Geschiedkundige opgaave, betrekkelyk Fransch
Guiana.
Schoon men het juiste tydstip van de eerste reizen der Franschen naar
Guiana niet weet, is het echter zeker, dat zy 'er geweest zyn korten
tyd na de eerste ontdekking, door de Spanjaarden gedaan.
JAN DE LAET, een Schryver van voor byna twee eeuwen, verhaalt, dat
de Franschen gewoon waren aldaar gekleurd hout, en onder anderen een
zoort van Brasiliën-hout, in te laden.
De vriendelykheid, waar mede zy door de inboorlingen des Lands
ontfangen wierden, lokte hen uit, om deezen handel te blyven aanhouden;
en om denzelven des te beter te verzekeren, vestigden zy 'er wel dra
eene Volkplanting.
Een ander bewys, dat de Franschen het eerst de kusten van Guiana
bezogt hebben, is te halen uit de reisbeschryving van RALEIGH in 't
jaar 1595. Deeze reiziger, sprekende van het binnenste gedeelte van
dit Land, zegt, dat "de Franschen zedert lang moeite deeden tot het
ontdekken deezer Landen, werwaards zy veelvuldige reizen deeden, om
'er goud van daan te haalen, maar dat zy den rechten weg niet namen,
door denzelven te zoeken langs de Rivier der Amazonen."
In 't jaar 1604, besloten eenige Franschen, door de gunstige berigten
van RALEIGH misleid, om, onder het geleide van LA RAVERDIERE, naar
deeze streeken koers te zetten. Andere gelukzoekers deezer natie
volgden spoedig hunne voetstappen. Allen vermoeiden zy zig op eene
ongelooflyke wyze. Eindelyk zetteden zig zommigen, veel eer uit weêrzin
in zoo zwaaren arbeid, als om dat zy zig in hunne hoop bedrogen vonden,
te Cayenne neder.
In 't jaar 1624, zonden eenige kooplieden van Rouaan eene kleine
Volkplanting, bestaande uit zes-en-twintig menschen, die de oevers
der Rivier Sinamari verkozen, om zig neder te slaan.
Twee jaaren later, in 't jaar 1626, kwam 'er eene nieuwe Volkplanting,
aanzienlyker dan de eerste, en die zig aan de Rivier Conanama
nederzettede. Men bouwde aldaar een Fort, stelde 'er een Bevelhebber
over aan, en liet 'er een gewapend vaartuig, om den handel langs de
kust te beveiligen.
Deeze beide Volkplantingen vermeerderden aanmerkelyk door den toevoer,
die zy uit Frankryk ontfingen. Zy breidden zig tot verscheiden
plaatsen uit.
Zedert het jaar 1674, had men zig op het Eiland Cayenne gevestigd,
en aldaar de kust van Remire, als de vruchtbaarste en aangenaamste
streek, tot verblyfplaats uitgekozen. Men moest de Arikarets, en
eenige andere Indiaansche volken, aldaar woonende, verjagen.
In 't jaar 1675, verkoos men eene andere woonplaats, drie mylen
meer ten westen, op een uithoek van het Eiland, alwaar de mond
der Rivier Cayenne een haven oplevert. Men bouwde aldaar een Fort,
waar aan men den naam van het Fort Louis gaf, en digt daar by een
Dorp of Stad, die de hoofdstad der geheele Volkplanting geworden is,
en welke men naar den naam van het Eiland Cayenne noemde. Men breide
zig vervolgens uit in alle de gedeelten van dit zelfde Eiland, en
aan de naby gelegene Rivieren.
In 't jaar 1640. zetteden de Franschen zig aan de Rivier Surinamen
neder; maar de lage en moerassige grond, en ongezonde lucht in
dit gedeelte van Guiana, deeden hun het zelve wederom verlaten. De
Engelschen maakten 'er gebruik van.
