III

Eenige schreden van den dom staat de doopkapel, een niet minder

indrukwekkend monument, in denzelfden stijl ontworpen, hoewel het

bijkans eene eeuw jonger is.

Met den bouw van de doopkapel werd in 1153 een aanvang gemaakt door den

pisaanschen architekt Diotisalvi, die met de werken zooveel spoed liet

maken, dat reeds na drie jaren de benedenverdieping voltooid was. Met

de verdere voltooiing ging het minder voorspoedig; door gebrek aan

geld was men genoodzaakt het werk te staken, dat eerst in 1278,

alzoo eene eeuw later, voltooid werd.

De doopkapel is eene rotonde met drie verdiepingen; de onderste bestaat

uit twintig in den muur gevatte zuilen, waarop blinde bogen rusten;

de daarop volgende uit zestig kolommen, aan den top versierd met

een menschenhoofd; de bovenste uit acht-en-twintig pilasters door

vensters afgewisseld. De gothische baldakijns boven de tweede en

de derde verdieping met de daarin aangebrachte beelden van profeten

en apostelen zijn--het behoeft ter nauwernood gezegd te worden--een

toevoegsel uit de dertiende eeuw. Een niet zeer fraaie koepel bekroont

het gebouw, dat een omtrek heeft van ongeveer honderd-zeven ellen en

eene hoogte van bijna vijf-en-vijftig el.

Twee prachtig gebeeldhouwde kolommen omlijsten de hoofddeur, tegenover

den dom; even als de zuilen aan den hoofdingang der kathedraal,

zijn ook deze kolommen van boven tot onder bedekt met lofwerk en

bloemen, wier kelken bijvoorbeeld eene zittende vrouw die op de luit

speelt bevatten of een nest met vogeltjes. Het is eene zonderlinge,

wegsleepende kunst, niet meer die der middeleeuwen, nog niet die der

Renaissance: men krijgt den indruk eener ontijdige ontwikkeling,

intuïtie van de oudheid, maar die halverwege is blijven staan: de

Renaissance van de vijftiende eeuw ging van andere gezichtspunten

uit. Ware deze pisaansche renaissance van de twaalfde en de dertiende

eeuw tot hare volle ontwikkeling gekomen, dan zou zij ons iets anders

gegeven hebben dan de eigenlijke Renaissance; maar door velerlei

oorzaken werd zij plotseling in haar ontwikkeling gestuit en haar

inderdaad grootsche pogingen bleven zonder gevolg.

De deurstijlen prijken met bas-reliefs, voorstellende Christus, koning

David, de apostelen en de zinnebeelden der maanden. Op de architraaf

is de marteldood van den Dooper gebeiteld, benevens tafreelen uit

het leven van den Zaligmaker en de doop bij indompeling. Nog andere

beelden en bas-reliefs tooien het bovengedeelte van dezen gevel, die

bij uitnemendheid rijk versierd is; daaronder verdienen meer bijzonder

vermelding de beelden van de Madonna met het Kind, van den Dooper en

van Sint-Jan den Evangelist. Deze kunstwerken zijn uit het laatst van

de dertiende of het begin van de veertiende eeuw; zij toonen echter

duidelijk de minderheid van de school van Pisa in rond beeld werk.

De deur aan den tegenovergestelden kant--daar zijn er vier, gericht

naar de vier windstreken--is slechts omlijst door twee kolommen,

waarvan de spiraalvormige groeven herinneren aan sommige byzantijnsche

zuilen, met name aan die van Sint-Apollinaris in Classe bij Ravenna,

of aan die van San-Clemente te Rome.

De doopkapel bestaat uit twee concentrische gedeelten: een soort van

gang of binnenportiek en de eigenlijke kapel onder den koepel, die

door twee boven elkander geplaatste rijen kolommen of pilaren gedragen

wordt. De onderste rij bestaat uit acht prachtige monolithzuilen en

vier pilaren, op wier kapiteelen de rondbogen rusten; de bovenste

rij verschilt alleen hierin van de andere, dat hier de zuilen door

pilaren vervangen worden. Rondom de portiek loopen drie trappen,

die een soort van amphitheater vormen, van waar de toeschouwers de

heilige plechtigheden kunnen gadeslaan.

De doopkapel is, even als de dom, arm aan kunstwerken; de voornaamste

dekoratie bestaat wel in de afwisseling van wit en zwart marmer;

verder komt ook hier alles op de architektonische ordonnancie aan.

Het voorwerp, dat in de eerste plaats de aandacht trekt, is een

groote achtkantige kuip, midden in de kapel op een voetstuk van drie

treden geplaatst. Zoowel door hare afmeting als door haar vorm voert

die doopvont ons terug naar de tijden, toen men den doop nog bij

indompeling toediende: zij heeft ruimte voor verscheidene personen

te gelijk.

Aan vier hoeken zijn kleinere bekkens of kuipjes aangebracht, die,

naar men zegt, voor den doop van kinderen waren bestemd. De drie

treden, waarlangs men naar de doopvont opklom, en de acht vakken,

verdeeld in zestien compartimenten, zijn versierd met verschillende

ingelegde figuren van gekleurd marmer, zoo als ruiten, sterren en

andere; het midden der zestien kompartimenten wordt ingenomen door

rijk bewerkte rozen in relief.

Verschillende nieuwere schrijvers noemen als den maker van deze

doopvont Tino di Camaino van Siena, die haar in 1312 zou hebben

vervaardigd. Maar oude dokumenten spreken alleen van eene doopvont,

welke deze kunstenaar voor den dom zou hebben gebeiteld, met

bas-reliefs, voorstellende de levensgeschiedenis van Johannes den

Dooper: een kunstwerk dat sinds lang verloren is geraakt.

