Als de noenestond stil was uitgeslapen, keerde Jan door den gloeienden
midzomerdag gaan werken op 't land. En de jonge vrouw bleef alleen met
heur twee jongens koele in 't huizeke.
Den langen achtermiddag zou de zon weer over 't veld hangen, hooge en
branden op de vruchten.
't Was tijd nu om te werken; zij weerde den goeden vaak van daareven en
rekte om de lamheid te ontdoen die met de drukkende warmte haar in de
leden woog. Zoo stond ze, plat barvoets op den steenen vloer in de
kleine woonkamer en bleef wat kijken nog door 't open venster daar de
bloemen warm bloeiden. Op 't uurwerk lag voor haar 't gebod van
voortdoen; zij geeuwde en kwam eerst nog bij de wiege kijken waar de
kleine jongens te slapen lagen. Zoo schoone, zoo poezelig vet lijk
mollekes gezond te slapen nevenseen. Hunne armkes lagen nog geplooid
naar 't spel, voor den vaak ze kwam vastleggen en de vingerkes waren
geloken tot kleine vuistjes. Zij dubde om die handjes te grijpen en te
kussen nog nen keer terwijl ze alleene was, maar nu wilde zij hen niet
wekken: zacht laten slapen, en kijken, kijken alleen, met de oogen
streelen. Zoo schoon, zoo kriekeblozend rond gewangd was haar schat!
Daar lag nog den monkel op 't eene zijne lippen en de putjes waren nog
in zijne kaken. 't Andere lag met een ernstigen trek om den mond, als
een oud manneken in gedachten verslonden. Moeder stond en keek en ze
glimlachte.
--Toe 'k moete voortdoen, dwong heur gedacht weer, 't is zaterdag en
Sint-Jan vandage en daarbij overrekende ze al heur werk. Dat schudde
haar los, ze boog en kuste in onbedachte beweging de mollekaakjes zacht,
diep duwend de lippen in 't malsch, koele kindervel. Ze dekte bezorgd de
wiege toe met 't gebloemde doek voor de vliegen en ging haastig in de
weefkamer werken op 't getouwe.
--Den lap af tot aan de tweede smette, was heur voornemen, dat was de
duur van een heelen achtermiddag; met dapper te werken kon ze tegen den
avond gedaan krijgen en te vespertijd nog de kinders te zuigen geven en
heur Jans besteek gereed doen.
Hij mocht er niets af weten; de verrassing was de helft van het feest.
En zoo regelde zij voort in hare gedachten om 't fijne te vinden hoe
alles best geschikt. En terwijl zat zij te midden op de planke en heur
voeten wrochten op de geterden en heur handen snokten den tap en de
lade. En heel 't gedoen kwam in drukke beweging; daarmede was 't gerucht
plots door die stilte gevallen en na 't verschot bedaarde 't nu wat als
iets dat gewoon door de kamer klabetterde en altijd geduurd had. De
spoelen rolden kruisend al snorrende over en weer en latten wisselden en
sloegen onder 't gestamp van de geterden, dat alles op gemeten slag en
geklets dat galmde naar buiten.
En vóór het venster, over 't wijde veld, schong de zon, lijk al de
dagen, eenbaarlijk zonder vergaan, in een perelblauwen hemel en er dreef
een vlugge windeke van buiten naar binnen. De blijheid lag in kleur over
't hoveken rond het huis. De rijpe krieken lonkten lijk oogen rood onder
't loof van 't jonge boomken. In reken, van weerzijds het wegeling tot
aan de eerdestraat en rond en rond, stonden de bezietronken zwaar
geladen, de groenselperkjes door de dikke berkenhage omheind. En
daartusschen schetterde 't kleur van de bloemen. De leliën luidden hoog
't wit uit de opene kelkklokken en stonden gesnoerd aan rilde stammen
die wiegelden genadig bachten 't vlammende rood van de stokrozen hooge
geritst de ronde ballen en geklest aan rijzige persen. De leeuwenmuilkes
lonkten laag langs den grond, kleurspetterend blauw, rood en geluw;
verder een reke thijmstruikjes in gedempt groen; een bussel anijs in
fijne sprieteling als een groene haarbos luchtig open, verwaaiend en
gedoken aan den voet, door viooltjes dikke dooreen in duizend kleuren:
Sint-Pieter-leliën schel uitstekend het geel van hunne kelken tegen 't
zware gestruik van de dahlias en pioenen. Dat stond allemaal verschillig
de wegels zoomend en elk tierde in vroolijken groei tegen de blijde
zonne. De wijngerd berankte de muren onder de euzieën en dekte 't witsel
en de vensterboorden met zijne groote plakbladeren. In 't midden stond
de oude vlierboom, gedaagd en krom gebogen, knuistig over den steenput
en dekte 't water met koelte en lommer in een donkere spelonk, maar al
den bovenkant ter zonnewaard, lagen de vlakke, ronde, witte zaadblommen
open als handen zoo groot en strooiden de goede vlierreuke rond.
