~Krijgszangen I.~
_De Landstorm Recruut vraagt..._
Ik vraag om werk,
...men schenkt mij slappe koffie,
wat lijfgoed, twee paar schoenen en een »kug«.[B]
Ik hoop op »werk«...
...ha, wij gaan exerceeren...
...tien tellen... 't sneeuwt... naar de chambrée terug.
Ik vraag een pak,
...men laat m' in burger loopen,
hetgeen géén krijgsmansziel in eere doet
'k vraag een geweer
...en wilde gaarne vechten...
...men geeft m' een stoffer slechts, dien 'k voeren moet.
Ik vraag de kans
een eerekruis te winnen,
doch weet niet hòe een krijgsdaad te begaan,
en stiekem hoop
ik op de Willemsorde,
door netjes recht-op voor mijn krib te staan.
[Illustratie: Teekening van Johan Braakensiek.]
Ik vraag een post...
een postje van vertrouwen,
waaraan Gevaar en Eer verbonden zijn,
doch mocht slechts ééns
--, met twee, drie kameraden,--
(om kaas) de keuken in gezonden zijn.
Ik wilde graag
een vijand gaan bedreigen,
doch zie slechts goede vrienden om mij heen,
en de sergeant
zegt »vent kijk naar je eige,«
»Je grootste vijand is je stijve been!«
Ik vraag niet meer,
het is niet goed te vragen,
en draag--leergierig--dus mijn Landstorm-lot.
Wanneer ik vraag
of ik een zwaard mag dragen,
dan ga ik een-twee-drie in het cachot.
_Conclusie._
Dus doe ik zwijgzaam slechts mijn plicht,
en komt de vijand,... best!
Dan zwaai ik juichend mijn geweer,[C]
en schiet hem voor zijn t-st.
[B] Soldatenbroodje. Corr.
[C] Het geweer heb ik echter nog niet.