DERDE BRIEF.

Van het planten en aankweeken van Koffy, en van de noodige

levensmiddelen tot onderhoud van de Planters; van het oogsten

en bewerken der Koffy; van de gebouwen, en verdere noodzakelyke

inrigtingen tot eene groote Koffy-Plantagie, volgens het gebruik der

Hollandsche Volkplantingen in Guiana.

Ik heb nu de manier ontvouwd van het droogmaken van een stuk grond,

het inrichten van de grachten en uitwaterende sluisen, en het toemaken

van het land, het welk voor deezen verdronken land was, ten einde

daar van zoodanige Plantagie te maken, als men geraden zal oordeelen

aldaar te vestigen. Ik zal voorönderstellen, dat het koffy-boomen zyn,

welken gy voornemens zyt op uw land voort te teelen; het onderwerp

van deezen brief zal derhalven bestaan in u opzettelyk de middelen

aan te wyzen, waar door men zulk eene Plantagie kan aanleggen, mits

'er de behoorlyke zorge toe aanwendende.

Na dat de doorsnydingen of kleine grachten tot afscheiding der bedden

gemaakt zyn, houdt men zig met de beplanting bezig. Het is vry algemeen

aangenomen, om bananen-boomen te planten, eer men koffy-boomen plant,

zelfs op eene Plantagie, die men begint aan te leggen: in dit geval

zal men het kunnen doen zes maanden, of een jaargetyde daar na. Maar

ten aanzien van Planters, die reeds Plantagiën hebben, en dezelven

uitleggen, is men volstrektelyk van gedachten, dat zy ten minsten

twaalf maanden moeten wagten, dat is, dat zy, hun land met dyken

omringd hebbende, geduurende de groote droogte van het ééne jaar,

hunne koffy-boomen eerst behoeven te planten in het regen-saisoen,

na het saisoen van droogte in het volgende jaar. Maar een Planter,

die eerst begint, en meer haast heeft om genot te trekken, kan

reeds planten in den regen van April of Mey van het jaar, volgende

op het saisoen van de groote droogte, waar in men verönderstelt,

dat hy zyne omheining gemaakt heeft: indien hy zulks gedaan had

geduurende de kleine droogte van February of Maart, zoude hy kunnen

planten in de maand December daar aanvolgende, mits hy zig in dien

tusschen-tyd onledig houde, om uit zyn toegemaakt land zoo veel hout

en struiken van pynboomen, of latanus-boomen van het kleine zoort uit

te haalen, als hem maar eenigzints mogelyk is, ten einde hem in staat

te stellen, om het land zoo veel doenlyk gelyk te maken, alvorens de

koffy-boomen te planten. De andere Planters, wien men aanraadt, om,

zoo zy kunnen, een jaar te wagten, moeten denzelfden arbeid verrigten;

maar zy zullen dit met veel meer gemak doen, vermits veele van deeze

planten na verloop van twaalf maanden verrot zyn, die het nog niet

zyn na verloop van zes maanden.

Indien men de voorzorge niet gebruikte, om den grond schoon en gelyk

te maken, zouden de koffy-boomen ongelyk groeijen, en zeer veel te

lyden hebben van de houtluizen en andere insecten, die zig in het

verrotte hout en struiken nestelen en voortteelen; en wanneer deeze

insecten zig eenmaal ergens geplaatst hebben, worden zy, om zoo te

spreken, onuitroeibaar.

Eene andere reden, waarom men van begrip is dadelyk geene koffy-boomen

te planten, bestaat hier in, dat de grond door de droogmaking veel

inzakt, en wanneer men al te schielyk boomen op denzelven plant,

deeze zeer onderworpen zyn om neder te hangen, of op den grond te

leggen, het geen niet alleen een zeer leelyk gezigt, en eene groote

moeielykheid in het uitwieden van het onkruid maakt, maar ook naderhand

in het vrucht dragen nadeelig is; want een boom, die op den grond ligt,

of over een anderen heen hangt, kan nooit zoo veel vruchten dragen,

als een boom, die recht over einde staat, en de vrye doorspeling van

de lucht aan alle kanten geniet.

Men kan, wel is waar, dit ongemak gedeeltelyk verhelpen, door op deeze

nieuwe gronden meer in de diepte te planten; maar nimmer zal de boom

eene zoo fraaije spitse gedaante aanneemen, dan wanneer men met het

planten wagt, tot dat de grond een weinig is ingezakt, vermits het

geheele gedeelte, het welk in den grond is, zyne zytakken verliest,

die zig nooit weder herstellen.

De Planter intusschen, die, na verloop van zes maanden na de

droogmaking, begint te planten, zal altyd wel doen, met deeze voorzorge

niet te verwaarloozen; want het gemelde ongemak is veel minder, dan

dat men de boomen ziet aan den grond leggen, of schuins nederhangen.

Uitgenomen op een zeer klein getal Plantagiën, alwaar men eenige

stukken met koffyboomen heeft beginnen te beplanten, op den afstand

van tien of twaalf voeten, heeft men de algemeene gewoonte aangenomen,

om dezelven op geen grooter afstand dan van negen voeten, en zelfs

aan de westzyde, alleenlyk van agt voeten, te beplanten, om dat de

koffy-boomen aldaar over 't algemeen kleiner vallen.

