SINT-JOSEF

Voor den eersten keer van al den tijd dat ze huishielden en jongens

kweekten, hadden Ivo en Dille vandage niet genoenmaald.

Vroeger--en bijna elken winter--hadden zij nog wel kort gezeten; Dille

had de jongens meer dan eens met wat potfoefeling van gevonden kost

gepaaid, maar onvoorziens was er dan van ievers hulpe gekomen en

beternis in den nood.

Nu was er niets: ze hadden aan tafel niet gezeten; gister hadden ze 't

laatste stuk brood gedeeld, en Ivo vond maar geen werk en vuurmaaksel

was er ook niet. En dat noenuur was zoo benauwelijk voorbijgegaan: waar

ze anders luidruchtig met de vorken wrochten, hadden ze nu op malkaar

zitten kijken en de jongens hadden geweend.

Ze waren zonder eten naar school!

Dille kon de vreeselijke nieuwigheid van dat gedacht niet verdrijven,

heur handen lagen lam in haren schoot en de kous waaraan ze wrocht was

op den grond gevallen. Heur eigenen honger voelde zij niet, 't was eene

eindelooze weemoedigheid, eene onlust die drukte en te ziene stond op de

vuile muren, op de doode stoof en de manke stoelen. "Geen eten!" 't

Schreeuwde luide overal rond waar ze de oogen wendde en van dezen keer

was 't zonder eenige hoop op beternis. 't Verdriet stropte heur keel vol

omdat ze met alle inspanning niet vinden kon 't geen er zoo doodnoodig

was of waar het te zoeken: eten voor de jongens.

En als 't weerom en nog eens al rondgedraaid was en heroverdacht en dat

't altijd verneenend of onmeedoogend grijnspotte waar ze de zinnen

wendde om hulpe of uitkomst,--dan keerde het lamme, krieperige wee in

onverduldigheid, in spannenden opstand, angst die uitbrak in wanhopige

kwaadheid, woede om 't gevoel dat praamde: te moeten, te moeten eten! en

dat de jongens weer huilend zouden van school naar huis keeren. Ze vond

het nu zonde hier stil op malkaar te zitten kijken en zonder reppen dood

te vallen, verhongerd. Daar woonden toch menschen in de straat en met

brood reden de bakkers gedurig vóór de deur, dat 't een verdommelijke

schande was om zien.

Dan sprong zij recht in opgewondenheid, al wist ze nog niet waarop heur

korzelige gramte uitwerken; ze stootte de deur van de zijkamer open, ze

spande de vuisten op de heupen en stond vóór 't bed in de kamer waar

heuren vent lang lag uitgestrekt.

--Ivo, riep ze, Ivo!

Hij hoorde het wel, maar wat voordeel? Hij lag en bleef liggen op het

uivallig ledikant, slapeloos op den rug en zijne oogen waren open, en

zijn hoofd lag achterover in de handen.

--Ivo, wat den duivel, gaat ge de jongens alzoo zienling laten

doodvallen van honger, en daar liggen, gij luie leegganger?!

Ivo had in de eerste verwondering, om die plotse furte het hoofd gewend

in 't gedacht dat zijn wijf hem wat nieuws kwam schreeuwen: dat er werk

gevonden was of eene boodschap te doen,--als hij hoorde heur zotten

uitval, keerde hij de oogen weer naar boven en roerde geen spier.

--Gij groote, lange, luie lummel! zijt ge niet beschaamd, 'k zou liever

mijne vingers afeten.

--Zwijg, wijf, zwijg, wederzei hij kalm weg, de gebuurs gaan 't weer

hooren en....

--Dat zij 't verdomd hooren! heel de wereld moest 't hooren! dan zoudt

ge daar in uw nest niet liggen rotten bij schoonen klaren dag, als de

jongens zonder eten naar schole zijn.

--Hm, 'k heb het àl afgeloopen. Dat verdroot Ivo,--wat moest ik gaan

doen? en zonder schoenen aan mijne voeten en mijn broek is ook kapot.