Eenige kooplieden van Rouaan, denkende, dat uit deeze Volkplanting
voordeel te haalen was, besteedden daar toe, in 't jaar 1643,
gezamentlyk zekere somme van penningen. Zy droegen hunne belangen op
aan een ondernemend man, PONCET DE BRETIGNY genaamd, die den oorlog
zoo wel aan de Planters als aan de Negers verklaard hebbende, spoedig
werd van kant geholpen. Deeze Maatschappy, aan welke men den naam
van de Maatschappy der Noord-Kaap gaf, verkreeg van Koning LODEWYK
XIII. opene Brieven, waar by deeze Vorst aan haar het uitsluitend
voorrecht toestond van den koophandel en scheepvaart op Guiana, tot
welks grensscheidingen men by die zelfde brieven bepaalde, aan de
zuldzyde de Rivier der Amazonen, en aan de noordzyde de Orenoco. Deeze
bepaaling der grensscheidingen ontmoette geene zwarigheid, noch
veröorzaakte eenige klagten, dewyl geheel Europa wist, dat de Franschen
zedert langen tyd in het bezit van Guiana waren, en de eersten geweest
zyn, die aldaar handel gedreven en Volkplantingen aangelegd hadden.
Verscheiden lieden van aanzien, in deeze Maatschappy deel genomen
hebbende, verkregen van den Koning nieuwe voorrechten en nieuwe
vergunningen door dit geheele Land. By herhaling zonden zy derwaarts
aanzienlyken onderstand; en men liet meer dan agt honderd menschen
naar Guiana vertrekken, zoo tot meerdere beveiliging en aanwas van de
onderscheidene aangelegde Volkplantingen, als om nieuwe aan te leggen,
en ontdekkingen te ondernemen, door dieper in het Land door te dringen.
De treurige dood van PONCET DE BRETIGNY de deelgenooten ter
nedergeslagen hebbende, werd, in 't jaar 1651, eene nieuwe Maatschappy
opgericht, die meerder opgang scheen te zullen maken. Het merkelyk
aantal van ingelegde penningen, stelde haar in staat, om, tot in Parys
toe, zeven of agthonderd menschen by één te verzamelen. Zy wierden
by de Seine ingescheept, om naar Havre te vertrekken. Het ongeluk
wilde, dat de deugdzaame Abt DE MARIVAUX, die deeze onderneming
voornamelyk had aangewakkerd, en dezelve als Directeur Generaal
bestierd zoude hebben, verdronk op het oogenblik, dat hy stond scheep
te gaan. ROIVILLE, een Edelman uit Normandië, die als Generaal naar
Cayenne gezonden wierd, wierd op de reize vermoord. [85] Twaalf der
voornaamste belanghebbenden, die de bewerkers van deezen aanslag
waren, gedroegen zig in de Volkplanting, welkers bloei zy verpligt
waren geweest te bevorderen, op zoodanig eene wreede manier, als uit
dit verschrikkelyk voorval bereids te voorzien was. Zy deeden aan
één van hun, ISAMBERT genaamd, die, benevens drie anderen, zig van
het gezag geheel had willen meester maken, het hoofd afslaan. Zyne
medepligtigen wierden naar een onbewoond Eiland verbannen. Twee andere
deelgenooten stierven kort daar op, en de overgeblevenen gaven zig aan
de grootste buitensporigheden over. De Bevelhebber der Vesting liep
naar de Hollanders over, met een gedeelte van zyne bezetting. Zy,
die aan honger, ellende, de woede der Wilden van het vaste Land,
welken men op honderde manieren getergd had, waren bloot gesteld,
achtten zig zeer gelukkig, toen zy met een schip en twee sloepen de
Eilanden onder den wind bereiken konden. Vyftien maanden na dat zy in
het Eiland waren aangeland, verlieten zy het Fort, de krygsbehoeften,
de wapenen, de koopmanschepen, benevens vyf- of zeshonderd lyken van
hunne ongelukkige medgezellen.
In 't jaar 1663, werd eene nieuwe Maatschappy, onder het opzigt
van den Request-meester LA BARRE, opgerigt. Dezelve bezat een
capitaal van niet meer dan twee maal honderd duizend gulden: maar
de hulp der Regeering stelde haar in staat, om de Hollanders, die
zig aldaar onder het geleide van SPRANGER hadden nedergezet, toen
zy dit Land door deszelfs eerste bezitters hadden zien ontruimen,
uit deeze bezitting te verjagen. De Indianen waren na het vertrek der
Franschen in het Eiland te rug gekeerd, maar SPRANGER noodzaakte hen,
om naar Terra-Firma de wyk te nemen. Hy verbeterde de vestingwerken,
deedt groote uitzuiveringen en voordeelige bebouwingen der landen. Na
dat deeze Maatschappy onder het opzigt van BARRE een jaar bestaan
had, maakte zy een gedeelte uit van de groote Maatschappy, die de
grondslag was van alle die Maatschappyen, welken men voor Africa,
en voor het Nieuwe Weereld-deel had opgerigt. In 't jaar 1667,
wierd Cayenne aangevallen, geplonderd, en wederom verlaten door de
Engelschen, en de vluchtelingen namen het weder in bezit, om het zig,
in 't jaar 1772, andermaal te zien ontweldigen door de onderdanen
der Vereenigde Nederlanden, die het echter niet langer, dan tot in 't
jaar 1676, behouden konden. Te dier tyd werden zy door den Marschalk
D'ETRÉES van daar verjaagd. Naderhand is de Volkplanting niet meer
aangevallen geworden.
