VEROVERING

Dien zondagmorgen was het bijtend winterweer. De oude boeren waren thuis

gebleven en na de mis stonden de jonge kerels een enkel stondeke maar,

in twee hagen gereekt, langs den kerkeweg en stampten op den harden

grond en pierden naar de meisjes die bibberend en in zwarte mantels

gedoken, haastig naar huis gingen, 't Gedrom was zoo gauw geruimd op 't

kerkplein, want de knapen polkten de handen diepe in de broekzakken en

liepen met ingetrokkene schouders, om 't zeerst naar de Klokke of naar

den Hert, hunne borrels pakken. Daar had de bazinne den heerd goed

aangestookt zoodat de warmte van ver al deugddoende tegenkwam. De

klanten kropen dicht in de ronde, lieten hunne schenen roosten,

ontstaken eene pijp en dompten lustig. Het luide gebabbel ging overal en

elk snapte naar een borrel klare genever om 't herte te warmen.

Odo en André, de rijke boerenzonen, hielden zich afgezonderd in hunnen

hoogmoed, maar de gezellen uit dezelfde buurt zaten den linkschen hoek

vol en loechen en praatten onder elkaar en, ze begekten den ouden Filie

die vandage zijne geboden kreeg van den preekstoel om de aanstaande week

te trouwen ... met een meisje dat hij al veertien jaar vrijde! Ze

bespraken dat boerinnetje rechts en links, met al de gissingen in het

leven der aanstaande echtelingen en den toestand der oude hofstede waar

ze gingen inwonen. En Filie, de oude jonkman, zat daar zelve bij en hij

luisterde dat af, goêloos, met een onnoozelen monkellach zonder één

weergekkend woord uit te laten. En de luide, jolige leute ging al hooger

bij elke nieuwe spotspreuk. Bintsdien grepen de grove handen naar

versche borrels op 't schenkschaalken en de koperen vuurpot deed alsaan

de ronde om nieuwe pijpen te ontsteken. De klap ging elders onbezorgd,

vrij, lustig, vriendelijk. Onder makkers werd afgesproken hoe men den

achtermiddag zou overbrengen, naar wat gehucht of welken hoek of herberg

of waar ze malkaar zouden vinden om te schieten, te bollen of te

kaarten.

Dan stonden zij bij benden recht en vertrokken gezamenlijk; maar in de

"Gouden Leerze" wilden, ze nog eerst binnen bij Leentje, het geestig

dochterken. Daar bleven zij staan lanterfanten bij den disch en taterden

tegen 't mesje dat vrij meêgiechelde, terwijl heur poezelige hand met de

flesch het klokkend geneverwater klaar als gesmolten ijs, perelend de

glazekes volschonk. Ze gaarde de stuivers in den zak van haren netten

voorschoot.

Vandaar vertrokken de gasten te veldewaard elk naar zijn huis en 't dorp

bleef leeg en dood, lijk bij wekedage als ieder in zijn huis en aan 't

werk is.

Odo en André ontstaken eene laatste pijp en gingen ook hunne wegen

korten. Zij moesten langs denzelfden kant en daardoor was het sedert

lange jaren gewoonte geworden samen naar huis te gaan. Ze praatten stil

en schaars lijk menschen die malkaar veel zien en niets nieuws te zeggen

hebben. Maar ze rookten duchtig fel om de koude en als ze aan 't houten

kappelleken kwamen waar hun wegen verscheen liepen:

--Wat schikt gij te dòen, vandage? vroeg André.

--Weet niet.

--'t Weer is te goed om te slapen heel den dag. 't Regende of sneeuwde

nu al zes zondagen aan één eind; zouden we niet een tochtje te peerde

doen? De beesten staan daar, ze zullen er deugd van hebben en de wegen

zijn goed.

--Voor mij niet gelaten, meende Odo.

--We moeten er nu gebruik van maken binst dat 't deugt en de weken zijn

zoo drommels lang om verluieren.

--Waar rijden we?

--Waar ge wilt. Wel we schikken dat als we te peerde zitten.

--Goed, hoe late?

--Doppe na 't eten, 't is anders te gauw donker. Ik kom u halen.

--Goed, na 't eten.

Ze gingen elk zijnen weg. Een zware stap klinkend over den vervrozen

grond en de blauwe damp dwarrelde als pluimkes altijd nieuw uit hunne

pijp achter hun hoofd weg. Het land lag vlak als een kale vloer, grof

verbrokkeld en gedeeld in wintervoren; en de harde haardkluiten,

overpoeierd met lichten sneeuwmijzel, glinsterden in de nabijheid en

bleekten verder uit in grijze eentonigheid. De lucht daarboven zat vaal

zonder zon of kleur, triestig en eindeloos. Overal eenzame,

uitgestorvene rust van liggend doode land. De hoven daarin stonden

zeldzaam met naakte boomen verzaaid over de wereldvlakte. De wegen zelf

waren half verwischt en lagen in hun kronkeligen kruisloop, oud,

doorkorven met wagenslagen, gerimpeld als doodvergane, nuttelooze

dingen. Daardoor stapte Odo onverschillig voort, met de leegheid der

blekkende lucht en grijze omgeving die hij onbewust drukken voelde op

zijn gemoed, zonder gedachten stappend uit gewoonte, over dezelfde baan,

op denzelfden tijd, lijk elken zondagmorgen, zonder nieuws of

verandering eentonig. Ginder herkende hij zijn hof in de verte: de oude,

zwaar staande daken, wit berijmd onder den berijmden hemel, op de

sombere muren die zwart vlekten tegen den grijzen grond; heel de doening

stond lijk gedroomd en gereed te vergaan, te smelten in 't overwegend

wintergrijs, verdrietig om zien.

Dingen uit het dorp kwamen nog in zijn gedacht, de hardklinkende,

lachgalmende woorden van daareven in de herberg hoorde hij hier stikken

over de verre vlakte heen. De menschen zag hij van rond zich uit de

kerk, de aangezichten van makkers, het leutig, lief smoeltje van Leentje

en den walmende tabaksdamp overal op. De doode dingen ook uit de

verledene week kwamen in zijn gedacht: doffe, kleine gebeurtenissen van

alle dagen, avonden gesleten bij André en zijne zuster Ida en elders op

andere hoven in de buurt. En met Ida kwam heel den geleidelijken sleep

van hunne lange kennis en verkeer en hij dacht aan dat meisje dat eens

moest komen zijne vrouw te worden op 't hof, maar dat was 't einde, dat

stond verre nog, heel ver en onvast, uitgesteld als een lastig, moeilijk

ding waar hij nog niet durfde mede bezig zijn omdat het heel den

gemakkelijken sleur van gewoon boerenleven en boerenrust, die nu zoo

vast stond in den harden winter, moest komen storen en veranderen: een

vreemde vrouw in dat innig, omsloten huis die er al het ongewone van de

nieuwe doening zou moeten aanleeren. Hij wierp dat weg en seffens zag

hij zijne zware peerden staan, warm en lui in den stal, en Jan den ouden

knecht, die er zijn gewoon zondagwerk verrichtte. Daarbij raadde hij al

den wagenden stilgang en doening in de zondagsche keuken waar hij zoo

seffens zou binnenkomen; de warmte en den reuk van den maaltijd snoof

hij reeds met 't gedacht aan moeder en Julie zijne zuster....

Hij lichtte den ring van de groote hofpoort en stapte tusschen wagens en

karren door de schuur. Daarbinst overviel hem een groote, verdrietige

moedeloosheid, de wederwerking van 't geruchte op 't dorp en de doodsche

winterstilte hier alom. Hij vroeg niet hoe het kwam of waarom, maar

dacht alleen aan de verdrietigheid omdat 't overal en eeuwig eenbaarlijk

't eigenste en 't zelfde was in eentonigheid: 't gedraai van menschen en

dingen die hij zoo lange kende en die nooit beu waren van de wintersche

triestigheid, den godslagen Zondag.

Hij klopte als gewoonlijk 't vuur uit zijne pijp, keek over de werf die

levenloos en goed opgeschikt lag heel de lange wintermaanden, maar hij

vond niets om over te vitten tegen 't werkvolk. Huis en staldeuren en

schuurpoorten en luchtgaten, 't was alles zorgvuldig dichtgestopt en

stil, 't scheen er bachten al uit verhuisd--geen beest dat leven miek.

De hennen ook, en de wakkere haan bleven op hunnen warmen zolder tenzij

juist den tijd om te eten.

Waar Odo door de vensters gluurde, gaandeweg over de hooge stoep, zag

hij al de gordijntjes nauw dichtgeschoven. De deur kriepte haar gewonen

kriep onder den stoot van zijne hand en binnen vond hij moeder en zuster

met hun ernstig gelaat, stil bij den haard zitten wachten. Over 't vuur

en in de heerdasch er rond, hingen en stonden ijzeren potten en pannen

waar dampen uit walmden tusschen de spleet van de deksels. Over het

verste eind van de lange tafel was een blauw geperkte dwale gespreid

waarop de witte borden met vorken en lepels gereed stonden. Dat alles

gaf Odo een tegenzin van vunze gewoonte, vastgegroeid in ouderdom,

dringend als eene noodzaak. Zonder spreken nam hij plaats bij den heerd,

trok de leerden uit en zijn vest, deed de wit gewasschene kloefen aan en

bleef in de baaimouwen zitten geeuwen en rekken met de armen achterover.

Hij keek bezijds naar de gedekte tafel en naar moeder, die den blik

verstond, hij lonkte naar het uurwerk, stond op en zette zich bij tafel.

--Julie, 't is tijd, we gaan eten.

Het meisje ging eerst aan 't venster kijken over de werf en riep naar

Jan voor 't noengetij. De kerel kwam allichte binnen, zette zich op de

bank bij tafel, nam zijne muts in de handen en las zijne gebeden. De

anderen ook kwamen bij en mieken een kruis.

Julie diende de soep op in een bruinen eerden kom die dampte en zij

schepte met den ijzeren pollepel de borden vol. Zonder spreken, zonder

opzien, elk gebogen over tafel, namen zij met gelijke beweging van den

arm, de soep met lepels binnen. Het getik van ijzer en geschreep op

gleier miek 't eenig gerucht. Als de kom uit was, rekte Odo weer de

armen open en keek naar zijne zuster en naar den pot op den heerd,

wachtend om 't andere. Ze bracht de dampende aardappels en gebraden

zwijnsvleesch en schonk de glazekes vol bier. Nu hernamen zij het eten

met de vorke en het mes, zonder haast of zichtbaren smaak of genot,

snijden en stekken en binnenhalen, als gewone, onverschillige bezigheid.

