Zeden en gewoonten der Indianen.
De volken, die in het ukgestrekte vaste Land van Guiana, voor de
aankomst der Europeanen, omzworven, waren verdeeld in verscheidene
natiën, die over het geheel niet zeer talryk waren, Zy hadden geene
andere zeden, dan die der Wilden van het zuidelyke vaste Land. Deeze
volken leven altyd van elkander afgescheiden, en dikwils verre
verwyderd. Men onderscheidt dezelven in Indianen aan de kusten,
en in Land-Indianen, dat is, die het binnenste gedeelte van het Land
bewoonen. Deeze Land-Indianen, die weinig of geen omgang met de blanken
hebben, behouden hun oorsprongelyk character en hunne gebruiken meer
volkomen. Zy maken een groot getal van onderscheidene natiën uit,
wier aanwezen zig niet tot eenig gedeelte van den grond van dit Land
bepaalt; maar die, zonder verwarring van woonplaats veranderende,
elkander op zeer verre afstanden wederom vinden.
De Galibis zyn onder deeze natiën de voornaamste en talrykste; hunne
taal wordt door alle de anderen over 't algemeen het best verstaan. Zy
strekken zig van Cayenne tot aan de Orenoco uit. De Arouaques, de
Acoquas, de Aramichaux, de Armancoutous, de Pourpourouis, de Pirious,
de Mayés, de Palicours, de Puchicours, de Maraones, de Ouroukouyennes,
de Macoussis, de Nouragues, de Emerillons, de Taryaras, de Ouins,
de Calicouchiennes, de Coussaris, de Tocoyennes, de Maourious, de
Mayecas, de Itoutanes, de Calipournes, zyn andere Indiaansche volken
van deeze zelfde landstreek.
De Wilden of Indianen van het vaste Land van Guiana, zyn van eene
middelmatige gestalte; [87] de vrouwen zyn klein en niet zoo wel
gemaakt als de mannen. Hunne huid heeft eene rood koperachtige
kleur. Zy hebben zeer zwarte en zeer gladde hairen. Hunne trekken
verschillen weinig van die der Europeanen. De vermenging van dit
geslacht met dat der blanken, brengt, by de eerste voortteeling,
menschen voort, die van de laatstgemelden niet onderscheiden zyn.
De vrouwen hebben eene zekere zoort van zachtheid in haar aangezicht;
verscheiden zyn van een aangenaam voorkomen, en hebben niets wilds. Zy
haten, zoo men zegt, de Franschen niet; maar eene minnestreek met
eene getrouwde vrouw gaat met veel gevaar voor haar, en zelfs voor
den minnaar, gepaard: op de minste verdenking maakt de man hen beiden
van kant.
De meeste Indianen loopen byna naakt. Men beweert, dat zommigen,
voor al die aan den kant van de Rivier der Amazonen woonen, geheel
en al naakt loopen. Zy beschouwen het als een zeker voorteeken, dat
hy, die de schaamdeelen bedekt houdt, ongelukkig zoude zyn, of in
het loopende jaar sterven. De anderen dragen weinige kleederen. De
mans kleeding bepaalt zig tot een linnen gordel, dien zy om het lyf
winden, nu en dan op de manier van eene korte rok. Deeze gordels
zyn doorgaans van catoen doek, blaauw, Guinée of Salempoure genaamd;
zommigen dragen bovendien nog een zoortgelyke lap, waar mede zy hunne
schouders bedekken.
De Indianen van de kust dragen niets op hun hoofd: hunne hairen, die
van agteren kort zyn afgesneden, en over het voorhoofd nederhangen,
maken hen in dit opzigt gelykvormig aan de oude Grieken en Romeinen. By
de volken, die meer binnen in het Land wonen, ziet men echter nu
en dan mutsen van vederen van verschillende kleuren, die, vooral op
feest-dagen, tot opschik dienen, Deeze zelfde Indiaansche volken maken
gebruik van onderscheidene kleedingen, insgelyks op eene vernuftige
manier van vederen gemaakt; zy dragen dezelven voor de maag, tot
voorschooten, gordels en halsbanden. Zy houden bovendien veel, om hunne
armen, de voorhand, en de beenen met armbanden van glaaze koraalen te
vercieren; en elk volk heeft ten deezen opzigte die kleur verkozen,
welke hy het meest bemint, en waar by zy ook be/tendig volharden. Zy,
die wegens hunne afgelegenheid geene gemeenschap met de Europeanen
hebben, en daar door geen kraalwerk weten te bekomen, verstaan de
konst, om kraalen van een zwart en zeer hard hout te maken, welken zy
draaijen, polysten en op eene zeer aartige manier doorbooren. Zy maken
'er halscieraden van, die naar git gelyken, en een tak van koophandel
voor hun opleveren.
De vrouwen maken insgelyks, van kraalen van onderscheidene kleuren,
voorschooten ten naasten by van eene vierkante gedaante, maar van boven
veel naauwer dan van onderen, en ten hoogsten twee handen breed. Haare
geheele kleeding bestaat in één van deeze voorschooten, en zy vercieren
zig met halsbanden, armbanden, en een zoort van ringen, zelfs tot aan
de enklauwen. Zommige dragen ook aan het been, tot aan de hoogte van
de kuit, een weefzel van catoen, op het vleesch zelf vast gemaakt,
het welk zonder hun echter hinderlyk te zyn, de groeijing belet, en
al de kragt en zelfstandigheid naar boven trekt, zoodanig, dat zy op
stelten schynen te loopen. Dit belachelyk gebruik is niet algemeen.
Zoo is het ook gelegen met de Roucou, zynde eene roode verw, aan
dit Land eigen, waar mede de meeste Indiaansche volken hun lichaam,
aangezicht en zelfs hunne hairen besmeeren.
Twee redenen kunnen hen tot het aannemen van dit gebruik bewogen
hebben. Voor eerst, om aan hunne huid eene kleur te geven, naar hunne
natuurlyke kleur gelykende, en die hun toeschynt dezelve te versterken,
te verfraaijen, en eene eenparigheid en weerschyn aan dezelve te geven:
de tweede reden is, om door den olyächtigen aart en zeer sterke reuk
van dit smeerzel, de groote muggen, en andere insecten te verdryven,
waar door zy, zonder dit hulpmiddel, dikwils gekweld zouden worden;
voor al zy, die dicht by de kusten woonen, en in zekere landstreeken,
alwaar deeze ontrustende insecten in grooten overvloed gevonden worden.
