IV

Het is gewoonte, de freskoos waarmede het Campo-Santo te Pisa is

versierd, en meer bepaaldelijk de beroemde _Triomf van den Dood_ en

het _Laatste Oordeel_ te beschouwen als het werk van Orcagna. Toch is

het volstrekt niet bewezen, dat deze muurschilderingen inderdaad van

dien meester zijn. Maar al zijn ze niet van hem zelven, zeer stellig

zijn ze in zijn geest en zijne manier ontworpen en mogen ze hem in

alle opzichten waardig worden genoemd.

Het Campo-Santo was bij uitnemendheid geschikt om de historieschilders

als uit te lokken. In geheel Italië is geen tweede gebouw te vinden,

dat beter beantwoordt aan de eischen der monumentale kunst: aan

de ééne zijde uitgestrekte muurvlakken, aan de andere groote open

bogen, waardoor het licht met stroomen binnendringt, en tusschen de

galerijen het stille stemmige grasveld. Reeds vroeg, reeds tegen het

einde der dertiende eeuw, begonnen de Pisanen zich bezig te houden

met de dekoratie van deze groote muren; deze reuzenarbeid werd, met

herhaalde onderbreking, voortgezet tot het einde van de vijftiende

eeuw. Toen Benozzo Gozzoli de laatste hand legde aan de freskoos van

het Campo-Santo, waren er omstreeks twee eeuwen verloopen sedert het

eerste schilderwerk in het grootsche monument was aangebracht.

Behalve Orcagna, heeft men ook langen tijd de namen van Giotto

en Buffalmacco met de freskoos van het Campo-Santo verbonden. Ten

onrechte. De _Geschiedenis van Job_ vooral, die men bepaaldelijk voor

het werk van Giotto hield, wordt thans algemeen toegeschreven aan

een zekeren Francesco da Volterra, die deze fresko eerst omstreeks

1370 vervaardigde.

Wijden wij in de eerste plaats onze aandacht aan de muurschilderingen,

die terecht of ten onrechte den naam van Orcagna dragen.

De beroemdste daarvan is wel de _Triomf van den Dood_. Deze kolossale

kompositie, waarin de kunstenaar, naar het oppervlakkig schijnt,

de allereerste grondregelen van eenheid van plaats en handeling met

voeten getreden heeft, splitst zich in vijf tafereelen, die op het

eerste gezicht geheel op zich zelven staan, hoewel ze allen binnen

dezelfde omlijsting zijn besloten. Links, op den voorgrond, ziet

men de klassieke illustratie van de in de middeleeuwen zoo populaire

sproke _Van de drie dooden en de drie levenden_.--Een schitterende

ruiterstoet--edellieden en edelvrouwen, rijk uitgedost, met valken op

de hand en vergezeld van bedienden te voet en van jachthonden--keert

van de jacht terug. Eensklaps wordt de aandacht van het gezelschap

getrokken door een afschuwelijk schouwspel: vlak voor de paarden staan

drie open doodkisten: in de eerste ligt een nog in zijne kleederen

gewikkeld lijk; in de tweede, een lijk dat reeds in gevorderden

staat van ontbinding verkeert; in de derde, een geraamte.--Door

een zonderling toeval is het goud van de kroon, die op het hoofd

van een dezer lijken was geplaatst, verdwenen; men onderscheidt nog

slechts nauwelijk den omtrek, als het ware de schaduw, de schim der

kroon. Tusschen en over deze afzichtelijke overblijfselen kruipen

en schuifelen slangen, waarvan sommigen den kop dreigend tegen de

bezoekers opheffen, terwijl anderen de vlucht nemen.