Moeder knabbelde lastig haren kost en herkauwde en peuzelde en hielp met

bevende handen haren tandeloozen mond. Ze bekeek al de stukjes eer ze

binnen te moffelen met weifelende meening, in beraad of ze wilde

uitscheiden of voortdoen heur lastigen maaltijd. En Odo merkte het niet

omdat hij met 't zijne alleen bezig was en hij at met knappe beten

gestadig voort, om gedaan.

Als 't uit was deden zij hun dankgebed en namen hunne gewone plaats weer

in bij den heerd. Jan haalde zijn zwart berookt pijpken uit den

ondervestezak, vulde het en nam vuur uit de assche. Moeder zette zich in

den ouden leunstoel te tukkebollen. Julie liep over den vloer, haakte

den moor met warm water van den hangel en ging in 't achterhuis de

schotels wasschen. Odo zat en keek naar de zolderribben, naar den top

van zijne kloefen, op 't gewiebel van 't vlammeken in den heerd en op de

blauwe walmkes van Jan zijne pijp. En als die walmkes verminderden en

achterbleven en 't laatste met een blaas als een uitsproeiend

aschfonteintje door den bak opvloog, zei Odo, alsof hij met alle geduld

naar 't einde gewacht had:

--Jan, doe dan Baai gereed, smeer zijne hoeven en leg hem den zadel op.

De knecht stond op, luisterde zonder roeren tot de reek was uitgezegd,

dan knikte hij instemmend, stak de pijp in den ondervestezak en vertrok.

Odo ook veegde den vaak uit de oogen, keek nog eens op 't uurwerk, rekte

de armen en ging geeuwend naar de vaute.

--Gaat ge rijden? vroeg Julie.

--Ja, André komt alhier, maak de koffie gereed. Dat was de gewone

gebeurtenis van elken Zondagnoen en daarom en sprak men daar niet verder

over. Odo kwam beneden in zijne rijbroek, gespte de sporen vast en de

zeemvellene beenkleeren als André met vasten stoot de deur openduwde en

binnenkwam. De jonge boerenzoon knikte goedgezind naar Julie, riep een

luiden goên dag naar de vrouwe en een vroolijken:

--De maaltijd wel gesmaakt? Prinselijk weer buiten, jongen! Echt om te

rijden!

Hij zette zich ongedwongen als in eigen huis op eenen stoel, stond zoo

seffens weer op en ging bij 't venster een deuntje fluiten; vandaar

keerde hij naar 't achterhuis en bleef in 't deurgat luide staan kouten

tegen Julie. Hij stond daar zelfgenoegelijk, de jonge kerel, geleersd en

gespoord en verschblinkend, frisch uitgeborsteld en vertelde en plaagde

op blijden toon. Zoo gauw was de gespannene, zwijgende doening vergeten

en alles keerde in beweging en geruchte.

Odo gerocht ook aan 't gekken en de trotsch opgeruimde moed kwam weer

over zijn frisch en sterk gelaat. De lach klonk op bij elke spreuk en

't was nu blijruchtig en gezellig in de groote, warme winterkeuken.

Het meisje handelde met vlugge, beweging heur schotels en lonkte met

vlijtige oogen naar André al loopend vol bedrijvigheid, met lichten

tred. Zoo deed ze ook de noenekoffie gereed.

Moeder had er zoo wel wel heur schik in, ze zag den jongen geern om

zijne aanvalligheid en omdat zijn vriendelijk gezelschap zoo'n deugd

deed aan haren Odo. André was anders ook een flinke boerenzoon en ze

merkte met behagen dat hij trek had naar Julie en hoe dat het meisje zoo

blij voldaan weêrlonkte en ze leutig uitbloeiden zoo gauw ze bijeen

kwamen. André had daarenboven ook eene ferme, goede zuster en daarom zag

de oude boerin geern dat haren zoon daar veel ten huize ging; hij kon

zijne zinnen nergens beter vastzetten, en 't was heur blij, gerust

voorgevoel: de jongens al ondereen samen gelukkig te zien, dat was haar

troost in heur afgaande, oud leven. En heel de geschiedenis van haat en

vroegere veete, heel het droevig kwaad leven van voortijds hield zij de

jongens gedoken achter heur oud, gerimpeld aangezicht. Boer Vanmarcke

was dood en Boer Verschaeve ook en de kinders waren onwetend van 't

kwaad bedrijf hunner eigene ouders, en dat was maar beter ook.

--Ze zijn van weerskanten brave, deugdelijke kinders, dacht ze, de twee

families leven nu zoo goed als maagschap ondereen en 't ware een geluk

als ze door een dubbel huwelijk voorgoed den vrede bestendigden eer ik

doodga. Eerlijke, begoede ouders van beiderzijde en hun hof en stalling

met bed en bulster staat voor malkaar gereed. Maar niemand en sprak daar

openlijk over, tenzij de knapen in de herberg en de meiden rond den

heerd. Voor dezen die er in betrokken waren, bleef dat eene verwachting

voor de toekomst en het was onnoodig er over te spreken omdat de tijd er

nog niet was daarmede voort te doen; ze waren van weerskanten te jong

nog en als de vriendelijke omgang nu maar onderhouden bleef, was 't al

een deugdelijk dingen en eene gerustheid voor later. Intusschen namen

Odo en André samen hun verzet en genoten vrij van hun jong leven.

Door de keukenvensters zagen zij nu Jan die Baai bij den breidel buiten

bracht. Het forsch peerd lei schichtig de ooren en in zijne

brooddronkene weelde begon het te steigeren, hief den kop en snoffelde

naar 't vreemd peerd dat bij de schuurpoort gebonden stond. 't Sloeg in

een plotse zotternije de hoeven hoog in de lucht en dan, op een vermaan

van den ouden knecht, begon het ingehouden te trappelen op licht

dansende pooten en liet zich leiden tot bij de voordeur.

--We zijn gereed, meende André en hij ging nu ook zijn peerd halen.

--Mijne rijzweep en mijne handschoenen? vroeg Odo. Moeder, tot t'avond!

--Julie! en de jonge kerel belonkte nog eens vlijtig het meisje voor een

afzonderlijken groet. Ze kwamen mede buiten om de knapen te zien

opstijgen.

Jan hield het onrustig peerd alsaan bij den toom. Odo onderzocht den

zadelriem, greep den stijgbeugel, tord met den linkschen voet in en met

vluchtigen zwaai zwierde hij 't lijf naar boven. Baai was hem bijna

ontsprongen en nu, in 't verschot van de verrassing buitelde het ineens

zijn onwillige zottigheid uit en wilde wegrennen. De vier hoeven

kletsten twee en twee overhand tegen den harden grond met wreeden zwong

van zware pooten en slaanden kop. Jan was bezijds gesprongen, maar Odo

zat vast met knellende knieën en praamde den toom in de vuist; daar zat

hij trotsch te glimlachen, preusch om het groot geweld dat hij met

handige macht in bedwang hield. André was ook op zijne merrie gesprongen

en de twee peerden hinnikten nu en begonnen eene wilde danspooterije,

eerselden en kapten, ongedurig met drang om weg en in 't vrije te

geraken. In hunne bradde wildheid zwierden zij den kop dat 't schuim

rondspatte en ze knabbelden met de tanden het ijzeren gebit dat al hunne

kracht gebonden hield. Zoo kwamen zij er eindelijk toe door veel

gepraam van toom en gremmet, hunne rijdieren in bedwang te houden en

kregen ze nevenseen als een getemd koppel waar zij bleven staan

strappelen en slaan met den kop in ongeduld om aan te zetten. Maar als

ze den toom voelden lossen, dreven zij gezamenlijk met harden hoefslag

stampend den grond, een fermen ademsnoffel uit en zoo stoven zij 't hof

af door de opene poort en in wilde vaart vooruit, zoo geweldig dat

moeder en dochter bewonderend eerst dat spel, nu angstig opschreeuwden

en buiten de poorte liepen met vrees voor ongelukken. Maar de twee felle

ruiters waren al een eind ver en zaten er goed en gemakkelijk gewiegd op

de breede, dansende ruggen en ze keken nog eens over den schouder ter

geruststelling en om bewonderd te worden. André zond nog een laatsten

groet naar 't meisje dat hem glimlachend nakeek. Als zij gezien hadden

dat het goed ging, keerden de twee vrouwen in huis. Moeder schudde toch

bedenkelijk het hoofd:

--De waaghalzen, ze zullen toch eens den nekke breken met die zotte

peerden!

--Maar moeder, zij zijn jong en zitten er vast op.

Daarmee zweeg moeder en 't meisje ging zich nu wat opschikken en zou

moeder komen voorlezen uit een oud boek. In de keuken hing weer de

kalme, oude stilte, met eene onrust die onuitgesproken bleef: 't was

eene te vroege verwachting om Odo ongedeerd te zien thuiskeeren, maar

de stilte hield dat onuitgesproken verlangen besloten heel den

achtermiddag tot t' avond late als 't nacht zou zijn misschien.

Terwijl zaten de twee kerels onbezorgd, hoog in de winterlucht en lieten

zich gaan in vluggen draf. Zij loechen om de vrees van het lichte

vrouwvolk en waren vol van de verwachting der vreugde die ze zoeken

gingen.

Aan den ingang van 't dorp kletsten de hoefijzers dubbel hard op de

kasseisteenen en de menschen kwamen uit hunne huizen kijken en

bewonderden de twee ferme ruiters: Odo, de zoon van den ouden

burgemeester, en André, de landrijke boer. Ze reden over 't kerkplein

door de straat en hielden nu de leden sterk uitgespannen, als twee

schoone knapen, en keken met overmoed uit de hoogte, preusch om hunne

kostelijke peerden, rechts en links en knikten naar de dorpelingen die

vriendelijk monkelden. De peerden gingen stapvoets nevenseen en Odo en

André zaten er stijf en statig op, met gespannene knieën, de beenen

stevig in de glimmende leerzen en zeemvellene broek, de rijzweep en

teugels vast in de geschoeide banden, bewust van hunnen rijkdom en

broederlijke weelde. Odo hief zijn gezond bleuzenden zwaren boerenkop

met trotsoh-blinkende oogen, stijf op den breeden hals. Hij wist zijne

schouders eendlijk en zijnen rechten rug sterker dan den sterkste van

't dorp. André daarnevens wat rilder, hooger opgeschoten op zijne

stevige leden die plooiden genadig in het wiegen van zijn ros.

--Dat zijn een prachtig koppel ruiters, zegden de kennissen, jong zijn

ze en niets en kan hen deren, ze hebben 't geluk in pachte! Dat wisten

zij zelf ook, de twee boerenzonen en dat kropte hoogmoedig in hunnen

zin, maar hunne wezens bleven goedaardig kijken en vriendelijk. Ze waren

als prinsen in hun eigen land, met al de dorpsgenooten als onderdanen,

zoo sterk, zoo schoon als niemand. Nu gingen ze hunne kracht en hunne

prachtige peerden toonen naar 't vreemde; daar zouden ze met trotschen,

onverschilligen blik laten zien en bewonderen wie ze waren en van waar

ze kwamen.