--Ja, zoek maar uitvluchtsels--wat gij moet doen? werk zoeken of meent

ge dat ze 't u gaan brengen waar ge ligt?! Zeg het aan Wimpel, den

smeerlap, die u afdankte, dat hij de smouters, de dronkaards uit zijnen

winkel schoppe, en u werk geve, zeg hem dat we creveeren van honger.

--Hm, Ivo vertrok de schouders, zotteklap, mompelde hij. En dat bracht

Dille tot het uiterste.

--Roep het langs de straten, tierde zij, zeg dat we zonder eten zitten;

ga, raap de kolen op die van de karren rollen; vraag aan de heeren hun

pakken te dragen, help steken aan de vrachtwagens, steel het, verdoemd,

als 't niet te pakken en valt! maar ge zijt te grootsch, gij

mannemensch, dat 't pinten-drinken ware, dat 't stoffen ware met uwe

macht, dat wel ... maar gij zijt te lui, te laf, te groote nietweerd,

te verdommelijke trunterd!

Ivo voorzag dat het niet eindigen ging en dat hij nu beter buiten was

in de koude dan hier in bedde. Hij stond op, trok de pet diep over de

ooren, stak de handen in de bodemlooze vestezakken en de voordeur voelde

hij tegen de hielen slaan zonder dat hij dorst ommekijken.

--En zie dat ge den voet in huis niet zet met leege handen! hoorde hij

nog roepen.

Hij liep op goed geluk, de strate langs en was blij van weg te zijn,

al beet de koude wind door de vele gaten van zijne versletene kleeren.

Met koortsigen ijver hervatte Dille het werk aan de oude kousen. Zoo was

het toch beter, de angst bleef er wel en de hoop was klein, maar kans

was er altijd dat haren man iets zou vinden en 't een of 't ander naar

huis brengen.

--Al moest hij het stelen! 't Waren toch ook zijn jongens, en liever dan

ze te zien wentelen van honger.

--Hoelang zouden we 't wel uithouden zonder eten? Wij menschen dat is 't

minste, ze betrouwde en twijfelde geen zier aan heur eigen sterkte; ze

zou alles uitzien, daaraan dacht ze niet--maar de jongens, heere-God, ze

zagen zoo bleek, zoo drukkelijk, en ze zien krullen en krimpen, en dat

akelig huilen,--dat men ze toch den bek kon toehouden--maar 't scheurt

de ooren, als ze zoo alle vijf om eten schreeuwen.

--Dat ik ze kon in slaap krijgen, vanavond, met een slaapdrankje!

En opgesmeten als door den druk van een losgesprongene veer, wipte ze

recht, ze ging en doorzocht en keerde nog eens de zakken uit van al

de kleeding die in huis was--misschien was er een stuiver ievers

vergeten--ze trok de lade open, doorzocht het naaikussen, legde zich

plat op den grond en keek onder 't bed, onder de kast--er kon vroeger

een halffranksken onder gerold zijn.... Maar ze vond heur doen

belachelijk--zot was het te gelooven dat er verloren geld achter den

grond zou liggen als 't altijd zoo wel geteld en zoo nauwe verteerd

was--ze keerde naar heuren stoel en zuchtte.

In heur wanhoop besloot ze nu hulpe te zoeken, gelijk waar--ze overging

in gedachten al de huizen in de straat, Gusten, heur schoonbroer, en

Slina haar zuster--maar hoe ver ze reisde, ze voorzag wat ze krijgen

zou: spotredens eerst en scheldwoorden later, die menschen waren niet

weeldiger dan zij zelf en geven kenden zij niet.

Buiten liepen de dronken lotelingen in drieste benden zingend over

straat; het trekorgel schreeuwde en ze brulden woest hun vreugde of

spijtigheid uit met schorre keel.