Het is waarschynlyk, dat die volken, die van de Roucou geen gebruik
maken, de Binnen-Landen bewonen, alwaar men het gemelde ongemak
niet ondervindt.
Alle Indianen zyn overgegeven aan bygeloof, en zeer luy; maar het
ontbreekt hun niet aan behendigheid, noch vernuft; en hoe koud zy ook
schynen te zyn, 'er is misschien geen volk, dat meer levendigheid
bezit. In weêrwil van hunne uiterlyke ongevoeligheid, zyn hunne
driften ongemeen. Zy leven ongeregeld, en zyn zeer aan den drank
overgegeven. Hunne haat is onverzoenlyk, en hunne wraakzucht geweldig,
wanneer zy dezelve zonder gevaar kunnen uitöeffenen. Niettemin
zyn zy begaafd met eene zekere natuurlyke billykheid, die in
hunne daaden uitblinkt, en beginzels van rechtvaardigheid, die
hun gedrag bestuuren. Zy hebben zelfs eene zoort van beschaafdheid
en minzaamheid. Hunne onderlinge, gesprekken voeren zy altyd met
gematigdheid en ingetogenheid. Hunne redeneeringen ademen zagtheid en
beleefdheid. Zeldzaam hoort men van hun lompe, en nooit beledigende
uitdrukkingen, Zy weten niet wat het is in scheldwoorden uit te vaaren,
zelfs wanneer zy, iemand haat toedragen. Hunne burgerlyke beleefdheid
jegens elkander is niet minder verwonderlyk. De mannen, wanneer zy
niet naar het veld gaan, brengen doorgaans den dag door in eene groote
hut, die in het midden van hun gehucht is opgeslagen, en het zy ze
in of uitgaan, zy laten nimmer na elkanderen te groeten. Bevinden
'er zig eenige vreemdelingen, vervoegt men zig by hun het eerst. In
de huisgezinnen heerscht veel eendragt en rust. De vrouwen zyn
arbeidzaam, zachtzinnig, oplettend, en onderworpen. De mannen zyn aan
hunne vrouwen zeer gehecht. De gastvryheid is by de Indianen zeer in
gebruik. Nu en dan geven zy in grooten getale vriendelyke bezoeken aan
nabuurige volken. Zy blyven verscheiden dagen by elkander, en brengen
dezelven in vrolykheid door; maar gewoonlyk eindigen zy die, met zig
gezamemtlyk dronken te drinken, het geen altyd twisten oplevert. Dit
gebrek, het welk de blanken onder deeze volken maar al te veel hebben
aangemoedigd, is echter niet moeielyk te verbeteren. Zy geven 'er
zig meer aan over uit navolging, en by voorkomende gelegenheden,
dan uit hoofde van eene bestendige gewoonte.
De Indianen, die het Christendom niet omhelsd hebben, schynen geenen
uitwendigen Godsdienst te hebben: het is echter ontwyffelbaar, dat zy
een denkbeeld hebben van het Opperwezen, en van de onsterffelykheid
der ziele. De Godsdienst van de meesten gelykt veel naar die der
Manicheen, en zy zyn, ten naasten by, met dezelfde vooröordeelen
bezet. Zy hebben hunne Toovenaars en Waarzeggers, die tevens de
Priesters en Artsen der natie zyn. Men heeft in de reize van STEDMAN
gezien, welken eerbied zy in 't algemeen voor de dooden hebben,
en dat zy denzelven zoo verre dryven, dat zy hunne beenderen bewaren.
Deeze volken rekenen den tyd naar het toe en afnemen der maan, en het
zeven-gestarnte, Behalven deezen, onderscheiden zy nog verschillende
hemelteekenen. Onder den lynrechten hemelkring wonende, bekommeren
zy zig niet over den afstand der zonne.
De Indianen bemoeien zig bijna in 't geheel niet met de opvoeding
hunner kinderen. De ouders betoonen eene ongemeene tederheid voor
hunne kinderen, wanneer zy in hunne eerste jeugd zyn; maar in een meer
gevorderden ouderdom, schynen zy dezelven niet meer te kennen. Zy gaan
hun in niets te keer; zy beveelen hun niets; zy berispen hun nooit,
en durven het zelfs niet doen; want het is niet zonder voorbeeld,
dat men een zoon zijnen vader straffeloos heeft zien slaan.
Schoon de Indianen weinig spreken, en zelfs stilzwygende schynen,
hebben zy echter een vrolyken geest, en eene geneigdheid tot
spotternye: zy zingen by alle gelegenheden; en wanneer zy oploopend
zyn, ontzien zy zig geene schimpredenen hoe genaamd.
Hun leven verslyten zy byna geheel in ledigheid. Men ziet hun altyd in
hunne hangmat liggen. Zy brengen 'er geheele dagen in door met praten,
en met zig in een kleinen spiegel te bekyken, met het schikken van
hunne hairen, of zoortgelyke vermaken. Zommigen scheppen vermaak in
aanhoudend op de fluit te spelen, of liever te brommen; men kan het by
niets beter vergelyken; want hunne groote fluiten maken een geluid,
eenigermaten gelykende naar het gebulk van een os. De Indianen
zyn dus uit hunnen aart zorgeloos. Zy arbeiden niet, dan wanneer
het gebrek of de nood 'er hen toe dwingt: maar het is merkwaardig,
dat deeze zorgeloosheid in alle omstandigheden geen plaats heeft;
want het oorlogen, het jagen, het visschen, bezigheden, die kragt
en werkzaamheid vorderen, met geduld gepaard, behagen hun altyd
zonderling. De arbeidzaamsten, wier getal niet groot is, houden zig
bezig met het maken van bogen, pylen, hangmatten, gereedschappen tot
de huishouding, en met het maken van praauwen en booten.
De vrouwen zyn de slavinnen der mannen. Behalven de zorg van het
huishouden, zyn zy belast met het beplanten der velden, welken de man
van de stronken gezuiverd heeft, met het uitwieden van het onkruid,
met het inzamelen van den oogst, met het gereed maken van den drank,
van de cassave, met het haalen van hout, en water, met het maken van
aardewerk; met één woord, zy zyn verpligt zig met alles te bemoeijen,
buiten de jagt en visscherye: daarënboven moeten zy zomtyds het
onderhoud voor hunne mannen gaan zoeken, terwyl deeze zig zacht in
hunne hangmat bakeren.