--Waar rijden we nu eigenlijk? vroeg André.

--Voorwaards! loech Odo; hebt ge zin ergens te zijn?

--Neen.

't En was nievers noch feest noch kermis; z' en hadden geen kennissen

te bezoeken of vrienden; 't meisje dat ze vrijden woonde in 't huis van

waar ze kwamen en al de andere deernen bleven hen doodonverschillig,

't bezien niet weerd.

Aan den keerdraai waar de kassei weer in harde, oud verknuiste

eerdestraat uitliep, draaide Odo zijn peerd om en André volgde zijnen

makker.

--Naar 't Meulenhout, raadden zij beiden.

Ze kwamen weer in 't vlakke veld, eentonig dezelfde landstreek, met de

platte eerdelaag en eenzame, verkrompene huisjes en magere boomen in

reken of alleen, berijmeld en grijs, tegen den einder het donkerblauw

van een bosch.

Met 't noenuur was 't geluchte wat opgeklaard en in 't eindelooze zwerk,

ééndikte vol wolken, teekende de zon een flauwe klaarteronde achter dien

voorhang van somber grijs. Over 't veld lag de sneeuwmijzel nu in

glinsterkristaaltjes te blinken, eene dunne laag perelgrijze wittigheid.

Maar dezelfde spijtige wind dreef gestadig zijn kouden tocht van 't

Noorden naar 't Zuiden en beet de ruiters in rug en hals. De beweging in

de vrije lucht hield hun echter 't bloed warm, en hun wel ingekleed lijf

voelde er te meer de prikkelende deugd van. Ze ademden met genot even

als hunne snuivende peerden, de dikke, gezonde lucht.

De twee ruiters kwamen aan 't vreemd dorp en daar tusschen de huizen,

lieten zij hunne peerden op stap gaan om gemakkelijk de menschen te

bezien die ze ontmoetten.

--Kent ge hier iemand? vroeg Odo.

--Niets bezonders, we zullen moeten vragen waar 't plezier woont, anders

maken we 't zelf.

De dorpsplaats lag in zondagsche ruste, zonder leven in de herbergen.

't Was al dat er een vent of wijf te ziene was op straat en een deel

jongens die poenderden in eenen hoek en dansten over de straatgoot om

hunne voeten warm te houden.

--"In 't Meulenhof" las André op 't uithangbord van eene oude

afspanning.

--Willen we maar eens zien en een glas bier drinken?

't Was zoo gauw besloten en ze dreven hunne peerden bij de deur. De baas

kwam haastig buiten, groette vriendelijk en wenschte de heeren welkom.

--Beste weer om uit te rijden!

--Breng ons twee pinten bier.

Vlugbeende was de baas weer binnen en zoo seffens bracht hij hun twee

glazen.

--Dat verwarmt het bloed. Ge zijt een wandelingske komen doen naar 't

dorp ... wellicht de beesten komen bezien in 't Meulenhof ... of de

meisjes?... en hij bezag de kerels met een fijn vragend oogknipje.

Odo en André namen 't glas van de lippen en wat benieuwd:

--Is er iets bezonders te zien op de streek? loech André. Waar er mooie

dochters zijn, zouden we wel een paar kalvers koopen vandaag!

--Maar als wij den Zondag op zoek gaan, moet het puike ware zijn,

zwetste Odo. Als ge ons iets bijzonders kunt aanwijzen, ziet ge ons

terug en we zullen u weten te zeggen of 't naar den smaak is.

--Den weg zult ge wel vinden zonder mij, merkte de baas, al de

boerenjongens van de streek raden zulke dingen op den reuk.

--'t Is gemeend, we zijn onbekend en niemand bij ons en spreekt van 't

Meulenhof, niet meer als van gelijk welk ander. Zonder dat zouden we zoo

lang niet gewacht hebben dien boer een bezoek te brengen.

--Als 't alzoo is, loech de baas, ge zult er mij weten van te

vertellen: op heel de streek en vindt ge de weergade niet!

--Ernstig gesproken, meende Odo, dat belangt ons, waar wonen ze nu

eigenlijk die fleurige rozen?

--De eerste straatjongen de beste zou ze u wijzen; den Zondag in de kerk

zijn al de aanzichten op boer Meulenhofs twee dochters gekeerd; en naar

't geen er van bezoekers, ver en bij, daar op 't hof komt, moet het wel

de moeite weerd zijn.

--Ge doet me verlangen, loech Odo.

--De twee schoonste bloemen van de streke, meende de baas, de balie is

stuk gereden van de ruiters die daar 's Zondagsch bezoek doen.

--We gaan er naartoe voor de leute, zegde André gedoken tot zijnen

makker.

--'t Is hier dicht bij, ginder 't groot hof met die blauwe daken, dat ge

ziet tusschen de boomen, de dreef leidt er heen, 't is nauwe tien

minuten rijdens. Maar, let op dat ge den hals niet en breekt en t' avond

gave bij moeder thuis geraakt, want de dorpsjongens hier zijn eenhandig

en zij beweren dat de snelle poesjes van de streke niet weg en mogen en

hier op 't eigen dorp moeten blijven als ze verkocht geraken.

Dat prikkelde de kerels.

--Waarlijk, baas, zoo ge ons grappen wijsmaakt komen we uwen kelder

afdrinken en we steken onze peerden in uwe beste kamer. Zeg, hoe heeten

de meisjes?

--Meisjes, meisjes?! freulen zijn 't, sterke deernen: Paula, de bruine

en Anna de blonde.

--'t Is half gewonnen spel nu we de namen kennen! loech André. Vooruit!

Ze gaven hunne peerden de spoor en reden weg.

--Ik neme de bruine, zei André.

--En ik de blonde; is 't aanveerd?

--Zeker, en zonder zien.

--We gaan er alleszins naartoe, meende Odo.

--Werkelijk? Maar wat zullen we daar uitkramen als we binnenkomen? Weet

ge eene reden?

--Naar den duivel, eene reden! moeten boerenzonen lijk wij redens hebben

om eene dochter te bezoeken! Al de hofsteden der wereld staan voor ons

open. We gaan eenvoudig de meisjes bezien en wil de boer ze ons niet

toonen, wel dan bezien we zijne peerden en kalvers en hij toogt ons

seffens de dochters op den hoop toe!

De dreef liep tusschen twee reken populieren naar de opene poort.

Odo en André ze loechen om hunne eigene, zotte stoutigheid en meer nog

om de verwachting van 't geen gebeuren zou.

--De boer moest eens met zijn roer uitkomen of ons de werfhonden

achternazenden! meende Odo.

--Laat mij maar doen en ik verwed dat we er vandage nog onthaald worden

op hespe en bier! beweerde André.

--Gewed voor eene ronde pinten, Zondag na de hoogmis te drinken onder al

de makkers, stelde Odo voor.

--Aanveerd!

Twee groote honden kwamen inderdaad uit hun kot geschormd en basten op

de vreemdelingen.

--Kijk, kijk! riep Odo.

Terwijl ze over de werf reden, zagen ze achter de vensters van 't

boerenhuis twee meisjeswezens kijken. Maar als de peerden vóór de deur

stilhielden, stoven zij weg lijk schuwe musschen. 't Was de boer zelf

die de deur opende. Een korte, dikke stamper, stevig op de beenen, de

handen in de wijde broekzakken en een dikken baai over zijn ronden buik.

Zijn rood, bleuzend wezen loech vriendelijk verrast, met een greintje

spotlust en hij groette al van ver:

--Ha, ha! jonge kerels, ge komt 'ne keer de streke bezien en de

menschen! welgekomen. Pier-Cies! riep hij luide naar buiten, steek die

schoone peerden op stal.

--Danke, boer, danke, begon André, we hebben weinig tijd, we zullen maar

even afspringen en u goêndag zeggen.

Ze merkten reeds dat de boer aan zulke bezoeken gewend was en de twee

kerels gevoelden zich daardoor op den stond gemakkelijk en ongedwongen.

Een vlasharige, halfvolgroeide koeier kwam uit den stal naar de peerden

toe.

--Pier-Cies, ge zult hier bij de peerden blijven. Terwijl kwam de boer,

als kenner en liefhebber, nader bij de beesten zien.

--Een kostelijke reun, meende hij, en dat....

--Een tweejaarsche merrie, zei André op zijn peerd doelend.

--Kostelijke beesten! en de boer smekte er bij van bewondering.

--Komt gij van ver, als ik vragen mag? Ik ken veel menschen, maar 't

jong volk groeit boven mijn hoofd.

--g'Hebt nog gehoord van den Hoogen Doorn? vroeg Odo.

--Zeker, zeker, loech de boer, 'k ben er dikwijls geweest! wie zou boer

Verschaeve niet gekend hebben!? g'En zijt toch nooit zijn zoon?

--Wel en zeker.

--En 't Berkenhof, kent ge dat? vroeg André.

--Boer Vanmarcke? zeker, 'k heb hem veel peerden helpen koopen en vrouw

Vermeulen ken ik best. Maar dat is nu langen tijd geleden.

De naam van eene hofsteê draagt al de faam en de weerdigheid en den

rijkdom in den klank zelf van het woord en elken boer is daarmede goed

bekend. Over heel de streek blijft dat onveranderlijk en vast en

duidelijk omdat het van vader tot zoon, ver en wijd vermaard is, evenals

de honderdjarige linden aan 't hofgat. 't Gewicht en weerde van belaai

en rijkdom van land ligt voor elk ende een open onder den blooten hemel

en 't valt te schatten voor al wie tellen kan en van de zaken op de

hoogte is.

Met 't vermelden van die twee namen, klaarde 't aangezicht van den boer

ineens op, zijne handen bleven alevenwel gerust in zijne broekzakken

zitten, maar hij draaide den rug en ging binnen, zonder ommezien, in de

overtuiging dat de bezoekers, zonder verdere uitnoodiging, hem wel

volgen zouden.

--Zet u maar wat bij 't vuur, kerels, we gaan kouten, we zijn immers

oude kennissen.

Hij zat al gemakkelijk in zijnen hoogen stoel bij den heerd en streek

met de handen over zijn rond gevulden baai.

--Wel, jongens, Berkenhof en den Hoogen Doorn! dat zijn twee hoven zoo

oud als 't land! En in zijn gedacht kwam heel die reeks stevige boeren

en burgemeesters, die rijke als koningen, daar geheerscht hadden over

hunne wijde werf en 't land er rond. Ze zaten er van over oude tijden

muurvast en warm geland; 't waren eigenzinnige, koppige tjokken, hard

als eekenhout, maar goedaardig met 't volk en wreed met de vijanden.

