Van de manier, om te arbeiden aan Dykagiën, uitwaterende vaarten,
sluizen en ander werk, het welk noodig is, om het Land ter bebouwing
gereed te maken.
In den vorigen brief heb ik u myne gedachten opgegeven, hoe uitmuntend
geschikt de lage landen in Guiana ter bebouwing zyn, en welke keuze
men onder de verschillende zoorten en liggingen van deeze landen te
maken heeft: in deezen brief zal ik u ontvouwen de manier, om die
landen toe te bereiden en bruikbaar te maken.
Dewyl deeze landen, of byna altyd onder water staan, of door de
verwisseling van ebbe en vloed, aan overstroomingen onderworpen
zyn, moet men dezelven droog maken, en door dyken beletten, dat het
buitenwater niet kan doordringen tot het land, het welk men voornemens
is tot bouwland aan te leggen.
Ik vooronderstel dus, dat de keuze van het land gedaan is. Men moet,
voor alle dingen, het hout laten weghakken, en het geheele land,
het welk men voorgenomen heeft te bedyken, of ten minsten het
gedeelte, waar de dyken gelegd moeten worden, tot op eene zekere
breedte, doen zuiveren. Vervolgens kunt gy overgaan tot het leggen
van die dyken, welke een vierkant, dat evenwyd is, zullen vormen,
waar van de eene kant uwe voorgevel of scheidsmuur, aan de Rivier
of Zee-kust, zal uitmaken; eene andere, aan de eerste gelyk zynde,
zal gelegd worden in de diepte van dit zelfde land, op den afstand,
welken gy wilt toebereiden en beplanten; de twee andere zyden, die
beide even groot zyn, zullen lynrecht tegen de twee eerste overstaan,
en u van uwe gebuuren, ter rechter en ter linker zyde, afscheiden.
Tot dit einde moet men, in den geheelen omtrek van dit vierkant,
beginnen met een kleine gracht te graven, welke gevonden moet worden
onder het midden der breedte van den dyk, en daar aan als tot een
grondvesting dienen. Deeze kleine gracht wordt genoemd de pit of
blinde groeve: dezelve moet omtrent drie voeten breedte hebben, voor
een dyk, die twaalf voeten en meer tot zynen grondslag heeft. Het
is van aanbelang dezelve te graven tot de diepte van ten minsten
twee goede schuppen, en aldaar geene stammen van boomen, geen hout,
geene wortels over te laten, maar daar van volkomen te zuiveren.
Wanneer deeze blinde groeve gemaakt is, zult gy beginnen met de
uitwaterende grachten te graven: men is gewoon 'er daar van twee
te maken, de eene van buiten aan den dyk, de andere van binnen. De
eerste dient, om den dyk met slyk aan te vullen, de binnen-gracht
daar toe zomtyds niet voldoende zynde, wanneer deeze dyk van vry wat
aanbelang moet zyn. Deeze buitenste gracht bevordert daarënboven den
uitloop van een gedeelte der omringende wateren, en belet dezelven,
door middel van dien uitloop, tegen den dyk aan te perssen.
Het is nutteloos deeze buitenste gracht zeer diep uit te graven;
zy vordert zoo veel oplettendheid niet, als de binnenste gracht,
die net en regelmatig moet bewerkt worden; terwyl men in de buitenste
de stronken en wortels laten kan, mits zy aan de uitdieping niet te
hinderlyk zyn. Men moet altyd eene bekwame tusschenruimte tusschen
deeze gracht en den dyk houden.
In welk zoort van lage landen het ook zy, is de bagger, die men voor
de eerste keer uit deeze grachten haalt, te veel met vreemde lichamen
vermengt, en al te los, om tot bekwame grondslagen voor den dyk te
kunnen dienen. Men moet ten minsten de twee eerste baggers, die men
'er uit haalt, aan deeze zyde werpen, dat is tusschen de gracht en den
dyk; en wanneer men de slyk of grond vast en bekwaam genoeg vindt, laat
men dezelve op den dyk werpen, het zy in eens, het zy in twee keeren,
zoo als gewoonlyk plaats heeft, om reden, dat men tusschen den dyk en
de omringende grachten een tusschenvak moet laten van 20 of zomtyds 30
voeten. Indien men deeze voorzorg verzuimde, zoude men gevaar loopen,
om de kanten van den dyk, en van de grachten, door de onmatige zwaarte
van de aarde, waar van de dyk gemaakt is, spoedig te zien instorten.