Dille en hoorde het niet. Heur gedachten draaiden al zotter, 't was

wakker droomen dat ze deed en werken, om onmogelijk zotte dingen een

verstandelijken kant te geven en waarheid te maken van 't geen ze

beeldelijk wenschte; dacht ze niet dat de bakker heur een brood bracht,

't geen hij al twee dagen weigerde te geven als er geen geld bij

lag!--dat er plots entwie binnen kwam met een zak kolen; dat Wimpel naar

Ivo kwam vragen; dat de briefdrager een brief bracht en als ze hem

opendeed dat er bankbriefjes uitvielen! veel andere dingen meer, maar ze

schrikte plots en kreeg een slag in 't herte--de schooljongens gingen

gearmd over straat al zingend:

De troep is goed

Hij 'n kan niet beter wezen

De troep is goed

Hij 'n kan niet beter zijn!

Albij den troep

We leven zonder werken

Albij den troep

't Is altijd vleesch en soep!

Ze hadden een groot telteeken op de muts gevest en kleurige linten

wapperden achter hun hoofd. De school was gedaan en ze gingen

huizewaards en aapten de echte lotelingen na die ze binst den dag

zottigheid hadden zien bedrijven.

--God! 't was al zoo laai! ze zouden zoo gauw binnenkomen en daar was

nog altijd niets. Dille trappelde rond, keek scheef uit naar 't venster

en knarsetandde van woede, van ongeduld in heur hulpeloosheid.

En dan ging de voordeur open, 't was Frielde 't gebuurwijf, ze loech

welgezind en ze haalde van onder den voorschoot een blikken pintje en

zette 't op tafel.

--Dille, onze Miel heeft een goed nummer getrokken! menschen-God is dat

een dingen, is dat een dingen! 'k Sterve van blijdschap! 'k heb gebeefd

heel den dag, maar nu peins ik eerst op u, Dille, ge moet meevieren ent

ook uw deel hebben, hier, drink dat uit, hier ze, 't is beste genever;

maar 'k moete naar huis, is dat een dingen, t' onzent: er zijn wel

vijftig menschen en ze dansen dat 't kot dreunt! en Dille, ze hebben mij

doen drinken, mijn hoofd draait er van, Dille, dat is een dingen: mijn

oudste jongen die nu vrij is van de soldaten, een beeld van een jongen,

ge kent hem,--en dat hij nu vrij is! Ze sloeg op heur bil en wakelde

naar buiten. Tegen dat Dille een woord ging uitbrengen en verstout was

om iets te vragen, was Frielde de deur uit en weg.

Ze was opgeschrikt in de valsche hoop, en stond verslegen nog van

ontroering: op den slag had zij gemeend dat 't in der daad de bakker was

met brood of de brief drager met geld, of....

In een onbedachte beweging greep Dille naar 't pintje en dronk in een

zwaai de genever uit, om de ontroering neer te spoelen.

--Dat zal mij beteren, meende zij.

En waarlijk, 't deed deugd, 't warmde heur lijf inwendig waar 't vocht

voorbij liep en na eene stonde klaarden heur gedachten, ze was zoo

verlegen en angstig niet meer om wat er komen zou: die "later" was in

eenen nevel gedoken en, daar waren bij haar weten, nog geen menschen in

hun huis doodgevonden of vergaan van honger, er moest dus enthoe hulpe

komen?! En, hoe grooter nood hoe nader de beternis, na de grootste

armoede keerden de dingen dikwijls beter dan ooit....

Ja, ze waren daar, Dille hoorde 't getrappel en ze zag hoe ze opkeken

naar 't venster, verlangend.

Hunne oogen waren rood gekreten, hunne handjes en wezens waren blauw van

de koude en ze kwamen uit gewoonte, warmte zoeken rond de stoof waar er

van heel den dag nog geen vuur en was. Ze keken naar moeder en zoetjes

eerst, begonnen zij te weenen, ingehouden.

--Moeder, honger, geef ons eten, kermden zij, g'hebt het beloofd,

moeder.

En als moeder ook heur voorschoot aan de oogen hield, lieten zij 't

luide los, ze barstten uit met geweld en huilden.