't Getouwe kletsklakte, de vogels zongen en als de jonge vrouw buiten
keek, zag ze hoe de wind heel de groeite en heel dien bloesem kwam
verwemelen en leven doen: al de kleuren mingelmangelden dooreen, dansend
en neigend de stengels en de bloemen daarop: 't rood van de rozen boven
't wit van de leliën en 't purper van de vette pioenen--met gevezel van
bladeren die den reuk opjoegen en 't bloemenstof, omhooge in 't goud van
den zonnezomerglans. De bijen en de verwige, bonte vlinders
fladderwiekten van blomme te blomme of speelden twee en twee met
klepelende vlerken op en neer tegen de ijle lucht. Ze voeren weg over 't
huis naar de breede koornvelden en 't aardappelland, maar deden weer
een ommedraai en keerden naar 't hoveken onvermoeid hun spel hernemend.
Heel die blijde, kleurige, warm spetterende, stilvaste, levensvreugde en
al dat zonnegelonk speierde uit met den reuk van rozen en reseda door 't
open raam de weefkamer binnen; de vogels schetterden in den vlier en in
den kriekelaar; 't getouwe klikkakte op luchtigen maatstap mede met de
geruchten van buiten. Onbedacht en eenstemming met heur omgeving, zong
de jonge trouw dat 't helmde door al de schatering rondom heur hoofd,
een liedje uit haar geheugen:
Wat is de zee al zonder water,
Wat is een meisje zonder lief?
Helaas zij ondervindt er later
De schande van en 't groot verdriet!
Dat kwam boven gewalmd als eene noodzakelijkheid waaraan zij gewillig
toegaf. Die woorden rolden gereedgemaakt, ongewild uit heur keel, zonder
dat ze aan den inhoud dacht; ze genoot onbewust van haar vrije, diepe
moederweelde, heur overvoldanen rijkdom, heur eigen jong fleurig leven
eerst en 't dubbele van heur zelf: de twee ontbotte, nuchtere
keestjes--Jantje en Pierke, heel heur wonne, de spartelende knaapkes met
heuren Jan zijn oogen en heur eigen blonde haar. Al dingen van geluk
waar ze keek of de gedachten wendde.
Heur handen wrochten en heur voeten torden op mate van 't eigen geruchte
van getouwe en lied en ze voelde bij elken ademtrek de warmte van buiten
en den bloemenreuk. Anders was ze alleen en in groote eenzaamheid en
verlangde naar t'avond en naar Jan en naar 't blijde spel van den
feestdag.
De spoelen gletsten vlijtig en de latten schrankten en 't stuk
blauw-en-rood geperkte doek groeide trage, trage achter 't slaan van den
kam uit het vormelooze garenspan en bij tijden rolde ze het op den
dikken boom. Aan de laatste smette moest ze komen vandage eer ze den tap
zou laten schieten en in die afwachting schoof de tijd in de stilte, met
aanhoudend, luidruchtig leven buiten en binnen. Achterna begon het àl
mede te werken op mate van den ladeslag: gewiegel van bloemen op den
wind en geflodder van vogels en vlinders, in leute onverpoosd.
Het zijn al vrijers in mijn' oogen:
De blonde knapen, de jonge kerels fijn.
Wacht u wel voor hunne logen
Want de besten zitten vol venijn!