Bij de ruiters zelven strijden nieuwsgierigheid en walging om den

voorrang: over den hals hunner paarden gebogen, aanschouwen zij deze

zoo welsprekende getuigen van de ijdelheid van al het ondermaansche,

en geven daarbij lucht aan de meest verschillende aandoeningen. De een

houdt zich den neus dicht, een gebaar dat tegenwoordig misschien als

triviaal zou worden veroordeeld, maar waartegen de naturalisten van

de veertiende eeuw--te beginnen met Giotto in zijne _Opwekking van

Lazarus_--niet opzagen. Een ander, met de wang op de hand rustende,

schijnt in droeve overpeinzing verzonken; een derde keert zich naar

zijne vrienden en wijst hun met de hand de doodkisten, hun tevens zijne

opmerkingen mededeelende. De redelooze dieren deelen de gewaarwordingen

van hunne meesters; een der paarden, met gerekten hals en gebogen kop,

snuift hinnekend de lijklucht op; een ander wendt zich, angstig en

verschrikt, om; een derde steigert; de honden leggen door niet minder

levendige gebaren en bewegingen, hun onrust of hunne nieuwsgierigheid

aan den dag.

Aan de andere zijde der doodkisten, aan den voet van een steil rotspad,

staat een hermiet, die met een lange rol in de hand, de bezoekers

tot boete en bekeering maant. Deze kluizenaar vormt als het ware

den overgang tusschen den ruiterstoet en andere hermieten, die hunne

woning hebben gevestigd op den berg op den achtergrond, waar zij zich,

ver van het rumoer en de ijdele beslommeringen der wereld, met hun

vreedzamen eenvoudigen arbeid bezighouden: de een melkt eene geit of

eene hinde; een ander leest; een derde, op krukken leunende, luistert

toe. Wij hebben hier weêr een van die ongelukkige rotslandschappen,

zonder diepte, verschiet of horizon, zooals men die bij de eerste

nog ongeoefende landschapschilders vindt.

Rechts, mede op den voorgrond, verdringt zich een groep rampzaligen,

die te vergeefs den Dood om verlossing smeeken. In deze groep heeft de

kunstenaar ons het menschelijk lijden in zijne afzichtelijkste vormen

te aanschouwen gegeven: het is eene terugstootende verzameling van

verminkten die over den grond kruipen, van verlamden en kreupelen,

van blinden, van lieden zonder handen of armen, met geschonden of

verwrongen ledematen.... Dergelijke voorstellingen hebben niets meer

met de kunst gemeen; zelfs uit het oogpunt van stichting en vermaning

is hare waarde voor het minst twijfelachtig.

Roepen deze ongelukkigen vergeefs den Dood in, anderen, door wie zijne

komst niet verlangd werd, zijn als zijne slachtoffers gevallen. Voor

de groep der rampzaligen is de grond bezaaid met lijken; mannen en

vrouwen, voor het meerendeel rijk gekleed, liggen in bonte wanorde

door elkander uitgestrekt; hunne zielen, in de gedaante van naakte

kindertjes, ontsnappen aan hun mond;--zooals men weet, is deze

symbolische voorstelling bij sommige scholen in zwang gebleven tot in

het begin der zestiende eeuw. De demonische monsters, die boven deze

ongelukkige zielen zweven en haar trachten te grijpen om ze ter helle

te voeren, zijn meer leelijk dan wel verschrikkelijk; hunne lichamen

bestaan ook hier uit de samenvoeging van ledematen van verschillende

dieren: vleermuisvlerken, gieren- of leeuwenklauwen en dergelijken.

Naast deze demonen, naast deze tooneelen van schrik en jammer, heeft

de kunstenaar een geheel ander tafreel geplaatst, eene bekoorlijke

idylle vol zoete poëzie. Onder den lommer van bloeiende oranjeboomen

zit een gezelschap bijeen van aanzienlijke heeren en jonge vrouwen;

eenigen spelen op muziekinstrumenten, anderen praten of wandelen. Twee

hunner houden een valk op de hand, als in de kapel der Spanjaarden

te Florence, dat heiligdom van de schilderkunst der veertiende eeuw;

een der dames heeft een windhond op den schoot. Boven hunne hoofden

zweven twee amors (of doodsgeniussen?) even als op de _Galathea_

van Rafaël.--Deze idylle, naast de _Triomf van den Dood_, herinnert

onwillekeurig aan de inleiding van den _Decamerone_ van Boccaccio. Men

meent de jonge edellieden en edelvrouwen voor zich te zien, die, op

de heerlijke heuvelen van Fiesole, in veiligheid aan hun vernuft den

teugel vieren en elkander vermaken met de vroolijkste vertellingen,

terwijl de stad aan hunne voeten door de vreeselijke plaag, de pest

van 1348, wordt geteisterd. Het contrast is even aangrijpend.--De

Dood zelf, die boven de groepen zweeft, is hier voorgesteld onder de

gedaante eener krachtige, bejaarde vrouw met loshangende hairen en

vleermuisvleugelen, die met beide handen een geweldige zeis opheft.