André knipte een oog naar Odo om te bedieden dat zijne wedding gewonnen

was. De andere had geen tijd te antwoorden, al zijne oogen waren op de

twee deernen,--dat sloeg hem eerst met verbazing--zulk vrouwvolk had hij

nooit gezien, en zijn eerste gedacht was: dat zijn eigen zuster en Ida

ook, daar begijntjes bij waren en meisjes van niemendal! 't Geen de twee

bezoekers trof was: de wijde, ouderwetsche, glimnette keuken, waar alles

in schoone orde geschikt stond, maar 't meest greide het hen in de

oogen te kijken van die twee prachtige dochters, de bruine en de blonde,

die hen zoo vrank in 't gelaat loechen. In 't begin stonden Odo en André

er wat mijde voor en in 't eerste kennismaken hielden zij zich nog op

hun weerhouden, maar op het bloeiend wezen en den openen glimlach der

twee freulen was het genoeg te zien dat zij met geen beschroomdheid

gediend waren, dat ze aan bezoek van vreemde liefhebbers hun genoegen

hadden. Al stonden ze op de kloefen, kortgerokt en den balen voorschoot

aan, ze bloosden maar niet van schaamte en ze hadden leute om hunne

verwaarloosde, vreemde zondagdracht.

--De meiden zijn naar 't dorp en wij waren tewege naar den stal, zegde

de oudste.

--Dat gebeurt bij ons ook, doe maar vrij, merkte Odo. En hoeveel koeien

hebt ge te melken, Anna? en hij duwde op dien naam, met slimmen toon.

De deerne keek verrast op en heur mond plooide gereed om 't uit te

schateren, maar eer ze iets kon zeggen:

--En gij, Paula? vroeg André.

Ze bezagen elkaar en dan kikkerden zij om de aardigheid dat twee

jonkheden die zij nooit gezien hadden, hun naam kenden! z'En dachten er

niet aan de vrage te beantwoorden en bleven staan lachen en de boer ook

dreunde daarbij met volle geweld.

Toen stonden de bezoekers nog recht, en nu merkten de dochters eerst

hunne nalatigheid. Anna en Paula snapten te gelijkertijd naar stoelen

en:

--Zet u, gasten; vader, wat moet ik opbrengen?

--Eerst een kanne bier om te beginnen, als ge in den stal gedaan hebt

kunt ge eten gereed doen--of 't en ware de heeren nu iets wilden

aanveerden? vroeg de Boer.

--Neen, niets, we moeten weg, 't is vroeg avond en onze peerden....

--De peerden staan al warm op stal, en de boer grinnikte fijn om zijne

vondst. En van avond is 't klare mane.... En ineens tot zijne dochters:

--Ge Weet het Berkenhof? en den Hoogen Doorn? dat zijn....

--O, riep Paula, Ida Van Marcke is uw zuster?

--Kent ge haar? vroeg André.

De meissens knikten bevestigend.

Nu waren zij seffens bekenden en vrienden van thuis; 't vuur werd

aangestookt en een grooten pot bier kregen ze op de tafel waar rond de

bezoekers met den boer vaste gestoeld zaten om lange en genoegelijk te

kouten.

De dochters was 't alsof ze met vertrouwde kennissen te doen hadden,

met wien zij van overlange bevriend waren; ze keken om als ze naar stal

gingen en riepen:

--Tot straks! Dan vezelden zij nog wat ondereen achter de deur en liepen

giechelend over 't hof.

Met den boer wendde de kout over gewone zaken van 't landbouwbedrijf.

Eerst over eigen kweek van peerden en koeien die ze nu op stal hadden,

dan over vroeger gekochte of verkochte hoornbeesten. De boer kende bij

name al de runders en 't vee van de streek, hij wist histories en

wondere gevallen van kachtelen of kalven, vijftig jaar verre geleden.

Dat was een ophalen en beschrijven met groot geweld van handgebaar, rond

zijn gerust, liggend, breed lijf en goedig monkelend hoofd, in eigen

sterk vette spraak, met boffende overtuiging zijner kennis van beesten

en de kostelijkheden van zijnen kweek. De deugd en 't genoegen had en

voelde hij in zijne eigene woorden.

Elk deed er 't zijne bij, met nieuwe vondsten, verzonnen of gebeurd,

maar alles met slaande beweringen voor waarheid uitgesproken. Het werd

eene reeks zonder einde. Tot dat de luchtige zang van de deernen klonk

met gerinkel van akers en teelen in de melkkamer, zaten de boeren vol

bezig. Dan stonden zij op met dreigende meening van vertrekken, maar:

--Daar en ia geen gedacht van, nu al, zegde de boer, onze achternoen is

gezellig voorbij, we gaan er nog een steertje aanbinden met hespe en

brood en een versche kruike bier of moet ge nog entwie of entwat gaan

bezoeken? vroeg hij fijn pieroogend,--ge hebt hier uw gerief, en hij

schetterlachte bij die geestigheid.

--Neen, maar we hebben heusch beloofd bij tijd thuis te zijn, merkten de

knapen.

--Een boerenzoon die bijtijds thuis is! spotte de boer.

In een draai was de tafel gedekt en voorzien met borden en brood en een

groote hesp. De dochters liepen vlijtig en heel opgeschikt nu: het haar

gekamd en in kraaknette, klare jakken en blauwe schorten die versch uit

de voegen geschud waren.

De boer had er waarlijk deugd in zijn volk zoo pertig en bloeiend te

zien en hij merkte wel hoe de kerels rechts en links met de oogen

lonkten.

--Ja, ja, ze zijn de bloemen van 't dorp, loech hij weer, en zonder

zweem van grootspraak, als van een gewoon dingen: en 'k krijge meer

kijkers in mijne keuken dan in mijnen peerdenstal!

De meissens lieten dat ongestoord over hen gaan en monkelden.

--Een schoon meisje en een schoon peerd, anders en is er niet vele 't

ziene weerd, vleide André.

De boer knikte instemmend al snijdend, d'eene schel zwijnvleesch achter

de andere.

Onder 't eten begon hij nu eigene gevallen te vertellen uit zijn jongen

tijd; toen hij verkeerde met Vrouw Verkamer, zijn wijf ter zaliger; hij

noemde al de hoven waar dertig jaar geleden, 't schoonste vrouwvolk

woonde, en hoe ze dan vrijden en 't eene dorp na 't andere afdretsten te

peerde. Odo's vader en moeder, boer en boerinne Verschaeve waren meestal

van de mededoende geweest en in die oude gebeurtenissen betrokken.

--Dat was een tijd! en uit zijn onuitputtelijken, dikken kop haaide hij

maar nieuwe histories. De kerels proestten van 't lachen en de twee

deernen wisselden leute met de oogen en lieten onophoudend de witte

tanden blinken achter de vol roze lippen. 't Werd een plezierige avond

en late zonder dat 't iemand gemerkt had. Eer ze hunnen hoed kregen,

moesten ze beloven terug te keeren om de beesten te bezien en om nog

eens te kouten. De peerden werden uitgehaald en na eenen korten maar

gullen groet met oogengelonk, reden de twee jonge boeren 't hof af naar

huis. Ze bezagen elkaar als ze in de dreve kwamen en schoten in luiden

lach. Dat was nu een vrijtochtje op 't onverwachts uit leute en zoo wel

meegevallen voor een eerste bezoek.

--Een warme boer, een van de levenden! meende André. Hij zou liever

zijne dochters verkoopen dan zijne peerden; welk eene neemt ge voor u?

ik houde mij aan de bruine.

Odo monkelde en antwoordde onduidelijk.

--Verdomd prachtig volk toch! meende André. Iets om van te vertellen aan

de makkers een zondagavond; met een woord kunnen we heel 't dorp naar 't

Meulenhof Benden!

Ze reden in schoonen draf door den manesching. Ze waren gerust, voldaan

over hun tochtje en lieten zich wiegen op hunne peerden. Het land lag

verlaten, half gehelderd en donker in het bosseke waar ze dóór moesten.

--Die sukkelaars van boerenjongens hier, kunnen nu gaan denken dat we 't

meenen en ons hier afwachten om hunne jaloerschheid op ons uit te

kloppen! loech André weer.

Odo monkelde nog, maar rechtte den stijven hals,

--'t Zou er moeten een groote bende zijn om ons te lijve te komen,

meende hij.

Daarop reden ze sprakeloos voort. Elk was bij zijn eigene gedachten.

En ze luisterden naar de geruchten, verre. De koude wind was gevallen en

't werd nu een aangename, heldere lucht, dikke en gezond om te ademen.

De hemel zat vol sterren en de mane blonk lijk geschuurd koper.

--'t Gaat herbeginnen vriezen, de sneeuw is weggevaagd, dachten zij.

Ze reden door 't bosselke gerust en betrouwend op hunne sterke leden,

onbeschroomd. Tusschen de ijdele boomstammen, was er niets, de takken

waren donkerzwart met wit sneeuwstof omzet, dat glinsterde al den

bovenkant.

Tegen dat ze in 't dorp aankwamen, waren de herbergen gesloten en alle

licht en geruchte dood. De stap van het koppel peerden klonk als bij

nachte.

--'t Blijft lijk we gezegd hebben, plaagde André weer: gij de blonde en

ik de zwarte!

--Neem ze vrij alle twee, merkte Odo om gerust gelaten te worden.

De welgezindheid van zijnen makker verdroot hem.

Maar André liet niet los.

--Hoe is de blonde niet wel zoo schoon? en lonkt ze niet even

vriendelijk?

--Ja, vrijwel, ze lonkten alle twee bezonderlïjk naar u.

--En uwe wedding zijt ge verloren!

--'k Betale geern, 't plezier van den dag is 't verlies wel weerd, wist

Odo.

Ze kwamen aan 't Berkenhof en Odo reed als naar gewoonte, met zijnen

makker 't hof op, zonder dat André hem zelfs meegevraagd had. Ze

brachten hunne peerden in stal.

Moeder Vanmarcke en Ida zaten bij tafel in de rijke kamer. Bij 't

binnenkomen rechtte de oude 't hoofd en 't meisje glimlachte

vriendelijk.

--'n Avond Odo.

--'n Avond Ida.

Ze wisselden zoo gemakkelijk dien groet omdat ze gewend waren malkaar te

zien en te spreken, 't Meisje draaide de lamp wat op en elk zocht zijne

plaats om te zitten.

--Braaf van zoo vroeg te huis te komen, begon moeder, en ze schoof haren

bril op en legde zich achterover om te luisteren naar 't nieuws dat de

ruiters op hunnen tocht vernomen hadden.

