VREDE

Als de klaver in ronde bundels hoog en vol op de kar gestapeld lag,

reden zij van 't veld door de zandstraat, traag naar huis.

De oude boer zat op 't snak en mende den os; zijne lange beenen

zwemelden nevens 't voorwiel, zijn rug was kromgebogen en zijn groot,

donker hoofd woog boven de knieën, met ingetogenen ernst. Zijne handen

hielden los het leizeel en de witbonte os trok met breede grepen

schouderwringend de oude, krakende kar door 't zand. Achteraan stapte

Freê, de gebrokene knecht, en droeg de zeis hoog als een wreed wapen

over den schouder.

't Getrek wielde piepend door de diepe slagen van den wagenweg, zonder

haast, in de rust van de omliggende doode dingen en den schemerval van

het stille dageinde.

De bossen kriepten, en de krekels ook in den gerskant. Al het landvolk

was reeds thuis of weg en de oude boer en keek niet naar 't geen hij

voorbijreed. Het achterlijf van den os bekeek hij niet en de kloefen die

onder zijne oogen, aan de magere voeten hingen, zag hij wel rakelings

over 't zand slepen, maar hij was elders en met een groot gedacht vol

bezig. De kar rolde en de avond was gelijk al de andere en 't gepiep van

de draaiende wielen knersde altijd keerend in zijne ooren.

--Krakende wagens rijden langst, bracht hem dat in den geest, en van

daar voort doelde hij op zijn eigen, oud lijf, dat nu ook wel een

krakenden wagen geleek die rolde, rolde een heel leven lang over

hetzelfde veld... zijn eigen veld ... en dan weer welde de oude

sleepgedachte op, die nu een vol jaar reeds, zijn vroegere gerustheid

bestormde en te niete deed; het haverstuk, het gekende akkerland--de

vijfhonderd, die hij zijn levensdagen gebruikte, die te midden zijn

eigendom lag en hem op dien heugelijken verkoop ontfutseld werd,

schandalig ontfutseld door zijnen vriend en gebuur; door boer Vanhoutte,

de verrader!

En de luizige streek speelde in heel heur lengte, met al de kleine

bijzonderheden, voor den duizendsten keer door zijn hoofd.

--Maar, Verlinde, als ge hier Vanhoutte's weide in de plaats kreegt, was

de schade en het kwaad daardoor toch wat verholpen?...

Den boer zijn eendlijk hoofd hief en vóór zijne oogen, beneden de

gracht, lag het vierkant weidestuk met jeugdige kopwilgen zoo net

omtuind.

--Wie zegde, wie sprak er daar? Hij luisterde verwonderd, en onthutst

door de verrassing van die vreemde veropenbaring, hoorde hij nog de

natinseling van die laatste woorden en terwijl hij zocht wie,--of hij 't

eigenlijk gehoord of wel bij zichzelf zoo maar aan 't verzinnen was,

vervolgde dezelfde stem wat treitend nu:

--Hier kost gij evengoed een klaverijtje aanleggen ... en dan moest ge

ook geen uur ver om uw voeder rijden, door den avond....

--Ho, Dolf! riep hij ineens. Hij hoorde 't zoo duidelijk nu als van een

mensch uitgesproken, en eer hij 't zijn handen vast bevolen had, snokten

ze 't zeel en Dolf, de gezapige os, stond palstil te wachten. Verlinde

wist nu eigenlijk niet wat hij er van houden moest.

--Freê, zegt ge entwat?

De oude knecht rekte den hals lang uit bezijds de kar en:

--Ik, neen-ik, boer.

--Dolf heeft het evenmin uitgesproken, dacht Verlinde en hij mokte aan

't zeel.

De os herbegon gewillig zijn schouderwringen en 't getrek rolde weer

traag vooruit. De boer zat nu wat opgewakkerd--kwaad om zijn eigen

doezeling en hij keek niet weg van de kopwilgen, die hem zoo even aan 't

dolen brachten. Hij wilde niet meer denken.

De weg hield aan in effene, uitgerekte, rechte lijn waar hij in de

duisternis eindde.

De reuk van warmen stalmest kwam met een zwaai door de lucht gewaaid en

Verlinde voelde nu van waar hij zat--drukken op zijnen rug, bachten

zich, de tegenwoordigheid van Vanhoutte's hoving.

Eene zenuwrilling dreef door zijnen arm en zijne hand snokte nijdig het

zeel om den gezapigen os te dwingen haastig voorbij te rijden.

't Was er doodsch, zwart, warm-stil rondom en niemand langs de baan.

Verder ademde Verlinde onbewust de frischheid op van den koelen avond en

binst dat de dauw als eene dunne droomwolk, wijd onder de stil-innige

manelucht neerviel, kwam in hem de herinnering aan dienzelfden avond van

verleden jaar: toen ze beiden nog bevriende gebuurs waren, hij en

Vanhoutte, en op morgen samen naar den eigenaar hun pachtgeld droegen

... dat was hun jaarlijksche uitgang, een blijdag in 't eentonig

boerejaar, waar ze naar verlangden als naar de groote kermis.

Den laatsten keer nog, waren ze wat besnoven door den drank, weergekeerd

en hadden onderweg malkaar den arm gegeven om gebroederlijk zonder

struikelen hun huis te vinden.

Dat was nu allemaal weg, gebroken, uit voor altijd en Vanhoutte stond

bij Verlinde in zijne zware schuld, lijk den eersten dag van 't verraad,

als de bedrieger, de valschaard. De verwijtsels kropten weer den boer in

de keel en de stilte rondom hield hem alleen in, ze luie uit te

schreeuwen.

--Morgen ga ik zonder hem met het pachtgeld naar den Heer, meende hij

... en gedoken, zonder dat hij het zichzelf wilde toegeven, woekerde de

onrust: of Vanhoutte ook aan zijn gewonen dag zou houden? of hij 't niet

uitstellen zou?... en de aandoening zinderde daarbij in Verlinde's

gemoed voor een mogelijke botsing.

In het fluweelzachte deemster, stonden de boomkruinen matpurper, pal

stil op de rilde stammen, de bladertrossen zwaar van schaduw en

duisternis en daarachter, de stompzwarte stroodaken en puntige gevels,

scherpgesneden tegen de teedere, maneklare avondlucht.

De kar wendde naar rechts de straat af en over den doortocht, tusschen

de twee einden singelgracht, die met glim-zwarte watervlak tusschen den

dubbelen krans van elzenhout het hof insloten, reed de kar door de opene

balie de werf op. Eene fijne mistvlaak overzifte de dingen met droomige

onduidelijkheid.

--Ho, Dolf.

De boer spande den os uit en stak hem op stal, terwijl Freê de

klaverbundels in 't voederkot ketste. De vrouw kwam bij, wenschte

"welkom" en stond met de handen op de heupen te zien naar de bezigheid.

De avondkost was gereed en de drie menschen aten bij tafel, in de

donkere keuken.

De flauwe manesching viel door 't venster, helderend in schemervaagte de

tafel en de witte borden;--en de vlamme die in den heerd het zwarte gat

van den koeketel lekte, danste met vaal rooden glans op de uitsprongen

van de ernstig zwijgende wezens der drie ingenooten.

--Morgen weer een warme dag, viel de stem van de boerin daar tusschen.

Op dat woord wendde de boer in gedwongene beweging het hoofd naar het

venster en kuchte eene doffe bevestiging. De knecht at voort zonder

opzien.

--De klaver staat goed? vroeg de vrouw weer.

Freê meende dat de vraag nu tot hem gericht was en als de boer toch niet

antwoordde, voelde hij de ijle stilte die naar zijn wederwoord hangend

openwachtte.