Ondanks de gegronde aanmerkingen, die men op de techniek en de

uitvoering maken kan, blijft de _Triomf van den Dood_ een van die

buitengewone, veelomvattende scheppingen, welke de kritiek ontwapenen

en waarop de gewone regelen der traditioneele schoolsche aesthetiek

niet van toepassing kunnen zijn. Ongetwijfeld is de kunstenaar de

taal, waarin hij tot ons spreekt, nog maar onvolkomen meester,

maar desniettemin weet hij zijne gedachte op zoo treffende,

aangrijpende wijze uit te drukken, en is hetgeen hij zegt van zoo

overwegend gewicht, dat zijn werk een onuitwischbaren indruk maakt

en onweerstaanbaar boeit en aantrekt.

Een tegenhanger, of misschien juister eene aanvulling van het

zooeven beschreven tafreel, is de _Hel_, die aan Nardo, den broeder

van Orcagna, wordt toegeschreven. De voorstelling herinnert sterk aan

Dante, hoewel de schilder zich hier tegenover den dichter meer vrijheid

heeft veroorloofd dan de kunstenaar, aan wiens penseel wij de _Hel_ in

de kerk van Santa-Maria Novella te Florence te danken hebben. Ook hier

is de hel voorgesteld als de doorsnede van een berg, waarin evenwijdig

loopende rotslagen de verschillende soorten van zondaars van elkander

scheiden; in het midden bevindt zich Satan, wiens kolossale gestalte

de gansche hoogte van den berg inneemt. De folteringen der verdoemden

zijn met de grootste nauwkeurigheid voorgesteld; de veelvuldigheid

der martelingen is inderdaad verbazend; wij zullen ons evenwel niet

ophouden met eene beschrijving dezer afgrijselijkheden, waarvan men

zich zonder moeite een denkbeeld maken kan.

_Het Laatste Oordeel_ maakt met de _Hel_ eigenlijk een geheel uit. Dit

tafreel doet in dramatische kracht niet voor de _Triomf van den Dood_

onder, en wint het door innerlijke eenheid van kompositie. In de

hoogte, naast elkander, tronen, omgeven door langwerpige aureolen,

Christus als rechter en de Madonna; nevens hen zitten de twaalf

apostelen, boven wier hoofden engelen met de werktuigen der Passie

zweven. Aan de voeten van Christus en de Madonna staat, op eene wolk,

de aartsengel, die in de beide uitgestrekte handen de uitspraken van

den rechter houdt: de veroordeeling en de vrijspraak. Twee engelen

nevens hem blazen op de bazuinen des gerichts, die de dooden oproepen

uit de graven; andere engelen spoeden zich naar beneden om het

vonnis uit te voeren. Daar staan, ter rechter- en ter linkerzijde,

twee talrijke groepen: die der uitverkorenen en die der verdoemden,

welke laatsten in den wijd geopenden vlammenden muil der hel worden

gedreven. Nog nimmer na Giotto had de schilderkunst op zoo echt

dramatische aangrijpende wijze de aandoeningen van blijdschap,

verrukking, zaligheid aan de eene, van schrik, wanhoop, wroeging aan

de andere, weten uit te drukken. Welk eene ontroerende beteekenis

ligt er in het gebaar van dien engel, aan de voeten van den aartsengel

neergeknield, die door medelijden, schrik en ontroering aangegrepen,

maar tevens beseffende wie hier vonnist, met eerbied de hand op den

mond legt.--Hoe teeder en vol erbarmen is het beeld der Lieve-Vrouwe,

der Genaderijke, die zoo gaarne allen redden zou.--Hoe ontzaglijk

en indrukwekkend is de figuur van den Christus, die de doorboorde

rechterhand opheft en met de linker op de wonde in de zijde wijst:

dat beroemde gebaar, dat Michel Angelo voor den geest mag hebben

gezweefd, toen hij zijn Christus van het _Laatste Oordeel_ in de

Sixtijnsche kapel schiep.