En zoo gauw begon André met zijne gulle babbelachtigheid:

--Moeder, o, we zijn te vrijen geweest, naar de twee schoonste meisjes

van 't land! en hij vertelde lang en breed heel het bezoek op 't

Meulenhof. Ida keek ongeloovig en vragend Odo in de oogen en de kerel,

om haar te plagen, loech stil bevestigend en deed er dan ook nog 't

zijne bij. Hij vertelde: nooit schooner zomerrozen van meisjes gezien te

hebben en hoe bovenmate vriendelijk, beleefd en welgemanierd ze waren en

dat het er op 't Meulenhof vooral deftig en rijke uitzag. Eindelijk kwam

hij heel en al los:

--Wonderschoone boerinnen! riep hij, meissens lijk boomen zoo groot! met

een lijf en eene leest! met armen en heupen! en blinkende oogen en

tanden, en krullend haar: de eene blond en de andere bruin.

André op zijne beurt, somde nog andere gaven op, naar de wijze van

peerdenliefhebbers die met kennis over een nieuw ontdekten kostbaren

kweek, uitpakken.

Ida keek half pruilend met een goedig lachje al wist ze toch dat 't

allemaal plagerije was.

--Zot volk! meende ze, g'hebt in eene herberg wat veel gedronken en ge

zijt blind geworden aan uwe oogen.

Moeder loech stil.

--En ons akkoord is al gemaakt, spotte André. Odo heeft de blonde en ik

de bruine. We regelden 't zóó onder den weg om in ruzie niet te geraken,

maar de slimmerik, 'k gevoel het, hij zou de afspraak willen verbreken

en mij de bruine ontfutselen.

--'k Zou ze alle twee willen! dat is 't, riep

Odo ineens opschietend uit zijne mijmering, en hij loech meê, omdat ze

allemaal in luiden lach uitschoten en zijne buitensporige reden aardig

vonden.

Daarmee bleef de zaak uitgepraat en Odo stond op om te vertrekken. Heden

avond vond hij de warme gezelligheid niet als naar gewoonte en hij

voelde zich nu op zijn ongemak waar hij anders zoo genoegelijk zitten

kon zonder spreken, in 't genot alleen van de warme genegenheid waarmede

hij hier altijd onthaald werd. In korte plegingen wenschte hij nu

goênavond en ging zijn peerd halen naar den stal met André; Ida kwam meê

met de lanteern.

De kerel sprong op en riep een laatsten groet in 't wegrijen en 't

meisje hield heur licht hoog om hem langer te zien en heur eigen wezen

in de klaarte te houden, en zijnen laatsten groet op te vangen.

Zoo gauw Odo buiten op strate en alleene was, neep hij de vuisten en

knieën en beet op de tanden dat ze kraakten.

--Alle twee de mijne zijn 't! en gij of een ander en zult er geen poot

aan steken, verdoemenis! de mijne alle twee! Hij wist zelf niet van waar

die plotse ophitsing en hevigheid in hem kwam, maar die onverschillige

spotlust van André was hem onuitstaanbaar en hij voelde daarom lust nu

om te vechten, gelijk met wie. Hij sloeg de sporen in zijn peerds balg

en rende zot voort door den laten avond in den maneschijn. Aan zijn

hofgat kreeg hij nog een plotsen inval en lust om terug naar 't

Meulenhout te rijden,--naar 't Meulenhout zou hij niet gaan, maar die

weg alleen trok hem als een belangende nieuwigheid, al wat nu maar in

die richting lag had een nieuwe weerde.

--Morgen! meende hij en daarmede wilde hij zijne begeerte nu intoomen.

Hij reed 't hof op en hij gaf zijn jagende peerd aan Jan die heel

vervaakt en met verslapene oogen het licht bracht. Odo ging schoffelig

in huis, wierp de leerzen over den vloer en ging zonder iets te zeggen

aan zijne zuster, rechte door, gaan slapen. Uitgestrekt in de duisternis

dacht hij aan 't zottespel van den achtermiddag en eerst wilde hij heel

die stoornis uit de zinnen schudden,--in zijne verbeelding overkeek hij

die twee groote boerendeernen, de bruine en de blonde, hij zag hen staan

in die wijde keuken en herdeed met hen al de gesprokene woorden, en 't

greide hem 't wenden van hunne vlijtige blikken en 't bewegen van hun

raaide lijf na te gaan. Hij hoorde hun galmend lachen, wezenlijk alsof

hij er bij was. En de bruine en de blonde, Paula en Anna, hij bekeek ze

overhand, vergeleek en koos wie de beste en de schoonste was, stelde

zijne voorkeur nu eens op de blonde en dan weer op de bruine, maar bij

't gedacht dat de andere dan door André te pakken was, kwam even gauw de

hitsige jaloerschheid op en hij raasde weer waar hij lag en 't brieschen

joeg op in zijn gemoed en hij vloekte omdat hij ze vast alle twee wilde

en geen eene laten gaan of nemen door 't is gelijk wie anders.

De opgewondenheid bedaarde weer en hij keerde de gedachten naar 't stil

huiselijke van al die winteravonden op 't Berkenhof, bij Ida en André en

hij kende moeders verwachtingen en die van het meisje ... dan verkoos

hij voor dezen nacht aan niets meer te denken, hij keerde zich op de

linker zijde om te slapen.

Als de koude dagklaarte al lang in Odo's kamer zat, bleef hij daar

liggen met opene oogen; hij wilde niet opstaan en was slecht gezind

omdat het weeral een dag was zooals al d'andere. Hij voorzag hoe hij

den tijd zou verslijten en wist het overal koud tenzij in bed en in

de keuken, en zijn moeder en zuster wilde hij nu onder de oogen niet

hebben. Dat dingen van gister had hij meenen te vergeten met slapen en

't stond daar nu groot gegroeid, sterker dan ooit in zijne nieuwigheid,

met hevige verlangens en zotte voornemens. Al 't andere daarbuiten werd

groote nietigheid, en daar zat een harden angst in zijn gemoed en eene

felle afgunst ook: het was hem te wers dat iemand "Zijne" meissens zou

bezien of afnemen eer hij ze voor vast zijn eigendom gemaakt had--want

hij wilde, hij moest ze hebben--alle twee. Maar ter zelfder tijde wist

hij dat 't groote zottigheid was, eene verwaande koppigheid, eene

onmogelijkheid en dat er zijn gerust gemoed zou door verstoord worden,

maar hij gaf zichzelf de buitensporigheid toe en 't moest, muurvast! Hij

zag daar Paula en Anna, met de fijnste trekjes van hun wezen, beter dan

dichtebij met oogen, en den zwaai en 't keeren van armen en hoofd en

leden, duidelijker dan de doening en voeren van zijn eigene zuster die

heel zijn leven dagelijks onder zijne oogen liep. En 't pijnde hem dat

de bruine met haar fieren lippenplooi en prachtigen hals, en de blonde

met haar bollekaken en blauwe oogen zoo blijde, dat ze nu voort hunne

wegen gingen en loechen, in zijne afwezigheid en dat hij, Odo van den

Hoogen Doorn uit de verte, misschien niet heel hun gedacht en vulde. De

onzekerheid welken indruk hij op de eene en op de andere gemaakt had,

was zijne groote bezorgdheid. Hij werd gedreven om zich te laten zien,

om er tegen te gaan praten, om over 't hof te rijden op zijn zwarten

hengst, die vervaarlijk steigeren zou. Moed en kracht had hij er willen

bij te pas brengen om hen beiden te veroveren, te schaken of vast te

leggen als eigen bezit voor later. En André liep daar tusschen als een

ongelegene gast dien hij uit den weg weren moest. En hij voelde

priemende steken van drift telkens die tooverende meisjesoogen naar hem

lonkten. De bruine deed het met rappe weerlichten die ketsten als

vuurgensters, uitdagend en spottend,--als priemen waren 't die overal

doordrongen. De oogen der blonde streelden meer en keken weemoedig, om

dan ineens zot uit te proesten om haar eigen smachtend gelonk. Hij wist

dat ze hem aan 't betooveren waren, maar moest hen laten begaan omdat 't

hem zoo razend belustte. Niemand zou er toch iets van merken wat er in

hem gebeurde, en met een knip van zijn vinger was het allemaal dood als

hij 't wilde,... en 't had nooit bestaan! Want de sterk duidelijke

boerderije stond hier zoo ernstig, met den geest daarop van de stevige,

koppige Verschaeven die geen zotternije en duldden, en nu was hij bang

dat moeder iets van zijne gedachten zou raden en vermoeden wat er in hem

gebeurde. Hij sprong recht en met spijtigen nijd trachtte hij weer de

sobere kerel te zijn die 't gewoon dagelijksch werk moest gaan bewaken,

't Overige zou wel van zelfs uitslijten.

Hij draaide wat rond op zijne kloefen in de keuken en wandelde dan

buiten, naar 't land waar 't werkvolk den mest openvoerde. Als hij 't

daar ook moe werd, haalde hij zijn roer en ging kraaien schieten.

's Avonds bleef hij tegen zijne gewoonte, thuis en zat sprakeloos bij

den heerd.

's Anderen daags kwam André te peerde hem al lachend vragen: of hij

meêreed naar 't Meulenhout?

--'k Moet in de buurt een kalf gaan koopen bij eenen boer, 't is eene

gelegenheid om eens te gaan zien en wat plezier te maken bij onze twee

prachtmeiden!

Odo weigerde kort.

--Zoo zal ik maar uwen groet brengen aan de blonde!

--Kan mij niet schelen.

André's gezicht was hem nu onverdragelijk, hij had hem willen beletten

naar ginder te rijden en hij was in den grond jaloersch van zijn makkers

gezonde gerustheid. Hij zag hem wegrijden en van dan af werd hij

ongemakkelijk, zocht rond, keek langs de straat in de richting van 't

dorp, ging wat zitten op de haverkiste in den peerdenstal en trachtte

bij zichzelf de woorden te raden die André ginder zeggen zou. Dan gaf

hij toe aan den drang: hij zocht eene reden uit, verkleedde zich haastig

en deed den zadel opleggen. Hij hoopte de gejaagde onrust te verdrijven

met veel beweging en buitenlucht en wilde zijne eigene drift loslaten

omdat 't hier al zoo voos en 't zelfde winterdoof, zwijgzaam leven was,

met menschen die suffig hun werk deden, zoo gerust als ossen. Hij reed

al wat hij drijven kon langs eenen omweg achter 't dorp, om verder op de

straat te komen waar André voorbij was.

Na de eerste spanning kwam de kalmte van 't deemsterend ommeland op hem

werken en hij vond zijne doening flauw, jongensachtig; hij zag zich als

een hond die op den reuk uitzet en belachen en verjaagd wordt. Hij werd

beschaamd en op den stond wendde hij zijn peerd in eene zijstraat links

en reed langs een ander dorp weer naar huis. De doffe zon hing tegen

den einder toen en ging varings wegzinken; de dag eindde voor hem in

lange triestigheid omdat de verlangde zaak niet gebeurd was en morgen

weer niet zou gebeuren. Hij was kwaad op al dat hij zag en meest op zijn

eigene, ongedurige gejaagdheid. De peerden trokken stil de mestkarren

naar huis en 't land lag dood en toegedekt met den vallenden nacht.