Op eenige schreden afstands van de kuip staat, geheel op zich zelven,

de marmeren predikstoel, het meesterstuk van Nicolo Pisano en de

glorie van de doopkapel. Dit beroemde kunstwerk, in 1260 voltooid,

bestaat uit een zeshoek van marmer, gedragen door negen kolommen van

geaderd marmer, porfier of oostersch graniet, waarvan sommigen op

den rug van leeuwen rusten. Allegorische figuren in hoog relief en

vooral de zes met bas-reliefs versierde vakken verhoogen de waarde

van de op zich zelve reeds schoone architektonische ordonnancie,

die door losheid en sierlijkheid uitmunt.

Deze preekstoel in de doopkapel te Pisa is echter nog iets meer dan

het meesterstuk van een groot kunstenaar: dit monument is een datum

in de geschiedenis der beeldhouwkunst.

In den tijd toen deze verwonderlijke monumenten van Pisa ontstonden,

was juist de beeldhouwkunst welhaast tot het laagste peil gezonken. Men

kan zich moeilijk lomper, vormeloozer, barbaarscher gewrochten

denken. Alle gevoel voor en besef van de eigenaardigheden van het

menschenbeeld schijnt verloren; de lichamen hebben eene monsterachtige

gedaante; de gelaatstrekken drukken weinig meer dan stompzinnig

idiotisme uit. Om zich hiervan te overtuigen, heeft men slechts een

blik te werpen op de grijnzende, verwrongen, schier verdierlijkte

koppen, die men in overvloed in alle kerken van Pisa kan zien, even

als op de bronzen deur van het transept van den dom, die voor het

werk van Bonanno doorgaat.

De geheele geest van de romaansche school was niet gunstig voor de

studie der natuur. Haar streven was in de eerste plaats gericht op

het uitdrukken van abstrakte begrippen, en ook in haar vormen hield

zij zich bovenal aan geometrische figuren: regelmaat en harmonie waren

voor haar hoofdzaak. Een noodzakelijk gevolg van deze kunstopvatting

was, dat het menschenbeeld ondergeschikt bleef aan het effekt dat

een of ander deel van het monument bestemd was te weeg te brengen,

en dat de skulptuur zelve een wezenlijk onderdeel bleef van de

architektuur. Bovendien werd de getrouwe afbeelding van de in de natuur

bestaande voorwerpen verdrongen door symboliek. Een twijg met drie

bladeren aan het eind verbeeldde een boom; enkele vluchtig aangegeven

kanteelen moesten eene ommuurde stad voorstellen.--Daar kwam nog iets

bij. Juist in het laatst der elfde en het begin der twaalfde eeuw

had zich, ten gevolge vooral van de veelzins treurige en schijnbaar

hopelooze toestanden op staatkundig en maatschappelijk gebied, met

name ook in Italië, eene sombere, wanhopige levensbeschouwing van de

gemoederen der menschen meester gemaakt: eene levensbeschouwing, die

in niet geringe mate haar invloed op de Kerk en door deze op de kunst

gelden liet. Aan den ingang der kerkgebouwen grijnsden monsterachtige

leeuwen de geloovigen aan, als gereed om hen te verscheuren;

aan den voorgevel werd de blik, met schrik en huivering, geboeid

door eene gansche reeks van fantastische gedrochten, basilisken,

draken, griffioenen; overal werd de verbeelding, als door eene

benauwde nachtmerrie, gedrukt en geketend door allerlei sombere,

schrikwekkende voorstellingen. De Kerk zelve ontaardt meer en meer in

een ijzeren stelsel, eene dwingende macht, die de geesten beheerscht

en bovenal door schrik en vrees de onrustige gemoederen in bedwang

tracht te houden.

Het zou hier de plaats zijn om te spreken van dien zeldzamen man, den

heiligen Franciscus van Assisi (1182-1226), buiten eenigen twijfel een

der grootste mannen na de apostelen, door wien niet alleen voor de Kerk

een nieuw tijdperk van verjongd en verhoogd geestelijk leven aanbrak,

maar van wien eene kracht uitging, die ook de maatschappij herschiep,

haar met een anderen, frisscheren geest, den geest der liefde en

toewijding, doordrong; den wondermachtigen man, het geheim van wiens

kracht toch in niets anders lag dan in zijne volkomen overgave aan

zijnen Heiland, in zijne grenzenlooze liefde, wel waarlijk de liefde

van Christus zelven nabij komende. Deze man oefende ook, middellijk

en door don nieuwen geest die van hem uitging, een herscheppenden

invloed uit op de kunst, en gansch niet ten onrechte worden de eerste

beginselen van de oudste italiaansche renaissance met den persoon en

het werk van Sint-Franciscus van Assisi in verband gebracht.

Juist in den eersten tijd van het optreden van den heiligen apostel der

vrijwillige armoede, der volkomen toewijding aan het hoogste ideaal,

omstreeks 1206, werd te Apulia in Toskane een dier verwonderlijke

kunstenaars geboren, die met een enkelen sprong het einddoel

bereiken, soms zelfs voorbijstreven, en wier plaats veel meer onder

het nageslacht dan onder hunne evenouders schijnt te zijn. Nicolo

Pisano, want van hem spreken wij, is een hervormer, een wegbaner,

een schepper, de evenknie van een Brunellesco, van een Donatello

of van de gebroeders Van Eyck, de beroemde vlaamsche schilders;

een dier meesters, die zich aanstonds tot zoo ongelijkbare hoogte

verheffen, dat hunne opvolgers, gedurende verscheidene geslachten,

hen niet alleen niet kunnen overtreffen, maar zelfs niet evenaren.