--Ja 't, vrouwe, malsch en dikke staat ze gelijk 't haar op den hond.

Als de opgehoopte borden nu waren leeggestekt, kwam de pappot op tafel

en met de houtene lepels haalden ze nu gezamelijk of overhands, de

spijze uit, met dezelfde gedaagde beweging, zonder dat er nog een woord

tusschen viel.

Nu de schotel uit was, vielen de lepels op tafel en Freê stond recht.

Hij bleef nog wat aarzelen vóór 't venster en dan;--Wat is er voor

morgen? vroeg hij.

Terbinst die vraagwoorden nog in de keuken hingen, was Verlinde aan 't

regelen én zoeken naar een bescheid; hij zag 't verloop van den

volgenden dag gebeuren. Als ik vroeg uitzet, dacht hij, ben ik 's noens

terug; dan kunnen we in 't hooi werken, en als 't even zonnewarm is als

vandaag, kan het tegen s' avonds al droog zijn.

--Jawel, Freê, morgen tijdelijk, 't hooi openvimmen, na den noen kunnen

we samen hopperen....

Freê stond en wachtte nog wat. De vrouw was in 't achterhuis heur

schotelgerief aan 't wasschen. De damp pruttelde in den ketel en de

druppels koeisop zeeverden langs den zwarten balg sissend in de vlamme.

En Verlinde plots uit zijne gedachten schietend, besloot er een eind aan

te maken:

--Ja, morgen vroeg met de zon aan 't hooi. Als de dauw is opgedroogd

kunt ge ook de lammersteert afmaaien.

--'t Heeft vandage fel gedroogd, meende de knecht, 't zal gauw

veraarzeld zijn, 't weer is vast. Zoo tot morgen, goên avond vrouw.

--n' Avond Freê.

De boer kwam ook naar buiten en zag den gekrookten, ouden vent vóór

zijne voeten het hof verlaten. De maan blonk vlijtig in 't effen

geluchte met zeldzame sterren en de lichte smoor zweefde hier manhoogte

in dunne deklaag over de velden. Freê wees naar de wolkenbank die als

een vereende, uitgerekte vischgedaante ten Westen aan den einder hing.

--'t Geluchte trekt op, versterking, meende hij.

De boer knuffelde iets en als de knecht over den walweg, buiten de balie

was, draaide Verlinde den slagboom toe en legde 't grendelijzer in. Hij

miek den hond van zijnen band los en kwam weer in huis met den buik

tegen 't venster staan.

De mist lag dikker nu en overwaterde de werf met blauwigheid. Daaruit

staken de hooge boomstammen hunnen zwaren kruinenbos en over de schuine

stroodaken gleed in effen blinklicht, de zachte, zuivere maneschemer.

Omhoog was 't één reine ijlte den hemel vol blauw en wolkenrust.

Verlinde wachtte tot dat Trezia uit den stal zou keeren, hij trok eerst

de horlogieklompen op en kwam weer bij 't venster. Die rustige

avondkalmte stoorde hem met misnoegdheid omdat de dingen nu effen zóó

waren als verleden jaar in dezelfde doening--maar toen was het in zijn

gemoed zoo kalm--nu echter beangstigde hem diezelfde stilte en hij

voelde zich daarin alleen staan met de onrust in zijn binnenste,--de

strijd met de dingen die alom in vrede, hun gewoon leven leidden. Hij

voelde spijt omdat alles tegen zijn wil toch, zóó geworden was, spijt om

dezelfde stille avonden van vroeger, om 't geen weg en niet meer te

vinden was. Maar daarbij bleef zijn eigene meening even vast, zijn

stijve hals kropte straf, zijn zware wenkbrauwen fronsten over de diepe

oogen en de vuisten balden in zijne broekzakken.

Hij stond alleen, ja, buiten al 't andere, maar sterk in zijne

eenschheid en de beleediging was even zwaar en even onvergeeflijk als

den eersten dag. Binnen woelde het om uit te barsten, maar inwendig

bleef hij kalm; hij dwong zich nog wat te staan staren over zijne werf

en dan wilde hij niet meer wachten. Hij legde nieuw hout op het

heerdvuur, ging zijnen wandelstok halen uit de horlogiekast en zette

zich in den helderschijn van de houtvlam den koperen minsel en de kruk

te poetsen.

Trezia vond hem daaraan doende als ze binnen kwam en met 't eerste

opkijken wist ze reeds wat het te beduiden was; maar Verlinde hief

haastig het hoofd.

--Als ik heel vroeg uitzet, kan ik voor den noen terug zijn, 't hooi

kunnen we dan algelijk inhalen.

--Hoe, wat? en Trezia gebaarde zich onwetend.

--Wat?... 't is morgen toch vervaldag van de pacht.

--'k Meende dat ge het een dag zoudt uitstellen, overmorgen is 't groot

werk gedaan ... en morgen botst ge voorzeker op Vanhoutte.

Dat was eene ophitsing.

--Botsen op Vanhoutte? en hij trok hoog de wenkbrauwen die lijk

borstels, donker boven de oogputten rondden: Wat scheelt mij Vanhoutte?

voor wien moet ik uit mijnen weg? 't is dertig jaar dat we geen dag

gemist hebben! De straat blijft vrij en als ik maar mijn geld afgeef,

wat doet Vanhoutte daar tusschen?

--O, mij goed, verschoonde de boerin.

En hij kuischte voort het koperen beslag en zette den stok dan glimmend

in den hoek van den heerd. De vrouw smeerde den boers beste schoenen in

en zette ze nevens den wandelstok. Binst dat Verlinde nu met de beenen

uitgestrekt en de handen diep in de broekzakken te blekken bleef,

ontstak Trezia het oliepitje en haalde zijne zondagsche kleeren uit de

kast en legde ze open in de kamer op het pronkbed. Heur adem en heur

voetstappen gingen door de eenige avondstilte en 't lamplichtje helderde

in ronde vlekken, al de hoeken van 't huis waar ze voorbijging; 't

vlammeke en verpinkte niet.

--'k Zou ook nog een dobbele snede en wat hespe mededragen, zei Verlinde

in 't opstaan en eer hij de deur van zijne slaapkamer toestak:

--'k Zal vóór 't klaren uitzetten, rond twee uur,--als ge eerst wakker

wordt....

--Zoo vroeg? en ge geraakt eerst om negen uur bij den burgemeester

binnen....

Het vragend woordgeluid bleef hangen in huis en wachten naar antwoord,

lijk gesmacht in de dikke stilte.

In de kamer rinkelde Verlinde de zilverstukken die hij op zijn bed

opentelde. Trezia's stappen mieken nu dubbel geruchte in 't werken aan

den kokenden ketel.

Heur mans' hoed kuischte ze nog af, zijn halsdoek en een versche kiel

schudde zij uit de vouwen. Als zijn brood en zijn vleesch was

afgesneden, dekte zij het heerdvuur dicht en grendelde de voordeur. Toen

zij in de slaapkamer kwam, hoorde zij Verlinde's asem in 't donker daar

hij bij eenen stoel zijn avondbede deed. z'En spraken geen woord meer en

kropen zonder geruchte in bed en bleven elk bij zijn eigen gedachten

bezig, in de verwachting van den slaap.

Heel buiten tijd kraaide de haan daar hij verdoken zat op zijnen polder

en die gedoofde nachtschreeuw ten ontijde, met dat lang eind ongemetene

stilte vóór en achter, liep verloren in de groote rust, zonder dat

iemand er op lette. Verlinde ontwaakte wel nu en dan, lag wat te

peinzen, luisterde naar den klokslag, loerde naar den loop van de maan

en keerde weer in slaap. De rocheladem van Trezia haalde en blies in

geregelden gang zonder stoornis. Zoo vorderde de nacht.