Aan eene herberg herkende Odo het peerd van Vinie den kalverkoopman en

hij ging zoo seffens in beraad. Zijn voornemen was: naar 't Meulenhof te

gaan, niet als een verliefde schijtjongen, maar met een vaste reden, als

een onverschillige koopman die voor zaken een bezoek doet. Om dat

besluit te doorvoeren wilde hij Vinie spreken. Hij sprong af en bond

zijn peerd.

Aan eene tafel zat de kooiman met een grooten druppel genever en hij

koutte luide met den baas over zijnen handel. Zoo gauw groette hij met

eere den rijken boerenzoon en Odo zette zich bij om met hen te drinken.

Odo wachtte tot de koopman opstond en dan:

--We rijden samen?

--Met genoegen, jonge heer.

Vinie sprong op zijn manken schimmel en hij dreef hem nevens de

kostelijke merrie.

--Niet te druistig boer of 'k moet achterblijven.

Odo had anders geen lust hard te rijden.

--Kent gij 't Meulenhof? begon hij.

--Al de Meulenhoven van 't land! bofte Vinie. Boer Verkamer en zijn

schoone dochters?

Odo wist niet hoe zijn ontwerp uiteenzetten, en hij voorzag al dat de

geslepene fijnaard raadde waar hij zijn wilde.

--Is 't een schoon hof?

--Een schoon hof, een heerenhof! meende Vinie.

--Hij zit er warm in, Verkamer?

--Vast en warm, heere--en de koopman trok zijn voorhoofd in rimpels en

duwde de onderlip over de bovenste.

--En de dochters kent ge goed?

--O, plezierig volk, leutig maar prompt, kostelijke kermispeerden! flink

van pooten en hals geen beste prijsmerrie in 't land die zooveel

bezoekers krijgt als die meissens; maar ze zijn wat verleerd: z'hebben

knepen in 't lijf en wonen op hunne bovenkamer,--ze zouden een jonkman

doen dansen om hem dan uit te fluiten, meende Vinie.

--De meisjes kunnen dat al, merkte Odo, maar, Vinie, herbegon hij,

ineens gul uitsprekend, kunt ge me daar eens op 't hof brengen? ge zoudt

kunnen meêgaan als makelaar om 't een of 't ander te koopen?

--O, best! Verkamer heeft lijnzaad en tarwe zijne zolders vol, en

veulens ook wel,--ge geraakt daar anders best bij als peerdenliefhebber,

--hij heeft een prachtigen stal.

En Vinie vertelde voort van de doening en den peerdenkweek op 't

Meulenhof; hoe hij met veel boerenzoons daar was naartoe gegaan, maar ze

waren allen te dom,--geen aanleg,--te bot of te zot! zoo werd de rijkste

kerel van de streek geweigerd en nu vrijt de oudste met den jongen

burgemeester van een dorp ievers uit 't ronde.

--Maar dat gij wildet, vleide de koopman, ik verwed een peerd dat ik u

op drie maanden een dochter zal leveren!

--Maar 'k moet ze alle twee krijgen--om te kiezen, voegde de jonge

Verschaeve er lachend bij. Nu, ge brengt me met d'een of d'ander reden

daar op 't hof.

--'t Is aanveerd, we gaan den eersten keer naar den peerdenstal, 't

ander doet ge zelf als ge verstand hebt. Prachtig ras van meisjes zijn

t, rond geblokt en welgemaakt alleszins, en verstand, wat mijde in 't

begin, maar dat is er gauw af! en voor de zwaarte: nievers van beter! en

de koopman wreef inzichtig den duim over de vingers.

--Zondag na den noen? vroeg Odo.

--Best.

--Zoo tot Zondag!

De boer draaide zijn peerd de dreef in en Vinie reed langs 't dorp naar

huis.

--André hier niet geweest? vroeg Odo aan zijne zuster. Dat belangde hem

nu en in al zijn weerzin wilde hij den makker toch zien omdat hij,

bezeten door nieuwsgierigheid, alles weten wilde wat er ginder gebeurd

was. Na 't avondeten ging hij recht naar 't Berkenhof.

En André vertelde zonder achterdocht, hoe hij boer Verkamer langs den

weg, op 't land ontmoette, dat hij werd meegevraagd in huis.

--En daar hebben we samen leutig zitten praten en oogjes geknipt, en de

bruine was vriendelijk en de blonde nog vriendelijker, loech André, en

z' hebben gevraagd wat we meenden van onzen rit van Zondag en wanneer we

't zouden hergaan.

Odo gloeide van binnen maar hield zich uitwendig als verdroot hem die

zaak op 't einde, en als moeder Vermeulen binnenkwam met Ida, begonnen

zij over andere dingen te praten, heel den avond lijk gewoonte. Odo

bleef vriendelijk met het meisje en hij vond bij zichzelf een stonde de

oude gezelligheid weer.

Als hij vertrok deed André een stap uitgeleid en bij 't scheiden vroeg

de kerel lachend aan zijnen makker:

--Gaan we Zondag weer op bezoek?

Odo gaf hem geen bescheid en André keerde naar huis met 't gedacht dat

Odo gelijk had en dat 't tijd werd aan heel die zotte geschiedenis niet

meer te denken.

Odo integendeel wilde het niet vergeten, hij hield het alleen, diepe

voor zich; André moest daar verre van en uit blijven: daarom vertelde

hij niets van zijne afspraak met Vinie en zijn voornemen.

De wrok duurde en groeide van langs om heviger en hij bleef onder den

druk van dien plotsen minneslag, onkennelijk voor zichzelf. Hij wilde

het doordrijven en als hij de zake wel naging en er dieper in doordrong,

wist hij niet waar 't zou uitkomen. Aan zijne moeder en zuster sprak hij

er ook niet over. Hij werd weer vriendelijk uitwendig, om niemand te

verontrusten, maar van binnen grolde zijn trots: hij vroeg of er wel

iemand,--pastor of burgemeester--iets te raden of te zeggen had aan 't

geen de boer van den Hoogen Doorn wilde!? Om 't stoute en 't

raadselachtige van de onderneming zelf, beviel hem die nieuwe liefde en

hij grijnslachte er bij van genoegen omdat hij--de sterkste en rijkste

kerel van de streek, nu eene buitensporigheid ging doen en met één ruk

vernietigen al 't geen moeder en al de anderen zoo zachtjes meenden op

een lijntje te houden. Ida haatte hij om haar gedoezige zoetheid en heel

die afgesprokene handeling van jaren ver, scheen hem een lam, kwenig

kousekraam dat hij nu met zijn mannelijke voeten wilde in gruis stampen!

Dat bespookte zijnen kop heel de week lang, maar daarboven lag de kalmte

waarmede hij wachtte naar den Zondag daar hij handelen ging.

Hij trok naar de vroegmis morgens om André niet te ontmoeten en bleef

thuis tot 's noens.

Hij beval aan Jan den zwarten hengst te wrijven en met veel zorg de

hoeven te blinken. Hij bleef er zelf bij om te zien hoe alles gebeurde

en in orde was; dan ging hij zich met veel zorg aankleeden. Als Vinie na

den noen op 't hof kwam, vond hij Odo in zijn wintersche rijkleeren met

blinkende leerzen, ongeduldig staan spelen met zijne zweep.

--Ge komt op tijd, kerel! 'k ben gereed! riep hij al van ver. En hij

ging in stal zijn peerd uithalen.

De eendlijke, zwarte hengst stak den kop in de lucht en sprong met zwaar

gestamp, te vierklauwe in de dagklaarte en zoo gauw richtte hij zich op

de achterpooten, schudderde de lippen, brieschend om los, maar Odo duwde

den schouder tegen de felle borst van het hingstdier en hield met

forsche hand den toom gesloten. Hij dwong het felle beest met eenen ruk

van den arm, stil te blijven; hij bekeek het staal, met kwaden blik

zoodat de wilde oogappels van het peerd schichtig wegkeerden, 't legde

de ooren en 't achterlijf hukte om weer in vervaarlijken slag de pooten

uit te smijten boven den kop. Odo wilde zijne kracht laten zien en

weigerde hulpe van Jan en Vinie die dat bewonderend en bevreesd stonden

aan te zien.

--'t Is de eerste, keer van den winter dat hij uit stal komt, Vinie, we

zullen plezier hebben vandage! De achterhoeven sloegen herhaaldelijk,

kort lijk bliksem, hooge zoevend en vielen met doffen slag op den grond.

En Odo hield met oogen en handen het hingstdier in bedwang en hij

trappelde medegerukt door den zwaai van dat machtig lijf, maar

binstdien zocht hij naar een gunstigen stand; alsaan moest hij rond met

den eerselenden pootendans tot hij meteens: in één zwaai, met de hand

aan de manen, den teugel losliet hem terug ving in den sprong, en zonder

hulpe van stijgbeugels zat hij, eer 't iemand geraden had, bovenop, vast

in den zadel, zijne voeten hadden reeds stand gevonden als 't zwarte

gedrocht door 't verschot aangezet, weer 't lijf oprichtte, achterwaards

deinzend op twee pooten en zwaaide de twee voorklauwen in de lucht.

Vinie sprong toe maar Odo even kalm, liet zich voorover wegen en dwong

het peerd beneden. Het wendde den kop, speelde met de ooren en zocht met

de pooten een uitweg om van onder den dwang te geraken.

--'k Ben gereed, Vinie! loech de ruiter, preusch over zijne handigheid,

we kunnen rijden. Hij dwong met de knieën en neep het gebit zoo fel dat

het driftig ros stapvoets naar de poorte danste, nevens het tam

peerdeken van den koopman.

Ze praatten onder den weg van nieuws en van zaken. Vinie de makelaar,

met zijne losse tong, wist de toedracht te vertellen van al de hoven

waar hij voor zaken ten huize was. Odo beaamde dat met schaarsche

woorden. Zijne gedachten verlangden naar ginder op 't Meulenhof en zijn

makker en telde maar als een voorwensel voor 't bezoek.

--Als we er maar geen ander liefhebbers aantreffen is 't goed, merkte

Vinie.

--Dan kunnen we best zien hen een beentje te lichten.

De kerel was zoo overmoedig als zijn peerd en hij reed met stijven hals

en monkelde van uit zijne hoogte naar de menschen die beneden over den

grond gingen. De kerels en boerenknapen bezagen den vreemden ruiter die

zoo fier zijn jonge knevels wribbelde en ze keken hem na om te weten

waar hij wel mocht naartoe rijden.

Hij kwam op 't Meulenhof als een ridder uit oude tijden en met eene

kitteling van de sporen, deed hij zijn peerd geweldig steigeren.