Wij kunnen hier niet breedvoerig uitweiden over het leven en de

werken van Nicolo Pisano, die in 1280 te Pisa overleed; maar niet

geheel onbeantwoord laten mogen wij de vraag, hoe die kunstenaar er

toe gekomen is om, in plaats van de wanstaltige gewrochten zijner

voorgangers, een nieuwen en zoo volkomen stijl te scheppen? Van waar

is ze hem aangekomen, die edele kunst der juiste evenredigheid,

van den harmonischen rythmus, van adel en uitdrukking; die hooge,

waarachtige kunst, waarvan het geheim sedert zoo vele eeuwen verloren

scheen te zijn gegaan? Op deze vraag moet het antwoord wel in de eerste

plaats luiden: van de studie der antieken. Die stelde hem in staat,

de beeldhouwkunst te herscheppen, zoo als de bouwmeesters van Pisa,

omstreeks twee eeuwen vroeger, het aan deze studie te danken hadden,

dat zij de architektuur konden herscheppen. De modellen der antieke

kunst ontbraken niet te Pisa, waar men er zich reeds vroeg op toelegde,

deze kostbare en roemrijke overblijfselen eener ondergegane beschaving

te verzamelen. Herhaalde malen brachten de burgers van Pisa, van

hunne verre handels- en krijgstochten, zuilen, kapiteelen en vooral

sarkophagen naar hunne vaderstad mede.

Het is dus niet noodig te onderstellen, dat Nicolo Pisano in zuidelijk

Italië, aan het hof van Keizer Frederik II, de antieke kunst heeft

leeren kennen en zich van haar geest doordrongen: Toskane bood hem in

overvloed modellen ter bestudeering aan. Nog heden ziet men, op weinige

schreden afstands van den predikstoel in de doopkapel--het meesterstuk

van den pisaanschen beeldhouwer--de antieke bas-reliefs die hij

heeft nagevolgd: de vaas met den indischen Bacchus en den sarkophaag,

waarop de geschiedenis van Phedra en Hippolytus is voorgesteld.

Toch zou men zich vergissen, als men meende dat Nicolo Pisano zijne

inspiratie uitsluitend aan de antieke kunst dankt. Naast verheven,

ideale figuren, zoo als de Madonna, de engelen en anderen, ziet men

van hem beelden en groepen aan het echte natuurleven, aan de meest

gewone werkelijkheid ontleend: een ram, die zich den kop krabt,

een hinnekend paard en dergelijken. Zou niet bepaaldelijk in dien

zin voor de natuur, in dat nauwgezette waar- en opnemen van de lagere

schepping, de invloed merkbaar zijn van den grooten en teederen heilige

van Assisi, die de bloemen des velds zijne zusterkens noemde, met de

vogelen en visschen verkeerde en in zijn brandend liefdehart ruimte

had voor de gansche natuur?

Voorts heeft men in deze sporen van naturalisme misschien ook den

invloed te herkennen van den gothischen stijl. Trouwens, de gothiek

is juist de verheven uitdrukking van de nieuwe behoeften en strevingen

van de middeleeuwen in haar tweede, schoonste tijdperk. Zoo eenvoudig,

ernstig, streng de romaansche kunst met den haar kenmerkenden vollen

rondboog was, zoo los, veelzijdig, golvend, speelsch is de gothische

kunst, die tot uitgangspunt neemt den spitsboog, dat wil zeggen eene

bij uitnemendheid kunstmatige formule. In de gothiek heeft de fantazie

vrij spel en dringt allengs het koele, beredenerend en berekenend

verstand op den achtergrond; de gothische kathedralen schijnen eene

bespotting van de grondwetten der architektuur, van de beginselen

der geometrie; maar in haar ontplooit zich, naast het verhevenste

idealisme, het volle natuurleven, vaak in zijne grilligste vormen en

gestalten. De uit langen sluimer ontwaakte verbeelding schept zich een

nieuwe, schilderachtige, kleurrijke taal, overvloeiende van beelden

en symbolen, vol stoute vlucht, ideale verheffing en tevens vol humor

en geest.

De bas-reliefs van Nicolo onderscheiden zich door de breede

behandeling, door adel en schoone ordonnancie. Men kan zich moeilijk

beeldwerken denken, die beter voegen bij hunne omgeving, bij die

verwonderlijk schoone monumenten van de pisaansche architekten van

de elfde en de twaalfde eeuw.

Toch mogen wij niet verzuimen op eene leemte te wijzen in deze

kunst, die zich reeds bij haar eerste verschijning zoo hoog verheven

heeft. Om te beseffen, welke die leemte is, heeft men slechts een

blik te werpen op de vele beelden, die omstreeks denzelfden tijd toen

Nicolo Pisano arbeidde, in zoo menige stad van noordelijk Frankrijk

en van de zuidelijke Nederlanden werden gebeiteld, en die eene zoo

sterke tegenstelling vormen met de scheppingen van den pisaanschen

meester. Ongetwijfeld wint deze laatste het van de oude fransche

_imagiers_ en onze beeldsnijders door juistheid van compositie en

zuiverheid van lijnen; maar hij is verre hun mindere als het op de

uitdrukking van diep en innig gevoel, van het gemoedsleven aankomt. De

stijl van Nicolo, zoo als trouwens die van al zijne opvolgers, heeft

inderdaad iets droogs en kouds; de vervaardigers van de beelden in onze

kathedralen mogen inderdaad genoemd worden als waardige mededingers

van den doorluchtigen toskaanschen meester. Hun heeft echter een

Vasari ontbroken, om hun lof aan het nageslacht te verkondigen of

voor het minst hunne namen der vergetelheid te ontrukken.