Verlinde ontwiek uit eenen lastigen droom--hij zweette er af en was blij

van verlost te zijn en te weten dat 't leugens waren en bedrog waaronder

hij gepijnd had. Maar als hij wilde achterhalen de reden van zijnen

angst, gerocht hij den draad kwijt en heel 't verloop van de gebeurtenis

wischtte uit op den stond dat hij zich rechtte.

--De nacht is gekeerd, meende hij, en nu bleef hij liggen wachten om 't

uur te hooren slaan. Verleden jaar kwam Vanhoutte rond dienzelfden tijd

hem wekken, samen hadden ze koffie gedronken en trokken blijgemoed door

den vroegen zomeruchtend op. Hoe dingen toch keeren kunnen! Nu zag hij

zichzelf, de groote, kalme man, die daar straks alleen met zijn eenige

gedachten, de lange reis zou doen over 't veld--en Vanhoutte--dat stak

hem plots met jagende onrust---hij ook zou op eigen hand uitzetten, hij

was er zeker van....

'k Wil de eerste zijn! en in een plots besluit beende hij uit het bed en

trok haastig zijn versch wit hemd en zijne lakene broek aan. Trezia

ontwiek met een zucht en was allichte in de keuken. Tastelings ontstak

zij vuur en door 't dringende van heur te doene bezigheden, voorzag zij:

als Verlinde nu weg is, kan ik het brood bakken en den stal gedaan

hebben, tegen dat 't ochtend is ben ik streek met mijn werk en ik ga

Freê helpen in 't hooi. Al de noodigheden lagen gereed en al gaan en

keeren gerochten Verlinde en zijn wijf uit hunne doezeling wakker en

kwamen tot sprake; hij noemde al de dingen die hij moest medenemen: het

geld in den binnenzak, den kost in de beurs, zijne pijp, tabak en

vuurslag. Trezia was gereed met 't ontbijt, ze hielp heuren man eerst

zijnen halsdoek in een lets knopen, en trok zijnen hemdeband neer.

Verlinde dronk koffie met den wandelstok tusschen de knieën. Ze deed

hem nog twee eieren zuipen en dan was hij veerdig.--Zoo, Trezia, 'k ga,

zegde hij heel gemoedelijk.

--God beware u, en goê thuiskomst, de groeten aan den Heer.

--Moet ik iets zeggen aan Freê? riep ze hem nog achterna.

--Neen, en te noen ben ik toch thuis.

Langs de stallen stak hij zijn hoofd nog over de halve deuren en trok

het hof af.

De frissche, vochtige nachtdauw koelde zijne handen en wangen en een

windeke speelde nauw voelbaar door 't lijnwaad van zijnen kiel, over

zijn lijf. Hij zocht door de schemering in de lucht en raadde den warmen

zonnedag die vandage uit het Oosten groeien moest. En nu vooruit met 't

voornemen haastig te gaan, den langen, eentonigen weg. Hij tastte nog

even naar de beurs in zijnen binnenzak en dan, stekkend met den stok,

begon hij eigenlijk voor goed den uitgang. Hij zocht over den

halfduisteren weg en ontwaarde nievers eenig leven. De nacht hing nog

over de velden, met dunne dwalende mistvlaken en nuchtere vochtigheid

die in druppelregen oploste.

De koeien en veerzen lagen en sliepen in 't gras tegeneengedrumd.

Voorbij Vanhoutte's hof hield Verlinde den stap in om geen gerucht te

maken. Hij vestigde de oogen starlings op de poort, in de vrees elke

stonde den boer te zien buitenkomen, 't Was er al gesloten nog en in

slaap; de warme stalreuk stoorde sterk in de zuivere, frissche lucht. De

hond zelf bleef slapen en Verlinde tord op de teenen, drumde langs de

boomen, keek nog eens over den schouder en liet een grol van ontlasting

als hij 't hof bachten den rug had. Nu ging hij weer met vollen stap,

blij niemand gezien te hebben. Een eind verder was hij al los bezig met

de vruchten langs den weg en met de helderheid die den oosthemel met

volle geweld openstiet. De boer was aan 't zinnen op het weer, op de

klaarte en op de aanstaande warmte en op 't geen hem effenaan onder de

oogen kwam. Door de doode dorpstraat stekte hij met den stok en stapte

met de zware schoenen luide over de steenen, en al waar hij keek, waren

de vensters en deuren dicht. Achter de laatste huizenrij lagen de nieuwe

velden ineens open in roze klaarte, met een wijden nevelkring omzoomd.

De liggende wolken waren doorschijnend bebloosd en de spietsen licht

staken hoog uit den grond waar de zon zou opstaan.

Verlinde voelde de eenigheid wegen en verlangde naar den dag en om

menschen te zien; hij vermiste zijnen makker achter de bane om tegen te

kouten, om al de kleine bemerkingen over land en weer uit te spreken die

hij nu moest binnenhouden. Halfluide soms ontsnapte hem eene goedkeuring

over een koornstuk of eene verwondering over 't werk dat men hier

gister, zoo of anders, met of tegen zijn boerenzin, bedreven had. En

langs de rechte bane, waar hij nu een verre zicht kreeg, merkte hij nog

altijd geen levenden wandelaar.

--Vanhoutte slaapt nog, *k ben de eerste er uit vandaag,... of hij durft

niet komen, gromde hij. Nog eens keek hij om en zocht of niemand hem

kwam nagegaan. Eer hij nog aan 't ander dorp gerocht, hief de zon haar

bovensten rand uit d'eerde, ze steeg als een gloeiend wiel, effen

afgerond, zonder stralen en versmachtte hooger in een wolkenbed van roze

en goud dooreen gedraaid, in gesteven kabbeling.

Zie, op gindschen dorpstoren stak de vlag uit! 't was hier gister

kermiszondag geweest--en in de straat waren de herbergen ook bevlagd.

De groote driekleurige vanen hingen slap in de lucht-stilte neer, aan de

persen boven de daken, nat van den dauw. De dorpels en plankieren waren

bevuild met gestorten drank en de straat was volgestrooid met

verfrommeld papier en afval en bucht. Drie kraamtenten en een

peerdjesmolen stonden toegedekt onder grauw lijnwaad en 't geraamte van

eene kiosk praalde verlaten, met papieren lanteerns versierd, te midden

de dorpsplaats. Al de kermisvierders waren weg en sliepen zwaar.

Verlinde was de eenig levende vent en hij ging dwars 't dorp door,

zonder één kerel te zien of een schreeuw te hooren. Tenden een nauw

straatje kwam hij aan de opene, vlakke weide. Ineens zag hij uren ver

in de ronde al groen, al gras, zonder een huis daarin. Bij stukken stond

de lammersteert nog recht, elders platgemaaid of volzet in ronde oppers.

Met 't groeien van den dag was 't windeke gaan liggen, volkomen stil en

geen pijlke roerde nog. En dan ineens, als bij tooverslag, onverwacht

brak daar ver in de lucht het wolkengevaarte open en door den

gescheurden voorhang, stroomde 't licht bij gulpen uit en gutste in

dansende reuzeling loopend in één trek over 't natte dauwgras in

flonkerende tinteling--een vloed van kleur en vuur. Verlinde neep de

oogen toe en trok den rand van den hoed neer omdat hij de felle

tinteling niet verdragen kon.

Vóór hem, in de verte, gingen twee kerels met eene zeis op den schouder

en bezijds in de linkere richting waren er anderen bezig aan 't maaien.