De thans volgende tafreelen, de _Geschiedenis van Job_ en de

_Geschiedenis van Sint-Renier_, zijn van de hand van Antonio Veneziano

(1386-1387), Francesco da Volterra (sedert 1370) en Andrea da Firenze

(1377).

De achterwand is bedekt met freskoos, voorstellende de _Hemelvaart_,

de _Opstanding_, de _Kruisiging_. Deze freskoos, die bovendien door

twee grafmonumenten gebroken worden, zijn beneden het middelmatige;

de teekening is slecht en de vervaardigers hadden blijkbaar geen

besef van de eischen der dekoratieve kunst.

Het was in het jaar 1469, dat de Pisaners aan Benozzo Gozzoli de

voltooiing opdroegen der muurschilderingen van dit monumentale kerkhof,

waar gedurende honderdvijftig jaren de beroemdste beeldhouwers en

schilders van Italië, de meesters der scholen van Pisa, Florence en

Siëna, proeven van hun talent hadden achtergelaten.

Aan Benozzo werd de wand tegenover den ingang aangewezen. Men

mag gerust zeggen, dat geen enkel kunstenaar van de Renaissance

eene opdracht ontving, die hem zoo gunstige gelegenheid gaf tot

ontplooiing van zijn talent: een ongebroken muurvlak, eene uitmuntende

belichting en overvloedige ruimte voor den beschouwer. Zelfs

Rafaël in het Vatikaan was minder goed bedeeld: hij moest rekening

houden met invallend licht en schaduw, met deuren en vensters en

andere hinderpalen van dien aard.--Daarbij moest Benozzo verhalen

illustreeren, die boven alle andere geschikt waren om zijne geestdrift

en deelneming te wekken: die naïeve pittoreske verhalen van het

Oude Testament, waarin de epos en de idylle elkander afwisselen,

en die voor een schilder van zijn aanleg eene onuitputtelijke bron

zijn. Hij behoefde niet te leeren, te vermanen of te stichten: hij

had slechts te vertellen en te boeien.

De komposities van Benozzo Gozzoli zijn niet minder dan een-en-twintig

in getal. Ongelukkig zijn vele daarvan bijna geheel te gronde

gegaan, en moet men die leeren kennen uit oude gravuren, met name

uit de reusachtige platen, in 1811 door Lasinio uitgegeven. Tijdens

mijn bezoek in 1882, was men bezig ze allen met koud water af te

wasschen, om ze zoodoende van stof te reinigen, zonder de schilderij

te beschadigen. Deze bewerking, waardoor de kleuren weer worden

opgefrischt, verdient de voorkeur boven elke restauratie.

Daar verscheidene vakken drie of vier afzonderlijke tafereelen

bevatten, moet ik mij tot eene opsomming van de voornaamste onderwerpen

bepalen: _Noachs Dronkenschap_;--_De Toren van Babel_.--_De aanbidding

der Wijzen_, en daaronder _Maria Boodschap_.--_Abraham en Loth in

Egypte_.--_Abrahams Overwinning_.--_Abraham en Hagar_.--_Verwoesting

van Sodom_.--_Abrahams Offerande_.--_Eliezer en Rebecca_.--_Geboorte

van Ezau en Jacob_.--_De geschiedenis van Jacob_.--_De geschiedenis

van Joseph_.--_De geschiedenis van Mozes_.--_De Inneming van

Jericho_.--_David en Goliath_.--_De Koningin van Scheba bij

Salomo_.--Men ziet, het is eene geheele wereld, die wij hier voor

ons hebben.

