vol

ijver aanmeldde. Alleen zijn keuze bevredigt mij niet geheel....

Hij koos namelijk _stenographie_. »Maar och, als je dan toch leert

schrijven«--antwoordde hij mij--»dan doe je toch beter het direct vlug

te leeren doen!«

_De »moffen«._

Het percentage der Duitsche Nederlanders is in mijn sectie niet klein.

Velen hunner zijn voor het eerst in het land, vanwaar hun ouders eenmaal

kwamen. Gemeenlijk worden zij, zonder eenige politieke bijbedoeling,

aangesproken als »mof«, in bewoordingen als: »zeg mof, hè je een

centimeter tabak voor mij?« of »mof, hè je je broodkaart wel

meegebracht?«[D] Zij doen groote moeite, de in min-of-meer onberispelijk

Nederlandsch uitgesproken bevelen hunner sergeanten en korporalen te

begrijpen; alleen bij de theorie, (een soort grove hersengymnastiek)

ondervinden zij wel eens de bezwaren hunner buitenlandsche educatie.

[D] Toen bestonden de Nederlandsche broodkaarten nog niet. Corr.

Het doet mij wel eens wonderlijk aan, te hooren, hoe de instructeur hen

ijverig bijbrengt hoe sterk ons leger is, en hoeveel mitrailleurs wij

bezitten per regiment.

In verhollandscht Duitsch herhalen zij de getallen, en men corrigeert

zorgvuldig eventueele over- of onderschattingen.

Opdat zij goed op de hoogte zullen geraken.

En de regeering is blijkbaar zeer op hen gesteld; dit is nog gebleken,

toen het voorstel van B. en W. van Amsterdam, om hen--met het oog op het

pokken-gevaar--niet in te lijven, werd afgewezen.

Zij zijn dan ook Nederlanders nu, en dragen onzen uniform. Vanmorgen

sprak ik met een hunner over den oorlog; »_wir_« verzekerde mij de

Nederlander, »_werden siegen!_«

_»Kat en muis« en andere spelletjes._

Vandaag was het mooi weer. Wij zijn naar een speelterrein geweest, en

wij speelden er kat en muis. Kees, die reeds drie kinderen heeft, »was

'm«. Jan, wiens vrouw in de kraam is, werd gepakt, en Karel, die mij

vertelde, dat z'n gezin moeite heeft van de uitkeering rond te komen,

viel lang-uit op zijn gezicht.

Om half vier waren wij weer in de kazerne, en om kwart over vieren

gingen wij naar huis. Ik liep op met Piet. Piet draagt een kwartiermuts

op straat, omdat hij geen kepi wil koopen; z'n vrouw kan 't geld wel

beter gebruiken. Hij liep zeer snel, want z'n vrouw was ziek thuis. »En

ik«--lachte hij--»heb den heelen middag kat en muis gespeeld.... als het

ten minste nog maar exerceeren geweest was!«

»Het staat in de reglementen,« antwoordde ik.

»De reglementen hebben het over militieplichtigen,« ontkende hij--»wij

zijn geen sn-tneuzen van twintig!«

Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige. · 第 14 / 60 题