--Ze ratten er al vroeg aan! meende hij. En hij verhaastte den stap

omdat hij voelde nu zijn eigen drukke bezigheid thuis, die liggen bleef.

Bij haalde de twee landlieden in toen ze den weg af, over de gracht

sprongen en aan 't werk gingen.

Zonder overgang was de nieuwe dag uit den nevel opgesprongen en ingang,

zonder dat Verlinde gemerkt had hoe al die bedrijvigheid begonnen was.

De mist bleek in één zonneteug opgezopen en de zon stak vol heerlijkheid

boven den wolkenstoel, in 't schaaierend bleek-blauw geluchte van

waaruit zij de wereld warmde. De leeuweriken vlogen overal omhoog en

vielen beurtelings een gejaagd en daalden met eene macht van

schaterrellend schuifelen en gezang.

De steenen wetter klabetterde over 't staal van de zeissens en de

boothamer klopte klinkend; overal ronkte en reusde de slag en Verlinde

hoorde 't vlieden van de grasstalen als voor een onzichtbaren wind. De

vorken vimden en 't hooi werd gedraaid en gekeerd en opengegaffeld en in

de verte reden de ijdele wagens al om de lading. De zweepen kletsten

over den rug van de peerden en de bellenkransen rinkelden boven al 't

geluid uit. Zoo kleurig stonden de menschen gekleed, zoo vlug, zoo

vroolijk ging het werk als bij een feestig bedrijf.

Verlinde keek als een zot wijds en zijds over al dat leven, hij baadde

in de groene zeevlakte en eene ongekende lustigheid voelde hij met den

nieuwen dag in zich opkomen. Meteen kreeg hij warm, hij droeg zijnen

hoed in de hand en liet het zweet van zijn wezen druppelen; de hitte

woog hem tegen de borst, maar hij stapte al haastiger op den hoogen weg,

recht naar de zon toe.

Dan zag hij aan den hoek van 't veerhuis een vent en op denzelfden stond

kreeg hij een schok die zijn lijf doordaverde en zijne beenen met lamte

sloeg--Vanhoutte! Hij wilde zich duiken, hem verre den voorweg laten om

niet gezien te worden, hij draalde ... maar ineens kwam zijn eigenmoed

boven, hij verstoutte en werd kwaad op zijn eigene bedremmeling.

--Wat de sakker, ik ben Verlinde! en voor geen honderd Vanhoutten...!

Van dan af was 't besloten, vast: in alle mogelijke ontmoetingen zou hij

zijnen eigenen weg gaan, stijf en zeker alsof hij alleen over de wereld

liep, en niemand kennen of zien, alsof Vanhoutte dood was en nooit

bestaan had.

Maar intusschen knaagde hem de spijt, omdat die leelijkaard er toch

eerst uit en hem vóór was.

Hij zag hoe hij de delling afstapte met Lowie den veerman, en verdwijnen

achter den oever in de boot--na een tijdeke stapte hij weer boven al den

overkant en ging.

Verlinde vorderde nu met vaste grepen naar de Schelde toe en heel luide

riep hij met gemaakte lustigheid, naar den veerman:

--Lowie, vroeg al aan de bezigheid!

--Vroeg al op wandel!

De schuit slierde stil over den blauwen stroom en Verlinde stond recht

en keek over de klare waterbaan tusschen de groene oevers, waar gedoken

in 't lisch, de eenden duikelden in de koelte.

--Tot in 't weerkeeren, boer, en de goe reize! en terwijl de veerman

over de waterstraat weer naar zijn huis slierde, steeg Verlinde haastig

de steenen trappen op.

Ja, vóór hem ging Vanhoutte met zijnen vasten stap, de korte beenen

strak gespannen, en de dikke, stijve hals recht uitstekend boven zijn

blauwen kiel; hij vermoedde niet dat er iemand achter hem ging. Met

gelijken zwaai van den arm dreef hij den mispelaren wandelstok en ging

zonder achterdocht of zonder den kop te wenden, neerstig voort.

Verlinde's oogen brandden op dien rug en die hooge zijdene muts, die zoo

trotsch in de lucht opstak;--hij zag of hoorde niets meer daar rond en

ging om gelijken stap te houden, loerend als een bespieder, met angstige

verwachting hoe het zou afloopen.

De weg liep nu tusschen vruchtvelden en op de helling van den heuvel,

die den einder met blauwe lijn afsneed, lag het wit en het rood van de

dorpshuizen in de zon te blinken.

Vanhoutte's gestalte verdween tot over de schouders achter een koornstuk

en Verlinde zag den kop alleen boven de halmen in 't stroo

vooruitschuiven. Hij zelf kwam in het nauwe wegeling en zijn stok deed

de koornstalen ruischen; hij zwaaide hem al meer om de deugd van de

ritseling te hooren. Wat den boer 't meest belaagde nu, was: te weten of

zijn voorganger, volgens gewoonte, in de gekende herberg "Het vlammend

Hert" zou ingaan. Hij zal niet durven, dacht hij. Hij is benauwd mij te

ontmoeten, hij zal elders gaan. En als hij er toch gaat?... Verlinde nam

nog geen besluit. De weg klom merkelijk en door de groeiende hitte werd

het lastiger te gaan. Al 't geen de boer van den morgen doorwandelde,

had in hem onbewust een gevoel van vrede doen ontstaan, hij voelde zich

zoo stil gestemd, zoo rustig, de dag was zoo kalm begonnen en die reine

wijdte was zoo grootsch, zoo plechtig onder den eeuwigen hemel, en van

hier uit gezien, werd alle haat zoo klein, dat kijven zoo ongepast, zoo

schendig; en Verlinde neep de lippen, beet en vocht om zijn straf, stoer

gemoed niet te laten versmelten; hij besloot een kalm, gesloten,

hooguitziend stilzwijgen te behouden en elderwaards te kijken. Hij werd

moe van 't gaan en lam van de hitte, en verlangde naar eene koele

herberg om wat te rusten.

Intusschen stapte Vanhoutte voort door de dorpstraat en recht de opene

poort binnen van "Het vlammend Hert". Nu voelde Verlinde zich flauw

worden, 't was hier zoo stil bij die dorpsmenschen, die versch uit hun

bed opstonden, en hij had nu liever Vanhoutte niet te ontmoeten.

--'k Ga hier binnen, meende hij, en hij draaide den hoek om en ging naar

den "Bonten Gaai".--Hier kan ik hem zien buitenkomen en wachten. Maar op

dienzelfden stond oordeelde hij zijne daad als kleinmoedige kuiperij,

doch hij wilde het zichzelf niet bekennen.

Hij was alleen in de koele gelagkamer, zette zich aan tafel bij het

venster en vroeg koffie aan de vrouw, die met opgesloofde mouwen, heur

handen afdrogend aan den voorschoot, van heur bezigheid uitscheidde. Zoo

aanstonds begon zij met luide stem te kouten over 't warm weer van de

vruchten en van 't nieuws en de menschen uit 't dorp, die Verlinde niet

kende. De kamer was ineens vol leven en geruchte. De vrouw keerde en

ging en de boer zat bij het tafeltje zijn zweet af te drogen; hij haalde

een paar boterhammen uit zijne beurs en tusschen hare redens in, dronk

hij zijne koffie en keek beurtelings naar 't uurwerk en door 't venster.

--Uwe burgmeester stelt het altijd goed?

--O, zeker, een beste mensch.