Dat stond met woorden en slependen zangdraai vergroeid, één geworden
door langen duur en menig herhalen en dat herbracht als met eene
windvlaag, heel haar jongen tijd tegenwoordig: 't gevoel en 't gezicht
van de blijde zotternije midden 't druistig werk met andere meisjes, in
't vlas of elders op 't land, onder den grooten zonnehemel. Van den
inhoud der woorden was er door 't danig herhalen, maar schaars een vage
verstandenis haar bijgekomen, de voois met onveranderlijke woorden
samengegroeid tot een vorm: de aanvang klonk als een vermaan van
grootmoeder over een heel dorp van dansende jonge meisjes waarop niemand
en schafte; later eerst moest de uitkomst bewijzen dat grootmoeder
gelijk had en de meisjes gingen weenen om hunne zotternije. Op den
zelfden sleeptoon sprong het liedjesverhaal zonder overgang, in een
ander land op een kasteel van groote heeren, als in een vertelsel.
Daar was intusschen iets gebeurd waarvan het liedje niet en gewaagde en
alles raden liet, maar de zangster en vermiste de achtergelatene
klauzekes niet omdat ze haar niemand en leerde en 't bedied bleef toch
al even duidelijk.
Zij ging het aan haren vader vragen:
"Vader vergeef mij voor dien enklen keer!"
En heur brave moeder moest nu dragen
Den zwaren last van groot hertzeer!
Hoe bondig de verzen vertelden, heel het verloop der gebeurtenis lag er
in bloot: het meisje stond er duidelijk in de verbeelding der zangster,
te weenen onder den last van 't groot verdriet en ieder wist nu maar al
te wel heur schande.
't Begon haar zelf naar de keel te gaan al zong ze het liedje duizend
keeren en zonder bedachtheid, klonk het altijd zachter, 't derde
klauzeken:
De vader sprak met sture woorden:
"Marie-Sophia trek maar uwe schuit van kant,
Want in mijn huis zijt gij bedorven
En nu moet ge uit uw vaderland!"
En blijder, inniger ging het nu weer, alsof er niets gebeurd en ware,
de eerste twee reken, een zonnig huizeke was 't rondom in 't groen.
En vóór haar deur, daar lag een warandeke
Waar zij alle dagen haar voetjes wascht;
En zij dacht al bij heur zelven:
'k Zal mij versmooren in dien waterplas.
's Morgens vroeg al bij het klaren
Is heur vader tielijk opgestaan;
In dat warandeke waar hij ging jagen
Kwam die wreede ramp vóór zijne oogen staan.
Hij riep: "Ach, Heere, waar is zij toch belonden?
Is dat Sophia mijn eenig kind
Die hier ligt in 't nat verslonden?
Straf mij Heere! 'k heb het wel verdiend!"
Daarop heeft hij zijn eigen roer genomen
En gedrukt al tegen zijn rouwig hart;
Daarmede heeft hij zich het leven ontnomen
Omdat hij bezweek van pijn en smart.
Ontlastend troostte het slot en blijder weer klonk het met vlijtiger
stemme:
Sa, jonge meiskes, al voor het laatste,
Al voor het sluiten van mijn treurig lied,
Als gij wilt vrijen, doet maar uw beste
Of de jongens brengen u in groot verdriet!
Ze wachtte en luisterde omdat ze meende gerucht te hooren bij de wiege,
en ze keek hoe ver de lap gegroeid was. De zonne was middelerwijl
gezonken en brandde nu heur goud schuin in warm groen over de blaren,
met dikke schaduwvlekken. De bloemen stonden stil en de vogels speelden
en waren doende in eigen genot. De rust daalde merkbaar met de koelte
van den uitslependen achtermiddag. De deun van haar eigen lied
weerhoorde ze nu met den voois van een trekorgel daarbij op een feest of
kermis ievers en ze voelde de deernis van 't weemoedig vertelsel door de
luide lente en 't gegiechel der omgeving, als bij 't overdenken van een
ongeluk dat lange geleden en verre gebeurd is.
Maar dat vage, vergeten ongeluk deed haar dubbele deugd om haar eigen
voldane leven: haar eigen groene warandeke met den waterplas, onder den
koelen vlierboom en heel haar leven van nu, mengelde en werd--hoe net
ook--te verschemeren in de zaligheid van een oud liedje. Ze kon het niet
meer uithouden, 't kwam op als een vloed, ze wipte van de zitplank en
met de armen open al, sprong ze naar de wiege.
Ze lagen wakker met oogen groot open en staken de armpjes uit om
opgenomen te worden.
--O, mijn deugnietjes, alletwee! en moeder hief ze op en duwde ze tegen
heur lijf en kuste hunne beslapene wezentjes overhands.