Volgens Vasari zou de eerste kampioen voor de gothische architektuur in

Italië niemand anders zijn geweest dan Nicolo Pisano. Het is bekend,

de rijkbegaafde kunstenaars van dien tijd plachten, even als die van

de latere Renaissance, zich niet tot de beoefening van eene enkele

kunst te bepalen. Nicolo Pisano muntte, even als zijn zoon Giovanni,

tegelijkertijd in de bouwkunst en in de beeldhouwkunst uit; datzelfde

gold van Arnolfo di Cambio, hun medearbeider, en van Fra Guglielmo

d'Agnello, zoowel als van de gelijktijdige romeinsche kunstenaar,

de Cosmati. Vasari stelt een groot aantal gebouwen op naam van

Nicolo, niet alleen in Toskane, maar ook te Napels, te Padua,

te Venetië. Maar indien het als zeker mag worden aangenomen, dat

Nicolaas de bouwkunst heeft uitgeoefend, zoo is het niet minder zeker,

dat geen enkel gebouw hem met eenigen grond van waarschijnlijkheid

kan worden toegeschreven. Wij hebben hier hetzelfde verschijnsel,

dat zoo menigmaal in de kunstgeschiedenis voorkomt: de faam van den

grooten meester heeft die van zijne talrijke medewerkers geheel in

de schaduw gesteld. De legende heeft in een enkelen naam den arbeid

en het streven van een geheel menschengeslacht saamgevat.

Van den zoon van Nicolaas, Giovanni Pisano, weten wij daarentegen met

zekerheid, dat hij de schepper is van aantal hoogst belangrijke werken:

hij bouwde den voorgevel van de kathedraal van Siena, hij voltooide

de kathedraal te Prato, en van hem is ook het beroemde monument,

waarmede wij ons nu moeten bezig houden, het Campo-Santo van Pisa.

De stichting van het Campo-Santo hangt, even als die van den dom,

samen met eene militaire expeditie der Pisanen. De kroniekschrijvers

verhalen dat de aartsbisschop Ubaldo de' Lanfranchi, aanvoerder

van het contingent, waarmede de republiek aan den derden kruistocht

(1189-1192) deelnam, op de gedachte kwam om eene groote hoeveelheid

aarde, aan den Calvariënberg ontleend, naar zijne vaderstad te laten

overbrengen. Te Pisa teruggekeerd, kocht hij een terrein nabij den dom

en richtte dat in tot begraafplaats, na het vooraf met die gewijde

aarde te hebben bedekt. Eeuwen lang hield het geloof stand, dat de

lijken, die in dezen heiligen grond werden ter aarde besteld, binnen

vier-en-twintig uren geheel waren vergaan.--Het gebouw zelf van het

Campo-Santo is veel jonger dan de begraafplaats: in 1278 begonnen, werd

de bouw in 1283 voltooid, ongeveer eene eeuw na den derden kruistocht.

Het Campo-Santo vormt, evenwijdig met den dom en de doopkapel,

een grooten rechthoek; aan de buitenzijde bedraagt de lengte

ruim honderd-negen-en-twintig meter, bij eene breedte van ruim

vier-en-veertig meter; aan de binnenzijde is de lengte ongeveer

honderd-zeven-en-twintig en de breedte twee-en-veertig meter. De

muur heeft geene openingen, als moest dit heiligdom geheel van de

buitenwereld afgesloten blijven. De lange muur is evenwel versierd

met een reeks van blinde bogen van dezelfde orde als aan den dom,

den campanile en de doopkapel. De hoofdingang prijkt met een gothisch

baldakijn, met zes standbeelden versierd, waaronder vooral vermelding

verdient de Madonna met het Kind, van de hand van Giovanni Pisano.

De sobere eenvoud van het uitwendige doet de schoonheid van

het inwendige te beter uitkomen. Welk eene verrassing, zoodra

ge den drempel hebt overschreden! Galerijen van niet minder dan

tien-en-een-halve el breedte; eene reeks van twee-en-zestig open

arkaden in den rijksten gothischen stijl, waardoor het volle licht in

de galerijen binnenstroomt; een open kap, die de aandacht trekt en een

uitmuntend effekt maakt; in de vakken tusschen de bogen een weergalooze

reeks van antieke beeldwerken; langs de wanden eene schilderachtige

mengeling van busten, standbeelden, marmeren groepen; op de wanden

de meest omvattende cyclus van freskoos uit de middeleeuwen en

de Renaissance, waarop eenig monument in Italië roem kan dragen;

eindelijk, op den grond tallooze grafzerken, sommigen uitgesleten,

anderen door vrome harden gerestaureerd: ziedaar het schouwspel dat

onze blikken geboeid houdt, en dat grootsch en eenig is te noemen

onder alles wat het goddelijke Italië ons kan te genieten geven. De

reisboeken geven den raad, het Campo-Santo des nachts, bij helder

maanlicht, te bezoeken; en zij hebben gelijk: om van dergelijke

visioenen het ware genot te hebben, is niet alleen eene bijzondere

gemoedsstemming, maar bijna ook een bovenaardsch licht noodig.