En Verlinde overlegde, of het niet best was nu maar vóór negen uur te

gaan bellen, om er toch eerst mede gedaan te krijgen; maar dan voorzag

hij, dat Vanhoutte hem zou zien over de straat gaan, of dat hij hem aan

de deur zou ontmoeten en hem in 't gezicht loopen. Hij bleef dus maar

zitten en loerde alsaan bachten zijne kijkwere naar de groote poort van

"Het vlammend Hert". In de herberg was het nu even stil als op straat,

de vrouw was uitgekout en weer naar heur werk, en 't scheen den boer dat

hij hier alleen zijnen vijand zat af te wachten om eenen slag te slaan.

Nog een half uurken, rekende hij, en hij ontstak zijn eerste pijp om den

tijd te bedriegen. Zijn gemoed was onrustig, gejaagd, omdat hij nu in

eene vreemde herberg was gaan zitten en niet gedaan had als Vanhoutte:

onbeschroomd naar "Het vlammend Hert" gaan zonder niemand te duchten.

Daarbij keerden in zijn eenzaam turen, al de kleine gebeurtenissen van

verleden jaar bij hunne komst hier in 't dorp vóór zijnen geest--samen

hadden ze ontbeten onder gezellig kouten, in afwachting naar 't uur dat

de burgemeesters kantoor open ging.

--O, Vanhoutte kon hij anders wel missen! 't was nu al een jaar rond dat

ze, sedert hun onverschil, malkaar niet meer zagen. En het mocht nog

negentig jaar alzoo voortduren.

De herinnering aan hun vroegere partijtjes in de herbergen den Zondag,

en de avonden 's winters rond malkaars heerd, liet nu bij Verlinde zelfs

geen spijt meer na. Sedertdien hadden ze malkaar slechts twee keeren

ontmoet en ze waren met stijven hals voorbijgegaan zonder de een den

ander te bezien. Met geen woord hadden ze gescholden of geschimpt, maar

bij elkeen stond de haat vastgegroeid door den tijd en geen van beiden

zou een vinger toegeven, ze wisten het. Ze waren er nu aan gewend en

Verlinde dacht niet meer aan ruzie en heel zelden aan Vanhoutte. De

dagen keerden lijk voortijds, maar nu hij den vijand zoo vóór de voeten

zag gaan en ze samen opeen moesten loopen lijk vandaag, joeg dat

Verlinde 't bloed weer op en hij kreeg eene kriezeling in de vuisten om

zijn onrecht effen te vechten. 't Was alsof het maar gister gebeurd was

en bij 't minste woord of gebaar, zou 't er gestoven hebben. Verlinde

zat geleund op zijnen wandelstok, lokte aan zijne pijp en binst dat

zijne oogen het pintenrek en den disch bekeken en de veilingsbrieven

lazen aan de wanden in de herberg, waren zijne gedachten te huis in de

doening op zijn land--hij herleefde in zijn geheugen den dag voor die

verkooping, als hij staan praten had met Vanhoutte; hij hoorde zijne

eigene woorden nog: ze bespraken de zaken als fijne vossen die bevriend

zijn en malkaar helpen willen waar 't den een den ander niet schaden

kon. Ze waren overeengekomen dat Verlinde de vijfhonderd tarweland

koopen zou die aan zijn eigendom geland lag, en Vanhoutte besprak de

weide achter Verlinde's hof. Hij zag nu weer beeldelijk den notaris

staan die bij de verkooping, die vijf honderd instelde. Verlinde was de

eerste die een bod deed--een stem hoogde hem af! Verlinde had een

nieuwen prijs geboden en weer dezelfde stem die afhoogde. Hij had

gekeken om den kerel te kennen die hem zoo kwam opjagen, hij zou zoeken

hem te bewilligen met schoone woorden en wat drinkgeld,--hij dacht nog

dat hij van perceel of koop gemist was, vroeg inlichting aan zijnen

gebuur en als hij weer het hoofd hief om meer te bieden:

"Verbleven! Proficiat!" en toen was het gebleken dat Vanhoutte kooper

was en Verlinde gefopt stond! Dat was hem toen als een steensmete op 't

hert gevallen; hij stond verdutst eerst, geloofde het niet en binst hij

nog aan 't dubben was, besluiteloos en verdwaasd, was de weide ook aan

Vanhoutte toegeslegen.

Dien avond was Verlinde met geslotene lippen naar huis getrokken, maar

inwendig had hij geweldig gevloekt. Aan zijne vrouw had hij geen woord

gezegd. Op dien stond was zijn spijt zoozeer niet om het land--dat hij

toch wel missen kon--maar omdat 't voor al de menschen nu bekend was dat

hij dommelijk gefopt werd en dat zijn gebuur, zijn vriend--de boer

waarmede hij deur en deur woonde, waarmede hij dagelijks omging, hem zoo

verraderlijk bedrogen had. Zijne woede had hij stil binnen gehouden, al

zijne redens had hij verkropt, maar sedertdien was er een wantrouwen in

hem ontstaan, een zwart ongeloof aan alle mogelijke genegenheid of

vriendschap, eene verbolgenheid tegen al de menschen op de wereld, en

toen besloot hij voor altijd zijne deuren gesloten te houden. Hij zweeg

en vocht inwendig tegen den drang van zijn hert dat wilde toegeven,

vergeten en vrede maken. Want de tijd was daarover gegleden en de

menschen hadden reeds vergeten van waar het ongelijk kwam, ze

verdraaiden de zaak en omdat hij niet mede wilde, veroordeelden zij

Verlinde om zijn norsche koppigheid. Vanhoutte had er immers eene

lachreden van gemaakt en in zijne lichthartigheid had hij getaterd en

gezongen alsof er niets gebeurd was en de dorpelingen wilden hem ook

geen kwaad om den kleinen streek, dien hij zijnen gierigen gebuur

gespeeld had. Verlinde echter kon of wilde niet vergeten; al de dingen

waarop hij keek herinnerden hem aan 't geleden onrecht--hij moest stand

houden, zonder herstelling kon hij niet toegeven; een woord ware genoeg,

maar het woord moest er komen en hij droeg gelaten de gedurige drukking

van 't ongelijk dat de menschen hem aandeden. In zijn binnenste verjoeg

hij den drang die hem dwong toe te geven en weer te keeren in den kring

van gezonde leutigheid, bij de lachende menschen en hij dook zijne

eigene onrust te midden al het rustige waar hij in leefde. Hij zag de

dorpelingen voor hem uit den weg gaan, ze lieten hem alleen in de

herberg waar hij binnenkwam, ze vermeden hem aan te spreken--de leute en

't gelach hielden op waar hij zich vertoonde ... en de boomen en 't gras

en de vruchten groeiden en de zon schong daar zoo allemachtig

onverschillig over, dat Verlinde zijne eigene zaak zoo klein vond, iets

dat lang geleden en uitgewischt was. Bij zichzelf haalde hij al dieper

ongelijk om zijn koppig vasthouden. Hij had het anders gewild, maar wist

niet hoe het goed te maken en daarom bleef hij aan zijn voornemen

getrouw: hij hield den kop omhoog en zag met koele verachting neer op

alles wat rond hem leefde. Niemand, zijne vrouw zelfs niet, liet hij in

zijn binnenste kijken en de norsche boer bleef sterk nu, uitsluitelijk

omdat hij het tegen alle meening in, wilde blijven.

Maar nu verdroot hem dat wachten hier in die eensche herberg, te meer

daar hij beloofd had tegen den noen te huis te zijn. Hij zag het felle

weer buiten en als hij aan zijn hooi dacht, werd hij ongeduldig. 't Was

over den tijd reeds! Toen begon hij te denken: Vanhoutte kan weg zijn

zonder ik hem gezien heb. Nu kon er komen wat wilde, hij nam een kloek

besluit en trok de straat over. Aan de deur van den burgemeester

gekomen, sloeg hij het stof uit zijne broek en trok aan de bel.