Onuitputtelijk in waarheid is de rijkdom van fantasie, vernuft,

frissche opgewektheid, door Benozzo ten toon gespreid bij het

scheppen van dezen cyclus van tafereelen, zoo omvangrijk als geen

ander kunstenaar der vijftiende eeuw heeft voortgebracht. In de eerste

plaats behandelt hij de traditie met de grootst mogelijke vrijheid:

in plaats van zich te bepalen tot de traditioneele voorstellingen,

put hij met volle handen uit den rijken schat van het Oude Testament:

krijgshaftige daden, romantische avonturen, de bekoorlijkheden van

het herdersleven boeien hem in gelijke mate. De hoogere beteekenis, de

mystieke profetische zin van de tooneelen uit het leven der aartsvaders

laat hem onverschillig; wat hem aantrekt is de bloot menschelijke

zijde, het pikante, oorspronkelijke, naïeve; de treffende episoden, de

levende natuur. De italiaansche schilderkunst van de vijftiende eeuw

heeft geen schitterender, rijker, belangwekkender schepping geleverd

dan deze kolossale fresko, die nergens eenig spoor van inspanning

verraadt, maar overal even frisch, even bezield en boeiend is.

Het ligt natuurlijk niet in mijn plan, al deze freskoos van het

Campo-Santo in bijzonderheden te gaan beschrijven: zij zijn eene wereld

op zich zelve. Als geheel genomen, kan men ze in twee groote groepen

verdeelen: zij die eene architektonische omlijsting hebben, en zij

waarvan een landschap den achtergrond vormt; de eersten worden als

het ware gedragen door de groote lijnen der gebouwen en munten in den

regel uit door schoone ordonnantie; de anderen zijn meer verbrokkeld,

met talrijke episoden, maar missen eenheid van voorstelling. Wat

ordonnantie aangaat, moet ik opmerken dat ook door Benozzo de wet der

eenheid van handeling voortdurend geschonden wordt, waarvan wanorde en

verwarring het onvermijdelijk gevolg zijn. Op hetzelfde tafreel zien

wij bijvoorbeeld David den steen naar Goliath slingerende, David het

hoofd van Goliath af houwende, en David het hoofd van den reus aan

Saul brengende. En die drie verschillende tooneelen zijn niet alleen

niet van elkander gescheiden, maar zij zijn ook niet boven elkander

geplaatst: zij zijn zoodanig door elkander gewikkeld, dat het eene

niet naast, maar achter het andere is geplaatst.

Bepalen wij ons eerst bij _Noachs Dronkenschap_. Het is de levendige,

vroolijke voorstelling van een wijnoogst in de bloeiende omstreken

van Florence. Mannen en vrouwen plukken druiven en dragen ze in volle

manden naar de perskuip, waar een man met bloote beenen de vruchten

treedt. Voorts verschillende groepen: een hond, die tegen twee kleine

op den grond zittende kinderen blaft; Noach met twee kinderen, waarvan

hij het eene de hand op het hoofdje legt, terwijl het andere, bang

voor den hond, zich tegen hem aandrukt. In het midden der schilderij

zien wij wederom Noach, die een met wijn gevulden kelk in beide handen

houdt; naast hem gaat eene vrouw met een schenkkan.--Eindelijk, links,

ligt de patriarch, schier geheel ontkleed, door den wijn bevangen, op

den grond uitgestrekt; Cham bespot hem, terwijl een der andere zonen

zich gereed maakt een kleed over den bewustelooze uit te spreiden. Eene

der omstaande vrouwen bedekt zich het gelaat met de hand, maar zoo,

dat zij tusschen de vingers heen kan gluren: eene ondeugendheid die

aan Boccaccio herinnert.

In den _Torenbouw van Babel_ zien wij aan de eene zijde, op den

achtergrond, een rijk, heuvelachtig landschap met rivieren, boomen,

villa's, geheel het karakter dragende van de omstreken van Florence;