Ze stonden alle vijf, rond moeder, schamel in hun gescheurde en verlapte

kleeren, de haartressen wild onder de muts en uit hunne natte oogen keek

de meewarige, drukkelijke angst. Het kleinste meisje hield de handjes

aan den buik en wrong haar lijveken van pijn en ze schreeuwden allen om

ter luidst.

--Moeder, moeder, moeder!

Ze trokken aan heur armen, aan haren rok en riepen altijd:

--Moeder, moeder! mijn buikske, moeder.

--Mij eerst, moeder, Gustje heeft een halven boterham gekregen van den

mulder en Marietje twee aardappels.

--Zwijgt of 'k worde zot!'riep Dille tenden raad. Ze schokte ineens heur

lijden weg en raasde van ongeduld.

--Zwijgt! wacht en zwijgt, 'k en heb geen eten; heb ik zelf geëten in

drie dagen?! wacht en zwijgt--ge zult eten krijgen!

Ze zegde dat en ze meende 't ook, doch waar ze't halen zou en vroeg of

wist ze niet. Inwendig gloeide een deugddoende warmte in haar lijf.

Heur moed was gekomen zonder dat ze wist van waar en eene stoutigheid en

vaste zekerte zonder oorzaak, 't Was 't toppunt nu, het hoogste en nu

moesten de dingen keeren, gelijk hoe, dat was heur zekere overtuiging.

Zij voelde een plechtigheid door die hoogte die de wanhoop verdreef en

't uiterste moest nu gedaan worden. Ze nam de handjes van een der

knechtjes in de hare en 't waren als ijsbrokjes.

--g'Hebt koud, mijn dutske.

Ze keek rond.

--Ja, we gaan vuur maken en warmen, en als ge zwijgt ge zult eten

krijgen, maar zwijgen, ze zouden buiten gaan denken dat ge hier vermoord

wordt.

Ze nam het kapmes en kloof de zoutlade, 't naaibakje;--'t was haar een

troost dat ze die uiterste dingen te vernielen nog over had. De houtene

lepels, de tafellade, 't vloog al aan splenters. Ze ontstak en vulde de

stoof met de kapperlingen en de vlamme spokkerde dat 't ijzer al gauw

rood stond en 't ronkte door de versleten stoofbuis. De jongens kropen

er rond, wreven de handen en monkelden door hunne tranen.

Er was plots als een ophemmende beternis, de warme lucht in huis bracht

nieuwen levenslust en ze genoten er van in stilte. Al de oogen draaiden

mede waar moeder ging. Ze stond te wachten naar entwat--Ivo kwam niet

terug--en dan schoot het haar plots te binnen,--'t was als een slag die

inval--de menschelijke hulp was verder dan ooit--'t wonder moest van

elders komen, en de nood was nu zoo geweldig dat 't zonder bovenaardsche

hulp niet meer te beteren was.

--Lezen, jongens, lezen! riep zij. Allemaal op de knieën hier rond mij,

hier op de knieën.

Ze nam het ouderwetsch, steenen beeldeken van de kaafbank en hield het

in beide handen gesloten. Ze deed teeken met de ellebogen dat de jongens

moesten nader komen.

--Al in ronde, en de handjes samen en hier naar Sint-Josef kijken, en

nazeggen wat ik zeg, schoon.

Al de oogen waren op moeders beeldeken gericht en zij zelf en keek er

niet van weg; al de handjes staken gevouwen uit in smeekende houding.

Zij begon met luide stem en snakkende woorden:

--Sint-Josef, ge moet ons helpen!

Ze wachtte en de vijf kinderstemmekes herhaalden, op zachteren toon:

--Sint-Josef, ge moet ons helpen!

--'k Kenne maar U alleen!

--Van d'ander Heiligen houde ik niet!

--Gij alleene zijt getrouwd geweest en weet wat het is jongens te

kweeken en armoede te lijden!

Effenaan, elke reek haalden de jongens heur af en herzegden moeders

woorden met eenbaarlijk smeekende stem. Geen hand en verroerde, geen oog

en verpinkte.

--w'Hebben honger, Sint-Josef!

--Grooten honger.