Verkamer en de dochters kwamen ijlings buiten kijken en ze loechen

vriendelijk en voldaan naar de welgekomene bezoekers. Odo liet zijn

blinkend peerd bewonderen binst bij er nog op zat en keerde en wendde

het waar hij zijn wilde. Hij loech als Vinie met zijne boodschap voor

den dag kwam:

--Boer 'k brenge u hier een kerel die wenscht uwen stal te zien en een

veulen wil koopen als ge hebbelijk zijt.

Maar de boer en had geen oogen genoeg voor den zwarten hengst die

glimmend bleusde van 't loopen en zoo zwierig forsch met de pooten kapte

en hoog den kop droeg en den steert. Hij kwam nader er rond, altijd met

de handen in de broekzakken en keek zonder moe te worden. Hij opende

zelf den stal en hielp het prachtig peerd ontzadelen. Dan noodde hij de

bezoekers naar binnen.

--Twee boerenkerels zijn juiste vertrokken, merkte hij, 'k wilde hadden

zij uw peerd gezien.

Vinie zwaaide zijn mispelaren stok en begon zoo seffens zijn gewonen

klap over zaken, lijk hij overal gewend was te doen. Hij wond er veel

zotte spreuken tusschen en wist wat vleiends voor de dochters.

Anna en Paula waren even vriendelijk en leutig en Odo moest bekennen, nu

hij de twee nevenseen staan zag, dat hij om de dood, d'eene voor

d'andere niet kon verkiezen; hij bleef dol afgunstig van beiden.

Vinie hield den boer in druk gesprek en daarbinst waren de meisjes bij

den schoonen ruiter en onderhielden zich met halfluide woorden en

lachjes en oogenspel. Hij zag met genoegen dat ze hem om 't even

bewonderden; maar terwijl was hij zelf onder den toover van de lonkende

oogen, de schoone handen, de bleuzende kaken en kriekroode monden. Hij

dacht het niet noodig groote woorden te zoeken of verklaringen te doen,

ze verstonden hem alle twee zoo wel en hij liet zich maar wiegen in

wellust. Hij wist niet aan wie 't beste woord geven of hoe hij 't doen

zou en ze praatten opgewekt en vroegen naar thuis en naar moeder en

zuster, met dubbelzinnige lachedingen daartusschen.

--Nu gaan we binst dat 't nog klaar is en dag, naar den stal gaan zien,

meende Verkamer. Vinie was al gereed en Odo volgde. Als ze reeds op weg

en buiten waren, zag hij Anna alleen die met lichten voet over 't

messingstroo huppelde. Paula zou in huis blijven en voor eten zorgen,

zegde zij en daarom kwam ze nader bij Odo, toonde hem alles waarin hij

belang stelde, maar onderwijl praatten zij maar door en ze loechen

daarbij en keken elkaar telkens lang in de oogen.

In den grooten stal stonden de veertien peerden in twee reken te stampen

en te trekken 't hooi uit de rosteelen. De boer overging één voor één en

deed Vinie tasten en bewonderen; hij kroop onder hunnen balg en hief hen

de pooten op, al vertellend al hunne gaven en kostbaarheden.

Anna leidde Odo al den overkant en ze bleven huns getweeën en spraken

voor hun eigen van heel andere dingen. Ze waren nog altijd aan 't eerste

sliet bij eene gedaagde, baaide merrie in den halfdonkeren stalhoek en

z'en voelden d'een noch d'ander, haast om voort te wandelen. Anna

dreelde de gummende heupe van de merrie en Odo's oogen volgden de klare

vlek van de witte hand aan den ronden poezeligen arm die over en weer

ging. Dan begon hij te dreelen op dezelfde plaats en hij greep met zijne

andere hand heuren arm die naast hem neerhing en hield de woorden in

waaraan hij bezig was om het meisje in de oogen te kijken. Ze monkelde

en greep ook met hare vingers en duwde hem ferm den arm. Dan liet hij

haar los. Hun dingen was gezeid zonder dat ze een woord gesproken

hadden. Hare oogen keken hem vragend aan en in haren blijden blik las

hij hare instemming: eene belofte met niets meer te breken. Dat voldeed

hem en gerustgesteld als na 't afhandelen eener zake, gingen zij

gezamenlijk bij den boer en bij Vinie en spraken nu in 't gemeene van

peerden, Odo schafte verder niet meer bijzonder op het meisje.

Vandaar gingen zij naar den veulenstal. Odo liet hen binnengaan en

gebaarde nog iets te bezien buiten en zonder ommekijken draaide hij

achter den muur en ging recht naar de keuken. Hij vond er Paula alleen,

de bleuzende met heur bruin golvend haar. Hij trad op haar toe en met

een plotse stoutmoedigheid, zonder aarzelen:

--Ge zijt mij de schoonste boerendochter van de wereld! en 'k kom u

vragen of ge wilt komen boerinne zijn op den Hoogen Doorn?

Ze waren er zoo alleen, zoo stil in het keukenhuis en zoo vrij; eer hij

't goed wist was hij zoo dichte genaderd en zijn arm duwde 't meisje om

de leden en hij trok haar hoofd tegen zijnen schouder.

--'t Is de eerste keer van mijn leven dat ik een meisje in de armen

krijge, vezelde hij,--dat was zoo gemeend en zoo openhertig en waar

gezegd, dat de dochter, die zich eerst wilde losworstelen, nu gerust

bleef en hem verwonderd aanstaarde, zonder verweer of poging te doen om

los te geraken.

--En g'en gaat bij alle duivels uit mijne handen niet eer ge mij

belooft....

Zijne armen praamden en zijne oogen dwongen om antwoord. Hij zag alleen

heur hoogblozend gelaat en heur oogen die nere doken om niet te moeten

ja zeggen. Dan draaide zij het hoofd weg en achter het venster zagen zij

Anna die naar de deure toekwam. Met een blik van overeenkomst lieten zij

malkander los en stonden kalm en lachend te midden den vloer.

--z'En krijgen niet gedaan met de peerden! merkte Anna.

--Laat hen maar doen, we zijn hier goed met ons drieën, merkte de kerel.

Nu begonnen ze ongedwongen te kouten over de vele bezoekers op 't

Meulenhof en Odo zocht hen beiden evenzeer te plagen en te doen lachen.

Hij was zelve voldaan over zijne geestigheden en omdat alles best naar

zijnen zin uitviel. Door de vallende deemstering zag hij niets dan de

twee lachende wezens aanhoudend naar hem toe gekeerd en als Vinie met

Verkamer binnenkwam, wist Odo zichzelf niet te zeggen: welke van de twee

dochters hij eigenlijk gevrijd had.

Binst het avondeten duurde de gulle leute voort en ze bleven in druk

gesprek ondereen. Vinie zag wel dat 't onnoodig was nog van peerdenkoop

of van veulens te gewagen en hij vroeg met een oogknipje: of de zaken

klaar waren? dat 't tijd was naar huis te rijden.

--Ja, kerel, we gaan uitzetten, anders wordt het laat.

In den stal kreeg hij den boer alleen en trok hem bij de mouw en vroeg

onbeschroomd:

--Zeg, Verkamer, g'en zult uwe dochters niet uitleveren zonder mij 't

eerste woord te geven?

--Voor u, lijk voor een ander, loech de boer, de meissens loopen daar

vrij, kunt gij ze krijgen ge neemt ze meê!

--Goed, 'k kome u kortelings nieuws brengen.

Odo haalde zijnen hengst buiten en met lichten zwaai zat hij

scherrelings ten dorse.

--Moet ik ze allebei beschikbaar houden? vroeg Verkamer nog, opzettelijk

luide om door die dubbelzinnigheid den veekoopman te misleiden.

--Allebei! gebood hij met een krachtigen hoofdknik en de kerel sloeg de

sporen in 't peerd zijne lanken en deed het in vervaarlijken drift

opwaards schieten; wippend neer sloegen de achterhoeven en weer omhoog

klauwend in wreede smete. Odo wiegde meê in heusche zwenking als op een

gemakkelijke wippe en hij loech naar den boer.

--Kom, Vinie, we zijn weg, en houdend dat de teugels kraakten om zijn

peerd te bedwingen, wierp hij een handgroet naar de dochters die

nevenseen onder malkaars armen, 't spel van den schoonen ruiter stonden

na te zien. Hij merkte hoe ze hem beiden met 't zelfde inzicht om ter

vriendelijkst den groet weerjeunden. Vinie praatte zijne bewondering uit

over Verkamers peerden, maar Odo liet hem gaan, zijne gedachten bleven

in de boerenkeuken, en hij loech inwendig, nu 't een gedane zake was:

daar André en al de boeren -en burgemeesterszonen van heel de wereld,

buiten spel gezet waren en hij zelf, op een halven dag tijd, meester en

baas bleef en de twee prachtdeernen gewonnen had. Hij was tevreden over

zijn optreden en vond dat hij kort maar goed spel had gespeeld. Zijne

eigene woorden was hij aan 't overleggen en al de genoeglijkheid van den

avond en zijne oogen waren in de verte gericht daar de mane als een

versleten ding aan 't varen was in 't reine wintergeluchte. De weg was

onbedacht ingekort zoodat ze al door 't bosselken reden waar de wind

tusschen de ronkruttelende boomkes joeg en kwam bijten tegen 't wezen

van de ruiters. En zij wiebelden voort op den rug van hun slapdravende

peerden. Dan, meteen stronkelde Vinie's schimmel en viel met korten

slag, den kop stuikend op den grond en Vinie wat verder. En ter zelfder

tijd voelde Odo in 't verschot twee sterke handen die zijn been grepen

zoodat hij bijna uit den zadel keerde. Onderwijl zag hij eenen kerel

Vinie bespringen--maar daarbinst was hij 't verschot te boven en hij gaf

zijn eigenen aanvaller een striemenden slag met de rijzweep in 't

gezicht en zonder overleg, sloegen zijne hielen de sporen in 't peerd

dat wipte in grooten sprong vooruit en los uit de handen der aanvallers.

Daar hoorde hij Vinie kermen onder 't geweld van de slagen die hij

kreeg. De razernije welde toen in Odo op en hij kwam nu eerst tot

bezinning van 't geen er gebeurende was.

--'t Zijn jaloerschaards! jongens van 't dorp, die ons willen kwaad

uitgeleid doen!

In één wrong keerde hij zijn peerd, hij riep een duchtigen "Ho!" en was

al beneden. Hij greep en tastte en sloeg naar de zwarte mannen en zonder

zijn peerd los te laten, sleurde en gooide hij blindelings met de ééne

vrije hand, dat 't al scheurde en kraakte waar hij aankwam. In de hitte

van 't gevecht voelde hij iets schribbelen in den hals, maar gaf er in

de hitsige drift geen acht op en door de vliemende pijne stampte en

sloeg hij al woedender. z'Hadden hem ruggelings besprongen en nu hij

zich omsnapte om met slaande hand zijn kerel te betalen, waren ze al weg

en zijn razende gramschap moest hij uitvechten in de ijdele lucht. Vinie

kwam recht nevens zijn peerdeken dat hij ophielp.