Op het eerste gezicht beantwoordt het Campo-Santo van Pisa niet

aan de voorstelling, die men zich van zulk een monument maakt. Men

verwacht een grooten, ruimen doodenakker te zullen zien, door smalle

galerijen omgeven, zoo als te Milaan, te Genua, te Bologna. Maar hier

is de verhouding juist omgekeerd, en uit het oogpunt der kunst kan

men niet anders dan zich daarover verheugen. Het eigenlijke kerkhof

is buitengewoon klein:--het bestaat uit vier grasperken, met enkele

bloemen versierd en van afstand tot afstand met heesters beplant,

met vier cypressen aan de hoeken en in het midden eene zuil, door

eene rozenstruik omslingerd. De galerij of portiek daarentegen, die

dit kerkhof omgeeft is kolossaal; en Jan van Pisa, die hier toonde

een geniaal bouwmeester te zijn, heeft gewild dat die galerij

waardig zou zijn de bewaarplaats te wezen van zoo uitnemende

schatten: zij is eenvoudig en grootsch tegelijk. Het stond te

vreezen dat de eindelooze herhaling van hetzelfde motief in de

twee-en-zestig arkaden den indruk van eentonigheid zou maken. Om

dit gevaar te ontgaan, heeft de pisaansche architekt, met behoud

van den rondboog als hoofdmotief--hetgeen met het oog op den dom,

den campanile en de doopkapel onvermijdelijk was;--dien boog met den

meest gewenschten uitslag aan den spitsboog als gehuwd. Elke arkade,

door een rondboog afgesloten, heeft van boven eene zesbladerige roos,

rustende op eene middenpijler, waardoor het overige van de arkade

in twee groote vensternissen wordt verdeeld; deze vensters, die van

boven evenzeer met eene roos zijn versierd, worden op hun beurt door

kleinere pijlers weder in tweeën verdeeld; zoodat elke arkade drie

rozen, drie pijlers en vier vensteropeningen bevat: eene ordonnancie,

even rijk als harmonisch, waardoor met behoud van de regelmatigheid

tevens de noodige afwisseling verkregen wordt.

Van eigenlijke graven, van kruisen, in 't algemeen van eigenlijke

gezegde grafteekenen, is nergens een spoor te ontdekken; in deze

ideale nekropolis worden uitsluitend gedenkteekenen toegelaten.

Want, in spijt van zijn naam en zijne oorspronkelijke bestemming,

is het Campo-Santo veel meer het pantheon van den roem en de glorie

van Pisa, dan wel eene eigenlijke begraafplaats. De uitingen van

vurig, hartverheffend geloof, de triomfen der vaderlandsliefde, de

verheerlijking van groote mannen en groote feiten,--zij nemen hier

de eerste plaats in en dringen de zuiver persoonlijke aandoeningen en

gevoelens, den rouw der familie bij het verlies van een harer leden,

op den achtergrond. Zelfs ontvangt ge hier niet den indruk van de

ijdelheid van al het ondermaansche, van de nietigheid des levens. Niets

treurigs of sombers, met uitzondering misschien van de schilderijen,

op naam van Orcagna gesteld; niets dat aan dood en sterven doet denken;

of liever, de dooden verschijnen hier voor ons in hetgeen zij reeds

op aarde onsterfelijks hebben gewrocht, in den glans hunner groote

daden, hunner geniale scheppingen. Maar ook, welk eene verzameling

van gedenkteekenen: van het monument der gravinne Beatrix, moeder van

de beroemde gravin Mathilde, tot dat van de zangeres Catalani; van

de tombe van Keizer Hendrik VII, tot die van den schrijver Algarotti,

opgevoed voor rekening van den zuinigen Frederik II van Pruisen, of de

tombe van den geschiedschrijver Fabroni! En welk eene overstelpende,

verbijsterende verzameling van meesterstukken, van de onvergelijkelijke

collectie van grieksche en romeinsche sarkophagen, en de marmeren

vaas met den indischen Bacchus, dien Nicolo Pisano kopieerde, tot de

beeldwerken van Giovanni Pisano en de freskoos van Benozzo Gozzoli.

Bij de beschrijving van deze haast onoverzienbare schatten en

rijkdommen volgen de reis- en handboeken doorgaans de topografische

orde en noemen de voorwerpen op, zoo als ze zich achtervolgens aan

den bezoeker voordoen. Men kan den schrijvers geen ongelijk geven:

de toeristen voor wie hunne gidsen en handleidingen bestemd zijn,

hebben bovenal haast; men moet hun dus de moeite besparen van telkens

op hunne schreden terug te keeren. Maar onze lezers weten, dat het

niet onze gewoonte is den kortsten weg te volgen, en dat wij er van

houden vrij rond te zwerven. Wij willen dit ook nu doen. Trouwens

het Campo-Santo van Pisa is niet een van die museums van den tweeden

rang, die men, met het horloge in de hand, tusschen twee treinen of

twee maaltijden kan afdoen. Is niet een belangrijk stuk italiaansche

geschiedenis, in levende beelden, op deze eerwaardige muren geschreven;

en voor zoo veel de kunst betreft, zijn deze architektonische vormen,

deze beeldwerken, deze freskoos niet als het ware de bekroning,

de hoogste uitdrukking van de oude toskaansche school? Voorwaar, de

tijd dien wij op deze gewijde plek doorbrengen, zal niet verloren zijn!

De verzameling antieke sarkophagen en bas-reliefs in het Campo-Santo

behoort tot de twee of drie belangrijkste collectiën van dien

aard in geheel Europa: zij bevat niet minder dan honderd-zeventig

nommers en veraanschouwelijkt ons de geschiedenis der beeldhouwkunst

van haar schitterenden bloei in de tweede of derde eeuw vóór onze

jaartelling tot haar volkomen verbastering in de vijfde of zesde

eeuw. Deze sarkophagen zijn voor het meerendeel naar Pisa gebracht als

zegeteekenen na de gelukkige krijgstochten, die in den loop der elfde,

twaalfde en dertiende eeuw, door de toen zoo machtige republiek naar

noordelijk Afrika, vermoedelijk ook naar Griekenland en Klein-Azië,

werden ondernomen. Aanvankelijk dienden zij om den voorgevel van

de kathedraal te versieren; in 1297, kort na de voltooiing van het

Campo-Santo, werden zij in den buitenmuur van dat monument ingemetseld;

later bracht men ze naar de binnengalerijen over, ten einde ze van

een wissen ondergang te redden.

