VIERDE HOOFTSTUK.

Bevolking van Fransch Guiana.

Na zoo veele noodlottige omstandigheden, en de verachting, waar

toe Fransch Guiana vervallen is, is het niet te verwonderen, dat de

bevolking van dit Land zeer zwak is.

De inwooners bestaan uit Europeanen, Mulatten, Negers en Indianen. De

eerstgemelden of blanken, bedragen slechts een getal van agt of negen

honderd, zoo in de hoofdplaats Cayenne, als door het overige gedeelte

van het Land verspreid. Verscheiden van hun zyn ongelukkig en arm. Zy,

die meer op hun gemak leven, bestaan van ampten, jaargelden en soldyen,

ten kosten van de algemeene schatkist. Het vertier van levensmiddelen,

het welk de bezetting en het verblyf der geenen, die zig aldaar

van 's Lands wegen bevonden, noodzakelyk maakt, doet het grootste

getal der inwooners aan den kost geraken. Men zoude moeite hebben,

om vyf-en-zeventig eigenaars van Plantagiën op te tellen, die van

den opbrengst van hun land bestaan. Verscheiden woonen op eenen zeer

verren afstand van de hoofdplaats. Het getal der Mulatten is vier of

vyf honderd, en dat der Negers negen duizend.

De Mulatten, die overal onderdrukt worden, hebben dit misschien meer

in Guiana, dan ergens anders, ondervonden.

"Schoon de Creolen, van een blanken en eene zwarte voortgeteeld,

zegt de Burger LESCAILLIER in zyn te meermalen aangehaald Exposé des

moyens &c., over 't algemeen veele lichamelyke voorrechten hebben,

vlugheid, eene onbedwongene en bevallige houding, een zeer geregeld

gestel en voorkomen, worden zy zeldzaam voor goede voorwerpen gehouden,

wanneer men hen in den rang der slaven plaatste, uitgenomen de geenen,

welken men tot huisselyke diensten gebruikte. De reden daar van is

gemakkelyk naar te gaan; daar zy uit de gemeenschap van eenen blanken,

die tot de Plantagie niet behoorde, ten gevolge van eene ongeoorloofde

verbintenis, waren voortgesproten, verbeterde de opvoeding het

gebrekkige van hunne geboorte niet. Zy verachtten de Negers, en

werden door dezelven wederkeerig veracht. Zeldzaam gelukte het hun,

wanneer zy, onder de zwarten vermengd, op de Plantagiën arbeidden.

De algemeene laagheid, waar in men dit zoort van menschen in de

Volkplantingen hield, en die alle nayver in hun uitdoofde, had te

Cayenne hun tot eene zwervende en ongebondene hoop volks gemaakt;

byna geen enkele onder hun was of tot den landbouw, of tot eenig

handwerk geschikt.

"De middelen, die men wel eer te werk stelde, met oogmerk om hen

nuttig te maken, hebben het kwaad nog verërgerd. De Gouverneurs

hebben gemeend de vrygelatenen te moeten beschouwen als lieden,

die verpligt waren op het eerste bevel op te trekken. Dienvolgende

waren alle de manspersoonen boven de veertien jaaren, getrouwd en

ongetrouwd, landbouwers, werklieden, of andere, zonder onderscheid,

begrepen onder eene zoogenaamde Compagnie Jagers, zonder soldy,

staande onder bevel van een zeker zoort van Officiers, maar die ook

geen soldy trokken, nog eenigen rang hadden. Deeze ongelukkigen,

verpligt om op het eerste gegeven sein op te trekken, hebben zig,

uit dien hoofde, nimmer op eenen vasten voet kunnen nederzetten,

trouwen, zig tot eenig vast handwerk begeven, en nog minder zig op

den landbouw toeleggen. Den dienst, die hun bevolen werd, zeer slecht

uitvoerende, alleenlyk betaald wordende voor de dagen, dat zy werkelyk

dienst deeden, hadden zy, by hunne te rug komst, geen eerlyk en zeker

middel van bestaan, het geen hen dikwils noodzaakte om door wandaaden

en strooperyen den kost te zoeken.

"'Er was ook nog een ander zoort van Creolen, van een vrye vader en

moeder geboren. Zy oeffenden handwerken of den landbouw, en leefden

daar van met hunne huisgezinnen. Derzelver getal is in Fransch Guiana

oneindig klein."

De blanken, die geene eigendommen bezaten, het zy werklieden, het

zy anderen, maakten het aanzienlykst gedeelte der bevolking van

hun zoort uit: zy hebben een getal van dertien honderd bedragen,

van allerleyen ouderdom en kunne, zonder de bezetting daar onder te

rekenen; maar men verzekert, dat zy thans tot een getal van zeven of

agt honderd versmolten zyn.

Onder dit aantal van persoonen vindt men byna twee derde van het

mannelyk geslacht, om reden, dat het getal der genen, die zig buiten

's Lands begeven, ten aanzien der mannen altyd veel aanmerkelyker

is. Indien men van dit aantal manspersoonen de zieken, oude lieden en

kinderen aftrekt, bleven 'er ten hoogsten vier honderd mannen overig,

die in staat waren om de wapenen te voeren.