--En ge moet vader werk geven, dat we eten krijgen en vuurmaaksel.

--En als ge ons dat geeft zullen wij u bedanken op de bloote knieën en

voor u een groote keerse branden.

--Ge moogt ons niet laten sterven van honger!

--Ge moogt ons niet laten sterven van honger!

Dille zocht en als zij niets meer te zeggen vond, begon zij:

--Onze vader die in de hemelen zijt.

--Die in de hemelen zijt.

--Geheiligd zij uw naam.

--Ons toekome uw rijk.

--Uw wil geschiede op aarde als in den hemel.

--Geef ons heden ons dagelijksch brood.

--Geef ons heden ons dagelijksch brood.

--Nog ne keer, en luide, allemaal:

--Geef ons heden ons dagelijksch brood.

Zij herhaalde dat vijf keeren en herbegon nog vijftien keeren het

onze-Vader en 't weesgegroet.

Heur armen werden niet moe van 't beeldeken uit te steken en de kinders

ook durfden niet lossen en bleven met gevouwene handen reiken en

starling het beeldeken bezien dat als de wonderdoener, de Heilige Josef

zelf, in moeders handen stak.

't Was in middelertijd donker geworden en z'en zagen malkander maar bij

de klaarte die door de kloven van de brandende stoof uitschong. Buiten

gingen altijd benden dronken lotelingen voorbij al tierend. Ivo kwam

thuis. Hij zag zijn wijf en de jongens in kring op den vloer bij die

deemstering; hij nam de muts af en en kroop stil achter de deur in bed.

Dille bezag hem.

--Sint-Josef, nu kunnen we u geen keerse branden, w'en hebben geen geld

maar morgen koopen wij ze.

Daarmede was 't uit. De jongens zochten rond met de oogen waar of 't

brood nu ievers door de kave gevallen was en 't geld, daaraf moeder met

zulk eene zekerheid gewaagde. Maar:

--Nu allemaal naar bed, g' hebt nu warm--en zonder kriepen, dat ik

niemend en hoore! Die durft piepen moet morgen weer zonder eten

optrekken!

Stil, tegeneen gedrumd, verlegen en beangst voor moeders geheimzinnige

belofte en bedreiging, kropen zij in den grooten bak op de strooien

bedding. Dille dekte de jongens lekker toe met oude kleeren, met een

ouden mantel, die ze van haar eigen bedde nam en met de gordijnen die

aan 't venster hingen.

Geen een die roerde.

Dille zocht ook haar ruste en als ze wat gelegen had, voelde zij de

warmte uit haar lijf vergaan en medeen verloor zij ook àl haren moed en

betrouwen en de nuchterheid kwam in haar ijle hoofd en de pijn in haar

ingewand. z'En geloofde niet meer aan 't geen ze daareven zelf nog zoo

vast beloofd had en zij verzonk in gedachten die donkerder waren dan de

kamer rond haar en z'en kende 't einde niet van de gruwelijke wanhoop.

Ze weende, weende stil ingehouden, heur snikken pramend door den

gesloten krop. Ivo mocht het hooren maar de jongens mochten niet weten

dat ze flauw viel en begaf in heur sterk geloof.

--Morgenuchtend is er brood, herhaalde zij gedurig om zichzelf te

overtuigen, maar ze had altijd geern geweten hoe het er komen zou. Ze

leed mede de pijn van haar jongens, de narigheid en de flauwte van hun

ijdele maag en de krampe van hun buik. Dat belette haar te slapen. Tegen

Ivo wilde zij nu geen woord spreken. Ze wachtte alzoo heel den nacht met

ontroerd gemoed, tusschen hoop en vrees, lang, lang naar den morgen. Als

de dag schaarsch begon, eer 't nog vol klaar was, verlangde Dille reeds

op te staan, en de jongens ook waren al gewekt door den grooten honger.

*t Was weerom koud in huis maar er hing entwat in de lucht: 't

overblijfsel van die sterke hoop op uitkomst waarmede ze gister gaan

slapen waren en dat miek den uchtend anders en buiten de gewone

verdrietigheid van koude en gebrek.