Zonder deeze gewoonte te willen beöordeelen, ben ik van gevoelen,

dat men de koffy-boomen op alle goede rivier-gronden kan planten op

tien voeten afstand, en dat men geen kwaad doet met dezelven op ryker

gronden, tien of twaalf voeten van elkander te plaatsen, vermits

ontwyffelbaar de invloed van de lucht, niet alleen tot den groei,

maar ook tot den bloei van alle vruchtboomen, zeer dienstig is.

Men heeft in 't algemeen in Demerary eenen zeer wezentlyken misslag

begaan, door de koffy-boomen op negen voeten afstand te planten:

men heeft de landen beginnen te verdeelen in zoo veele vierkante

vakken van die maat, in het midden van welken men een boom plantte;

voorts om de vier boomen eene kleine gracht of doorsnyding van twee

of twee en een half voeten gravende, waar door veröorzaakt wierd,

dat in plaats dat de afstand van den voet des booms aan den kant

van elke kleine doorsnyding de helft bedroeg van den doorgaanden

afstand van eiken boom, dit niet meer beliep dan drie of drie en een

half voeten, het geen, na verloop van eenige jaaren, op nog minder

uitkwam; want het is onmogelyk, dat by elke zuivering der vuiligheden,

de kleine doorsnyding zig niet eenige lynen verwydere, het welk, na

verloop van een zeker getal jaaren, dezelven op eene gelyke breedte

brengt. Uit dien hoofde hangen in Demerary de meeste reijen boomen,

langs de kleine doorsnydingen, allen over dezelven heen, het geen

niet alleen ten aanzien van de onderste takken aan den afloop van

het water een groot nadeel toebrengt, maar zelfs in het plukken van

de koffy hinderlyk is, ten minsten zulks zeer moeijelyk maakt. Ik

ben van een geheel tegen over gesteld gevoelen: in navolging van

de beste Surinaamsche Planters, maak ik niet alleen buiten-bedden,

welker afstand van den boom langs de kleine doorsnydingen de helft

bedraagt van den afstand tusschen den eenen en den anderen boom; maar

ik voege daar ook by een voet meer, om in de verbreeding van deeze

kleine grachten by het zuiveren der vuiligheden te voorzien. Wanneer

men nu de boomen op den afstand van negen voeten plant, zal de afstand

tusschen den boom en de doorsnyding bedragen vyf en een half voeten,

en indien ik dezelven plant op tien voeten, zal die afstand beloopen

zes voeten.

Een groot voorstander van de vermeenigvuldiging der uitwateringen

zynde, verkies ik liefst, om drie reijen boomen op een buiten-bed te

plaatsen; zoo dat, wanneer ik plant op den afstand van tien voeten,

zy elk van twee-en-dertig voeten worden.

Men zal wel doen, om by elk regen-saisoen eene enterye aan te leggen;

te meer, om dat, wanneer men zelf koffy-boomen heeft, die vruchten

dragen, dit een zeer geringe arbeid is, en men alleenlyk het oogenblik

van eenen regentyd, die niet missen kan, 'er toe verkiezen moet: want

gelyk de loten onder de boomen wortel schieten, en gevolgelyk gewoon

zyn, om geheel en al in de schaduwe te staan, zoo sterven zy, indien

ze, alvorens gevat te hebben, aan de hette der zon zyn bloot gesteld.

Dit is de reden, waarom ik liefst verkies dezelven in de

bananen-plantery te plaatsen, als welke, hoe breed ze ook zyn moge,

altyd het jong plantsoen overdekt: en op die wyze gewent het zelve

langzamerhand aan de lucht en aan de zon.

Ik stem toe, dat deeze loten misschien zoo sterk niet zyn, dan die van

eene enterye in de opene lucht; maar echter heb ik een stuk beplant,

zonder bananen-boomen, geheel en al bestaande uit jonge planten van

koffy-boomen, die van onder de bananen-boomen genomen waren, en 'er

zyn 'er van de zes-en-dertig honderd geen twaalf geweest, die niet

gevat hebben. Voor 't overige verkies ik liefst de koffy-boomen te

planten op zulke stukken lands, op welken bananen-boomen groeien. De

redenen zyn, voor eerst, om dat de bananen-boomen door hunne schaduwe

de jonge koffy-boomen beschutten, dezelven voor de winden beveiligen,

en meer regt over einde doen groeien; eene zaak, die voor de fraayheid

en nuttigheid van den boom van een wezentlyk belang is. Ik weet wel,

dat men staken of stutten voor dezelven plaatsen kan; maar dit is een

werk, het welk niet altyd aan zyn oogmerk voldoet, behalven dat dit

hout aan de houtluizen of carias tot eene verblyfplaats verstrekt,

byzonderlyk de stammen van pynboomen, die tot het maken van zulke

staken de geschiktste zyn. In de tweede plaats zyn de zwaare winden,

die in zekere maanden van het jaar waaijen, zeer nadeelig voor

den groei der boomen, zoo als ik ondervonden heb op twee stukken,

welken ik beplant had, na de bananen-boomen te hebben weggenomen. Het

gedeelte van deeze boomen, het welk voor de winden beschut was, is

grooter geworden, dan het andere gedeelte, het welk meerder aan de

winden was bloot gesteld, en zulks in het zelfde tyds-bestek.

Veele lieden meenen, dat een stuk land, in de opene vlakte beplant,

sterker boomen voortbrengt; maar daar op valt dadelyk te antwoorden,

dat men de bananen-boomen niet zeer digt by elkander moet planten, en

dat men ze aldaar niet te lang laten moet, noch eensklaps wegnemen,

maar dat men beginnen moet met dezelven in het tweede jaar te

besnoeijen, en daar mede zoodanig voort te gaan, dat zy op het einde

van het derde jaar allen zyn weggenomen.