Het ligt buiten mijn bestek, eene beschrijving te geven van deze

rijke verzameling, hoe belangwekkend zij ook moge zijn, zoowel

uit het oogpunt der kunst als uit dat der archeologie. Maar ik mag

onmogelijk zwijgen van de prachtige sarkophaag, vroeger bekend als

de sarkophaag van de _Jacht van Meleager_, thans als die van _Phaedra

en Hippolytus_. De grieksche beeldhouwkunst toont zich hier, aan den

vooravond van het christelijke tijdperk, in haar volle ontwikkeling:

aan de zuiverheid en den adel van het modelé paart zij eene onbeperkte

vrijheid en natuurlijkheid van beweging, en stort in iedere figuur

eene volheid van leven en bezieling, waarvan het geheim, gedurende

langen tijd, met haar scheen verloren te zijn gegaan.

Deze sarkophaag van _Phaedra en Hippolytus_ heeft zonderlinge

lotgevallen beleefd. Na eerst het stoffelijk overschot van een

of anderen wijsgeer of wel van eene of andere _hetaire_ der oude

wereld te hebben bewaard, ontving zij, in 1076, het gebeente van

eene der machtigste en vroomste vorstinnen der middeleeuwen, van de

gravin Beatrix. In de dertiende eeuw viel haar eene nog eervoller

onderscheiding te beurt. Het aanschouwen van deze sarkophaag was

voor Nicolo Pisano eene openbaring: zij opende hem de oogen om de

heerlijkheid der antieke kunst te aanschouwen; en zoo levendig was de

indruk door dit kunstwerk op het gemoed van den pisaanschen meester

gemaakt, dat hij aan zijne Madonna van den preekstoel in de doopkapel

de gelaatstrekken gaf van de Phaedra der sarkophaag.

Onder de middeleeuwsche beeldwerken in het Campo-Santo ten toon

gesteld, komt buiten kijf de eerste plaats toe aan den ouden preekstoel

van den dom, in 1311 door Giovanni Pisano voltooid. Zwaar beschadigd

bij den brand van 1596, moest dit kunstwerk worden weggeruimd; voor

den nieuwen preekstoel behield men in de kathedraal twee leeuwen,

die zuilen dragen, en eenige figuren van ondergeschikt belang; al

het overige werd naar het Campo-Santo gebracht. De preekstoel van

Giovanni Pisano komt in de hoofdlijnen overeen met dien, welken zijn

vader Nicolo voor de doopkapel vervaardigd had. Bij beiden rust de

marmeren stoel op zuilen, welke door leeuwen of allegorische figuren

gedragen worden; bij beiden ook verbeelden de bas-reliefs tafreelen uit

het leven van den Zaligmaker. Maar hoe verschillend is de inspiratie

bij de twee kunstenaars.

In het werk van Nicolo Pisano bewonderden wij de breedheid van

behandeling, de distinctie, de harmonie, meer dan de levendigheid

en innigheid van uitdrukking. Wel zijn sommige trekken uit het

leven gegrepen, maar het geheel ademt nog de ernstige deftigheid,

men zou haast zeggen, het plechtige, dat der romaansche kunst eigen

is. De zorg voor den stijl wint het van het streven naar dramatisch

effect. Giovanni was een leerling van zijn vader en arbeidde langen

tijd met en onder hem. Het staat vast, dat hij een meer of minder

belangrijk aandeel had aan de uitvoering van de bas-reliefs van den

preekstoel te Siëna, van de _Kruisafneming_ in den dom te Lucca, en

van de fontein te Perugia, waarvan de architektonische kompositie werd

ontworpen door zijn beroemden florentijnschen tijdgenoot Arnolfo del

Cambio. Vooral in de beide laatste werken vindt men meer uitdrukking

en minder distinctie, meer effect en minder harmonie dan in die van

Nicolo Pisano. Bij den vader wordt de smart bedwongen en beheerscht,

bij den zoon geeft zij zich onbelemmerd lucht; bij den vader verliezen

de handelende personen nooit hunne zelfbeheersching, bij den zoon

geven zij zich geheel aan hun gevoel, aan hunne aandoeningen over,

zonder zich te bekommeren om die waardigheid en kalmte, beiden in

vreugd en smart, waarvan Nicolo het geheim van de antieke kunstenaars

schijnt te hebben afgezien. Bij den vader bekleedt de studie van de

modellen der oudheid de eerste plaats boven de studie der natuur;

bij den zoon zien wij juist het omgekeerde. Giovanni is vóór alles

realist, zoowel in het weêrgeven der vormen, als in de uitdrukking der

gewaarwordingen. Ik kan den indruk niet van mij weren, dat de studie

van de noordsche, fransche of duitsche beeldhouwers van invloed is

geweest op deze buitensporige ontplooiing van het realisme.