aan de andere, de schitterende stad _Babylonia_, met haar torens,

koepels en paleizen, met haar fantastische architektuur: eene

verschijning uit de Duizend-en-een-Nacht.--In het midden, eene menigte

werklieden, opperlieden, metselaars, steenhouwers, kalk bereidende

en aandragende, steenblokken ophijschende en plaatsende. Allen zijn

druk in de weer, om het groote werk te helpen voltooien. En welk een

overvloed van schilderachtige motieven; welke natuurlijke, bevallige

standen en houdingen; welk eene juistheid van teekening en rijkdom van

vinding! Aan de beide uiteinden, rechts en links van de werklieden,

vertoont zich eene andere, deftiger groep: ernstige grijsaards, edele,

smaakvol gekleede jongelingen en knapen, deels naar de werklieden

ziende, deels met elkander pratende. In het midden staat, ook door

zijne rijzige gestalte kenbaar, de koning, op wiens bevel de groote

toren wordt gebouwd; hij geeft den werklieden bevelen; maar boven

hem vertoont zich, in een nimbus, door engelen gedragen en omstuwd,

het beeld van God den Vader, die nederkomt om te aanschouwen wat de

menschen hebben gewrocht, en zoo straks hun werk verstoren zal: van

welk naderend gericht echter niemand in de talrijke schare blijkbaar

eenig vermoeden heeft.

Waarin ligt nu eigenlijk het geheim der betoovering, die deze

kunstenaar op ons uitoefent? Ik behoef wel niet te zeggen, dat van

lokale kleur of historische waarheid--voor zoover daaraan bij deze

voorstellingen gedacht kan worden,--in de verste verte geen sprake

is. Niet alleen dat het landschap en de gebouwen een zuiver toskaansch

karakter dragen, zelfs nog waar ze, zooals bij den _Torenbouw_,

louter fantastisch zijn; maar ook de personen zijn, voor verreweg

het meerendeel, in de kleederdracht van Florence in de vijftiende

eeuw. Maar daarin ligt juist het aantrekkelijke: de traditie is maar

een vorm, iets uitwendigs en bijkomends: in het wezen der zaak heeft

Benozzo ons het beeld geteekend van zijn eigen tijd en omgeving. Het

zijn tooneelen, gegrepen uit het toskaansche leven in de tweede helft

der vijftiende eeuw, weergegeven met al de fantasie, al het vernuft,

al den gloed en de _verve_ van een uitnemend kunstenaar, wiens

dichterlijk genie hem eene eerste plaats verzekert onder de groote

meesters der Renaissance, al heeft hij in eigenlijken zin geene school

gesticht.--Hij stierf te Pisa, in 1498, en rust in de gewijde aarde

van dat Campo-Santo, dat aan hem zijn schoonsten tooi te danken heeft.

V

Van Pisa sprekende, gaat het niet aan te zwijgen van een der beroemdste

monumenten van deze stad: ik bedoel den Campanile of wijd vermaarden

scheeven toren. Met den bouw van dien toren werd een begin gemaakt in

1174; het werk was eerst in 1233 voltooid. Men noemt twee bouwmeesters:

den een een Italiaan, Bonannus, den ander een vreemdeling, Wilhelm

van Innsbrück; sommigen voegen daar nog aan toe Johannes Ennipontano,

mede een Duitscher, en Thomas van Pisa.

In Frankrijk, Duitschland en België hebben de architekten het zich

bijna altijd tot regel gesteld om den toren met de kerk te verbinden,

en door de vereeniging van die beiden een schoon en schilderachtig

geheel te scheppen. Hoe uitnemend zij daarin geslaagd zijn, bewijzen

een aantal onzer kathedralen. In Italië daarentegen--misschien

door de nawerking van antieke ideeën en traditiën--scheidt men zeer

dikwijls den toren, den campanile, van de kerk, en behandelt beiden

als zelfstandige gebouwen. Dit is het geval te Pisa, te Ravenna,

te Florence en op een aantal andere plaatsen.

Hoe vele toeristen hebben, bij het aanschouwen van den campanile van

Pisa, een gevoel van teleurstelling ondervonden! Zoo tallooze malen

hadden zij dat monument afgebeeld gezien: in plaat, in albast, in kurk,

in karton, zelfs in chocolade, dat het gezicht van de werkelijkheid hen

doorgaans tegenvalt. In den vollen zin des woords teert Pisa sedert

eeuwen op dit architektonisch kunststukje, waaraan echter het toeval

meer deel heeft dan de wetenschap. Ik haast mij er bij te voegen,

dat het origineel zoo eenvoudig, zoo eerwaardig, zoo indrukwekkend

is, dat aanstonds alle herinnering aan die kinderachtige namaaksels

wordt uitgewischt.