Onder de laatstgemelden waren niet meer, dan honderd-en-vyftig

eigenaars van middelmatige en kleine Plantagiën, die, hoe zeer

grootendeels van geen belang tot bevordering van 's Lands voorspoed,

en den uitvoer der koopwaaren, echter tot onderhoud van derzelver

bezitters als voldoende beschouwd konden worden, 'Er bleven derhalven

tweehonderd vyftig mannen (blanken) overig, die in dit Land hun

bestaan vonden, behalven door den landbouw; de één door posten en

ampten tot het bestuur, of tot den krygsdienst betrekkelyk; de anderen,

als werklieden, daglooners, of bedienden van allerleije zoort, hunne

soldyen uit de algemeene schatkist, en hunne wedden van de Regeering

ontfangende.

Indien nu de dienst zoo van het Land, als van byzondere persoonen,

slechts honderd en vyftig van deeze menschen bezig hield, zoo bleven

'er dus honderd overig, wier bestaan zeer wisselvallig was. Het was

van aanbelang zig bezig te houden met dit klein getal persoonen,

die van middelen ontbloot waren.

Men vergrootte eenige bezittingen, men ondernam nieuwen arbeid,

men deelde eenige landeryen uit, en bezorgde daar by tevens

gereedschappen en vee. De arbeiders en bouwlieden vonden bezigheid,

en de laatstgemelden begonnen voordeel te doen.

Eene bevolking van zes honderd mannen (blanken) tegen drie honderd

vrouwen, had geene evenredigheid tot vermeerdering der bewoners, noch

tot bevordering der goede orde, in een Land, alwaar men de vermenging

met Zwarten en Mulatten aan de hand gaf, en alwaar by gevolg de wet

zelve tot hoerereije en overspel scheen uit te noodigen. Zulk een

staat is schadelyk voor de maatschappy. Het was dus van een dringend

aanbelang daar in te voorzien.

Men had eene Volkplanting te Iracoubo begonnen, bestaande uit dertig

mannen, uit een zeker getal afgedankte soldaten uitgekozen. Men moest

ontwyffelbaar aan deeze mannen bezorgen verstandige, arbeidzaame en

bekwame vrouwen. Om dit oogmerk te bereiken, verzogten de Bestuurders

van Guiana aan de Regeering, en wel tot eene eerste proeve, een

getal van vyf-en-twintig of dertig weesmeisjens, die met weinige

kosten hadden kunnen overkomen. In geval deeze poging gelukt was,

zoude men van dit zelfde middel wederom hebben gebruik gemaakt, en

nieuwe bezitingen in deeze uitgebreide Volkplanting hebben kunnen

aanleggen: men sloeg geen acht op dit belangryk voorstel, noch op

veele anderen, die tot bevordering en verbetering des Lands zouden

hebben kunnen medewerken.

Het is waarschynlyk, dat deeze bezittingen verlaten zyn geworden,

en dat de meeste blanken, die 'er hun bestaan uit moesten vinden,

uit de Volkplanting vertrokken zyn.

De Negers bedroegen in Fransch Guiana een getal van negen duizend. De

Burger LESCAILLIER meldt ons, dat men, in 't jaar 1788, hem over

de mogelykheid van de afschaffing der slavernye raadpleegde. Deeze

Bestuurder verklaarde van begrip te zyn, dat men in de Volkplantingen

de akeligste gebeurtenissen te duchten had, indien men niet

langzamerhand den weg tot deeze gelukkige omwenteling baande. Drie

jaaren lang deedt hy alle moeite, om de mogelykheid van dusdanige

verandering zeker te stellen: hy toonde het voorbeeld van eene betere

bestuuring, ten aanzien van de Negers van den Staat: hij bezorgde

hun een gezonder en vaster voedzel: hy liet hen kleeden en in hunne

ziekten oppassen. Op zynen raad en volgens zyn voorbeeld, heeft men

de zwangere en zogende vrouwen ontzien: men droeg zorge voor kinderen

en jonge lieden: men betoonde ontzag voor oude lieden en zieken: men

moedigde het aangaan van huwelyken aan: men arbeidde, om goede zeden,

vlyt en bedaardheid in de Negers aan te wakkeren: juiste belooningen

vervulden de plaats van harde en willekeurige kastydingen.

Zulk eene handelwyze heeft de gelukkigste uitwerkingen gehad. Het

werk werd met yver en arbeidzaamheid verrigt, en het gelukte door dit

middel, om aan de Negers hunnen staat van slavernye te doen vergeten.

Men dagt niet meer aan wegloopen: vyf of zes schuilplaatsen der

weggeloopen Negers, van alle gemeenschap verwyderd, in ontoegangelyke

Landen en ondoordringbaare bosschen verzonken, zyn van tyd tot tyd

vernield, of door de vredelievende middelen van onderhandeling,

tot de stem der menschelykheid, die tot in deeze verblyfplaatsen was

doorgedrongen, te rug gebragt.