De jongens roerden stille zonder spreken. In de schemering overal was

't zoo plechtig als een Sinter-Klaasdag als ze hun pander met dingen uit

den hemel moesten gaan vinden. Ze zochten sjerpen en kloefen en muts,

en stonden te wachten zonder te durven vragen of zeggen wat er hun

scheelde, met den krijsch gereed op de lippen.

Dille was nog bij 't bedde en in de uchtend-stilte begon zij al luide:

--Ivo, toe, kom er maar uit, 't is 's nuchtens best om iets te betrapen

buiten, de eerste aankomers zijn eerst besteld. Ge moet naar den

brouwer, en naar Fleters aan 't fabriek; en aan de wasscherij en aan de

werf, daar kan een scheep te lossen liggen.

Ivo kroop er uit en zoo gauw was hij buiten, zonder een woord te

spreken.

--Lezen eerst, jongens, allen op de knieën.

De jongens knielden neer en baden stil met de handjes gevouwen.

Dille stond zonder te weten wat aanvangen; ze keek nog buiten in 't

grauw, donker steegje en dan hing ze weer de gordijnen aan 't venster

die als deksel op het bedde dienst gedaan hadden.

--Kom hier nu, gasten! Gij Marietje naar Maarten den bakker en vraag een

brood en zeg dat moeder 't morgen zal komen betalen, schoone beleefd

vragen, kind.--Gij, Zulma, hier met dat zakje naar den winkel op den

hoek om aardappels. En gij, Oskar, en Fideel neemt Gustje mede en raapt

de branders uit den aschhoop aan de poorte van Vanneste's stokerij, maar

uit het koolkot niet te stelen, hoor!

Ze vertrokken zonder spreken. Hun kloefkes klopten op 't plankier.

Dille, als ze alleen was, nam weer 't kapmes en kloof een slechten stoel

en legde de splinters op de stoofbuis. Dan bleef ze boutstil met de

handen onder den voorschoot, staan wachten, 't Beeldeken stond nog op de

kaafbank, roerloos, steenstil en dood, 't was als een zotje in

gedwongene ingetogenheid, met neerhangend hoofd en gedweeë, gelokene

oogen, maar er hing eene lucht van wonderheid en gedokene macht rond die

simpele nietigheid. Dille kon er de oogen niet van keeren, ze geloofde

nog altijd, maar bidden deed ze niet meer; heur gemoed was droog en hard

en heur zinnen liet ze vrij aan 't noodlot over. Ze luisterde naar al de

geruchten op straat en ze telde of raadde met een flauw besef, de kansen

die lukken konden, heel gelaten wachtend naar 't geen de jongens haar

brengen zouden. Hopen durfde zij niet, maar de vrees en de angst waren

weg ook; ze voelde alleen de rauwe pijn van de maag en de ruischingen in

den kop die haar deden wakelen op de beenen. Ze ging leunen tegen den

muur. De ijzige koude en de rilling overvielen haar lijf en de

vermoeienis drukte haar nu van dien slapeloozen nacht

Marietje kwam eerst naar huis en het weende.

--Moeder, hij zegt dat ge zelf om het brood moet gaan, en 't ander eerst

betalen.

Die slag joeg haar lamme lusteloosheid weer tot woede op.

--Die smeerlap! De vrek, gaat verhongeren om des wille van een

broodje!--'k wil dat hij in zijn leven....

De deur vloog open en de knechtjes kwamen binnen geloopen met Zulma.

--Moeder, moeder, kijk, 'k heb een schoonen cent gevonden!

En Oskar hield zijn blinkend geldstuk uitgestoken. Dille had hem met den

eersten greep bij den pols zoodat de cent in hare hand viel en als ze

wel gekeken had:

--'t Is 'ne frank, 't is sakkerdomme 'ne frank! waar hebt ge dat

gehaald? waar de verdomme, zeg het mij! en ze schudde den jongen bij de

schouders.

--Gestolen, newaar, deugniet!