Ze zette zich op den stoel en eer ze heur wijde jakke open kreeg,
woelden en zochten de kleine handjes in de plooien om de bloote borsten
te vinden; zij grepen ze vast en lokten gulzig. En zoo zat moeder, met
haar kleed en de knieën open, de voeten op een anderen stoel, geduldig
te geven heur rijke melk. Zij hield de handen om de ronde kinderlijvekes
bloot op hun hemdeken en bekeek zichzelf en de twee dutskes die met
gelokene oogen, neerstig hun voedsel binnenhaalden. Ze voelde hunne
buikjes op en neder gaan bij 't zwelgen en ze loech om 't aardig vertoog
van heur eigen zitten en genoot de deugd en de ontlasting in de gegeerde
bezigheid. Als de twee molletjes hun bekomste gezogen hadden, duwden zij
met de handjes de witte borst weg en wendden het hoofd om te rusten.
Maar moeder bleef zitten nog met voldoening; ze rechtte Jantje op haren
knie en Pierken op den anderen, schikte de hemdekes over hun lijf en
speelde en dreelde met de opene hand daaronder over de malsche billekes,
knikte en loech hen tegen, deed ze lichtjes wippen en leerde hen
"Moeder" zeggen en "da-da" knikken. Ze plooiden hunne lipjes open en
daarom kuste zij weer met volle grepen hunne kleine mondjes en oogen
toe. Ze voelde eenen wellust waarbij heel de wereld verging.
--Weer in uw wiegkes nu, mijn poezele ratjes, vader komt t'avond, en
slaapt nu schoone! Ze koutte bij al heur doen als tegen groote kinders
die 't al verstaan en begrijpen konden.
--En nu moet ge stilliggen, 'k ben aanstonds weer. Ze douwde en neuriede
een wiegeliedje om ze in slaap te krijgen. Maar hij was verre weg de
vaak en ze bleven liggen wentelen en spartelden ongedurig met armen en
beenen. Daarbinst verliep haren kostelijken tijd zonder dat 't werk
vorderde.
--Ziet dat ge u zelve paait! en ze dekte de wiege toe en keerde in de
weefkamer en snokte er vlijtig om de smette te krijgen.
De twee schijterkes gingen luide aan 't schreeuwen en moeder zong door
al 't geklets van heur getouwe:
Langs een groen heidetje kwam ik getreden
Langs een groen heidetje kwam ik gegaan
'k Was in mijn hemdetje
Van tik tak, tik tak hemdetje
'k En had geen rokjes aan
Van tik tak, tak!
Zij zong en herzong die reken en zong ze nog als de jongens lange
sliepen en de vogels al zwegen buiten en de zonneschijn laag nu pinkelde
door de groene blaren. Dan kreeg zij eindelijk de gelangde smette! 't
Werk was af! Ze wond het goeds op den boom en kwam voorzichtig op de
bloote voeten in huis, hief den tip van 't doek op boven de wieg en vond
de jongens vast in slaap.
--Nu, binst ik alleene ben, meende zij en haalde geld uit de schuiflade
en liep haastig, half gekleed lijk ze was, door 't hoveken over de
straat. Ze sprong als een vlug meisje dat 't zand achter hare voeten
opvloog en in de weerdij van vijf stonden was ze in 't winkelken op den
knok bij Dule Trame.
--Dule, spoed-u, jong, een kilo toebak.
't Oud wijf zat te spinnen en keek onder hare brilglazen over den disch.
Ze stond op en zocht naar gewichten op de vensterbank waar al de
winkelwaren lagen uitgestald en reikte traag, met stijve, oude
bewegingen naar den tabakkorf.
--Een kilo toebak en twee roeten keerskens, en twee lange, steenen
pijpen; 'k moete mijnen man besteken, en seffens komt hij thuis; hij mag
het niet weten.
--Ha! 't is morgen Sint-Jan, knikte de oude Dule. Zij pekelde de lange
drendels tabak af en toe in de weegschaal en sneed twee keerskens uit
den reesem en reikte twee pijpen uit den steenen pot. Dan leunde zij met
de ellebogen op den toog in 't voornemen een beetje te kouten met Wieze,
in 't afgaan van den dag.
Maar Wieze telde haastig het geld, wond de winkelware in heuren
voorschoot en hield de pijpen weigerlijk in de hand.