Wanneer men eene kwekerye aanlegt, is het aller noodzakelykst acht

te geven, geene jonge planten uit te kiezen, dan onder de fraaiste

boomen. Dit is een zaak, die in 't byzonder in deeze Volkplanting

verwaarloosd is geworden, waar uit voortkoomt, dat 'er Plantagiën zyn,

op welken de helft der boomen uit een slecht zoort van koffy-boomen

bestaat, die zeer weinige vrugten dragen: men noemt dezelven, zoo ik

meen, verkeerdelyk, de mannetjes: zy onderscheiden zig door hunne

dikke en platte bladeren, door het groot getal van zwartachtige en

doode takken, door te veel weeldrig hout of onvruchtbaare takken,

eindelyk door den aart van het hout, het welk veel ligter breekt,

dan van een goed zoort koffy-boomen.

Men plant doorgaans nieuwe koffy-boomen, waar van de enterye twaalf

maanden te vooren is aangelegd: ik vermeene, dat deeze meest geschikt

zyn, om in de plaats te komen van doode boomen, of welken men om

andere redenen verruilt, op stukken, die reeds van vorige tyden

beplant geweest zyn: ik geloove zelfs, dat het niet dienstig is,

om ze jonger te nemen.

Maar op stukken, die men op nieuw beplant, geef ik de voorkeur aan

koffy-boomen, die uit eene kweekerye van zes maanden gehaald zyn:

zie hier myne redenen: in 't algemeen, hoe jonger een boom geplant

wordt, hoe gemakkelyker hy wederom wortel vat: de kenners van den

landbouw in Europa geven 'er altyd den voorrang aan; maar deeze reden

wordt nog veel klemmender in die Land, alwaar de boomen, en ook de

koffy-boomen een regten wortel hebben, die spilsgewyze groeit, en zig

by de verplanting krommende, maakt, dat de boom kwynt, en nooit welig

doorgroeit; waar uit al verder voortspruit, dat hy by het opwassen op

zyde hangt, of op den grond legt. Terwyl de boom jong is, beurt de

spilswyze wortel, zoo lang niet zynde, zig zelven uit den grond op,

en verplant zig als uit de natuur. Daarënboven, een jonge boom, die

minder door de winden getysterd wordt, vat veel eer wortel. Eindelyk,

de kleine boomen zyn zeer onderworpen om zig in de kweekeryen in

de lengte uit te breiden, en men heeft moeite om 'er een genoegzaam

getal te vinden, die dit niet gedaan hebben. Men behoort dus steeds

een wakend oog te houden op de arbeiders, die de verplanting doen, op

dat zy 'er geene verkiezen, dan die van een goed zoort afkomen: maar,

mits men ze jong plant, doet 'er de gedaante niet veel toe: elke boom,

op zig zelf staande, groeit van zelf spitsgewyze naar de hoogte.

Ik erken, dat, wanneer men zulke kleine boomen plant, men den arbeid

der eerste maanden vergroot: niet alleen moet men alle maanden wieden,

maar ook leggen deeze kleine boomen voor veele insecten bloot; de

krekels eeten 'er den kop af; de mieren maken daar aan gaarne hunne

nesten vast, die, zoo men geene zorge draagt om ze weg te nemen,

den groei beletten; maar het is slechts de moeite van een oogenblik,

die door andere voordeelen rykelyk vergoed wordt.

Behalven het uitwieden van het onkruid, en het zuiver houden van de

insecten, moet men ook nog zorge dragen, om de weelderige loten uit

de boomen weg te nemen, en te maken, dat zy in het midden met niet

meer dan een enkelen stam opgroeijen. Een of twee bekwame Negers

hebben spoedig een stuk gezuiverd.

Men moet ten deezen opzigte insgelyks in 't oog houden, om, by de

eerste regenbuien, alle de boomen, die niet gevat hebben, of sterven,

te verplanten.

Men doet ook wel, met dadelyk na het uitbloeijen, geduurende de twee

eerste jaren, de zaadkorrels der jonge boomen weg te nemen: vooreerst

brengen zy grootendeels niet dan koffy voort, waar in geen kragt is;

en ik ben overtuigd, dat dit te vroeg dragen van vrucht voor de groei

en kragt van den boom schadelyk is, zoo als men natuurlyk begrypen

kan, en ons door de ondervinding bevestigd wordt, als welke ons

toont, dat onder de jonge koffy-boomen de zwakste en meest kwynende

boomen het sterkst bloeijen; ten bewyze, dat dit overyld bloeijen de

uitwerking is van eene verzwakte natuur, welke men verbeteren moet

door het vernielen van de vrucht, zoo dra ze gevormd is. In Europa

doet men zulks van gelyken, en met een goeden uitslag, ten aanzien

van de persiken- en abrikosen-boomen.

Wanneer de boom tot de hoogte van vyf of vyf en een half voeten is

opgewassen, moet men deszelfs groei tegengaan, door den middelsten stam

af te knotten. Indien het een sterke boom is, zullen zyne zy-takken

hem nog een voet hooger doen groeijen; en dit is al de hoogte, die hy

hebben moet, op dat de Negers allen in staat zyn 'er de vruchten af

te plukken; want hoe fraai de groote boomen ook voor het uiterlyk oog

schynen mogen, de nuttigheid moet op alle Plantagiën de hoofdzaak zyn.