Men graaft de omringende grachten tot de vereischte diepte, die niet
altyd dezelfde is, maar waar van de gewoone maat bedraagt zes voeten
voor de binnen-gracht: men moet wel opletten, om aan deeze gracht de
noodige opgaande schuinte te geven, naar mate men dezelve graaft. De
evenredigheid van deeze opgaande schuinte is van 5 of 6 duimen van
elke voet; en naar mate men de kanten van deeze gracht in die schuinte
graaft, maakt men dezelve met het platte van de schup effen en gelyk.
Men zoude vervolgens deeze binnen-gracht kunnen eindigen, zonder
andere voorzorgen in acht te nemen; maar dan zou men gevaar loopen,
om door het hooge water overvallen te worden, en daar door veel tyd
te verliezen; behalven dat het te vreezen is, dat het water deeze
grond of slyk, welke daar door gedeeltelyk in beweging gebragt wordt,
week zoude maken, en daar door verzakkingen veroorzaken.
Men keert dit ongemak af, door, van den beginne af aan, een vierkante
pyp of sluis te plaatsen, die in dit land genaamd wordt coffre
d'ecoulement, het zy een groote, het zy by voorraad een kleine,
die ten minsten het water op de gewoone getyen kan tegen houden.
Om deeze uitwaterende sluis te plaatsen, graaft men daar toe opzettelyk
een gat in den dyk, aan den kant, die aan de Rivier of de Zee gelegen
is, indien men in het land geene kreek heeft, die daar toe geschikt
is. Maar doorgaans vindt men verscheiden van die kreeken of vaarten,
door de natuur zelve gevormd, waar door het ryzend water in overvloed
in de landen inloopt, en het vallend water weder afloopt. In het
begin moet men alle deeze kreeken door goede kistdammen schutten.
Zulk een kistdam is niet moeijelyk te maken; maar dit moet met
oplettendheid en vastheid geschieden: men begint met het vak of de
plaats, alwaar die kistdam gelegd moet worden, te zuiveren. Men neemt
vervolgens twee zwaare stukken hout of ribben, van eene genoegzame
lengte, om de geheele kreek en derzelver oevers te beslaan van den
eenen tot den anderen kant, ter wydte van omtrent zes voeten: dit vak
van zes voeten wordt tot op een goede schup diepte, beneden het bed
van de kreek, weggegraven. De twee houte ribben worden mitsdien dwars
op den grond van de kreek gelegd, op een zekeren afstand van elkander:
vervolgens plant men eenige zwaare heypalen aan de buitenzyde, voor
elk einde van deeze houte ribben, om de uitwyking voor te komen van
de aarde of het slyk, waar mede men het vak tusschen de twee ribben
vullen moet, om den kistdam te maken.
Wanneer deeze houte ribben wel geplaatst, en behoorlyk vast gemaakt
zyn, plant men langs elk van dezelven, zoo aan de binnen- als
buitenzyde, een rey heypaalen, van zwaare stukken hout, welken men
naast, en zoo dicht mogelyk aan elkander, inslaat: men moet om die
reden rechte stukken daar toe verkiezen. Wanneer alle deeze paalen
zyn ingeheyd, vult men het tusschen-vak met slyk, welke men aldaar
met kragt inwerpt, en die eindelyk een klomp wordt, waar door het
water niet kan heen dringen.
Men vindt op de plaatsen zelven altyd hout, het welk geschikt is,
om tot deeze ribben te dienen, vermits zy niet langer dan twee of
drie jaaren behoeven te duuren, na verloop van welken tyd de kistdam
stevig genoeg is, en geen steunzel meer noodig heeft.
Thans, om de sluis te kunnen plaatsen, zuivert men de kreek,
waar in men die plaatsen wil, van derzelver vuiligheden, of men
graaft opzettelyk eene vaart, indien men geen gebruik van eene kreek
maakt. Men moet eenige duimen lager graven, dan het waterpas van het
laagste gety van de Rivier of Zee kust, waar in men de uitwatering
verkiest.