De veelwyverye is by de Indianen geöorloofd, meer door gewoonte, dan
om eenige andere reden. Ieder man is gerechtigd zoo veele vrouwen te
hebben, als hy onderhouden kan: hy zendt haar te rug, wanneer hy het
geraden oordeelt; en, zoo hy het goed vindt, laat hy haar geheel en al
varen, zonder in eeniger manieren voor haar onderhoud te zorgen. By
verlating van eene vrouw, belast de vader zig doorgaans met de zorg
over de kinderen.
De Indianen trouwen altyd met hunne nabestaanden, zelfs in den
tweeden graad van bloedverwantschap. De jongens beschouwen hunne volle
nichten, als of zy dezelven door een zeker recht van geboorte verkregen
hadden. Dus trouwen zy haar dikwils, schoon ze niet meer dan twee of
drie jaaren oud zyn. Ondertusschen neemt de man eene andere vrouw,
welke hy weg zendt, wanneer dit jong meisjen groot genoeg geworden is,
om met hem zamen te woonen.
De huwelyken worden in een oogenblik, en zonder eenige plechtigheid,
voltrokken. Indien een Indiaan een goed visscher, een goed jager, en
arbeidzaam is, is hy zeer gezien. Zoo dra eene jonge dogter het oog
op hem geworpen heeft, biedt zy hem drinken aan, en zelfs hout, om by
zyne hangmat vuur aan te leggen. Zoo hy dit weigert, is zulks een blyk,
dat hem het meisjen niet gevalt; zoo hy het aanneemt, is het huwelyk
gesloten. Dien zelfden dag blyft het meisjen niet in gebreken, om haare
hangmat in de nabyheid van die van haaren toekomenden echtgenoot op te
hangen. Des anderen daags brengt de jonge vrouw hem eeten en drinken,
en van dien tyd af neemt zy de zorge van zyne huishouding waar.
De schoonvaders beschouwen hunne schoonzoonen als zoo veele knechts,
geschikt om hun te dienen, en begeeren dus niet te werken. De nieuw
getrouwde Indianen houden zig bezig met het hakken van hout, en het
bouwen van de hut. Zy zyn verpligt te gaan jagen en visschen; met één
woord, om te voorzien in het onderhoud van de vrouw en kinderen van
hunnen schoonvader, die met de armen over elkander in zyne hangmat
blyft liggen. Deeze jong-getrouwde lieden zyn ook nog aan eene zeer
harde wet onderworpen. Wanneer hunne vrouw voor de eerste maal in het
kraambedde bevalt, blyven zy in hunne hangmat, welke men aan het dak
van 't huis vast maakt. Een stuk cassave-brood, en een weinig water
maken al hun voedzel uit.
Na dit gestreng vasten eenige weken te hebben uitgehouden, laat men
hen ter neder, en men maakt hun met groote visch-graaten, of tanden
van eenig wild dier, eenige insnydingen op onderscheiden plaatsen
van hun lichaam, het geen de Creolen noemen frelanguer. Zeer dikwils
zelfs geeft men hun verscheiden zweepslagen. Met deeze plechtigheid is
het nog niet afgedaan. Hy, die vader geworden is, is verplicht zig in
dienst te begeven by den eenen of anderen ouden Indiaan, en zyne vrouw
voor eenige maanden te verlaten. Geduurende al dien tyd moet hy zoo
onderworpen zyn, als een waare slaaf. Hy moet zig onthouden van het
eeten van varkens-vleesch en grof wild. Wanneer de tyd der slavernye
vervuld is, gaat men uit om krabben te vangen; men vangt eene zeer
groote meenigte; men rigt een festyn aan, en drinkt zig dronken;
vervolgens geeft men in groote statie den man aan de vrouw te rug.
De krygs-bouwkundige FOUCIN, die de oevers der Rivier Oyapoc bereisd
heeft, spreekt eene zoo algemeen aangenomene zaak eenigermaten
tegen. "Men heeft stoutmoedig beweerd, zegt hy, dat eene vrouw, in
het kraambedde bevallen zynde, aan alle de lasten der huishouding
onderworpen was, en haaren man bediende. Het is niet anders, dan het
tafereel sterk te overschaduwen, om het belangryk te maken. Maar
indien men de waarheid hulde wil doen moet men toestemmen, dat de
vrouwen, die bevallen zyn, negen dagen lang, door de geenen, die
haar vergezellen, met de grootste gematigdheid behandeld worden, en
dat zy eerst na afloop van dien tyd haare bezigheden hervatten. De
mannen, wel is waar, houden hun rust, maar dit is een gevolg van hun
bygeloof. Zy eeten dan niets als visch; zy onthouden, zig van alle
zoorten van vleesch, zig overtuigd houdende, dat hun gedrag op het
lot en het gestel van hunne kinderen invloed hebben zal."
De mannen houden nooit hun middagmaal te zamen met hunne vrouwen:
de laatstgemelde dienen hun, en geven hun wasch-water, wanneer zy
hunne maaltyd geëindigd hebben. De Indianen zyn gewoon, wanneer zy
zitten, hunne hielen plat op den grond te zetten. Echter hebben zy
een houten stoel, welken zy moulé noemen, en waar van zy by het geven
van bezoeken gebruik maken. Het is een zoort van zitbank, geheel
uit één stuk gemaakt, en zeer ongemakkelyk, waar van het bovenste,
byna de gedaante van een boot hebbende, zoo hol is, dat men 'er tot
aan het midden in zakt, en de kniën byna de kin aanraken.