--Dule, tot morgen, na de mis! en op een loopken was ze al buiten op
straat om zoo gauw mogelijk bij de jongens te zijn die alleene waren.
Heur herte klopte van gejaagdheid en vreugde. Een mei zou ze maken en
de pijpen pinten! 't Was zoo wonderwel gevonden en 't paste zoo goed:
Sint-Jan op eenen Zondag! Zij voelde de blijdschap kriewelen inwendig
bij 't gedacht aan Jans wezen morgen uchtend als ze vóór hem zou staan
met heur jeunste! en heel den Zondag om te rusten thuis.
De kindere lagen even stil toen ze binnen kwam en nu ging zij aan de
belangende bezigheid. De tabak deelde zij open in een ronde teele,
plantte er de twee keerskens in en trok donkerkblauwe en purpere
dagsterren en wond er de binderanken als een kroone om den boord. Dan
sneed zij eene mand vol van de schoonste bloemen en zette zich plat op
de zulle in 't deurgat om den mei te binden. Eerst de bloeiende vitsen
met anijskruid gemengeld en wilde roosjes wond ze rond de lange
pijpstelen en legde ze kruisgewijs in de tabakteele. Nu de groote,
ronde boererozen, zenia's, lijk kleursterre, violiers dikke gereesemd
wit en blauw en rood. Ze koos met de oogen en herschikte de bloemen
volgens tinte en kleur in den groeienden bos. Ze hield hem uitgesteken
tenden den arm, herstak eene goudbloeme hier, eene lelie daar, duwde den
neus met wellust in de reseda om den goeden reuk volop te genieten en
wrocht voort; het fijne pluimgras--lijk pereltjes aan dunne
sprietjes--vormde een luchtig afzetsel rond en rond en de floksen
bengelden hunne roode klokjes daartusschen. Ze knoopte de stelen met een
bieze toe en zette den prachtigen rieker in het goud-bebloemd kommeken
met water. En nu alles weggeborgen onder de kannebank in de waschkamer
en 't bord daarvoor en een stoel daartegen en Jan zou wel niet merken
dat er iets gaande was.
Ze klom op den boom nog en trok een mandeken krieken en dook ze bachten
de bedsponde.
--Nu is 't al veerdig! meende zij en haastig bracht ze 't koperwerk
buiten en schuurde het met zand en zurkel en legde het, afgespoeld,
blinkend lijk nieuw goud, te drogen op de hage. Jan mocht nu komen.
Ze was al neerstig aan 't werk rond den heerd voor 't avondeten en Jan
hoorde haar van op strate, vroolijk het oud liedje zingen:
Wat is de liefde wonderbaar in hare werken!
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Hij zette zijn alm aan de deur, klopte zijne kloefen af en kwam gestopen
onder 't lage deurhout, stil in huis. Zijn eerste stap was naar de
wiege, maar moeder deed haastig teeken om hem te weerhouden.
--Laat ze, ze zijn pas in slape, Jan. Ze zullen schreeuwen heel den
avond.
Dat was 't minste van de reden: ze was eigenlijk jaloersch als ze er
niet bij kon zijn om te spelen.
Aan 't lage tafelken aten zij den mageren avondkost met goeden smaak.
Wieze koutte alsaan, opgeruimd en vervroolijkt omdat ze samen thuis
waren. 't Andere hield ze met moeite binnen en ze vroeg naar 't werk en
de groeite en naar 't weer en naar duizend andere dingen nog, blij lijk
de jongens omdat 't morgen Zondag is. En Jan, met zijn ernstige, grove
tale daartusschen, zag door haar blinkende oogen 't gedoken spel en
raadde de heimelijke doening die morgen, zooals alle jaren, zou bloot
komen, maar hij gebaarde zich onwetend en hield zijn tevreden monkel
onder den knevel gedoken en liet haar 't genot daarvan alleen.
Na 't eten wandelde hij naar buiten door 't wegelke en rookte eene pijp
om den avond te zien. Hij leidde de jonge boonranken op, weerde 't
kruid uit de groenselbedden en goot water op de tabakplanten. Als hij de
vrouw hoorde schuren met den bezem over den vloer, ging hij stille en
haalde een mande uit 't achterhuis en sloop bachten den gevel naar 't
aardappelveld. Hij dook zich achter 't hooge koorn en woelde met de
vingers de eerste balken open. Ze waren nog jong en heel kleine, lijk
blinkende bames-pruimen, de muizekes, maar morgen moesten ze proeven van
de nieuwe vrucht, dat was gebruik op Sint-Jan. Hij weerde 't wakke loof
en zocht dieper; de mulde eerde stroelde tusschen zijne vingers en zoo
vischte hij de mande vol jonge aardappels.