Het geniale in het werk van den zoon mag ons het gemis van alle

harmonie, men zou bijna zeggen, het volkomen gebrek aan stijl,

niet doen voorbijzien. De architekt treedt ganschelijk achter den

beeldhouwer terug; hij denkt er niet aan, aan het geheel dat harmonisch

evenwicht te geven, zoo onmisbaar voor een kunstwerk, waarbij bouw- en

beeldhouwkunst moeten samenwerken. Er is hoegenaamd geene evenredigheid

tusschen de verschillende figuren: sommigen zijn reusachtig groot,

anderen bijna mikroskopisch klein, zonder dat de kunstenaar aan

een geleidelijken overgang denkt. In de afzonderlijke bas-reliefs,

gemis van ordonnantie: de plans zijn ternauwernood aangegeven;

in plaats van zich als eene fries geleidelijk te ontwikkelen,

zooals de kompositiën van Nicolo Pisano doen, geven die van zijn

zoon ons eene onzamenhangende mengeling van figuren te aanschouwen,

eene opeenstapeling van noodelooze details, een volkomen gemis van

nauwkeurigheid. De afzonderlijke figuren eindelijk kenmerken zich

door de onvolkomenheid van het modelé en door overdrijving van

expressie. De gestalten zijn misteekend, de standen en houdingen

gezocht en gedwongen, de uitdrukking buitensporig.

Welnu! naast al deze gebreken, welke ons elk oogenblik zouden doen

twijfelen aan de bekwaamheid, of voor het minst aan de nauwgezetheid

van Giovanni Pisano, vloeit toch het werk van dezen meester over

van schoonheden van anderen aard, die de kritiek ontwapenen: van

verwonderlijk schoone gebaren en bewegingen, van openbaringen des

levens, uit het diepst des harten geweld.

Nemen wij tot voorbeeld zijn _Kindermoord_ te Pistoja. Wij worden

verplaatst te midden van de slachting; eene moeder vlucht met haar

kind in de armen; eene andere roept in wanhoop de genade in van den

onvermurwbaren dwingeland; eene derde omsluiert zich het gelaat, om

het moordtooneel niet langer aan te zien; nog eene andere tracht haar

van schrik verstijfden zoon op te heffen; eene andere buigt zich over

haar kind om van zijn half geopende lippen den laatsten ademtocht op

te vangen. De kunstenaar geeft ons hier als het ware de moedersmart te

aanschouwen in al hare vormen en openbaringen. Zijne voorstelling is de

aangrijpende illustratie van het aandoenlijk woord van den evangelist:

"Rachel beweende hare kinderen en wilde niet vertroost worden, omdat

zij niet meer zijn."

Niet minder aangrijpend is de _Kruisiging_. Ter linkerzijde de

Moedermaagd, die in onmacht valt; in hare nabijheid een snikkende

discipel en eene der heilige vrouwen, die met wanhopend gebaar

de handen ten hemel heft; rechts, de jongeren, die als door een

panischen schrik bevangen, haastig wegvluchten. Zoo doet dan eindelijk,

na Laokoon en Niobé, opnieuw het dramatische, pathetische element

zijne intrede in de beeldhouwkunst: toch is het niet de nog altijd

ideale, geadelde smart van Laokoon of Niobé, maar veelmeer eene

zeer alledaagsche, zeer realistische smart, die jammert en huilt en

zich in heftige gebaren uit. En tot welken prijs wordt deze triomf

gekocht! Hoe duur betalen wij de aandoening, welke dit of dat werk

van Giovanni Pisano in ons opwekt!

De standbeelden van Jan van Pisa zijn doorgaans beter en zorgvuldiger

bewerkt dan zijne bas-reliefs, die hij, naar het schijnt, voor

een goed deel aan zijne leerlingen en helpers overliet. In het

Campo-Santo vinden wij van hem eene Madonna, die zich door zeer

gelukkige proportiën en een monumentaal karakter onderscheidt, al

kan zij de vergelijking niet doorstaan met de bewonderenswaardige

beelden der gelijktijdige fransche beeldhouwers.

Het mausoleum van Keizer Hendrik VII van Luxemburg (1308-1313) voert

ons terug naar de woedende twisten tusschen Welfen en Ghibellijnen,

in de eerste jaren der veertiende eeuw. De Ghibellijnen--en

aan hunne spits de onsterfelijke dichter der _Divina Commedia_,

Dante,--hadden al hunne hoop gebouwd op den Keizer, die, naar zij

zich vleiden, een einde zou maken aan de rampen, door de verbitterde

partijschappen over Italië uitgestort. Aanvankelijk scheen het

krachtdadig optreden van den opvolger der Caesars de hoog gespannen

verwachtingen zijner aanhangers te rechtvaardigen. In 1311 te Milaan

verschenen, zette Hendrik zich daar de ijzeren kroon op het hoofd en

nam de meest energieke maatregelen om de welfische steden aan zijn

gezag te onderwerpen. Over Genua begaf hij zich naar Pisa, waar

hij met de grootste geestdrift ontvangen werd door de bevolking,

die hem behalve eene gift van zestigduizend gouden florijnen, eene

prachtige tent aanbood, uit kostbare stoffen geweven en met goud

en edelgesteenten versierd. Gedurende zijn verblijf te Pisa, sprak

hij den Rijksban uit over de steden Florence en Lucca, de eeuwige

vijandinnen van Pisa. Na te Rome als Keizer te zijn gekroond en met

voordeel gestreden te hebben tegen Koning Robert van Napels en zijne

bondgenooten, vestigde hij andermaal te Pisa zijn hoofdkwartier. Hij

hield zich daar bezig met het bijeenbrengen van een talrijk leger, om

daarmede het koninkrijk Napels te veroveren, toen hij, op een zijner

expedities, in 1313, bijna plotseling, te Buonconvento, nabij Siëna,

overleed. Overeenkomstig zijn laatsten wil, werd zijn lijk naar de stad

Pisa gebracht, welke hij zoozeer beminde, en in 1315 ter aarde besteld

in het mausoleum, dat de Pisaners voor hem in de kathedraal hadden

opgericht. Na herhaaldelijk te zijn verplaatst, werd dit monument in

1330 naar het Campo-Santo overgebracht, waar het sedert verbleef.