De voornaamste arbeid der Indianen, en die hun het ernstigst bezig
houdt, is het bouwen van hunne hutten. Dezelve zyn vierkant, maar meer
lang dan breed; zommige zyn gelyks gronds, andere hebben 'er nog eene
verdieping boven op. De hooge hut is eene zamenvoeging van eenige
palen, die in den grond gestoken zyn, van de hoogte van omtrent agt
of tien voeten, waar over men een planken vloer heen legt, met kleine
lysten, gemaakt van palmboomen hout, het welk zig gemakkelyk laat
klooven. Men klimt in deeze hut door middel van stammen van boomen, die
niet sterk gebogen zyn, en waar op men eenige keepen of voegen gemaakt
heeft, die in plaats van sporten dienen; maar deeze stammen hebben zoo
weinig stevigheid, dat zy dan naar de ééne, dan naar de andere zyde
overhellen. Het is zeer moeielyk om 'er met schoenen op te klimmen,
en nog moeielyker om 'er af te komen. De lage hut is gebouwd van twee
paalen, waar op eene lange stok of spaar rust, die het geheele gebouw
ondersteunt. Men legt van alle kanten op dit dak takken van boomen,
die men vervolgens met bladeren bedekt; en eene kleine deur, aan één
der zyden gemaakt, vormt den ingang. De Indianen, die aan de oevers
van de Oyapoc woonen, munten nogtans uit in de manier, waar op zy
hunne hutten bouwen, welke veel stoutheid en cierlykheid vertoonen,
uit hoofde van de weinige dikte van het daar toe gebruikte hout.
De Galibis, nabuuren van Cayenne, zyn in hunne huizen byna op elkander
gestapeld. 'Er zyn 'er, waar in men zomtyds tot twintig en dertig
huishoudingen telt. De veiligheid, waar mede deeze Wilden onder
elkander leven, is oorzaak, dat hunne woningen in 't geheel geene
sluiting hebben. De deuren staan altyd open, en men kan 'er in komen,
als men wil.
Het uitgestrektste van alle Indische gebouwen is de Taboui, welke
de Franschen doorgaans de groote hut noemen. Het is eigentlyk de
plaats, waar de Wilden van dezelfde natie gewoon zyn by elkander te
komen. Zy houden aldaar hunne vergaderingen; zy ontfangen 'er de
vreemdelingen; zy houden 'er hunne plechtige feestynen, of liever
hunne slemp-partyen. De Taboui, die aan het geheele volk gemeen
is, is eene zoort van overdekte hal of markt, vyftig of zestig
voeten lang, en tien of twaalf breed. In het midden en aan de beide
einden, die altyd open zyn, plant men groote gaffels-wyze gemaakte
staken, waar op men groote stukken hout plaatst, om tot een dak te
dienen. Vervolgens regelt men de balken, die van boven van het gebouw
tot naar beneden loopen, alwaar zy op kleine gaffels-wyze gemaakte
staken rusten, van vier of vyf voeten hoogte, en die in eene reije
met tusschen-vakken geplaatst zyn. Van binnen plaatst men eenige lange
dwarshouten, met koorden van heesters vast gemaakt, en dienende om 'er
de hangmatten der mannen aan op te hangen: want de vrouwen genieten
het zelfde voorrecht niet; zy zitten gewoonlyk op die zelfde plaats,
haare hielen op den grond houdende, of op een bank. Het dak van de
Taboui is gedekt, even als van de andere hutten. Hoe groot deeze
verblyfplaats ook zy, het timmerwerk is niet minder eenvoudig, noch
beter uitgedacht, dan dat van alle andere hutten. De plaats, welke
de Indianen verkiezen, is doorgaans eene hoogte, of de oever van
eene Rivier. Hunne huizen, die eene groote armoede te kennen geven,
zyn zonder eenige orde geplaatst; en het nabuurig land-gezicht heeft
zeldzaam iets aanlokkelyks. De stilte zelfs, die in hunne wooningen
heerscht, en die nu en dan alleenlyk door het geschrei van vogelen
of andere dieren wordt afgebroken, is geschikt om angst aan te jagen.
De bouw-orde van de groote en kleine hut is overal dezelfde niet. By
eenige volken is de eerste getimmerd in eene eironde gedaante van
ronde houten, die vernuftig zyn zaamgevoegd, en met koorden van
heesters aan elkander gebonden. Men overdekt dezelve met een dak van
palmboom-bladeren, het welk rondom afhangt, tot op den afstand van
omtrent drie voeten van den grond, uitgenomen ter plaatse van den
ingang, alwaar het zelve een weinig meer verheven is. De lucht en het
daglicht spelen 'er dus van alle kanten door, zonder eenige hinder
te kunnen toebrengen. Men is 'er volmaakt beveiligd voor de zon,
den wind en den regen.
Verscheiden andere hutten van byzondere persoonen zyn langwerpige
gebouwen, insgelyks van ronde houten gemaakt, dragende een dak van eene
gevelswyze gedaante, met palmboom-bladeren overdekt. Meestal is, op de
hoogte van zes of zeven voeten boven den grond, eene zoldering, tot
een woonplaats voor de byzondere persoonen geschikt. Deeze zoldering
is gemaakt van stammen van palmboomen, die gespleten en niet breed zyn,
latende openingen tusschen elkander overig, zoodanig dat de vuiligheid
'er door valt, en de lucht, zoo wel van onderen, als van ter zyden
doorspeelt; want het dak zakt niet af tot op de hoogte van deeze
zoldering. In het benedenste gedeelte is eene afzonderlyke plaats,
met een beschot afgeschoten, tot verblyf voor de vrouwen, en om
'er den nacht door te brengen.
Het huisraad en de keuken-gereedschappen der Indianen zyn niet zeer
talryk, en van weinig waarde. De voornaamste, of nuttigste, zyn hunne
hangmatten, die doorgaans van catoen gemaakt zyn. 'Er zyn 'er, die
van eene andere stoffe gemaakt zyn; maar zy zyn zoo gemakkelyk niet,
zoo wel uit hoofde van de ruwheid der koorden, waar van zy geweven
zyn, als om dat zy openingen hebbende, men voor het steken der groote
muggen en andere insecten niet beveiligd is. Om deeze zoort van bedden
te maken, bedienen zig de Indianen alleenlyk van vier groote stokken,
van vyf of zes voeten lengte, aan elken hoek met een houten pin, of
eenig koord van heesters, vast gemaakt. Zy voegen ook verscheiden
draden catoen, in de lengte en aan beide zyden van dit huisraad,
het welk een weinig tegen de muur is overgebogen, zeer konstig te
zamen; waar na zy tusschen deeze draden eene zoort van weverspoel
laten doorloopen. Zy slaan die draden telkens sterk aan, met een stok
van zeer hard en een weinig snydend hout. Wanneer het weefzel van de
hangmat afgemaakt is, maken zy 'er koorden aan vast, om dezelve te
kunnen ophangen, waar het hun gelieft. De Indianen besmeeren hunne
hangmatten dikwils met Roucou, gemengd met eenige harst, of met balsem
van Copaïva, of zelfs met oly. Zy schilderen daar op allerleye zoorten
van loofwerk, met eene wonderbaarlyke geëvenredigdheid. Die bedden,
waar op men het gemakkelykst slapen kan, zyn de witte hangmatten,
wel aangeslagen, van zeven voeten in het vierkant. De Indianen in
Guiana maken dezelven zeer fraay, en van allerleye grootte.