Hij keerde lijk hij gekomen was en hing de kostelijke eerstelingen hooge
aan de ribben in 't achterhuis en rookte bedaard een tweede pijp al
wandelend in 't wegelke tusschen de bloemen die bedauwd, nu sterker
geurden. Wieze zat op den grond vóór de deur met de twee kinders op den
schoot en gaf ze te zuigen.
--Maar Jan, wat schoone avond! Ze deed hem kijken door de opening van 't
hof, tusschen de twee linden naar 't Westen, waar de lucht gewolkt zat
en over 't land, verre, door de vallende deemstering, waar hier en daar
de vuren brandden op de hoogten en de rook in dunne streepkes, recht
opging en verder in lange dunsels, uitgerekt bleef hangen over de
vlakte. In de avondstilte ging 't geschreeuw van de knapen en daar de
vlamme in klaarteglans opsloeg, dansten de zwarte gestalten in ronde al
zingend af en toe en hunne stemmen galmden van den eenen smeulhoop naar
den anderen:
Maakt vier!
Stookt vier!
Sinte Pieter komt alhier!
En veel verder, half gedempt en overwauwd door 't huilen van honden, den
lang gerekten schreeuw uit de duisternis:
Leve Sint-Jan!
Dat was de feest-avond, de viering over heel het land. Jan en gebaarde
er geen woord van en Wieze speelde met heur kinders en ze keek gedoken
hoe de groote sul met een bundel rijshout in de armen naar den knok ging
en daar ook het vuur aanstak. De groote vent, hij stond alleen en zwart
en pookte in de hoop tot de klare vlamme uitsloeg, die hij dan toedekte
met versche groenigheid om veel rook te maken. Heel de streek geurde er
van en verre hoorden zij de gebuurs den nieuwen laai begroeten met blij
getier. Rechts en links ontbrandden nieuwe lichtjes, 't werd een kring
den einder rond en bij sommige reikte de gloed hooge, zoodat de zwarte
boomen er door gehelderd stonden verre in den omtrek. Uit den hemel
daalde de dauw van den koelen avond daarover en de deemstering dook het
al uitgeweerd de vuurkes die pinken bleven als gevallene sterren.
Wieze legde dan de twee bemels in de wiege en ze ontstak de keerse voor
't lieve-Vrouw-kapelletje; Jan kwam ook in huis en ze sloten de deur en
lieten de wijde eenigheid en den avond buiten. Geknield en stil lazen
zij hun gebed. De woorden die ze daarna nog spraken ondereen gingen
zoetjes, ingehouden om de ruste niet te storen die omendom al begonnen
was en ze legden zich bachten 't blauw behangsel, in bedde hun moede
leden te rusten.
In 't donker en in 't stilliggen eer ze sliep, bedacht Wieze hoe morgen
in de vroegte Jan te verrassen met den feestelijken besteek waaraf hij
niets en wist. Zij verlangde lijk andere jaren en voorvoelde reeds uit
verledene herinnering, den blijden afloop van de doening. Wanneer ze nog
een klein meisje was, blonk die sint-Jans-dag als de groote gebeurtenis
waar ze 't heel den zomer op gemunt hielden om te dansen, te zingen rond
den vuurhoop; en nu viel dat samen met 't feestevieren van dien naamdag
en de oude indruk was nu nog bijgebleven en vermeerderd tot een hoogtij;
van genot, die sterk in 't jaar geteekend stond als een groote klaarte
van blijdschap. Dat verdiep telkens zoo kalm, zonder beslag of luide
roepen nu, maar innig en welgezind werd dat herdacht als eene
hernieuwing van hun huwelijksfeest.
De twee mollige, gezonde knaapjes had se er sedert bijgekregen als eene
onverdiende belooning in heur leven, met al 't genot dat ze niet
verzwelgen kon en dat bebloemde al het werk en de rust van alle dagen:
hare kinderkes die ze handelen en kussen mocht en groeien zag in de
stilte, terwijl Jan haar alleen liet en ging werken op het land.