Behalven de aanhoudende uitwiedingen, moet men de boomen geduurig

ontdoen van de weelderige loten, welken men moet afbreken, en niet

afsnyden. Men moet ook het jong plantsoen uittrekken, het welk rondöm,

en onder de schaduwe van den boom te voorschyn koomt. Dit werk, om

wel verrigt te worden, vordert Negers van de mannelyke kunne, van

eene hooge gestalte, en daarenboven oplettend en oordeelkundig. Het

is ook best, om dit, tweemalen s'jaars, opzettelyk te laten doen. Het

gunstigst tydstip voor deezen arbeid is het regen-saisoen, om dat

men tevens de koffy-boomen, die niet gevat hebben, kan doen verplanten.

Men moet zig wagten, om dit werk te verrigten, of 'er mede ophouden,

in den bloei-tyd; want door het schudden der boomen, zoude men de

bloemen en jonge vruchten doen afvallen. Men zal ook wel doen, zoo

mogelyk, het wieden na te laten geduurende den oogst, hoe zeer dit

echter minder schadelyk is: men moet de Negers leeren en gewennen,

om de koffy niet groen te plukken; dezelve heeft geene waarde, en

dewyl zy kleine zwarte boonen voortbrengt, heeft men des te meerder

moeite met dezelven uit te zoeken.

Uitgenomen op modderige landen, zoo alst die gelegen zyn aan de beide

zee-kusten, alwaar de kanten naar de laagte loopen, en uit een zeer

zacht slyk bestaan, oordeelt men het schoonmaken der grachten niet

noodzakelyk; het is genoeg, dat men ze van de plantgewassen zuivert:

zy behouden haare diepte naar evenredigheid van den afloop van het

water, die door middel van dezelven bewerkt wordt. By de sluizen

vermeerdert haare diepte; en dezelve vermindert weder naar mate van

de afgelegenheid. Dit schoonmaken zoude een vergeefsche arbeid zyn,

want de modder, welke men 'er uithaalt, wordt spoedig door ander slyk

weder aangevuld.

Ik heb, by den aanvang van deezen brief, gezegd, dat het planten

der bananen-boomen dat der koffy-boomen moet voor af gaan op

vrugtbaare landen, die men tot eene Koffy-Plantagie voornemens is

aan te leggen. Men moet de bananen-boomen plaatsen op den afstand

van zes-en-dertig, ten minsten van zeven-en-twintig voeten, indien

men de koffy-boomen op den afftand van negen voeten planten wil;

want deeze bananen-boomen moeten zoo geschikt zyn, dat men 'er één

vindt telkens na vier koffy-boomen. Een Planter, die begint, en

natuurlyker wyze gedrongen is, om levensmiddelen te moeten hebben,

zal twee reijen bananen-boomen kunnen plaatsen op elk klein bed,

en dus vier op een dubbeld bed. Een Planter, die alleenlyk eene

Plantagie, reeds gedeeltelyk aangelegd, uitbreidt, en van wien men

verönderstelt, dat hy van levensmiddelen voorzien is, zal slechts ééne

reije bananen-boomen op elk klein bed planten: op een dubbeld bed,

en in het midden, kan hy 'er eene derde reije byvoegen, welke men

echter zal moeten wegnemen by het verdeelen der dubbelde of enkelde

bedden. De moeite, om eene reije bananen-boomen te planten, heeft

weinig te beduiden. Bovendien gebeurt het nu en dan, dat het niet

ge/chikt is het stuk grond na verloop van een jaar met koffy-boomen te

beplanten: indien zulks derhalven wordt uitgesteld, trekt men altoos

de vruchten van deeze bananen-boomen, waar van de schaduw tevens nuttig

is, om de zoutächtige deelen in deeze nieuwe gronden te behouden.

Behalven de bananen-boomen, plant men ook Indisch koorn, het welk op

deeze nieuwe landen ongemeen wel voortkoomt: men kan deeze beplanting

verscheiden malen herhalen, zelfs na dat de koffy-boomen reeds geplant

zyn, mits men als dan in 't oog houde dezelven op reijen te planten,

op den afstand van vyf of zes voeten, om met des te meer gemak de

uitwiedingen te kunnen doen, welken men niet moet verzuimen, van den

beginne af aan, om het onkruid dadelyk uit te roeijen.

De ignames kunnen ook gedeeltelyk op de nieuwe stukken grond geplant

worden, maar niet, wanneer men 'er reeds koffy-boomen op geplaatst

heeft. Deeze plant, die tot de voortkruipende behoort, of een zoort

van heestergewas is, zoude voor den groei der boomen schadelyk zyn.

De Manioc en de Camanioc groeijen ook welig op deeze landen; maar men

moet ze alleenlyk planten op de laanen en aan de kanten der groote

grachten, dewyl de Manioc het land op eene byzondere wyze uitmergelt.

De aardappelen moet men nimmer binnen den omtrek den bedyking planten;

en men moet de Negers ten sterksten beletten om zulks te doen: het

is eene pest, waar van men zeer veel moeite heeft zig te ontdoen,

en men moet zig eeniglyk bepalen tot het planten derzelve op de

omringende dyken.

Van het bewerken der Koffy.

Dewyl het bewerken van de Koffy eene zaak is, van den landbouw

volstrektelyk afgescheiden, heeft men gemeend dezelve afzonderlyk

te moeten behandelen. Wanneer de Koffy geplukt is, wordt zy door de

Negers gebragt op de plaats, alwaar de molens, tot het pellen van

dezelve geschikt, gevonden worden. Het is beter, gemakkelyker en

zuiniger, dezelve in een grooten bak te werpen, dan by hoopen op den

grond te plaatsen.