Men gevoelt veel minder warmte in een hangmat, dan in een bed, naar
de Europeesche wyze gemaakt; en de zieken, die door de koorts zyn
aangetast, vinden zig merkelyk verligt, wanneer zy 'er eenige uuren
in hebben doorgebragt. In plaats van een deken, bedienen zy zig van
een mat, van palmboom-bladeren gemaakt: men spreidt die ook over den
grond, wanneer men aldaar wil gaan liggen.
Na de hangmatten, zyn de Pagaras dat huisraad, waar mede de Indianen
zig meest bezig houden. Het zyn manden of korven van verschillende
grootte en gedaante. 'Er zyn vierkante, langwerpige, en ook ronde. Zy
zyn met rood en zwart loof werk beschilderd. Die geenen, waar van men
zig doorgaans bedient, hebben eene langwerpige vierkante gedaante. Zy
zyn overal dubbeld, en tusschen beiden gevuld met Baroulou-bladeren, op
dat het water niet binnenwaarts zoude kunnen doordringen. Deeze zoort
van manden hebben de verdienste, dat ze zeer ligt zyn. Alle dienen
zy, om 'er kleederen, huisselyke gereedschappen, en levensmiddelen
in te bergen.
De manier, waar op de Indianen hun aardewerk maken, en verglasen,
is niet van konst ontbloot. Zy maken potten van eene ongemeene
grootte, door strooken potaarde op een platten grond naast elkander
te schikkcn, dezelven te verdunnen, en aan elkander vast te maken:
zy trekken daar op eenige afteekeningen en beeldtenissen, met eene
aarde van verschillende kleuren: zy laten die potten vervolgens bakken;
daar na doen zy 'er van buiten eene zoort van zeer lymig vernis over
heen, gemaakt van eene gom, Simiri genaamd: zy besmeeren daar mede
deeze potten, wanneer ze uit het vuur komen, en polysten dezelven,
eer dat ze koud zyn geworden. Men ziet onder deeze potten zommigen,
die drie voeten in den omtrek groot zyn. Deeze dienen, om vleesch
te braden, of gekookte dranken voor feestdagen gereed te maken. Van
dezelfde stof maakt men ook zeer groote ronde platen, geschikt om de
Cassave te droogen.
De praauwen of booten, waar van zig de Indianen bedienen, om in de
Rivieren en langs de Kusten te vaaren, behooren als het meesterstuk;
van hun vernuft beschouwd te worden. Deeze praauwen, wier ligtheid
verwonderlyk is, zyn van een uitgeholden stam van een boom, en wel
van één stuk, gemaakt. Zomtyds zyn zy aan de kanten met stukken
hout opgehoogd. 'Er zyn 'er, die dertig of veertig voeten lang zyn;
en andere, die puntsgewyze eindigen, zyn zoo klein, dat zy naauwlyks
twee of drie menschen kunnen bevatten: ook kantelen zy dikwils om;
doch de Indianen ontrusten zig daar over niet, dewyl zy het zwemmen
volmaakt verstaan. Zy keeren hunne vaartuigen dadelyk om, hoosen
'er het water uit, en gaan 'er weder in.
De manier, waar op zy gewoon zyn die praauwen te bouwen, is zeer
eenvoudig. Zy zoeken een boom van negen of twaalf voeten dikte, en zoo
recht, als zy dien maar vinden kunnen: zy maken in denzelven, in de
lengte, eene opening van negen of tien duimen: vervolgens haalen zy
'er het hout van wederzyden van binnen uit, wel zorge dragende, dat
zy dit doen op dezelfde maat van dikte, ten einde de praauwen haare
rondte zouden behouden. Dit gedaan zynde, keeren zy den boom om, ten
einde denzelven van buiten te bewerken. Aan het voorste gedeelte maakt
men denzelven gewoonlyk spitser, en zomtyds zyn de beide uiteinden in
breedte aan elkander volmaakt gelyk. Voornamelyk houdt men in het oog,
om 'er over al eene gelyke dikte aan te geven. De dikte van den bodem
is doorgaans van twee duimen: de zyden van anderhalven duim, en de
randen slechts van één duim. Om de boot open te maken en te verwyden,
plant men langs de timmerwerf, die een weinig verheven moet zyn,
palen op den afstand van drie of vier voeten van elkander. Men legt
van binnen en van buiten vuuren aan; en wanneer de boom door heet is,
heeft men een stuk hout, in de gedaante van een nyptang, waar mede
men de kant van de boot by herhaling naar zig toe trekt, zoo dat
dezelve in drie of vier uuren tyds geheel moet zyn open gemaakt. Men
moet altyd water by zig hebben, om de hette van het vuur te matigen,
in geval het zelve te sterk mogt zyn, en de boot gevaar mogt loopen
van te verbranden.
De Indianen maken zelden randen aan hunne praauwen, om dat 'er spykers,
planken, en andere dingen toe noodig zyn, welken zy niet kennen,
voor al de geenen, die diep landwaarts in woonen. Zy vergenoegen
zig derhalven, om de kanten van agteren tot vooren met stukken van
palmboomen, die de dikte van eene halve vuist hebben, op te hoogen. Zy
weten dezelve aan de praauw zoodanig vast te maken, dat 'er geen
water kan door komen, zoo de golven 'er niet over heen loopen. Aan
het agterste gedeelte maakt men een roer vast, of anders bestuurt men
dezelve met een roeyriem. Het handvat van deeze zoort van riem, veel
gelykende naar een bakkers schop, eindigt gewoonlyk met een halve maan,
om het des te beter met de hand te kunnen vast houden. Het gedeelte,
het welk in het water bewogen wordt, is zeer dun, en wordt aan het
einde al langer hoe dunner. De Wilden houden zig niet alleen op met
roeijen, maar ook met zeylen. Hun zeyl is van eene vierkante gedaante,
en gemaakt van stukken van palmboomen, die in de lengte gespleten,
en tot latten gesneden zyn, in goede orde naast elkander gerangschikt,
en met koorden van heesters, of draden van zekere plant, Pite genaamd,
vast gehecht.