Al die uren van den verledenen dag herleefde zij weer geleidelijk: het
versch gebeurde van de kleine, gewone voorvallen speelde zich duidelijk
af en dan verwischte dat allengerhand in de beginnende dommel-duizeling
van den slaap, waarin ze verzwijmde met 't vooizeke nog en de woorden,
die weerkeerden en zongen in haar slappe zinnen:
En vóór haar deur, daar lag een warandeke
Waar zij alle dagen haar voetjes wascht;
En zij dacht al bij heur zelven:
'k Zal mij versmooren in dien waterplas!
De vroege klaarte van den nieuwen dag hing over 't veld met de wakte in
de lucht van dauw en damp, en 't geurde sterk naar bloemen en den rook
van 't gedoofde feestvuur, en Wieze wist niet hoe en waarom al de dingen
zoo nuchter vóór haar oogen stonden en ze vroeg bij zichzelf: wat er wel
gebeuren ging? waarnaar ze kijken kwam of wat ze wel vergeten of misdaan
had om zoo angstig te zijn, zonder de oorzaak te vinden van de
beroerte. De bloemen neigden en de blaren wemelden vol kleur en groen
onder den frisschen tocht van den wind en 't was of zag ze dat al den
eersten keer in heur leven. 't En scheen haar niet wonderlijk of vreemd
ongeloofbaar, toen Jantje en Pierke, lijk jongens die vijf jaar oud
gegroeid zijn, zonder struikelen door 't prieeltje gewandeld kwamen.
Ze hielden de armpjes over malkaar, de kopkes tegeneen en droegen een
groot rhubarbeblad dat ze openhielden als een zonnewere, voor de leute.
De witte vlinders vlogen al rond en beetten in de opene bloemkelken hun
zeem gaan zoeken. En de twee knaapjes zagen dat af en deden de pepels en
de bijen na: ze trokken leliën en dagsterren en bloedroode papavers en
goudene trompetten en ze zogen 't zeem uit de bloem-stengels. Ze zetten
zich daarbij met de beentjes open, trokken de leeuwenmuilkes af en met
eenen duw van hunne vingers deden zij de bloemkes gapen--het muilken
open en toe--en ze loechen omdat het alzóó een wiegje geleek met twee
stengels daarin, lijk kleine kinderkes die ze zelve waren.
Moeder kreeg eene krijzeling van vervaardheid. Ze wilde hen tegenhouden,
in huis roepen omdat er vergiftige bloemen bij waren; zij hield den adem
op en bespiedde al hunne stappen in angstvalligheid. Als ze geweld deed
om te roepen, bleef de stem haar in de keel en wat ze ook wrocht om de
armen te zwaaien en teeken te doen, heur leden bleven slap en zie, heere
God, nu naderden zij den vlierboom en ze gingen reiken op de teenen om
te zien over 't steenen omhein van den waterput! Het geweld bepraamde
haar en 't zweet perste haar 't wezen uit. Ze klaverden er op, de
onschuldige deugnieten en zij loechen naar malkaar omdat ze alleen
meester waren en gerust rondliepen in eigene wereld voor den eersten
keer, in al die nieuwigheden. Ze lagen plat op hun buikje over den rand
en renden wiegewagend zoodat hun bloote beentjes hooger gingen telkens
dan hun hoofd en ze verdwenen over den vreeselijk diepen put, altijd
verder.
Oei! Heur bloed verkroop en de hevige spanning doorbrak den kwaden dwang
als 't ongeluk gebeurd was. Op 't geruchte van den dubbelen plons,
gerocht den schreeuw uit hare keel.
--Jan, ze versmooren! Jan!
En met den slag, losgelaten, in één sprong, stond zij werkelijk buiten
nu, verdwaasd te kijken en houdend aan heur herte dat bonsde. De bloemen
stonden stil in den nuchteren morgen, bedauwd en daar was niemand te
ziene of omtrent geweest, ook geen vlinders vlogen er rond. De schrik
had haar zoo doordaverd en de koude rilling overliep nu haar half
gekleede leden en in de onthutsing kon ze nog niet uitmaken wat er
gebeurd of gedroomd was. De steenen waterput stond als een ramptuig
onder den donkeren vlierboom en ze gruwde om er bij te gaan.