Men heeft de gewoonte, om met het overbrengen der Koffy naar de molens

eerst des avonds te beginnen: intusschen, wanneer 'er tot het plukken

veel volk gebruikt wordt, en 'er een groote overvloed van koffy is,

zal men beter doen met vroegtydiger te beginnen, op dat de arbeid

niet tot in den nacht voortduure.

Het maakzel van deeze molens is bekend; ik vermeene, dat die geene,

welke men hier molens van Martinique noemt, de beste zyn. Ik heb

eene proeve genomen, om daar in eene kleine verandering te maken tot

bespoediging van het werk, en ik ben zelfs thans bezig, om tot het

zelfde einde eene nieuwe proeve te nemen, die deezen molen misschien

nog merkelyk zal verbeteren.

Wanneer door deeze bearbeiding de roode schil is weggenomen, worden

de boonen in een bak geworpen, in de nabyheid van het gebouw, alwaar

de molens staan. 'Er zyn 'er, die eerst des anderen daags het water

'er opgieten: ik voor my verkieze zulks des avonds te doen, al waare

het alleen om tyd uit te winnen: dan, hoedanig men dit ook gelieft

te doen, men moet 'er eene genoegzaame hoeveelheid water opgieten,

zoo dat de Koffy geheel en al bedekt is; waar na men de Koffy sterk

zal omroeren en wryven, op dat de boonen zig ontdoen van de lymige

stof, die uit de schil aan dezelve is blyven zitten. Tot dit einde

laat men dit eerst opgegoten water wegloopen door eene opening,

die onder in den bak gemaakt is, men wascht de Koffy, en giet 'er

zuiver water op, dezelfde bewerking tot drie malen toe herhalende;

want om te kunnen zeggen, dat de Koffy wel gewasschen is, moet ze in

het aanraaken ruw zyn.

By het wasschen en omroeren van de Koffy, dryven de roode schillen,

die door de zeeft zyn doorgegaan, boven op; de kleinste boonen, welke

door de rol niet geraakt zyn, eindelyk de onrype en de ligtste boonen,

worden zoo veel mogelyk weggenomen, ten einde dezelven onder den

naam van dryvende Koffy afgescheiden te houden van de Koffy met een

zwarte bast; daar vooräl de laatstgemelde zeer schadelyk is voor de

bewerking, en meer dan de Koffy, die nog ongepeld is, in de droogeryen

insecten voortteelt: ik heb by my het gebruik ingevoerd, om deeze Koffy

andermaal door den molen te laten gaan, en vervolgens te wasschen:

als dan ontdoet zig het grootste gedeelte van haare schil, en zinkt

naar de laagte; de dryvende Koffy maakt dan eene kleine hoeveelheid

uit, en dryft by deeze tweede wassching boven op.

Wanneer de Koffy wel gewasschen is, spreidt men dezelve uit op vloeren

met steenen belegd, alwaar men ze in de zon laat droogen, wanneer het

weder zulks toelaat: indien het al te regenachtig is, plaatst men de

Koffy in groote laaden met schuiven; die aan de droogerye vast zyn,

en onder welke men ze wegschuift wanneer het gaat regenen: deeze

laaden zyn uittermaten gemakkelyk. Als de Koffy volkomen droog is,

brengt men ze in het Magazyn van de droogerye, een gebouw, doorgaans

uit twee verdiepingen bestaande.

Men doet wel, vooral by regenachtig weder, om de Koffy niet te zwaar

op elkander te stapelen: in allen gevalle moet men ze, vooral in het

eerste begin, drie malen daags doen verschieten: de achteloosheid en

wanörde der Planters ten deezen opzigte, brengt hun veel schade aan

de Koffy toe.

Dit verschieten van de Koffy in de droogerye vermindert men vroeger

of later, naar mate het jaargetyde meer of minder droog is.

Zoo dra het mooije weder aankoomt, kan men beginnen de Koffy in de

droogerye te bewerken, maar alleenlyk dan, wanneer 'er zeer in 't kort

eene gelegenheid op handen is, om ze in te schepen; want de Koffy,

eenmaal bewerkt zynde, vermindert altyd, hoe men 'er zig ook omtrent

gedraagt. In tyd van vrede, wanneer 'er geene schepen ontbreken,

om koopwaren in te laden, is het best de Koffy zoo dra mogelyk te

verzenden; want zoo dra zy in het Magazyn is, verëischt zy veel

oppassing en arbeid, en is schooner, wanneer ze dadelyk verzonden

wordt. Dienvolgende moet men buiten noodzaak met het pellen van de

Koffy niet beginnen, voor dat het drooge mooije weder wel gevestigd is,

en men van de zonneschyn zig kan verzekerd houden. Als dan spreidt

men de Koffy op den met steenen belegden vloer in de droogerye uit,

beginnende altyd met de ligte dryvende Koffy. Dewyl deeze mindere

zoort van Koffy altyd veel eer wormen voortbrengt, dan de Koffy, die

geheel volwassen is, zyn 'er doorgaans drie dagen zonneschyn noodig,

om dezelve in staat te brengen, ten einde gevoeglyk gepeld te kunnen

worden. Indien 'er weinig zonneschyn is, zyn één of twee dagen meer

noodig; in allen gevalle is het, alvoorens men ze pelt, noodzaakelyk

dezelve zoo hard te laten worden, dat men de boonen naauwlyks met

goede tanden kan aan stukken breken.