Alle de Indianen zyn zeer bekwaam in de scheepvaart. De heer FOUCIN,
Officier onder de Ingenieurs, die langen tyd in Guiana dienst gedaan
heeft, is de Rivier Oyapoc komen afvaaren, onder het geleide van twee
Indianen. "Elk oogenblik, zegt hy, moet men onaangezien den stroom,
aan de praauw eene nieuwe wending geven. Indien men den doortocht
mistte, zoude men tegen de klippen aan stukkea stooten. De eerste
waterval van deeze Rivier is de gevaarlykste: indien men geen volkomen
vertrouwen op de Indianen stelde, zoude men waarlyk beängst worden. Men
ontmoet aldaar, in zeer naauwe vakken, zeer hooge watervallen. Zonder
vergrooting gesproken, de kanten van de praauw raakten byna van
wederzyden tegen de klippen aan. Men vaart altyd werkelyk langs de
klip, die tegen den stroom over ligt. Het oog der beide Indianen,
die met roeijen bezig zyn, moet zoo scherpziende zyn, als hunne arm
sterk is. Zomtyds gaan zy boven op hunne banken staan, om den weg
juist af te meten; de overweging en de uitvoering volgen elkander
zoo gezwind als bliksem-straalen: jonge lieden alleen zyn tot deeze
vaart geschikt. De oudste der roeijers bereikte naauwlyks twintig
jaaren. Van natuure vrolyk zynde, lachen zy onophoudentlyk. Een vogel,
een visch, trok hunne aandacht; dadelyk vlogen zy naar hunne pylen. Het
behaagde my niet, dat zy zig met dit tydverdryf bezig hielden, wanneer
wy ons in de watervallen bevonden; maar wetende, dat zy niet gaarne
worden tegengegaan, zeide ik 'er niets van, en ik heb 'er my wel by
bevonden. Hier uit kan men afnemen, dat hy, die de praauw bestuurt, een
goed gezicht, zoo wel als kragten, hebben moet. Ik ken geen voorbeeld
van zulk eene zonderlinge manier van vaaren; zy is zeer merkwaardig;
men kan ze niet anders, dan met zulk eene roeyriem, te werk stellen."
De gewoone wapenen der Indianen in Guiana zyn de boog, de pylen, en
de knods, met welke laatste men iemand met éénen slag de herssens
inslaat. Het is een zoort van liniaal, byna een duim dik, en twee
voeten lang, in het midden smal, en drie of vier duimen aan de
beide einden breed, zynde de hoeken als een scherpe vischgraat
uitgesneden. Dit wapentuig wordt altyd van zeer hard hout gemaakt.
De Palicours bedienen zig van een halve piek of braadspit, welke zy
Serpo noemen. Het is een meer dan gemeen wapentuig, om zoo te zeggen,
alleen geschikt voor de voornaamsten des volks. Tot een wapentuig
van verdediging hebben zy een schild, gemaakt van zeer ligt hout, het
welk zy van buiten met verscheiden kleuren beschilderen. Het heeft eene
byna vierkante gedaante, en is van binnen een weinig hol; in het midden
is een zoort van handvat, om het des te steviger te kunnen vast houden.
Deeze verschillende volken worden elk door een Opperhoofd bestuurd,
dien wy Capitain noemen. Zyn gezag wordt hem eigentlyk nog by
verkiezing, nog by erfvolging opgedragen. Wanneer een Opperhoofd oud
geworden is, en zyn einde wordt te gemoet gezien, heeft het algemeen
gevoelen reeds bestemd dien geen van zyne naaste vrienden, die het
meest geschikt is, om hem op te volgen, het zy uit hoofde van zyne
jaaren, het zy van zyn caracter, of zyne groote gemeenzaamheid met den
Capitain, die hem reeds bevorens als zynen medehelper, en opvolger
behandelde. Hy vervult zyne plaats, zonder dat dit eenige moeite of
wanorde veroorzaakt.
Het gezag van dit Opperhoofd is meer vaderlyk, dan gestreng. Hy is
belast met de zorge der regeering, met die van 's volks veiligheid,
en van het onderhoud van weduwen en weezen, enz. Hy geeft geene
belooning, en oeffent ook geene straffe uit. Zyn vermogen bestaat
daar in, dat hy eene grootere uitgestrektheid van eigendommen en
bouwlanden heeft, dewyl hy meerder bedienden heeft; om dezelven
te doen bearbeiden, zynde zyn huisgezin doorgaans zeer talryk,
(want hy inzonderheid heeft verscheidene vrouwen,) terwyl elk één,
tot dit volk behoorende, op zekere tyden, of wanneer hy het vordert,
het geen echter zelden gebeurt, verpligt is voor hem te arbeiden.
Die naar deezen grooten eere-post staat, verklaart zyn oogmerk,
door in zyne wooning te rug te komen, met een rondas of schild op
het hoofd; met nedergeslagene oogen, en eene diepe stilzwygendheid
in acht nemende. Hy deelt zelfs zyn oogmerk niet mede aan zyne vrouw
en kinderen; maar zig naar een hoek van zyne wooning begeevende laat
hy zig aldaar eene kleine verschanssing maken, die hem naauwlyks de
vryheid overlaat om zig te kunnen bewegen. Daar boven hangt men zyne
hangmat, op dat hy geene gelegenheid hebben zoude om met iemand te
spreken. Hy gaat van die plaats niet, dan om aan de behoeften der
natuur te voldoen, en om de harde beproevingen te ondergaan, welken
de andere Capitains hem van tyd tot tyd opleggen.
Men laat hem, zes weken lang, een zeer gestreng vasten onderhouden. De
nabuurige Capitains komen hem des morgens en des avonds bezoeken. Zy
stellen hem voor, dat hy, om zig den rang, waar naar hy staat,
waardig te maken, geen gevaar moet vreezen, dat hy niet alleen de
eere der natie zal hebben te handhaven, maar zelfs wraak te nemen
over hun, die hunne nabestaanden en vrienden in den oorlog gevangen
hebben genomen, en dezelven eenen wreeden dood hebben doen ondergaan;
dat arbeid en vermoeying voortaan zyn deel zyn zullen, en dat hy geen
ander middel hebben zal, om hoogachting te verwerven.