Ik zal hier niet de bijzonderheden herhalen, die men in alle

handboeken en reisgidsen lezen kan; ik wil liever trachten den indruk

te beschrijven, dien dit monument, eene onvergankelijke uittarting

van de eerste grondregelen der statika, op ons maakt.

De acht rijen arkaden boven elkander volgen op elkaâr met strenge

geometrische regelmatigheid. De zuilen zijn, althans in het onderste

gedeelte, niet uit één stuk, maar uit twee, soms uit drie of vier

fragmenten samengesteld. Mits de verschillende blokken gelijk zijn,

bestaat daartegen geen bezwaar; anders wordt het wanneer men op een

monolith, die vijf-zesden van de hoogte der zuil inneemt, een niet

daarbij passend stuk heeft geplakt. Ook op de wijze der verbinding

van de kapiteelen met de architraaf kan met grond aanmerking worden

gemaakt. De versiering is uiterst sober: slechts enkele bas-reliefs

verdienen een oogenblik de aandacht.

De helling bedraagt ongeveer vier meter en valt zeer sterk in het oog,

zelfs al let men alleen op de benedenverdieping. De half met water

gevulde gracht, die den voet des torens omringt, is aan den kant waar

de campanile overhangt omstreeks een el dieper dan aan de andere zijde.

Men heeft lang en breed geredekaveld en getwist over de oorzaak van

deze zonderlinge afwijking van de loodlijn: is dat met opzet gedaan

of heeft men hier alleen met het toeval te doen? Men is tegenwoordig

vrij algemeen van meening, dat de basis van den toren gedurende den

bouw gelijkmatig is verzakt, en dat de architekten op dit hellend

vlak hebben voortgebouwd. Reeds ter hoogte van elf meters boven den

grond bemerkt men, dat eene helling van ettelijke duimen den toren

naar de zuidzijde moest doen overhangen. Het eerste gewelf was toen

gesloten, en het verdient wel opmerking, dat men zoo weinig bedacht

is geweest op verdere verzakking van het gebouw, dat een spuier,

waardoor het water van deze eerste verdieping moest worden afgevoerd,

is aangebracht op het punt hetwelk nu het hoogst is gelegen.

Een fraai klokkenspel, uit zeven klokken bestaande, hangt in dezen

zonderlingen toren. De oudste dezer klokken, de _Giustizia_, met

het jaartal 1262 en den naam van den gieter Locterinus van Pisa, is

afkomstig uit den _Torre del Giudice_; deze klok werd vroeger geluid,

wanneer misdadigers ter terechtstelling werden gevoerd.

Het uitzicht van het plat van den toren is beroemd. Aan de eene zijde,

naar den kant van Lucca, ziet men de Apennijnen; aan de andere de

grenzenlooze, blauwe oppervlakte der zee, waaruit, ter rechterhand,

als een alleenstaande berg, het eilandje Gorgona oprijst; wendt men

zich links, dan bespeurt men achtervolgens Capraja en, bij zeer

helder weer, aan den horizon Korsika; eindelijk het eiland Elba,

waarvan slechts een punt van achter den Monte-Nero, ten zuiden van

Livorno, komt uitkijken. De bodem van geheel de omringende vlakte is

zoo effen, dat men in deze kom nog de oude bedding van een inham der

zee herkent. Langs het strand teekenen zich de donkere bosschen der

hoeve van San-Rossore af.

Een te weinig bekend gebouw, en dat toch wel de aandacht verdient,

is de _Opera del Duomo_: wij zouden zeggen, de directiekeet van

den dom. Het huis is op zich zelf zeer eenvoudig, zoo als aan een

dergelijk gebouw past:--het bestaat uit eene beneden- en eene vrij

lage bovenverdieping, heeft eene langwerpige gedaante en vensters

in den stijl der dertiende eeuw. De grootsche monumenten in de

onmiddellijke nabijheid stellen het nog meer in de schaduw. Maar

bij het binnentreden wordt onze aandacht dadelijk getrokken door

eene monumentale inscriptie, vergezeld van het wapen van Frankrijk,

het beeld van de Madonna en van een persoon in knielende houding;