Wanneer de plaats, alwaar men de sluis stellen wil, is uitgegraven,
brengt men die sluis voorwaarts naar één der oevers van de vaart,
welke men daar voor gegraven heeft: men plaatst dezelve aldaar op
eenige houte balken, die voor uit moeten steken tot byna op de helft
van de opening der gegravene vaart. Die sluis aldaar geplaatst zynde,
keert men de zelve op zyde, zoo dat de grond of het onderste van de
sluis recht over einde staat aan de zyde van de uitgegravene plaats,
en byna tegen den kant aan. Vervolgens slaat men om de twee uitëinden
van de sluis twee zwaare touwen, waar van men de einden behoorlyk
vast maakt. Op elk derzelven plaatst men een takel, waar van men
de wederzyde op eenige stronken van boomen doet rusten, of, zoo
'er die niet zyn, op twee zware palen, daar toe opzettelyk geplant,
aan de zelfde zyde, waar de sluis geplaatst is.
By elke takel zet men eenig volk, met last om gelykelyk en van
langzamerhand schoot te geven, naar mate daar toe bevel gegeven wordt;
vervolgens wordt door eenige arbeiders, die langs de sluis geplaatst
zyn, dezelve op de balken voortgeduwd naar het gat, waar in dezelve
moet inzakken. Wanneer de sluis, alzoo voortgestooten zynde, geheel van
den grond af is, begint dezelve wederom in haare natuurlyke gesteldheid
om te wenden, dat is, met den bodem naar beneden; als dan moet het
volk, het welk de takels tegen houdt, de touwen eensklaps los laten,
om de sluis in het gat te doen nederzakken. De balken, waar op men de
sluis heeft laten voortglyden, dienen in dit oogenblik tot een wip,
om de sluis naar beneden in de gegravene vaart te wenden, alwaar men
dezelve nederzet, waterpas en plat, zoo naauwkeurig maar eenigzints
mogelyk is.
Wanneer de sluis zoodanig geplaatst is, als men verlangt, trekt men
de takels en andere touwen te rug: men plaatst, even als by het maken
van eene gewoone en volkomene kistdam, hier boven reeds beschreven,
twee houte ribben, de eene beneden, en de andere boven de sluis,
vlak tegen dezelve aan. Men plant aldaar eene reije van houte staken,
uitgenomen op de plaats, welke de sluis beslaat, waar van men de
opening niet sluiten moet: men neemt in plaats derzelven aldaar zware
planken, of, indien men wil, ronde stukken hout, met den grond gelyk
en in de dwarste. Deeze kistdam vult men met slyk, zoo als hier voren
reeds is opgegeven, en men overdekt daar mede de sluis.
Indien men alleenlyk by voorraad eene kleine sluis wilde plaatsen,
om de eerste bewerking des te gemakkelyker te maken, zulks zoude veel
eenvoudiger zyn; dezelve wordt gemaakt van vier zwaare planken aan
elkander gevoegd, zoo dat elk derzelven één van de kanten uitmaakt: aan
het buitenste einde plaatst men eene kleine sluisdeur of duiker, die
nederhangt, om de sluiting des te gemakkelyker en zekerder te hebben.
Hier mede behooren wy over te gaan tot de ontvouwing van de manier,
op welke eene groote sluis gebouwd wordt, die men veronderstelt eene
opening van drie voeten te hebben.
De bouwstoffen, daartoe verëischt wordende, zyn de volgende:
1º. Zes zwaare planken van 26 voeten lengte, op 13 duimen breedte en
twee duimen dikte.
2º. Vyftien zwaare planken van 12 voeten lengte, twaalf duimen breedte,
en anderhalve duim dikte.
3º. Vier zwaare planken van twaalf voeten lengte, twaalf duimen
breedte, en twee en een halve duim dikte.
4º. Twee stukken hout van vyf voeten lengte, op zeven duimen breedte in
't vierkant.
5º. Een paar hengzels, van twee en een halve voeten lengte, en twee
en een halve duimen breedte, met twee zwaare yzere duimen, waar van
de punten lang genoeg zyn, om door het stukje hout of klamp, het welk
men boven de sluisdeur plaatst, heen te gaan, en voorts genoegzaam
uitstekende, om met een schroef of schaar vast gemaakt te worden.
6º. Vier yzere banden, waar van de einden omgebogen zyn naar verëisch
van de houte klampen, en hebbende de lengte van twee en een half
voeten, om op de sluis te spykeren, tot derzelver meerdere vastheid.