De meid opende voorzichtig en leidde den boer binnen.

--Is mijnheer te spreken? 'k Ben hier met geld en wat haastig.

Zij knikte en ging de deur van de spreekplaats opentrekken, maar

Verlinde hield haar bij de mouw en beslist, luide:

--Vanhoutte is hier, schreeuwde hij, steek me bij hem niet of we vechten!

De meid stond versteld, ze kende Vanhoutte noch Verlinde en stamelend:

--Er is een boer bij mijnheer in 't kantoor,

--Dan is 't goed, en Verlinde liet het meisje in hare verwondering en

stapte in de spreekkamer. De deur viel weer dicht en nu zat hij als een

gevangene en wachtte in groote stilte af, wat er gebeuren ging. De

bloemkrullen op het behangpapier waren bleek vergaan en de bollefrinjen

aan de rolgordijnen hingen in effene reek boven 't kruisraam zonder dat

er eentje roerde. Verlinde zat op eenen stoel en luisterde naar het

bromronken van twee stemmen in het aanpalend vertrek. Eene deur ging

open en weer dicht, de bel klonk, er werd nog iemand binnengelaten, maar

Verlinde kon niet raden waar de nieuwe bezoeker aanlandde. De klok sloeg

op den kerktoren en dat was hem een verwijt omdat hij hier doelloos te

wachten zat, zonder wete van korting of uitkomst. Nu eindelijk hoorde

hij de stemmen luider: Vanhoutte die afscheid nam en de kantoordeur

dichttrok trok. Toen barst er iets los in Verlinde, hij wilde zich niet

langer als een duts en verslagene laten doorgaan, hj; wilde zich wreken

over zijne verdrietigheid van heel den uchtend--met een stout gebaar

trok hij de deur der spreekplaats open en daar stonden de twee vijanden

bek en bek, in de gang.

--Hè, hè hè, een gekkende ekstersschettering met bitsige scheldwoorden,

onverstaanbaar dooreen gesmeten uit schorre kelen--'t had maar een

stonde geduurd, de weerdij van 't voorbijgaan, Vanhoutte naar buiten en

Verlinde naar 't kantoor. Hij stond nog wat daverachtig, purper in zijn

wezen, kwaad omdat hij met woorden heel zijne gramte niet had kunnen

uitbraken; maar nu was 't weeral over, hij wilde kalm schijnen, want de

burgemeester had niets te zien in hunne ruzie

--Ha! Verlinde, en de oude stak den pachter de hand toe, hoe gaat 't? en

te huis?

Verlinde groette koel en zonder veel talmen haalde hij de beurs uit den

binnenzak en telde de zilverstukken in reken. De burgemeester schreef

eenen kwijtbrief en overtelde de som. De meid bracht een kanne bier en

glazen. Verlinde besprak eene herstelling aan de staldeur en aan het

keldervenster en de burgemeester beloofde in de eerste drie weken eens

te komen zien.

--Vanhoutte is juist vertrokken, zegde hij, en bij 't optrekken der

wenkbrauwen zag Verlinde dat 't den burgemeester vreemd voorkwam de twee

pachters, die gewend waren samen te komen, nu verscheen te zien

vertrekken. Verlinde stond met de schaamte in zijn binnenste en voelde

zich niet geneigd hier uitleg te geven over hun onverschil.

--Hij is er van morgen te vroeg uitgekomen, veinsde hij, het werk dringt

... maar 'k kan hem nog inhalen--'k was wat verachterd met dat we een

zieke koe op stal hebben. Bij die moedwillige leugen schoot 't

schaamterood hem in 't wezen. En hij verlangde weg te zijn.

--'t Is volle hooitijd, menheer, ge neemt niet kwalijk.

Hij had zijnen hoed al op en greep naar de deurklink.

--Ja, Verlinde, tot binnenkort en de groeten aan de vrouw.

't Was bij den noen als hij buiten op straat stond. Alle soorten van

meeningen stormden hem door den kop en eene groote misnoegdheid met

zichzelf knaagde hem. Hij wilde zijne schuchtere houding van daareven

weer goedmaken door eene stoute daad, ter zelfder tijde verdroot het in

dat huis gekeven te hebben.--Waarom bleef ik niet koes tot hij buiten

was, gromde hij. Maar nu wilde hij bij alle duivels in 't Vlammend Hert,

zijne plaats niet meer verloochenen, al zaten er honderd Vanhoutten. Met

kloeken duw stak hij de deur der gelagkamer open. Zijn gebuur zat aan

een tafeltje te eten, hun blik kruiste als de weerlicht en dan bezagen

de twee boeren malkaar niet meer. Vanhoutte at voort zijnen noenkost en

Verlinde ging aan een andere tafel, vroeg luide een pot bier en haalde

ook zijnen mondvoorraad uit. De baas ging over en weer, praatte van den

een tot den ander en kreeg van beide boeren om de beurt antwoord. Ze

bestelden overhand nieuwe potten bier en Verlinde was vast besloten: er

nog vijf en twintig te drinken als de ander het dorst volhouden. Ze

hadden gedaan met eten en lagen nu achterover geleund, te wijpelen op

hunnen stoel, onder het rooken hunner pijp en ze dreven om ter meest,

met luid geblaas de kuilen naar de balke. De waard was weg en nu werd er

geen woord meer gesproken. Op straat kwamen de menschen van hun werk

naar huis om te noenmalen en geen enkele voorbijganger vermoedde, dat de

twee kemphanen hier bijeen te vunzen zaten, gereed tot vechten. De

gloeizon vulde den dorpsbrink met loome hitte en schitterlicht. En

Verlinde was kwaad omdat er niet meer geruchte was, omdat de dingen zoo

lam hingen, zonder hitsigheid als zij hier getweeën over malkaar zaten

te blekken. Hij rochelde luide 't speeksel door zijne keel en trommelde

met zijnen stok op tafel. Vanhoutte rookte genoeglijk, gerust en blies

met welbehagen, stilden rook in kringetjes door zijne lippen.

Eindelijk klopte hij zijne pijp uit op den top van zijnen schoen, stond

recht, betaalde en vertrok, alsof hij heel alleen in 't Vlammend Hert

genoenmaald had. Verlinde ontstak er nog een nieuwe en wilde nog wat

blijven, maar 't verdroot hem gauw in de herberg, hij voelde er zich

eenzaam en het werk drong hem ook naar huis te gaan. Hij vertrok.

Inwendig was hij goed gesteld, ververscht door 't koele bier, uitgerust

van de vermoeidheid en kloek op de beenen. De hitte deed hem geen hinder

en hij stapte dapper aan, in 't voornemen zonder verbeiden, gauw t'huis

te komen. Hij keek nog naar 't uurwerk op den toren en meende wel laat,

maar toch bij tijds aan te komen om 't hooi in te halen. Vanhoutte was

nievers te ontwaren, misschien langs een omweg naar huis,--zoo bleef de

bane vrij en voor niemand zou de boer den stap moeten breken.

De velden, het reuzelende koorn, 't lag al zoo rustig onder de

verbijsterende schittering der zon en Verlinde voelde zich een klein,

nietig zierken onder de drukking van de wijde lucht, op de helling van

den heuvel, met dat breed landschap vóór zich.

't Zweet droop hem weer van onder den rand van zijnen hoed en barst

overal uit zijn lijf; de zon zengelde door 't blauw van zijnen kiel en

stak hem op de schouders als zwaar gewicht 't Werd lastig dat neerloopen

op den deinenden weg en 't geen nog te doen bleef, lag in wanhopige

lengte bloot. Maar Verlinde ging zonder opzien of overdenken, stap voor

stap, met 't gelaten geduld van iemand die heel zijn leven over 't land

geloopen heeft.