--Neen, moeder, gevonden! riep de jongen die 't heel anders verwacht

had; hij keek rond in 't wezen van de broers om hunne

getuigenis--gevonden aan den aschhoop.

--Gevonden aan den aschhoop, gevonden, moeder, herhaalden zij.

--En lieg niet, sloeber, of 'k vermoord u!

En nu vertelden zij al dooreen, hoe 't gebeurd was, wie hem 't eerst zag

liggen blinken, en wie hem opraapte en dat er niemand bij of omtrent was

om te vragen....

De deur was ongemerkt opengegaan en daar stond een wijf.

--Ewel, Dille, gaat ge meê? vroeg ze.

't Was Anzela en ze had een baalzak onder den arm.

--Wat, naar waar?

--Dat is nu wel, vervolgt ge de dagen niet meer? Dille,--of deelt ge

niet meer meê aan de armkamer? 't Is verjaardienst vandage met dubbelen

brooddeel, voor Schafels, hoort ge de klokken niet?

--Jezus Maria--menschen! Anzela! dat was mijn ziele, uit mijn gedacht!

wijf, kom, gauw, 'k zat waarachtig zonder eten, jong, gauw,--jongens

houdt u koes, 'k ben seffens weer, riep ze nog aleer de deur toe te

trekken.

--Mensch, mensch dat was leelijk uit mijnen kop gerocht, vergeten van

zuivere mezerie!

Aan de armkamer stonden de wijven in grooten drom vóór de poort te

wachten. En na den kerkedienst kregen zij elk drie brooden.

Dille en genaakte geen grond, ze liep onderweg in eenen winkel, ze

tastte of de wondere frank wel zuivere munte gebleven was in hare hand

en dan kocht ze een kwartje smout en verder in een anderen winkel, liep

ze weer binnen om een groote keers. En geladen draafde zij naar huis.

Heur berekening was gemaakt en heur voornemen. De jongens wachtten op

den drempel.

Zij veurde groote sneden van 't brood en smeerde er smout op.

--Ge zult allen besteld worden, niet te vechten, ge krijgt vandage den

buik vol. En vader nog niet thuis?! 't zit goed, hij zal iets gevonden

hebben!--God van den hemel!'t was ineens weer de gouden tijd geworden!

--Jongens, jongens! eet maar! ze loech, ze weende, 't geld van den

gewisselden frank rinkelde in haren schortezak bij elke snede die van 't

brood viel en wat was het een lust de jongens te zien bijten! Dan vond

ze de keers.

--Lezen, eerst en vooral lezen, op de bloote knieën! zie-je wel

Sint-Josef is er tusschen gekomen.

Ze ontstak de keers en plantte ze vast op 't schouwberd in 't vet dat ze

er liet afdruppelen. En ze viel nevens de jongens neer en ze robbelde

ook hare rokken op om met bloote knieën de belofte te volbrengen.

Ze reikten allen de handen naar 't verlichte beeldeken en zoo begon zij:

--Sint-Josef, Heilige man, gij hebt ons geholpen!

--Sint-Josef, Heilige man, gij hebt ons geholpen! herhaalden de jongens

met den mond vol brood en ze beeten een nieuwen greep en eer 't

verzwolgen was en met hun brood opgesteken, herhaalden zij:

--w'En zullen u van 's leven niet vergeten!

--We bedanken u voor 't groot mirakel!

--'t Groot mirakel!

--'k Wist het wel dat ge onze mezerie kendet!

--En ons zoudt helpen!

--Alle dagen nu--'t is vast--lezen we een groot gebed voor u, op ons

bloote knieën.

--Als ge nu wat werk geeft aan vader, geraken wij door den kwaden

winter, gewonnen; geef het hem, wij vragen 't u schoone, Heilige man!

--Onze Vader die in de hemelen zijt!

En ze lazen woord voor woord, halen en herhalen, hunne vijftien

onze-Vaders en wees-gegroeten ter eere van Sint-Josef, in dankzegging.

* * * * *

Dagen · 第 7 / 9 题