Na deeze aanspraak, welke hy met zedigheid aanhoort, geeft men hem
eene meenigte slagen, om hem daar door te kennen te geven, wat hy al te
lyden zoude hebben, indien hy in de handen van de vyanden zyner natie
viel. Geduurende de uitvoering daar van, staat hy regt over einde, met
de handen kruislings op het hoofd. Elke Capitein geeft hem op het lyf
drie zwaren slagen met wortels van palmboomen. Dit wordt twee malen
daags geduurende zes weken herhaald. Men slaat hem op drie plaatsen
van het lichaam, op de borst, op den buik, en op de dyen. Het bloed
stroomt; en in de zwaarste pyn moet dit aanstaande Opperhoofd geene
de minste beweging maken, noch de geringste blyk van onverduldigheid
betoonen. Hy keert vervolgens naar zyne gevangenis te rug, en heeft
vryheid om in zyne hangmat te gaan liggen; boven dezelve plaats men,
als zegeteekenen, alle de roeden, die ter zyner kastydinge gediend
hebben. De jonge lieden, tot zyne wooning behoorende, maken dezelve,
ook staande dat de kastyding wordt uitgeoeffend; en vermits elke
Capitain niet meer dan drie slagen geeft, heeft men zeer veele roeden
noodig, wanneer het getal van die Capitains groot is.
Indien hy dit zes weken lang doorstaat, beproeft men hem nog: op
eene andere wyze. Alle de Opperhoofden der natie verzamelen zig by
elkander, deftig uitgedoscht, en verbergen zig, in den omtrek van
zyne woonplaats, tusschen de struiken, van waar zy een afgryzelyk
geschreeuw doen hooren. Met de pyl op den boog gespannen, treden zy
op eene ruwe wyze in zyne woning; zy neemen hem mede, schoon door
zyn vasten, en de ontfangene slagen reeds sterk verzwakt. Zy dragen
hem in zyne hangmat, binden dezelve aan twee boomen vast, en doen
'er hem uitgaan. Even als de eerste keer, bereidt men hem door eene
aanspraak tot het geen hy zal ondergaan; en om zynen moed op nieuw
te beproeven, geeft elk hem een en geesselslag, nog veel harder dan
bevorens. Hy gaat vervolgens weder liggen; en men legt rondom hem
hoopen van zeer stinkende kruiden, die men in brand steekt, zoo dat
hy 'er de hette met smarte van gevoelt, maar echter zoo, dat de vlam
hem niet raken kan. De rook alleen, die hem van alle kanten omringt,
doet hem zeer veel ongemak lyden. Hy wordt half gek in zyne hangmat,
en zoo hy in dezelve blyft, vervalt hy in zulke zwaare flaauwten, dat
men hem voor dood zoude houden. Men geeft hem eenigen sterken drank, om
zyne kragten te herstellen; maar hy koomt zoo dra niet tot zig zelven,
of men verdubbelt het vuur, en doet hem nieuwe vermaningen. Terwyl hy
midden in dit lyden is, brengen alle de anderen hun tyd door met rondom
hem te zitten drinken. Eindelyk, wanneer zy denken, dat hy op den
hoogsten trap van zwakte is, doen zy hem een halsband en een gordel om,
gemaakt van bladeren, welken zy met groote zwarte mieren vullen, wier
steek uittermaten pynlyk is. Deeze beide verciersels hebben schielyk
het vermogen, om hem door nieuwe pynen te doen ontwaken. Hy staat op,
en, indien hy nog kragten genoeg bezit om over einde te staan, giet
men hem door een zeef een geestryk vocht over het hoofd. Dadelyk gaat
hy zig in de naast by zynde Rivier of Fontein wasschen, en keert naar
zyne wooning te rug, alwaar hy een weinig rust kan nemen. Men doet
hem zyn vasten aanhouden, maar met minder gestrengheid. Hy begint
klein gevogelte te eeten, doch geene anderen, dan die door de overige
Capitains gedood zyn. De mishandelingen verminderen, en het voedzel
vermeerdert trapsgewyze, tot dat hy zyne voorige kragten herkregen
heeft. Als dan wordt hy verklaart Capitain te zyn: men geeft hem een
nieuwen boog, en al wat verder tot zyne waardigheid behoort. Intusschen
dient deeze ruwe beproeving alleen om Krygs-Oversten, of Opperhoofden
van minderen rang te maken. Om tot den eersten rang verheven te worden,
moet hy in het bezit zyn van eene praauw, door hem zelven gemaakt,
en die eenen langduurigen en moeijelyken arbeid vordert.
De manier des Lands, om Artsen, by hen Pieis of Piaies genaamd, te
maken, is niet minder merkwaardig. Die deezen voornaamen eere-post
begeert, brengt eerst omtrent tien jaaren door by eenen ouden Arts of
Piaie, wien hy verpligt is ten dienste te staan, deszelfs onderwyzingen
ontfangende. Deeze oude Arts geeft acht, of hy de noodige verëischten
heeft: hy moet boven de twintig jaaren oud zyn.