Naar de wiege eerst om eene uitkomst en zekerheid! Met één ruk, die 't
al zou uitmaken, was de voorhang weg en daar lagen ze nevenseen, gezond
en bewaard van alle kwaad, als kriekappels die bleuzen aan den boom,
wakker te lachen uit hunne blauwe oogen.
Het bloed sloeg in storm naar heur herte en in de plotse blijheid, die
nu als een tweede slag kwam gevallen, liet ze tranen leken die heur
lange gepraamd hadden en nu ontlastend uitvielen. Ze neigde heur lijf en
duwde de lippen op hunne malsche wezentjes lange en herhaaldelijk. z'En
rechtte zich maar om te zien of Jan ontwekt was.
Hij lag vaste in slaap met zijn wezen naar den muur. Ze wilde nu 't
uitgestaan verschot verspelen en den angst, alleen met heur
weergevonden, dubbel diere kindjes. De vreugde overliep haar als eene
razernij die ze met geweldig streelen moest kalmen. Ze legde, ze duwde
haar wezen tusschen die twee kopjes, haar ronde, vleezige wangen die
gloeiden, te koelen tegen de frissche, jonge gezichtjes; heur lippen
beeten en nepen zonder zeer te doen, overal waar ze vel vonden om te
knabbelen. Heur handen overgrepen de lijvekes en haaiden over de bloote,
ronde buikjes en billekes, nooit genoeg, om de deugd te voelen,
tastelijk, van den schat dien ze behouden mocht en die zoo nipte
verloren was. Ze moest in 't stille genieten, geen geruchte maken om
Jan niet te wekken die haar zottigheid zou zien; maar de woorden moest
ze met geweld binnenhouden of 't stormde luide uit in groot geruchte.
Ze vezelde stil dien overvloed tusschen de genepene lippen.
--O, mijn arme, kleine dutskes! hier mijn sloeberkes en gij mijn
deugnietje, aan mijn herte! mijn moordenaarkes, mijn zachte, kleine
leeuwkes, mijn kapoentjes, mijn poezelige oude weerwolvekes, mijn
tooverwiemkes!
Ze herbegon met nieuwe macht van dreelen en kussen tot de kleintjes er
onder versmachtten bijkans en benauwd voor dat geweld, aan 't weenen
gingen. Ze was den adem af en tenden ook en rustte wat om ze te bekijken
nu al rechtstaande, om hare borst te laten uitgolven in lange trekken.
De feestdag, de blijde Sint-Jan viel haar nu te binnen en dat de leute
nog niet uit was en moest duren heel den dag!
Ze haalde heur gereedschap en schikte 't voorzichtig op tafel vóór 't
bedde: de teele tabak met bloemen en keersen en de lange bloeiende,
steenen pijpen en de mande met krieken.
Ze legde de jongens op 't deksel bij Jan en hielp hen trekken aan zijnen
knevel en zijnen baard. Ze schetterlachte omdat ze hunne kleine
vingerkes boorden in zijne neusgaten, in zijne ooren en in zijnen mond,
daar hij lag als een slapende reus. Toen hij trage en verrast, de oogen
wijd openrekte om te zien wat er werkende was zoo vroeg bij zich in
bedde, hield ze den grooten mei vóór hem uitgestoken met lachend blijde
wezen:
--Jan, zei ze, 't was gister uwe avond en vandage is 't uwe dag, 'k ben
blij, da'k u besteken mag!
Hij greep den mei met beide handen en rook er aan. Hij vond geen woord
om te zeggen, maar zijne oogen bekeken haar en daarmee raadde ze al wat
hij zeggen wilde. De jongens woelden weer over zijn lijf en zij hielp
hen van op den beddekant. Ze staken ze omhoog, kaatsten en vingen ze
weer van hand te hand het spel hernemend.
Dien feestdag voorzag zij als den besten van heel haar leven, omdat ze
zoo nakende haar ongeluk was, en onder de vreeze nog en 't verschot van
den genadeslag, die bezijds geweken was, zonder schade of hinder te
doen. Zij 'n zou er hem geen woord van vertellen en alles bij zich
houden--niets dan blijde dingen mochten er vermond worden vandaag! Ze
joelden onbekommerd voort ondereen en binnen hielden zij den sterken
vrede en de verwachting van een langen, stillen rustedag, die al zoo
goed begonnen was.
* * * * *