Al over 't hooge koorn zag hij tegen den witten muur van 't veerhuis, de

menschen zitten en hier in de weide krioelde het van druk gerid van

wagens en karren met hooi. Nader gekomen, zag Verlinde aan den overkant

twee menschen vóór de deur van 't veerhuis en binst-hij te wachten stond

aan den scheldeoever en de veerman hem met de boot halen kwam, herkende

hij Vanhoutte die met Vandoorn den veekoopman, in de schaduw zaten bij

een tafeltje waar ze gemakkelijk hun pintje dronken. Hij hoorde de

vette, ronde stem van Vandoorn en zijn eeuwigen lach en merkte duidelijk

dat de koeiplote er zijn behagen in had en er op gesteld was iets te

zien gebeuren bij de ontmoeting van die twee boeren.

--Ze gaan mij voor den gek houden, vreesde Verlinde terwijl hij recht in

de boot stond,--ze gaan zeggen dat ik niet durf ... dat ik Vanhoutte uit

den weg loop; ik moest thuis zijn--maar dat gelooven ze niet.

Ze zaten daar zoo kostelijk in het lommer met hun pinte bier, langs het

water!

--Ha! Verlinde! loech Vandoorn al uit de verte, gij zijt gaan wandelen,

ge zweet eraf, drink een pot met ons om u te verkoelen. Baas, schenk hem

een pinte, 'k heb vandage goê zaken gedaan, en hij sloeg met den

mispelaar op tafel.

Verlinde kon niet anders en hij zette zich bij met den schouder gekeerd

naar Vanhoutte die niets en zegde.

--Op onze gezondheid! riep de vroolijke koopman, hij hief zijn glas op

en tikte het tegen de twee andere.

Hij praatte voort in luid galmende woorden, zijne gevaarten met de

boeren die hij vandaag bezocht had, en hij bracht Vanhoutte ook aan 't

kouten en deze vroeg ineens ook drie pinten om den koopman zijne

weerjunste te doen. Eindelijk gerochten alle twee de boeren los, ze

praatten elk al zijnen kant met Vandoorn, maar onderling bezagen ze

malkaar niet.

Verlinde bestelde op zijne beurt ook drie pinten.

--Op onze gezondheid! riep de koopman, goed zoo makkers! De glazen

tikten tegeneen.

De koopman legde het het blijkbaar op aan de twee boeren te duivelen:

--Dat is goed! riep hij; 'k wist wel dat ge de koppige kerels waart,

maar 't mag niet blijven duren, we moeten eten en vergeven!

Die woorden vielen als in eenen kelder en versmachtten er zonder

naklank; geen van de twee boeren verpinkte, 't was alsof ze 't niet

gehoord hadden. Maar de grove kerel wilde er verder op los, en luider

schreeuwde hij ineens:

--Maar zeg, jongens, is dat nog altijd om dat schamel stukje land dat

ge malkaar het herte opvreet?! Gij subbedutten! onnoozelaars! Voor twee

gebuurs, 't is een schande! Toe, laat ons pleizier maken binst we leven!

De koopman riep dat ronduit, onbeschroomd in dien wijden meersch en

daarmede lag hunne zaak daar ineens bloot in haar pieterige kleinheid:

geen mensch had het ooit met een woord durven aanroeren 't geen ze een

jaar lang in hun eigen bezaagd, gekeerd en herkeerd en met hun

versteenden haat zoo ingewikkeld groot en vast hadden laten

opgroeien--en dat wierp de kerel in één mondsgreep er uit. Nu voelde

Verlinde de schaamte van binnen in zijn herte komen en zijn hof en 't

hof van Vanhoutte, met de lucht er rondom en het land, lag als speelgoed

heel veraf en hun beider houding daarbij, scheen hem nu eene

verachtelijke beuzelarij.

--Ze schrikten zienlijk omdat hun gevoelige snaar zoo onverwachts, zoo

fel aangegrepen werd, en ze voelden zich evenzeer gedwongen voor de

oogen van dien levenslustigen veekoopman, hunne trunterij te vergeten en

zich open en breed mannelijk te toonen ... en ze monkelden verlegen als

om te zeggen: dat 't hunne schuld niet was als ze om zoo'n dingen

elkaar in den weg liepen en de wereld te nauw vonden. Maar dat 't

inwendig zoo erg niet was, durfden ze niet openlijk bekennen. Vandoorn

raadde het zoo, en zonder nog naar overgang of naar uitleg te vragen:

--Baas, nog drie pinten! op de herstelling van den vrede! Dat blekken

heeft nu om den drommel lang genoeg geduurd!

Geen van beide boeren dorst zich achteruit trekken en ze tikten de drie

glazen tegeneen, maar zonder malkaar te bezien.

De drank liep zoo koel lavend binnen; rond het veerhuis lag de weide vol

goudgroen zoo ver oogen zien konden en de boeren zaten daar zoo alleen,

innig gezellig onder 't strooien euzie, tegen den oever der blauwe

waterstreep die in ronde bocht hen insloot. 't Was hier heel buiten hun

gewoon leven van ginder, hier was alles breeder, open en grootsch onder

de machtige lucht.

Volgens Vandoorns opvatting was 't met dat kleine voorval nu effen en

uit, hij ratelde en loech en viel van 't een op 't ander, zoo leutig en

los; mengelde zijne spreuken en vlocht zijne redens zoo behendig dat hij

de twee boeren dwong in 't gesprek zoodat ze, onwillig eerst, maar toch

elkaar het woord moesten geven om mee te kouten en ook het hunne er bij

te vertellen. Verlinde zijn zinnen dansten uiteen, zijn verstand waterde

open en zijn lijf zat zwaar doorwegend op de zate van zijnen stoel.

Zijne oogen loechen in de wijdte, dwaas dronken en inwendig voelde hij

de lustigheid groeien en een buitengewoon genoegen te zitten en te

drinken;--als er tusschenin een verwijt hem dwong om voort, als hij op

t'huis dacht en op zijn hooi, keerde hij de zinnen anderwaards, want hij

had een voorgevoel dat hij hier ook iets moest verrichten, iets

herstellen dat gewichtiger was en dringender dan zijn werk tehuis en dat

nu aanstonds een groot dingen gebeuren zou, welk hem veel geluk en zijn

leven op den ouden plooi moest brengen.

--Lowie, nog drie pinten! 'k Ben vergeven van den dorst!

Hij wilde laten zien dat hij geen hond was, dat hij er ook breed kon

doorgaan, zoo goed als gelijk wie. En hij was nu ook overtuigd dat het

leven zonder leute geen pijpe tabak weerd was.

Zij ledigden al dapper de pinten en ondertusschen gingen zij achter den

hoek van het huis, tegen den boom gaan staan en keerden ontlast, met

nieuwen lust, om 't drinken te herbeginnen. De twee boeren moesten

bekennen dat Vandoorn een kostelijke kerel was, hij vertelde

ongelooflijke histories, die met hem zelf gebeurd waren en waarbij men

krullen moest van 't lachen.

En als Vanhoutte nu weer naar den boom ging bachten 't huis, voelde

Verlinde ook eene behoefte en binst ze daar rug en rug alleen bezig

waren, gerochten de groote dingen al ineens hun gewonen ernst kwijt;

dat leek hun nu heel gewoon en ongedwongen spraken zij over 't geleden

verraad als over een gespeelde kluchte uit den ouden tijd.