7º. Eindelyk de noodige spykers, die voor een sluis van dit maakzel,
en van die evenredigheid, ten naasten by zullen bedragen twaalf
ponden van 5 of 6 duimen, en twintig of vier-en-twintig ponden kleiner
spykers van 3 duimen.
Om deeze sluis te maken, begint men met de zwaare planken van 26
voeten lengte gelyk te maken; men zet die in elkander, drie van
de eene en drie van de andere zyde, zoo dat elke kant, uit drie te
zamen verëenigde planken bestaande, eene gelyke breedte maakt; men
hakt het einde van deeze planken schuins, in de evenredigheid van ten
minsten drie duimen op elken voet. Deeze schuinte is alleen aan die
zyde, welke naar de Rivier of Zee geplaatst wordt, en alwaar ook de
sluis-deur moet gemaakt worden.
De vier planken van twaalf voeten lengte, en twee en een halve duimen
dikte, dienen om de vierkanten of vakken van de sluis te maken. Daarom
klooft men dezelven in de breedte midden door, het geen de planken
alleenlyk zes duimen breed maakt; men hakt dezelve in vier stukken,
elk van drie voeten lang; men maakt deeze stukken van eene even gelyke
grootte, en voegt die met rechte hoeken en een zwaluwen staart te
zamen, zoo dat men van vier stukken een vierkant maakt; en dewyl elke
plank agt stukken oplevert, maakt zulks twee vierkanten op elke plank,
en voor de vier, agt vierkanten of vakken, die tot de vastheid van
de sluis op eene lengte van 26 voeten volkomen voldoende zyn. Het
vierkant, het welk aan het einde der lange planken, die schuins
gehakt zyn, geplaatst is, moet insgelyks in de schuinte gehakt worden,
om op de andere schuinte volmaakt te sluiten. Wanneer de vierkanten
gemaakt zyn, spykert men dezelven op gelyke afstanden van elkander
aan de lange planken vast: wanneer de sluis van wederzyden aan die
vierkanten is vast gespykerd, gaat men over tot de twee andere zyden,
die den bodem, en het boveneinde van de sluis uitmaken: men gebruikt
daar toe de vyftien planken van anderhalve duim dikte: men hakt
die alle aan stukken van drie voeten lengte, het geen voldoende is,
om de beide zyden van de sluis aan de einden gelyk te doen dragen:
na deeze stukken zoo gemaakt te hebben, dat ze volmaakt op elkander
passen, spykert men ze overdwars aan de sluis vast, zoo van boven
als van onderen.
De deur van deeze sluis wordt geplaatst aan die zyde, alwaar de
planken met een schuinse inham gehakt zyn; men geeft 'er het fatsoen
aan overëenkomstig deeze zelfde schuinte, en hangt dezelve aan twee
hengzels, waar van de yzere duimen zyn geklonken in een stuk hout
van het beste zoort, het welk men boven aan de sluis vast maakt,
door het zelve vooraf met het vierkant, waar op deeze deur rust,
zamen te hegten; en vervolgens met twee yzere krammen, die het zelve
aan drie kanten omvatten, en waar van de platte einden gespykerd zyn
op de planken, welken men overdwars boven de sluis geplaatst heeft,
terwyl men onder aan een gelyk stuk hout plaatst, op dezelfde wyze
vast gehecht, waar op de sluisdeur rust, wanneer die gesloten is. De
yzere duimen gaan door de breedte heen van het stuk hout, waar in zy
geklonken zyn, en van agteren zyn zy met een schroef of schaar vast
gemaakt, zoo dat men ze naar vooren of naar agteren kan draaijen,
naar dat de vaste sluiting van de sluisdeur zulks vordert.
Het geheel van deeze sluisdeur bestaat uit in elkander gevoegde stukken
hout, die wel gelyk gemaakt zyn, en overdekt met eene dubbele laag hout
met regte hoeken, insgelyks in elkander gezet: dezelve moet breeder
zyn, dan de opening van de sluis, dat is, gelyk met derzelver geheele
breedte, de buitenste kanten daar onder gerekend. Die zyde van de
deur, alwaar de planken vlak of overdwars zyn in elkander gevoegd,
moet binnenwaarts geplaatst worden, dewyl het hout op die manier
zig minder uitzet, en de sluisdeur dan minder bloot gesteld is,
om in wanörde te geraken, en naauwkeuriger sluit.