De Franschen wederom meesters van Cayenne geworden zynde, waren
ten sterksten bedagt, om zig op het Eiland en het vaste Land
wel te vestigen. Met meerder zorgvuldigheid dan ooit kweekten zy
alles aan, waar by de koophandel belang konde hebben. Verscheiden
koopvaardy-schepen kwamen aldaar handelen, en eene meenigte
huisgezinnen zetteden 'er zig ter neder. Eenige Kapers bragten ook
het hunne toe tot aanwas der Volkplanting.
Beladen met het geen zy in de Zuid-Zee geroofd hadden, vestigden
zy zig te Cayenne, en het belangrykste was, dat zy besloten hunne
schatten tot den landbouw te besteden.
Zy scheenen denzelven met nadruk te willen voortzetten, en Cayenne was
vry wel bevolkt, toen DUCASSE in 1688. aldaar aanlandde, met oogmerk,
om Surinamen te vermeesteren en te plunderen. De natuurlyke lust
der Kapers herleefde, de nieuwe Colonisten werden wederom Kapers,
en hun voorbeeld lokte byna alle de inwoonders uit.
Deeze onderneming was niet gelukkig, uit hoofde van de weinige
voorzorgen, die men genomen had, om de aankomst deezer vloot voor
de Hollanders, welken men voornemens was re overrompelen, geheim te
houden. Men vondt hen overal in staat van verdediging. Een gedeelte
der aanvallers sneuvelde; anderen wierden gevangen genomen, en naar de
Antillische Eilanden gezonden, alwaar zy zig nedersloegen. De overigen
gingen wederom te scheep. Zedert dien tyd heeft de Volkplanting veel
moeite gehad, om het verlies van haare inwooners te herstellen. Het
scheen zelfs, dat zy byna geheel in vergetenheid geraakt was, tot in
't jaar 1763, wanneer de Fransche Regeering haar een nieuwen luister
trachte te geven.
Frankryk ontdeed zig van de akeligheden van eenen schandelyken
oorlog. De gesteldheid der zaaken had de Regeering genoodzaakt, om,
met opöffering van verscheiden gewichtige bezittingen, den vrede te
koopen. Het scheen insgelyks noodzakelyk, om de natie, zoo wel de
geledene rampspoeden, als de misslagen, die dezelven berokkend hadden,
te doen vergeten. Men wendde haar oog af van de Volkplantingen,
die zy verloren had, om het zelve te vestigen op Guiana, het welk,
zoo men zeide, zoo veele rampen vergoeden moest.
Dit was het gevoelen niet van hun, die van den staat der zaaken het
best onderricht scheenen. Eene Volkplanting, zedert anderhalve eeuw
opgerigt, in een tydstip, dat de gemoederen op groote ondernemingen
verhit waren; alwaar burger-twisten, noch vreemde oorlogen aan het
aangelegde werk geen nadeel hadden toegebragt; die van de weldaaden
der Regeering en het voordeel van den koophandel nimmer was verstoken
geweest; alwaar de voorraad van voortbrengzels altyd zeker geweest
was:--deeze Volkplanting was niet noemenswaardig. De ellende en
vergetenheid was haar deel geweest, zelfs in het tydstip, dat de
Fransche bezittingen in America door haaren luister en rykdommen,
de oude en nieuwe weereld verbaasden. Haare gesteldheid was zelfs van
dag tot dag verërgerd. Hoe kon men hopen op die groote vooruitzigten,
welken men 'er van gaf? Deeze aanmerkingen wederhielden de Regeering
niet. Om het verlies van Canada te vergoeden, wilde men in Guiana een
vry volk vestigen, dat door zyne eigene kragten in staat zoude zyn,
om aan vreemde aanvallen het hoofd te bieden, en geschikt, om door den
tyd andere Volkplantingen, wanneer de omstandigheden zulks vorderden,
te hulp te komen.