Ik volg de manier niet, welke andere Planters gewoon zyn te bezigen:

ik laat des namiddags omtrent twee uuren, en met den geheelen toestel

aan het pellen beginnen: terwyl de sterkste Negers daar mede bezig

zyn, plaatsen de anderen de Koffy op den met steenen belegden vloer

op hoopen. Zy brengen ze vervolgens in eene groote kist of laade aan,

waar uit men ze telkens om te pellen uitneemt. Men moet dit altyd

zoodanig verrigten, dat de Koffy voor vier uuren van den vloer is:

ik heb opgemerkt, dat wanneer de zon tot vyf-en-veertig graaden van

den gezicht-einder gedaald is, de warmte zoodanig vermindert, dat de

Koffy op het gevoel koud wordt; maar wanneer zy in eene groote lade

gelegd is, behoudt zy haare warmte zeer lang.

De Koffy, op deeze wyze wel gedroogd, en warm gepeld zynde, breekt niet

aan stukken, en wordt nimmer plat; zy verliest dan gewoonlyk het vlies,

het welk tusschen de schil en de boon gevonden wordt. Wanneer zy uit

den molen koomt, laat ik ze dadelyk wannen: andere Planters wannen

ze eerst des anderen daags. Indien men ze op den zelfden dag want,

wint men veel tyd uit: na de wanning brengt men ze op de plaats,

die tot de uitzoeking geschikt is.

Ik heb twee groote zeeften van koper: eerst laat men de gepelde Koffy

doorgaan door die zeeft, welke de grootste openingen heeft; men laat

door dezelve doorgaan alle de boonen met de ronde en gebrokene koffy,

en in de zeeft blyven geene andere boonen overig, dan die haare schil

niet zyn kwyt geraakt, en die gevolgelyk nog eens in den molen gebragt

moeten worden.

De tweede zeeft neemt op, het geen uit de andere gekomen is, en ik

laat, benevens de ronde koffy, door dezelve doorgaan al de gebrokene

koffy, ten minsten de kleinste. Uit hoofde van het gebruik van deeze

twee zeeften, valt 'er met de hand niets anders uit te zoeken, dan

de koffy, die in verscheiden groote stukken gebroken is, en de kwade

zwarte boonen, en die door de insecten zyn aangestoken.

Ik laat de zuivere koffy nog eens wannen, om 'er de vliezen, het stof,

of andere vreemde lichamen van af te scheiden; waar na men, wanneer

de zon zeer heet, en de lucht helder is, dezelve voor eenige uuren op

den met steenen belegden vloer kan leggen, ten einde dezelve niet dan

volkomen droog in de vaten te pakken, na wel te hebben zorge gedragen,

om ze te laten koud worden.

Men ziet uit alle deeze byzonderheden, dat het bewerken van eene

groote meenigte koffy zeer veel arbeid vordert, het geen het werken

in den tuin merkelyk vertraagt, in een jaargetyde, waar in men noodig

heeft de grachten op te halen, en het onkruid uit te wieden: het geen

gelegenheid gegeven heeft om te onderzoeken, of men geen ander minder

werkelyk middel tot het bewerken der koffy zoude kunnen uitvinden.

Men heeft derhalven een molen uitgedacht, van zoortgelyk maakzel als

die, waarmede men olyven perst, om 'er de oly uit te halen; dit is wel

gelukt, en men twyffelt niet, of dit werktuig, tot volkomenheid gebragt

zynde, zal op de groote Koffy-Plantagiën van een algemeen gebruik

worden, vooral om dat het zamenstelzel eenvoudig en onkostbaar is.

Om intusschen deezen molen tot volkomenheid te brengen, moet men ook

de onderscheiden middelen volmaken, die gebézigd worden om de koffy

zonder zon te droogen, iets dat zeer nuttig is, zelfs schoon men de

koffy pelt. Wanneer men andere proeven doet, zal men ontwyffelbaar

niet slagen. Men moet tot een grondbeginzel houden, dat de koffy

gedroogd word, zonder een stank van rook, noch kwaden smaak te krygen,

en zonder haare groene of blaauwachtige kleur te verliezen.

Van de Gebouwen.

Het eerste gebouw, het welk gemaakt moet worden, wanneer men een stuk

lands tot eene Plantagie aanlegt, is het huis tot bewooning voor den

Planter. Hy is met zyn werk nog zeer in, wanörde, zoo lang hy niet een

gedeelte van zynen grond met een dyk omringd heeft. Hy kan dit huis

meer of min groot maken, volgens zyn smaak, staat en middelen. Het

is raadzaam, om het afgescheiden en op zig zelf te doen staan, niet

tegen een werkplaats of magazyn aan, om de insecten en het stuiven

te ontwyken, en aan beide gebouwen meerder doorspeling van lucht

te verschaffen.