--Ze zijn ontsnapt! riep Odo, ze zijn weg, verdoeme! en zijne gramte

wierp hij nu op Vinie omdat de aanranders er zoo goed van af waren.

--Waarom liet ge u slaan, laffe kerel?! Ge ligt daar op den grond als

een weerloos kalf en gij laat ze booten op uwen rug!

Vinie raasde binnensmonds en hield de handen aan de vermorzelde leden.

--Smerig boerenvolk! schold hij, met al hun vrouwengetrek, dat ze nog

wisten wien ze vermoorden! hadt gij er maar wat meer van gekregen! Wat

heb ik daarin te zien?

Odo stond te lachen met den armen kerel en toen eerst voelde hij die

vochtigheid en warmte in den hals en de hand waarmede hij tastte zag hij

klaar bloed. Hij grolde zijne woede uit en zijne onmacht.

--'k Ben gesteken! Als ik maar wist wie 't gedaan heeft! Maar weten zal

ik en de snotbek zal het bekoopen! Van den avond nog moeten ze 't

boeten, van den avond!

Hij tierde zijne woorden luide uit in de lucht en hij stampte op den

grond en snokte nijdig zijn peerd dat achteruit trappelde.

--Van den avond moet ik weten wie mij gesteken heeft. We zullen zien wie

er den boer van den Hoogen Doorn durft te keere gaan!

Hij vloekte, raasde en miek groot misbaar met de armen en snokte zijn

ongedurigen hengst.

Maar al dat gerucht bleef tusschen de boomkes weergalmen. De mane hing

daar wreed en onverschillig en de droge takken ruttelden bij trekken als

er de wind deure joeg. De sneeuwmijzel viel uit de kruinen.

Dat bleef lijden zonder dat er ievers entwat levends verroerde en

eindelijk zagen zij alle twee dat hier niets te verrichten viel. Odo

bond den zakdoek rond zijnen hals en hielp Vinie op zijn peerdeken. Ze

vonden dan de koorde waarover zij gestruikeld hadden en ze besloten

voorzichtig te rijden.

--We zullen ze pakken als we ze krijgen! gromde Vinie en hij hield 't

ander binnensmonds, woedend dat hij was om de slagen op zijn lijf en

dat hij betrokken werd in die domme historie waaraan hij geen schuld en

had.

--Die ezels, ze nemen mij nu nog voor een jongen vrijer! riep hij om

zijn spijt te luchten, doch inwendig blij aan 't gevaar ontsnapt te

zijn.

Maar Odo was niet te bedaren.

--Ik zal ze vinden, de rakkers! en hij neep de vuisten en zocht rond

achter de bane om iets te ontwaren waarop hij zijn gramte kon uitwerken.

Op 't dorp gingen ze al de herbergen af; ze dronken hun bier met haaste

uit en bekeken er de menschen die bij tafel of aan den disch zaten.

--En nu naar "den Hert" meende Odo, daar gaan we ons verschot afspoelen.

Zij sprongen af, en:

--Baas, bind ons peerden in de poorte en geef ons bier, beval hij kort.

Een bende boerenzoons waren aan 't kegelspel en André Van Marcke zat,

volgens gewoonte, in zijne eenigheid te rooken, met den elleboog geleund

op 't roedeijzer van de stoof.

Ze bekeken benieuwd Vinie die mankte en Odo Verschaeve, purper in 't

wezen, met schuim tusschen de lippen en al bloed aan den hals die

verbonden was.

Hij dronk zijn glas in één teug ledig en sloeg het te bersten tegen den

disch. Noch niemand had een woord gesproken, maar de spelers keken toe,

om te weten wat er gebeurd was. Toen zag Odo naar den hoek waar André

zat en op denzelfden stond sprong het los in hem als eene uitzinnige

woede: hij sloeg met de vuist op tafel dat de glazen rinkelden en 't

dreunde met zijn felste stem:

--Ezels zijt ge allemaal, vervaarde strooventen, zeekers van ver! ze

slaan ons dood langs den weg; maar we zullen zien wie er den boer van

den Doorn durft aanpakken! Wie er zal piepen? Wie heeft er met mij te

doen? met messen of zonder? Hij wond zijne woede op omdat zijne woorden

geen weerklank en vonden en de omstanders hem met vervaarde gezichten

aanstaarden, verpaft door dien plotsen uitval. Hij gooide den baas, die

hem wilde inhouden, tenden over den vloer en dat werd 't begin van den

aanval.

--En gij, trunterik, durft gij nu nog den mond roeren van 't Meulenhof?

ik verpletter u!

Hij sprong met gelokene vuisten naar André. Op dien eigensten stond wist

hij zijn doen uitzinnig; hij zocht naar tegenstand om zijne woede eene

reden te geven, maar 't bleef allemaal stil en zijne woorden kregen een

valschen klank door de herberg--maar omdat 't spel begonnen was wilde

hij voortdoen en dien kerel daar haatte hij en nu liever dan later,

moest er een gevecht van komen.

--Mijn meissens zijn 't! de mijne, en allebei, en steekt er de handen

aan, durft ge!

André zat bleek van 't verschot en nu nog maar seffens, raadde hij

waarop zijn dronken makker doelde, zonder alevenwel te weten wat er

gebeurd was. Hij wilde Odo sussen, trachtte hem te overhalen om samen

naar huis te gaan. Maar de andere brieschte al luider:

--De mijne alle twee! Zijne vuisten dreigden en hij greep naar al wat

onder zijne handen kwam. Hij wilde woorden vinden die kwetsten en tergen

zouden, om alzoo eenen kamper te vinden die zich tegen hem stellen zou.

--En uwe zuster, schreeuwde hij André in 't wezen, uwe zuster, ik lache

met uwe zuster, bindt ze bij 't werkvolk om te....

André's gelokene vuist zwaaide kort en viel den lasteraar in 't wezen,

zoodat de leelijkheid die hij ging uitbraken hem in de kele bleef.

Daarop ontstond eene schorming van armen en lijven; al de boeren schoten

toe, maar in één wenk lag Odo overmand ten gronde en met drie, vier

sleepten zij den dronken ruziemaker naar buiten. De deur sloot hem op

straat en daar zag hij de dorpelingen die te luisteren en te kijken

stonden. Hij werd beschaamd en voelde zich tegenover de nieuwsgierigen

weer de deftige, hooghartige boer. Statig ontbond hij zijn peerd en reed

weg. Al wat er woelde hield hij gesloten van binnen, hij verbeet zijne

gramschap tusschen de krakende tanden. Bij zichzelf was en bleef hij de

sterke overwinnaar die gedurfd had. Ze beefden allen rond hem en niemand

durfde komen zijne macht meten. Nog één ding nu moest er van zijn herte

en daar wilde hij vanavond ook mee effen komen, dan was alles klaar en

in orde: thuis ging hij bekend maken wat hij in den zin had!

Hij gaf zijn peerd aan Jan en kwam haastig naar de keuken waar het

licht nog gloeide achter de gordijnen door de vensters.

--Waar is moeder? vroeg hij.

--Naar bedde, Odo. Wat scheelt er? en Julie bekeek heur broer verschrikt

van zijn kwade oogen en opgewondene beweging. Wat scheelt er? moet gij

moeder hebben?

--Neen, 'k zal 't haar morgen zeggen.

Hij dook de wonde en 't bloed onder zijn overgeslagenen vestekraag en

trok, zonder zijne leerzen uit de trekken, naar boven.

De woede viel allengs en de trotsche tevredenheid was alles wat er over

bleef van 't geen gebeurd was. En als dat stormig tooneel weer voor zijn

gedacht gedanst kwam, stond de geweldige koppigheid vast om 't

voorgenomene des te zekerder uit te voeren. Hoe meer moeilijkheden hoe

liever. De twee prachtige meissens waren nu wat op den achtergrond, als

onverschillige bijzaak--meissens lijk veel andere die hem onverschillig

waren, maar 't voorwendsel en de oorzaak bleven zij van 't losgekomen

geweld dat in hem veel te lange geslapen had. Zijn eendlijk lijf en

zijne macht wilde hij lucht geven en iets doen dat verboden was: een

buitensporigheid, waarmede hij zich uitgeven zou als de zoon van zijn

vader, boer op den Hoogen Doorn! Zijn eigene dwaasheid wilde hij niet

inzien: hij wilde enkel die dwaasheid! Tegen de pijne van moeder en heur

gejank moest hij op voorbaat harden, want daar moest hij over heen.

Niets en kende hij nog van den vriendelijken omgang met zijnen makker en

de minninge met diens zuster, dat moest allemaal kapot. Hij stond

alleen, sterk in zijn voornemen en door 't donkere van zijn kamer,

herkende hij zichzelf in den ouden boer, vader Verschaeve en deze knikte

met straffen hals en de lippen gesloten, goedkeurend om 't geen zijn

zoon doende was.

Hij lag lange wakker nog en hij zag beeldelijk over de werf d'eene of

d'andere deerne van 't Meulenhof als boerinne op den Hoogen Doorn

rondloopen, terwijl hij zelf de plannen miek voor den bouw en bevelen

gaf aan veel werkvolk--bezig aan 't optrekken van een nieuwen stal, eene

groote schaapskooi, en een splinternieuw woonhuis. Want al het geld lag

te grijpen en hij wilde van den Hoogen Doorn iets maken wat het

voortijds eens was: een overgroot kasteel, omsloten door wallen, met

kudden hoornvee en peerden ontelbaar, en hij de eenige meester daarover,

de sterkste boer van de streek, met de schoonste vrouw van 't land en

veel volk onder zijn gebied en veel boeren die hij haten en teisteren

zou.

Hij voelde en voorzag reeds al de deugd, als zijn voornemen zou stooten

tegen pastor en burgemeester, als de oorlog zou beginnen.

Dan vroeg hij zichzelf: wat die twee boerendochters, Anna en Paula van

hem zouden denken, eens dat ze aan elkaar zouden vertellen 't geen hij

hun had wijs gemaakt!? Verder overlegde hij: hoe het aan te leggen om

hen alle twee te nemen, of tenminste te beletten dat de tweede in

iemands bezit kwam.

Moeder Verschaeve wist maar 's anderen daags dat de vrede tusschen den

Hoogen Doorn en Berkenhof, de verzoening die ze van Verschaeve met

Vermeulen op hun sterfbedde bekomen had, dat 't werk van heel heur

leven, vernietigd was. De oude haat bleek eene noodzaak die, met zooveel

zorg gedempt, na zooveel jaren onvoorziens weer uitschoot en sterker dan

ooit, voorgoed zoo herbeginnen.

Dagen · 第 9 / 9 题