Dit werk wierd bestuurd door eenen arbeidzamen Staats-Minister. Als een
verstandig Staatsman, die de veiligheid niet aan de rykdommen wilde
opõfferen, was zyn doelwit, een bolwerk op te rigten tot verdediging
der Fransche bezittingen. Als een gevoelig Wysgeer, die de rechten
van het menschdom kent en eerbiedigt, wilde hy deeze vruchtbaare en
onbebouwde streeken door vrye menschen bevolken. Maar men voorzag
alles niet. Men vergiste zig met te gelooven, dat Europeanen onder
de gezengde luchtstreek de vermoeijenissen zouden doorstaan, die
tot den aanleg en zuivering van onbebouwde landen verëischt worden,
en dat menschen, die in de hope van een gunstiger lot hun vaderland
verlieten, zig aan een woest leven gewennen zouden in eene luchtstreek,
die minder gezond was, dan haare geboorte-grond.
Dir verkeerd stelzel werd zoo dwaaslyk uitgevoerd, ais het ligtvaardig
was aangenomen. Alles werd aldaar ingerigt, zonder beginzel van
wetgeving, zonder te letten op de betrekkingen, welken de Natuur
onder de menschen gesteld heeft. De laatstgemelden werden in twee
zoorten verdeeld, eigenaars en arbeiders. Men hield niet in 't oog, dat
deeze verdeeling, die in Europa stand grypt, het gevolg is van oorlog,
omwentelingen, en oneindige toevalligheden, die de tyd te weeg brengt;
dat zy voortkoomt uit de voortduuring van een maatschappelyk leven,
maar geenzints de eerste grondslag is der maatschappye, die in haaren
oorsprong wil, dat alle haare leden in den eigendom deel hebben. De
Volkplantingen, die nieuwe bevolkingen, en nieuwe maatschappyen zyn,
moeten deezen grondregel volgen. Met den eersten tred ging men
'er reeds van af, door de landen in Guiana alleen toeteschikken
aan hun, die zekere geldsommen, tot de bebouwing noodig zynde,
konden aanbrengen. De overigen, wier begeerlykheid men door ydele of
wisselvallige hope gaande maakte, werden van het aandeel in de landen
uitgesloten. Dit was een gebrek van Staatkunde, tegen de rechten van
het menschdom inloopende. Indien men aan alle de nieuwe Colonisten,
welken men naar dit naakte en woeste Gewest heen voerde, een gedeelte
gronds om aan te leggen gegeven had, zoude elk het bebouwd hebben
op eene manier, aan zyne kragten en vermogens geëvenredigd: de één
met zyn geld, de ander met zynen arbeid. Het was een onvermydelyk
vereischte geweest, om aan alle de leden der nieuw aangelegde bevolking
eenen eigendom aan te bieden, alwaar zy hunnen arbeid, hunne vlyt,
hun geld, met één woord, hunne meer of min uitgestrekte vermogens,
konden te werk leggen.
Menschen, naar onbebouwde landstreeken overgevoerd, vonden 'er niets
dan behoeften. De geregeldste en onafgebrokenste arbeid konde niet
beletten, dat zy, die in deeze woestenyen met het aanleggen van landen
hunnen tyd doorbragten, van alles ontbloot bleven, tot het meer of
min afgelegen tydvak van den oogst. Ook verbond zig de Regeering,
aan wien zulk eene blykbaare waarheid niet ontsnappen konde, om alle
Duitschers, alle Franschen zonder onderscheid, welke tot de bevolking
van Guiana geschikt waren, twee jaaren lang te onderhouden. Maar
deeze daad van rechtvaardigheid was geene daad van voorzigtigheid:
het was te voorzien, dat al wierden zelfs de levensmiddelen met zorg,
met yver en met belangloosheid in genoegzaamen voorraad opgelegd;
de meestcn derzelven noodwendig moesten bederven, het zy op de reize,
het zy naderhand: het was te voorzien, dat gezouten vleesch, wel of
kwalyk bewaard, nimmer een geschikt voedzel zyn zoude voor ongelukkige
vluchtelingen, die eene gezonde en gematigde luchtstreek verlieten,
om de brandende zand-woestynen onder de gezengde luchtstreek te
bewoonen, om de vochtige en regenachtige lucht der zonne-keerkringen
in te ademen.