--Ge moest me toch dat meerselke gelaten hebben, bachten mijn huis!

loech Verlinde.

--Als u dat nu bezonder plezier kan doen, 't ware geern gegeven, zei

Vanhoutte, zonder zich om te keeren of uit te scheiden van zijne

bezigheid.

--Zeker kerel, 'k moet nu alle dagen een half uur ver om mijne klaver

rijden! Is 't gedaan?

--'t Is gedaan.

--Ehwel, goed dan: vrienden lijk voren en na!

--Lijk voren en na! Ze scheidden tegelijk uit en kwamen bijeen om de

zaak met eenen handslag te bevestigen.

--Als ik de weide krijg, wel, dan is 't haverland u gejond!

--Ja, we konden dat ook wel vroeger in orde brengen; menschen spreken

menschen.

Verlinde grinnikte en ze kwamen weer bij tafel en ze vroegen opnieuw om

bier en Lowie moest meêdrinken.

Niemand merkte hoe de zon nu schuin heur stralen over de weide schoot en

't al in rijker goudglans deed boenen. Lijk mieren stonden en wroetten

de maaiers daarin en de hoog geladene wagens voerden 't hooi naar huis.

Maar wie kon het schelen! De drie kerels zaten met een wezen purper

gezwollen, glimmend van zweet en ze zwaaiden de armen en hunnen hoed

lijk Janklaas in het poppenspel. 't Geen ze uitbrachten hield zin noch

reek, z'en verstonden malkaar niet meer en al wat ze nog zeggen wilden,

smachtte in dreunenden lach. Ze hielden al wat ze konden om hun glas aan

den mond te brengen.

--We drinken ... zoolang we zwelgen kunnen! riep er een.

--Voor eene wedding: die eerst door zijne beenen valt, deze moet heel 't

gelag betalen!

--Goed! Goed! En te gelijker tijd kregen ze 't voornemen te blijven

zitten en te drinken zoolang ... o, altijd voort, tot ze rollen zouden

of zien rollen. Er was een blijde dingen gebeurd,--z'en wisten niet goed

meer wat--maar dat moest gevierd, begoten worden met bier, zoolang of

dat er de veerman in den kelder had. Bij vlagen kwam bij Verlinde 't

gedacht aan zijn nieuw meerselken en van nog iets dat na langen tijd

effen en in orde was; dan overmeesterde hem eene wilde leute, hij greep

de steenen bierkan en gooide ze te midden de Schelde.

--Dààr, baas, een grooter kruike moet ge brengen, of ge wordt nog lam

van halen en schenken; tap het bier in ketels, of haal de ton uit den

kelder--breng ze boven! Dat we drinken zonder ophouden!

Hunne aders spanden paars en puilden uit hunnen hals van 't lachen en

schreeuwen en hun kiel en bestovene lakene broek waren belabberd van 't

bier dat ze stortten.

Al 't geruchte dat ze mieken galmde over de vlakte en verstierf in de

ijle lucht; rondom bleef het ongestoord rustig, zoodat niemand acht gaf

op 't geen ze hier doende waren. z'En zagen malkaar niet meer zitten en

ze lonkten door hunne halfopene oogen om te weten of er nog niemand

gevallen lag. z'En dachten noch aan avond noch aan huis, of dat er van

hun levensdagen nog hooi moest binnengehaald worden.

Verlinde deed wederom geweld om iets te zeggen, maar al wat er uitkwam

was brobbeling.

--Dorst, dorst! tierde Vandoorn, 't is al van die zon, van die zon ...

ik zou de Schelde leeg drinken! en hij reikte naar eene versche pint.

De baas stond geleund in zijn deurgat en kwam telkens bij om de glazen

te vullen: hij ook wakelde al op de beenen en schonk met onvaste hand.

En als Vandoorn verademd had, hief hij de oogen en wijzend naar

Verlinde:

--Kerel, kunt ge nog op de beenen staan? vroeg hij.

--Ik! ik? bofte Verlinde.

--'k Wed dat ge er door valt!

--Ik, sterk van natuur, jongen!

Hij wikkelde de beenen van onder den stoel, wakelde, greep naar de tafel

en tuimelde met al het gerief, onder te boven in 't gras en bleef er

voor dood liggen blazen. De anderen sprongen recht met luiden

schaterlach, ze stonden rond den gevallene en keken met lodderlijk,

gelokene oogen en gemaakten schijn van spottende treurnis en ze zongen

de uitvaart van den bezopene:

Onze broeder Lazarus

die is dood

zottekloot;

we zullen hem begraven

al in Jerusalem-me-lem-

me-lem.

We zullen hem begraven

al in Jerusa-

lem.

Ze trokken de tafels en de stoelen weg en legden hem de armen gekruist

op de borst, raat de beenen lang uitgestrekt als een doode in zijne kist

en herbegonnen hun liedje, gestopen staande als lijkbidders:

We zullen hem begraven

al in Jerusalem-me-lem

me-lem.

--We gaan onzen broeder eerst een slokske geven! en ze goten Verlinde

een teugsken bier in den mond, maar ineens klaverde de schijndoode boer

weer op de beenen, greep Vandoorn en Vanhoutte bij de hand en alle drie

in ronde dansend zongen zij, Verlinde het luidst:

En onze broeder Lazarus

die is dood

zottekloot!

. . . . . . . . . . . . .

--Gij zijt verloren! riep Vanhoutte, we gaan de verrijzenis vieren, en

dan....

De kanne werd gevuld. Maar z'en konden niet meer, de glazen ontvielen

hunne handen en ze moesten elkaar bij de lenden grijpen om niet te

vallen.

--Laat ons naar huis gaan, naar huis gaan, besloten zij.

--Ja, ik ga betalen, zei Verlinde. Hij tastte onder zijnen kiel, en

haalde geld uit en wierp het op tafel.--Dààr!

De veerman was niet meer in staat te tellen en de drie dronken boeren

vertrokken arm aan arm, gebroederlijk--Vandoorn in 't midden. Zoo

waggelden zij voort op hunne slappe beenen en zwenkend lijf. z'En

hielden geen straat en gingen op goed geluk, tot aan den buik in 't

gras, den wijden meersch in. Ze zwaaiden hunne armen tastend naar

evenwicht en hunne beenen schrankten van links naar rechts, schommelend

voort.

We zullen hem begraven

al in Jerusalem-me-lem

me-lem.

We zullen hem begraven

al in Jerusalem.

De meersch lag als een groene zee zonder einde; de zon was weg en de

koele, blauwende schemermist steeg uit de grachten en overwaterde den

einder.

De drie boeren vorderden traag, ze stonden nu en dan om adem te halen,

te rusten of zich te ontlasten, en arm aan arm hernamen zij hun

treuzelenden gang.

De veerman stond nog tegen den muur van zijn huis geleund en zag hoe ze

verminderden in de verte, hoe ze stand hielden soms en plots alle drie

verdwenen in 't gras en traag weer opklaverden, en voort djoezelden weer

met vage armzwaaien, zwemmend boven de groene zee van hoog gras. Hij

volgde nog den flauwen gang van hun liedje, zag de gestalten

verminderen, en eindelijk werden zij drie zwarte vlekken tegeneen. Ze

tuimelden altemets, lijk kerels omgeblazen en bleven een thoelang

gedoken liggen. Later kropen ze één voor één weer boven, hernamen den

wankelgang en doolden voort tot ze onzichtbaar werden, versmolten in den

schemer, bachten den voorhang van den vallenden dauw.

't Liedje was uit en al het drukke van den warmen dag keerde weer in

dezelfde rost en den vrede met den gewonen zomeravond.

* * * * *

Dagen · 第 8 / 9 题