De optochten met krygs-geweld waren tegen deeze arme schepzels byna

onuitvoerlyk: zy kostten aan zommigen van hun het leven, en maakten de

anderen altyd nog afkeeriger. Men moest dus tot eenig ander middel

zyn toevlucht nemen. Een zendeling, met een kruis in de hand, en

onder het geleide van een getrouwen Neger, ging hun de woorden van

vrede brengen, hun kwytschelding beloven, en allen kwamen zy, met

hun volkomen genoegen, hunne yzere kluisters hernemen. Een deezer

verblyfplaatsen onder anderen, verscheiden dagreizens van alle

woningen afgelegen, was, zedert verscheiden jaaren, eene veilige

wykplaats voor een groot getal van weggeloopene Negers. Men had

slechts eene oppervlakkige kennis wegens het bestaan van deeze

wykplaats. Een Priester begaf zig te voet derwaarts, vergezeld van

eenige ongewapende Mulatten, en bragt van deeze plaats, op ééne keer,

drie-en-veertig persoonen mede, waar onder verscheiden kinderen waren,

in de bosschen geboren, en die nooit een blanken gezien hadden. Het

gebeurde werd van wederzyden vergeten. De eigenaars leerden 'er door,

om nuttige voorwerpen, die hun ontloopen konden, zonder mogelykheid

van ze wederom te krygen, met meerder geschiktheid te behandelen,

en de Negers hernamen met onderwerping hunnen gewoonen arbeid.

Men heeft voorgegeven, dat de Negers in Guiana beter behandeld werden,

dan in de andere Volkplantingen. Dit voorgeven wordt door geen bewys

gewettigd. 'Er zyn in deeze landstreek weinig groote Plantagiën

en gegoede Planters; en deeze laatstgemelde behandelden, over 't

algemeen gezegd, hunne slaven het best, het zy om dat zy meerder

middelen bezaten, het zy om dat ze meerder doorzicht hadden.

Zeer geringe Planters, van alle toevoorzicht verre verwyderd,

oordeelden beter hun fortuin voort te zetten, door van drie of vier

Negers, welken zy in het geheel bezaten, eenen onmatigen arbeid te

vorderen. Zy lieten hun zelfs den Saturdag niet, welken men anders

gewoon was aan hun tot bebouwing van hunnen eigenen tuin toe te

staan, en zomtyds ontnamen zy hun zelfs den Zondag: zy bekreunden

zig over hun in 't geheel niet, noch by ziekte, noch by gezondheid:

zy bezorgden hun geen behoorlyk voedzel noch kleeding, en nimmer heeft

men ten deezen opzigte in Guiana kunnen verwerven de uitvoering van

het geen by de wetten, le Code noir genoemd, bepaald was.

Op de Plantagiën, waar men rykelyker bemiddeld was, doch welker

getal ongelukkig zeer klein is, werd dit gebrek verbeterd door de

zorge der eigenaars, door overvloed van groenten tot levensmiddelen,

door het visschen en jagen in zekere landstreken, en door de kleine

geld-sommetjes, die de Negers zig bezorgden, door het overschot van

hun gevogelte en levens-middelen op de markt te verkoopen.

Zommige eigenaars der Plantagiën maakten in geschrifte menschlievende

en verstandige Reglementen, die aan de Negers werden bekend gemaakt. De

ondervinding heeft bewezen, dat, wanneer de slaven beter behandeld

werden, zy met meerder yver tot bevordering van de belangen hunner

meesters medewerkten. Eén deezer Planters had aan elke Negerin, die

zes kinderen behoorlyk zoude opvoeden, de vryheid beloofd. Wanneer

die voorwaarde eenmaal vervuld was, werd de belofte met veel statie

ter uitvoer gebragt.

Brave en verstandige Planters, volgden natuurlyker wyze de beginzels

van menschlievendheid en de goede voorbeelden. Redeneeringen onder

allen, en blyken van misnoegen, aan wreede meesters te kennen

gegeven door den verstandigen, bestuurder, den Burger LESCAILLIER,

van wien wy deeze byzonderheden ontleend hebben, hebben langzamerhand

op het bestaan der Negers in deeze Volkplanting, en op den staat van

derzelver bebouwing, invloed gehad. Maar naderhand is de al te groote

zorgloosheid der Regeering oorzaak geweest, dat het getal der Negers

niet aanmerkelyk is aangegroeid, gelyk had moeten gebeuren, zoo uit

hoofde van de gemakkelykheid van het bekomen van levens-onderhoud in

dit Gewest, als van den zeer aanzienlyken invoer van slaven.

Misschien is het aan eenige van de hier boven opgegevene voorzorgen toe

te schryven, dat de afschaffing der slavernye in Fransch Guiana zulke

akelige gevolgen niet veröorzaakt heeft, als te St. Domingo. Deeze

omwenteling werd op eene rustige wyze bewerkt, en men verhaalt, dat

men verscheiden Negers gezien heeft, die de gehechtheid aan hunnen

ouden meester aan den dag leiden, door op zyne Plantagie te blyven, en

denzelfden arbeid te verrigten, als of de wet 'er hun toe noodzaakte.

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet · 第 116 / 135 题