Het mausoleum (zie bladz. 17) is het werk van een bekwaam beeldhouwer

uit de school van Siëna, Pino di Camaino, gestorven in 1339. De Keizer

is liggende afgebeeld, gekleed met de keizerlijke dalmatiek en met

de armen op de borst gevouwen. De trekken zijn scherp geteekend; het

gelaat is baardeloos, mager en hoekig, met vooruitstekend voorhoofd. Op

de voorzijde van de sarkophaag, waarop de monarch rust, zijn, onder

bogen, in hoog-relief, de beelden van de twaalf apostelen uitgehouwen;

deze figuren zijn beneden het middelmatige, zonder karakter en zonder

uitdrukking.--Het architektonisch gedeelte van het mausoleum verdient

bijzonder de aandacht, vooral omdat daaruit blijkt, hoezeer Pino di

Camaino zich, op het voetspoor van Nicolo Pisano, naar oud-romeinsche

modellen inspireerde.

Eene zerk met het opschrift _S. Stefani de Cionis aurificis et

h. suorum_ (van heer Stefano, zoon van Cione, goudsmid, en van zijne

erven), en met een wapenschild waarop een leeuw of een wild zwijn is

afgebeeld, roept de herinnering voor onzen geest aan die uitmuntende

goudsmeden van de dertiende en de veertiende eeuw, in wier werkplaatsen

zoovele groote kunstenaars hunne eerste vorming ontvingen.

Nevens deze kunstwerken mogen wij ook de historische herinneringen

niet over het hoofd zien. Een van de aandoenlijkste relieken,

die in het Campo-Santo bewaard worden, zijn zeker wel de beroemde

kettingen, waarmede de oude haven van Pisa kon worden afgesloten. In

1362 door de Genueezen weggenomen, werden zij vijftien jaren later

door de overwinnaars ten geschenke gegeven aan de Florentijnen,

de onverzoenlijke vijanden der Pisanen. Eeuwen lang prijkten deze

zegeteekenen in de doopkapel te Florence, tot zij in 1848, in eene

opwelling van edelmoedigheid, aan het thans volkomen onschadelijke

Pisa, de vroegere mededingster der toskaansche hoofdstad, werden

teruggegeven. In 1860 gaf Genua op haar beurt het nog ontbrekende stuk

dezer kettingen, dat nog in haar bezit gebleven was, insgelijks terug,

vijf eeuwen nadat ze waren weggevoerd.

De school van Pisa, die in de eerste helft der middeleeuwen met

zoo rijke belofte optrad en zoo schitterenden glans verspreidde,

beantwoordde niet aan de opgewekte verwachting, maar zonk weldra

in machtelooze vergetelheid weg. De grootsche poging, door Nicolo,

Giovanni en Andrea Pisano--den beeldhouwer van de deur der doopkapel

te Florence--in de dertiende en veertiende eeuw beproefd, scheen

de krachten der school te hebben uitgeput. In de vijftiende eeuw

is zij niet meer bij machte, zich aan te sluiten aan het roemrijk

streven der Florentijnen; hoogstens vindt men nog nu en dan eenige

tombe of eenig bas-relief, dat den stempel draagt der Renaissance,

en dan nog zijn deze werken van ondergeschikte beteekenis afkomstig

van kunstenaars uit de omstreken van Florence of Carrara.

Het marmeren borstbeeld van de beroemde Isotta, de maîtresse en daarna

de echtgenoote van Sigismond Malatesta, den tiran van Rimini, behoort

mede tot deze kategorie van kunstwerken: deze buste is allerminst

geschikt om ons een hoog denkbeeld te geven, hetzij van de schoonheid

van Isotta, hetzij van het talent des kunstenaars. Naar mijne meening,

heeft men zeer ten onrechte dit borstbeeld voor het werk van Mino da

Fiesole aangezien; de bustes van dezen florentijnschen meester zien

er heel anders uit.

De eigenlijke Renaissance is in het Campo-Santo ter nauwernood

vertegenwoordigd. De reisgidsen maken grooten ophef van een marmeren

schild, zwak en week van bewerking, in welks midden een borstbeeld

is gebeiteld, waarin zij het portret van Michel-Angelo meenen te

herkennen. Buiten kijf hebben de gelaatstrekken eenige overeenkomst met

die van den grooten florentijnschen beeldhouwer, maar die overeenkomst

is louter toevallig en men kan daaraan hoegenaamd geen gewicht hechten.

Wij zullen niet stilstaan bij de monumenten van later tijd, ook

al zijn daaronder van beroemde meesters, omdat men in vele andere

steden soortgelijke of nog betere werken van dezelfde kunstenaars

vinden kan. Maar wel kost het moeite, zich te onthouden van de

ontcijfering dier tallooze grafschriften, welke de herinnering

bewaren aan meer of minder beroemde mannen en vrouwen uit schier

alle deelen der wereld, wier stoffelijk overschot hier ter ruste is

gelegd. Hoevele dooden, wier geschiedenis men zoo gaarne kennen zou:

edele burgers van het stille Pisa, doorluchtige vreemdelingen, die eene

schuilplaats zijn komen zoeken aan de oevers van den Arno. Welk eene

machtige bekoring hebben zij, die half uitgewischte wapenschilden, die

welhaast onleesbaar geworden grafschriften, die elk een menschenleven

verbergen. Wie zal het geheim van al deze dooden ontsluieren; wie geeft

ons eene levensbeschrijving van alle bewoners van het Campo-Santo? Het

ontbreekt te Pisa niet aan ledigen tijd; is er niemand onder hare

burgers, die zich aan deze schoone en vrome taak wijden wil?

Pisa De Aarde en haar Volken, 1887 · 第 3 / 6 题