Eene verstandige Staatkunde zoude zig met de vermeerdering van
het vee hebben bezig gehouden, alvorens te denken, om 'er menschen
te vestigen. Deeze voorzorg zoude niet alleen een gezond voedzel
aan de eerste Colonisten bezorgd hebben, maar hun ook de gepaste
werktuigen opgeleverd tot de ondernemingen, welke de vorming van
eene nieuwe bevolking verëischt. Met deeze hulpmiddelen zouden zy de
vermoeijenissen hebben getrotseert, welke de Regeering op zig genomen
had rykelyk te zullen betalen. Zy zouden woonplaatsen en koopwaren
bezorgd hebben aan hun, die 'er hun verblyf moesten houden. Op deeze
wyze zoude de ontworpene Volkplanting in korten tyd eene behoorlyke
vastigheid verkregen hebben.
Men maakte deeze aanmerkingen niet, hoe eenvoudig en natuurlyk ook:
na het doorstaan van eene lange reize, werden twaaf duizend menschen
ontscheept op woeste en onbebouwde kusten, in het ongunstigst
jaargetyde, in het regen-saisoen. Indien de nieuwe Colonisten in
het begin van het saisoen van droogte waren aangeland, op de hun
toegeschikte landen verdeeld, zouden zy den tyd gehad hebben, om
hunne wooningen in gereedheid te brengen, de bosschen om te hakken
of te verbranden, hunne velden te bearbeiden en te bezaaijen.
By gebrek van deeze voorzorge, wist men de meenigte van menschen,
die na malkanderen aanlandden, niet te plaatsen, Het Eiland Cayenne
zoude tot eene plaats van rust en verversching voor de kortlings
ontscheepte perfoonen gestrekt hebben. Men zoude 'er wooningen en
middelen van bestaan gevonden hebben. Maar het vooröordeel, om de
nieuwe en de oude Volkplanting niet onder elkander te vermengen,
deedt deeze voorzorge in den wind slaan. Als een gevolg van deeze
styfhoofdigheid, plaatste men twaalf duizend ongelukkigen op de
Salut-Eilanden, aan de oevers der Rivier Kourou, onder tenten en
in slechte hutten. [86] Aldaar, verwezen zynde tot werkeloosheid,
verveeling, het gemis der eerste benoodigdheden, besmettelyke ziekten,
die altyd door bedorven voedzel veröorzaakt worden, tot alle de
wanörden, welke de ledigheid voortbrengt onder een volk, dat verre
heen vervoerd, zig onder eene nieuwe luchtstreek bevindt, eindigden
zy hun droevig lot onder de verschrikkelykste wanhoop. Hunne asch zal
steeds om wraak roepen tegen de voorstanders van eene onderneming,
die zoo veele ellendige slachtöffers gemaakt heeft.
Op dat niets aan het onheil ontbreken zoude, en de geldsommen,
tot de uitvoering van eene ongerymde onderneming geschikt, geheel
en al verspild zouden worden, oordeelde hy, die in last had om aan
alle deeze noodlottigheden een einde te maken, zig verpligt, om twee
duizend menschen welker sterk gestel aan de ongunstige luchtstreek,
en de onuitsprekelykste ellenden wederstaan had, naar Europa te rug
te voeren.
Een zestigtal van huisgezinnen uit Duitschers en inboorlingen van
Acadia bestaande, ontsnapte echter aan de algemeene verwoesting. Zy
sloegen zig neder aan de Sinamari, wier oevers nimmer door de zee
overstroomd worden, en vonden aldaar eenige natuurlyke velden, en
een grooten overvloed van Schildpadden. Die zwakke Volkplanting heeft
zig, langs deeze Rivier, in stand gehouden. De visscherye, de jagt,
de vee-fokkerye in de uitgestrekte zand-woestynen, welken de Natuur in
deeze streeken gevormd heeft, het planten van een weinig ryst, Turksch
graan en catoen; deeze leverden hun het noodige middel van bestaan op.