Wanneer de tyd der beproevinge gekomen is, doet men den aanstaanden
Arts vasten, met meerder gestrengheid zelfs, dan omtrent den Capitain
plaats had. De oude Piaies af Artsen verzamelen zig by elkander, en
sluiten zig met hem in eene hut op, om hem het voornaamste geheim
van hunne konst, in bezweeringen bestaande, te leeren, In plaats
van hem te geesselen, laat men hem danssen, doch met zoo weinig
tusschenpoozing, dat, gemerkt den staat van zwakte, waar in hy zig
reeds bevindt, hy spoedig in bezwyming nedervalt. Dan doet men hem ook
gordels en halsbanden aan, vol met groote zwarte mieren. Om hem met de
geweldigste middelen gemeenzaam te maken, steekt men hem vervolgens
eene zoort van tregter in den mond, waar door men hem eene groote
meenigte van tabak-sap doet doorzwelgen. Zulk een vreemd geneesmiddel
veröorzaakt hem ontlastingen, die zelfs tot bloedstortingen overslaan,
en verscheiden dagen duuren. Wanneer deeze laatste beproeving is
afgeloopen, verklaart men hem tot Piaie of Arts, en dat hy met het
vermogen, om alle zoorten van ziekten te geneezen bekleed is. Om
echter die beproeving nog te doen aanhouden, moet hy drie jaaren lang
vasten, daar in bestaande, dat hy het eerste jaar niets anders eet,
dan gierst en cassave; het tweede jaar eenige vrugten, met deeze zelfde
zoort van brood; en het derde jaar, dat hy zig vergenoegt, met daar
by nog eenig klein gevogelte te voegen. Maar de meeste gestrengheid
bestaat in het onthouden van sterke dranken. Geene Piaies, of Artsen,
hebben het recht om hunne konst te oeffenen, dan na deezen loopbaan van
beproevingen te hebben afgeloopen. Wanneer één van hun by een zieken
geroepen wordt, onderzoekt hy denzelven, betast hem alle de deelen van
het lichaam, drukt dezelven, blaast 'er op, en eindelyk maakt hy een
klein afgeschoten vertrekje in de nabyheid van de hangmat, waar in de
zieke ligt. Hy overdekt dit vertrekje met bladeren, en begeeft zig in
het zelve met alle zyne geneeskundige werktuigen, die in eene zoort
van weitas besloten zyn, en houdende eene groote calebas in de hand,
gevuld met drooge en harde zaden, veel naar peper gelykende. Dezelve
dient om den Duivel te bezweeren, dien men altyd als de oorzaak der
ziekten beschouwt. De Piaie, of Arts, in zyn vertrekje opgesloten,
schudt deeze calebas om, maakt een groot geraas, zingt, schreeuwt,
en roept zyne Godheden aan. Hier mede houdt hy aan twee of drie uuren
lang. Eindelyk, zyne stem veranderende, eenige zaadkorrels in zyn
mond steekende, en met eene kleine calebas voor den mond sprekende,
hoort men deeze ontzettende woorden: "De Duivel is tegen den zieken
uittermaten vergramd; hy wil hem doen omkomen, na hem een geruimen tyd
gemarteld te hebben." De omstanders, over deeze uitspraak ter neder
geslagen, maken een akelig geschreeuw, en smeeken den Piais om den
boozen geest te vrede te stellen, al moest ook alles, het geen het
huisgezin bezit, daar aan worden te kost gelegd. Hy geeft gehoor aan
deeze verzoeken, en bezweert den Duivel, om zig te laten bewegen. De
donderende stem antwoordt, dat deeze of geene zaak daar toe noodig
is, en aanstonds wordt dezelve gegeven. Vervolgens is het dienstig te
weten, welke de zitplaats van de kwaal is, en welk geneesmiddel men
tegen dezelve behoort te bezigen. Daar op volgen nieuwe bezweeringen,
nieuwe verzoeken en nieuwe geschenken. Wanneer men aan den kwakzalver
alles gegeven heeft, waar in hy lust had, zuigt hy aan het deel, in
't welk de zieke het meeste ongemak gevoelt, en kleine stukjens been,
welken hy vooraf in zyn mond gestoken heeft, uitspuwende, zegt hy:
zie daar de oorzaak van de kwaal; haast u dezelve te verbranden,
en zyt verzekerd, dat de zieke in 't kort hersteld zal zyn.
Deeze voorzegging wordt nu en dan bewaarheid; want 'er worden
dikwils wonderbaarlyke geneezingen gedaan, door de verbeelding
op eene levendige wyze gaande te maken. Indien het tegendeel
gebeurt, en de zieke koomt te sterven, verklaart de bedrieger, dat
de geschenken aan den Duivel niet met een goed hart gegeven zyn,
het geen deszelfs gramschap op nieuw heeft aangezet. Een van deeze
Piaies, of Artsen, meer minziek, dan inhaalend zynde, liet de geenen,
die hem raadpleegden, van gebrek vergaan, en deedt vervolgens aan
hunne weduwen den voorslag tot een huwelyk. Hy wierd de man van drie
vrouwen, welken hy op deeze wyze verkreeg.
Hoe helachelyk ook de voorschriften deezer Artsen zyn mogen, zy worden
altyd naar de letter uitgevoerd. Van hun eerste bezoek af, schryven
zy een gestreng vasten aan den zieken, en aan alle zyne nabestaanden
voor. De Othomacos besproeijen de zieken aanhoudend met koud water;
eene manier, die hen spoedig van kant helpt. De Quaybas en Chiricos
dompelen dezelven, tot aan den hals, in geweekte kley, of water, om
hun van de koorts te geneezen; en schoon men hen doorgaans dood vindt,
wanneer men 'er hen wil uithalen, blyven zy niettemin by dit gebruik,
hoe ongerymd en gevaarlyk het ook zyn moge.
De Indianen zyn de meesten hunner ziekten verschuldigd aan de gewoonte,
om zig al te dikwils met sterke dranken, welken zy weeten te bereiden,
dronken te drinken. Zy zouden zig zelven kunnen behandelen, indien zy
minder vooroordeelen hadden. Een zeer groot aantal van hun leeft tot by
de honderd jaaren. De kennis, welke zy van verscheiden enkelvoudige
geneesmiddelen hebben, stelt hen in staat, om wonderbaarlyke
geneezingen te bewerken. BIET beweert, dat zy een zekeren wortel
hebben, die de vergiftigdste wonden geneest, en de kragt bezit,
om gebroken pylen uit te trekken. Hy verzekert deezen wortel gehad,
en op het Eiland Barbados geplant te hebben. Maar waar koomt het doch
by toe, dat andere reizigers hier van niet spreken?
In weerwil van het zoo even verhaalde, ten aanzien van de Artsen der
Indianen, beschuldigt men deeze volken, over 't algemeen, van eene
groote verwaarloozing van alle zieken. Het is hun zeer onverschillig,
of de zieke eenig voedzel gebruikt, of niet. Wanneer het uur van hunne
maaltyd gekomen is, vergenoegen zy zig, met, zonder een enkel woord
te spreken, een gedeelte eeten, het welk men hun heeft toegediend,
onder zyne hangmat te plaatsen. Met dit al hoort men den zieken
nimmer klagen, noch het minste geschreeuw maken, welke pyn hy ook
lydt. Hy sterft met eene verbaazende gerustheid, niets vreezende,
noch hopende na dit leven. Die geenen van deeze volken, welke de
onsterflykheid der ziel gelooven, verbeelden zig, dat dezelve rondom
hunne graven omdwaalt.