Vervolgens moet men overgaan tot het maken van een sluis. In het begin

kan men zig vergenoegen met een sluis, die met vallend water gesloten,

en met den vloed geöpend wordt, door middel van een deur met een klap:

maar wanneer de Plantagie in uitgestrektheid toeneemt, meent men den

voorrang te moeten geven aan een sluis, welke een deur met een val

heeft, en die men by elk gety openen en sluiten moet, als zynde het

ontwyffelbaar, dat tegen het einde van het gety, wanneer het water

geen kragt meer heeft, de klapdeur in 't geheel geen water laat

afloopen, ja zelfs uit hoofde van haare zwaarte aan de uitwatering

altyd hinderlyk is; vooral wanneer de klap buitenwaarts hangt, volgens

het byna algemeen gebruik in deeze Volkplanting. Van welken aart de

sluis ook zy, moet men wel zorge dragen dezelve loodrecht, zeer vast,

en vooral diep genoeg te leggen. Schoon het van geen nut is, wanneer zy

te diep legt, kan zulks niet schaden, maar wel, wanneer ze te ondiep

legt; en het is voorzichtig dezelve zoo te maken, dat de grond van

de sluis zes duimen lager ligt, dan het laagste watergety. Het is

van aanbelang de sluis van binnen en van buiten van goede vleugels

te voorzien, ten einde geene lekking van water langs de fluis kan

doorzyperen: het verwaarloozen van deeze gewichtige punten stelt de

sluizen in deeze Volkplanting bestendig aan toevallige nadeelen bloot.

Goede sluizen zyn van een wezenlyk belang tot het droogmaken der

landen. Het is zeker, dat 'er aan de sluizen vleugels noodig zyn, maar

het is beter de kanten van de sluis, in de gedaante van vleugels,

te laten uitspringen, dan afzonderlyke houte vleugels te maken,

die uit hoofde van het geduurig hermaken zeer kostbaar zyn.

Voor hun, die den aanleg van eene Plantagie beginnen, zyn twee sluizen

eene zaak van veele onkosten: tot het grondvesten van dezelven zyn

veele steenen, kalk, tras en hout noodig. Het is de moeite en kosten

niet waardig, om sluizen van enkel hout te maken; zy kosten veel,

en zyn in korten tyd door de wormen vernield, Zy, die geene groote

middelen bezitten, zyn verpligt zig te bedienen van uitwaterende goten,

hier boven door my beschreven.

In Surinamen maakt men dezelven al te breed: wanneer men goede grachten

heeft, behoeft de sluis zoo groot niet te zyn, als men doorgaans

meent. Men maakt ze ook altyd veel te kort, het geen verhindert om 'er

een zwaren dyk boven te maken; men besteedt 'er te weinig zorge aan,

en vooral aan de sluisdeur, die altyd te veel water doorlaat. Dit

gebrek van oplettenheid is oorzaak, dat de hoeken niet behoorlyk

gesloten zynde, het water, het welk naar binnen doorzypelt, het slyk,

waar door de sluis stevig gehouden wordt, langzamerhand doet wegwyken,

tot dat 'er gaten in komen; het water baant zig een weg langs de sluis,

de dyk wykt uit, en breekt. Men tracht denzelven te herstellen,

en men heeft het ongenoegen om te zien, dat het slechts voor een

korten tyd is, dewyl men de oorzaak van de kwaal, die men niet kent,

niet verholpen heeft: en hier uit trekt men dan het verkeerd besluit,

dat de sluizen eene verkeerde uitvinding zyn.

Een ander gebrek in het maken deezer sluizen bestaat daar in, dat men

aan de deur te veel afhelling geeft, het geen belet dat het water

dezelve opligt, en 'er doorloopt. Deeze deuren zyn meest gemaakt

met houten hengzeis, als of ze dienen moesten voor deuren van een

schuur. Men heeft dit werktuig tot meerder volkomenheid gebragt,

en indien men het met lood beleggen wilde, om van de wormen niet

doorknaagd te worden, zou het byna zoo nuttig zyn als volkomene

sluizen, en ik zoude 'er in dit Land den voorrang aan geven, om dat

de Negers te achteloos zyn in het regelmatig openen van de deuren,

zoo als dit behoort.

Voor eene droogmaking van twee honderd akkers, laat ik alleen twee

sluizen maken, die elk een vak van drie voeten hebben; ik geef aan

dezelven 26 of 28 voeten lengte; ik laat de planken wel in malkander

sluiten; ik laat alle de reeten met pik toestoppen, even als een schip;

men maakt 'er eene goede deur aan met yzere hengzels, waar van de

duimyzers met een schroef gemaakt zyn, om des te vaster te houden,

en de spykers ook met een spil en schroef. Ik laat deeze deur op de

volkomenste wyze in één sluiten, en wel zoo vast, dat zy niet ligtelyk

in wanörde geraken kan. Wanneer deeze sluis geplaatst is, laat ik

daarboven een zeer zwaren dyk leggen, zelfs van twee voeten hooger,

dan die 'er dicht by is. De sluis, op deeze wyze ingericht, laat geen

droppel water door, geduurende den vloed, en nooit geraakt de dyk in

wanörde, dan wanneer de sluis verrot of van de wormen doorknaagd is,

en in duigen valt. 'Er blyft nooit water in de grachten: de sluisdeur

gaat door het minste gewicht van 't water gemakkelyk open.

De Koffy-Planter heeft het voorrecht, dat hy zig voor het derde of

vierde jaar over het maken, der gebouwen niet behoeft te bekommeren:

hy kan ze dan maken naar evenredigheid van de geplante boomen, zelfs

van die geenen, die nog geene vrugten geven. De arbeid wordt meer

noodzakelyk, naar mate dat de boomen tot het dragen van vruchten komen:

men handelt voorzichtig met de Plantagiën in de eerste jaaren niet

verder uit te breiden, dan in zoodanige evenredigheid, dat, wanneer de

koffyboomen vruchten opleveren, men niet genoodzaakt is het tuinwerk

om dat van den oogst te verwaarloozen; want men moet rekenen, dat men

ten minsten een vyfde gedeelte van het jaar, dat is, twee en een halve

maand, of drie maanden, aan de beide oogsten besteedt, en een zevende

gedeelte aan het bewerken van de koffy, zonder van het verschieten en

den verderen arbeid der droogerye te spreken. Te weinig oplettenheid in

dit opzigt is oorzaak, dat een aantal Koffy-Plantagiën slecht bebouwd

en slecht onderhouden zyn. Het is altyd zeker, dat eene Plantagie van

eene middelmatige uitgestrektheid, wanneer zy wel onderhouden wordt,

meer opbrengt, dan eene groote, wier onderhoud slecht is.