wij leeren uit dit opschrift, in statig latijn, dat op den vijftienden

November 1495 de Koning van Frankrijk onverwacht in dit huis verscheen

om er den avondmaaltijd te gebruiken.--Gedurende zijn verblijf te

Pisa woonde Karel VIII in het paleis der Medici, op het Lungarno.--Een

koninklijke gast meer of minder beteekent op zich zelf niet zoo heel

veel, waar het een historische plek geldt als het Domplein te Pisa;

maar de verschijning van Karel VIII was voor de geschiedenis dezer

stad van zeer bijzonder gewicht: zij gaf het sein tot den opstand

tegen de gehate florentijnsche overheersching. De inscriptie, die de

herinnering aan het koninklijk souper bewaart, noemt Karel VIII den

grondlegger der pisaansche vrijheden en vergelijkt zijne edelmoedigheid

met die van Alexander de Groote.

Bezien wij nu even de _Opera del Duomo_, afgescheiden van die

historische herinnering. De aanblik van de benedenverdieping is

niet uitlokkend; er heerscht een volkomen en toch volstrekt niet

schilderachtige wanorde; de kleedkamer der kanunniken grenst aan de

_Scuola di musica_ en aan het _Magazzino della cera_ (kaarsenmagazijn);

een en ander bedorven door restauraties, die getuigenis afleggen van

een bij uitnemendheid slechten smaak. Maar wij willen hierbij niet

stilstaan. Grassi, de schrijver der _Descrizione storica ed. artistica

di Pisa_, in 1836-37 uitgegeven, spreekt met veel ophef van de

schilderijen in het gebouw: het gewelf van de benedenverdieping,

beschilderd door G. Stefano Maruscelli; het portret van een

heilige, door Salvator Rosa; eene Madonna, van Perino del Vaga; een

Sint-Nicolaas van Bari, door Curradi; twee Apostelen, van Sogliano;

een Sint-Antonius van Padua en een Sint-Philippus Neri, van Piero

da Cortona; en wat al niet meer! Bij al deze min of meer banale, in

meerdere of mindere mate gerestaureerde schilderijen zullen wij ons

niet ophouden, evenmin als bij de Madonna's en de Christusbeelden

uit de middeneeuwen, die in de vertrekken van de eerste verdieping

zijn ten toon gesteld; genoegzaam allen missen dat onuitsprekelijke,

dien vonk van het genie, die alleen dergelijke voorwerpen van devotie

tot kunstwerken stempelt. Daarentegen veroorloof ik mij de aandacht

der eventueele bezoekers te vestigen op enkele fragmenten, waarvan de

reisgidsen geene melding maken, en wel in de eerste plaats op eene

fresko, voorstellende een jong meisje in een blauw kleed, met eene

korf vol vruchten op het hoofd: eene schilderij vol aantrekkelijkheid

en waarin ik de hand van Benozzo Gozzoli meen te herkennen. Van waar

is dit fragment afkomstig en wanneer is het hierheen gebracht? Men

zegt mij, dat dit brokstuk omstreeks vijftien jaar geleden uit de

_Stanza della Fraternità_ is weggebroken.

Deze zaal op de bovenverdieping, waar Karel VIII heeft gesoupeerd,

heeft nog haar oude houten zoldering, op zware balken rustende, die

vroeger met schilderwerk waren versierd. De _al fresco_ geschilderde

rand herinnert aan de omlijstingen van Benozzo Gozzoli in het

Campo-Santo: het is hetzelfde lofwerk en dezelfde kinderfiguren

(_putti_), die medaillons houden. Zou de beroemde florentijnsche

meester, in de laatste jaren zijns levens, zich met de versiering

dezer zaal hebben onledig gehouden?

Verder ziet men boven eene deur eene inscriptie, vermeldende dat Keizer

Karel IV en Koning Karel VIII in dat vertrek hebben geslapen. De

aanhef van dit opschrift is inderdaad karakteristiek: _somno et

quieti sacrum_, aan den slaap en de rust gewijd. Is het niet, of de

stad Pisa zich zelve in die drie woorden had willen teekenen?

Pisa De Aarde en haar Volken, 1887 · 第 4 / 6 题