Men oordeelt, dat een goed gebouw geduurende lange jaaren tot alles

voldoende is, mits men het een weinig stevig maakt, en zulks zonder

zeer kostbaar te zyn: men kan 'er de breedte van 32 of 34 voeten

aan geven, en zoodanige lengte, als men goedvindt: het is dienstig,

om het zelve zoo te plaatsen, dat men het kan uitleggen, naar mate

de meenigte van de koffy, die in het magazyn opgeslagen moet worden,

toeneemt. Men kan de stylen plaatsen op voetstukken van dezelfde

hoogte, stukken hout leggen tot ondersteuning van de einden van de

balken, die daar op rusten, of zig daar mede verëenigen. Men legt deeze

balken op eene hoogte van 8 of 9 voeten, maar de stylen moeten nog 4

of 5 voeten hooger zyn, op dat de zolder tusschen alle de stylen van

wederzyden klap-vengsters kan hebben, vermits het van aanbelang is,

dat de lucht over de zolder vryelyk heen speelt, om de koffy spoedig

te doen droogen. Men moet daarom aan beide kanten groote vengsters

maken, die tot op den grond van den zolder nederhangen.

Het is verwonderlyk, hoe de koffy spoediger droogt, wanneer de wind

'er regelrecht op werkt; het is alleenlyk noodig de twee gevels en de

beide zyden van het gebouw aan het bovenste gedeelte, tot aan de zolder

toe, met planken te beleggen. Het onderste gedeelte kan open blyven,

of men kan het sluiten of omheinen alleenlyk met stammen van pynboomen:

het geheel moet overdekt worden met dak-borden, die men in dit Land

zeer duurzaam vindt: stammen van pynboomen zyn voldoende om dezelven

te onderschragen, zonder dat men latten of dwarsbalken noodig heeft.

In het benedenste gedeelte plaatst men den molen, om de koffy-boonen

te pellen, de groote bak om ze in te werpen, zoo wel de koffy, die

geplukt, als die gepeld is: dezelfde benedenste verdieping, zoo men

de werkplaats verlengt, kan, dienen tot een kuiperye, een stalling,

en verscheidene andere gebruiken.

De geschikte manier tot het plaatsen der koffy-lootsen is altyd

eene en de zelfde, op welke wyze de verdere gebouwen ook geplaatst

of ingericht mogen zyn. De gevels moeten staan naar het oosten

en westen, en de lengte moet gericht zyn van het noorden naar het

zuiden. De met steenen belegde vloer moet geplaatst worden aan de

noordelyke gevel, op eenen genoegzamen afstand, om te ontwyken de

morgen en avond schaduwen, en de belemmering van den wind, die door

het lichaam van het gebouw veröorzaakt zoude worden; want de wind is

allernoodzakelykst, om de koffy te droogen. Zy, die drie of vier maal

honderd duizend ponden koffy, en eene gelyke hoeveelheid cacao op eene

enkele Plantagie hebben zien bewerken, kennen de waardye van een zeer

uitgestrekten droog-vloer. Men moet ze meer boogsgewyze maken, dan

men gewoonlyk doet. Men moet van zeer dun hout, en zeer ligte planken

van een halven duim dikte, eene kleine kap of beweegbaar dak maken

van 20 voeten lengte en 15 voeten breedte, zynde bovendien met bepekt

zeildoek overdekt. Men plaatst dit dak op rollen, welken men naar zyn

believen draait, op dezelfde wyze als huisraad en bedden. Zoo dra men

een enkelen droppel regen bespeurt stapelt men de koffy met groote

houten schoppen op elkander, en rolt 'er het dak over heen, om de

koffy voor den regen te beveiligen: dit is tot groot voordeel en nut.

Indien men laden of schuifbakken heeft, kan men zig insgelyks van het

benedenste gedeelte der loots, aan één van de beide kanten bedienen,

mits echter in het oog houdende, dat men de einden hout, waar op

de rollen van de laaden loopen, behoorlyk verlengt, en voorts acht

gevende, dat de schaduw, door de loots veröorzaakt, op zekere uuren

van den dag, aan het droogen van de koffy niet hinderlyk zy.

Aan de voor- of achter-zyde, naar mate de loots naar het oosten

of westen geplaatst is, moet men een met steenen belegden vloer

maken. Het is van het grootste nut, dat dezelve eene genoegzaame

uitgestrektheid hebbe. Op zyde van deeze vloer, en zoo dicht mogelyk

by de werkplaats, moet de bak staan om de koffy te wasschen, waar in

het altyd dienstig is eene afscheiding te maken; want dewyl men het

water verscheiden malen geduurende de wassching moet ververschen,

is het zeer gemakkelyk de koffy, dan aan de ééne, dan aan de andere

zyde van den bak, te kunnen overstorten.

Zie daar alles, wat tot de bewerking en het behoud van de koffy

noodzakelyk dunkt te zyn.

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet · 第 109 / 135 题