Om aan deeze sluisdeur meer gewicht te geven, en dezelve gemakkelyker
van zig zelve, en door haare zwaarte, te doen sluiten, voegt men 'er
van weerskanten een zwaar stuk hout by, het welk men aan de buitenste
oppervlakte vast spykert; dit stuk moet de dikte hebben van vier of
zes duimen in de laagte, en naar de bovenkant hoeksgewyze eindigen.
Eene uitwaterende sluis van de hier boven opgegevene grootte, is
volkomen voldoende tot het droogmaken van een stuk van 150 hond lands:
men kan een tweede aanleggen, of 'er een maken, die grooter is, naar
mate eene grootere uitgestrektheid gronds moet worden droog gemaakt.
Deeze zoort van sluisdeuren of duikers is de eenvoudigste en min
kostbaarste, om te dienen tot loozing van het binnen-water van een
land, het welk men wil droogmaken en bebouwen.
Voor 't overige, wanneer men 'er de middelen en den tyd toe heeft,
kan men aldaar sluizen maken op de manier, die in Europa bekend is,
het zy van hout, het zy van steen. 'Er zyn veele Planters in de
Hollandsche Volkplantingen van Guiana, die deeze laatstgemelde hebben.
Wanneer de grachten rondöm gegraven en de sluis geplaatst is,
moet men dadelyk zyn werk maken van de afdeeling van den grond,
en van de wegen, waar door elke afdeeling wordt afgescheiden. Deeze
wegen moeten door gegravene vaarten omgeven zyn, die tamelyk groot
en ten hoogsten honderd toisen van elkander afgelegen zyn. Indien
de tusschenruimten grooter waren, zoude de afloop van het water te
langzaam en onvoldoende zyn: men moet ze ook niet te digt by elkander
maken, om den arbeid niet noodeloos te vermeenigvuldigen.
Deeze verdeelingen zyn willekeurig, en hangen van des Planters
goedvinden af. Men maakt de midden-laanen meer of min breed, en aan
de kanten plant men vrugtboomen, bananen-boomen, ananassen, en andere
nuttige planten.
'Er zyn Planters, die, behalven de groote midden-laan, nog eene andere
van wederzyden maken, minder breed, in het midden van het vak tusschen
de groote laan en elke dyk, waar door het geheele stuk gronds in vier
gelyke deelen verdeeld is: men kan deeze verdeeling nog eenvoudiger
maken, om den arbeid te verminderen.
'Er is nog eene manier, die veel voordeeliger is, en daarom veel meer
aan te raden: hier in bestaande, om in plaats van den middenweg,
eene groote vaart te graven, beginnende van het achterste gedeelte
der gebouwen tot een einde voor aan in het bosch, en in de dwarste
loopende voor den agterdyk. Men bedient zig van de aarde, die daar
uit gegraven wordt, om aan wederzyden van deeze vaart, de dyken op te
hoogen, die een zeer goeden weg opleveren ter rechter en ter linker
zyde, welken men ieder met ryen boomen beplant. Het nut van zulk eene
gegravene vaart is onwaardeerbaar; dezelve dient, om de koffy of andere
waaren in den oogst-tyd met schepen of ligte vaartuigen te vervoeren,
het geen veel handen arbeid kan voorkomen. Deeze vaart is het geheele
jaar door vol goed en zoet water, het welk uit het bosch afdaalt. Dit
water dient tot besproeijingen, tot verscheidene benoodigdheden der
Planters, om zig te baden, en tot het vervoeren van hout voor vaatwerk,
en brandhout, het welk men als een vlot laat afzakken, enz.
Na dat men eenige maanden aan het maken der omringende dyken gearbeid
heeft, wanneer de grond is ingezakt en vast geworden, maakt men de
dyken volkomen af, en gelyk, en geeft aan de onderpaden en schuinse
afhellingen derzelver regelmatige gedaante. De hoogte van deeze dyken
moet altyd zyn een voet boven het hoogste water.
In dit bearbeiden der lage landen, na den grond van het zwaare hout
en de takken gezuiverd te hebben, het geen altyd een lang en moeijelyk
werk is, voornamelyk wanneer de gronden met paletuvier-boomen bewassen
zyn, is men gewoon in het begin bananen-boomen te planten, die tot
voedzel voor de beplanters dienen, en met hunne zwaare bladeren
de heestergewassen, het kleine geboomte, en planten, die op den
grond overig blyven, overschaduwende, dezelven eindelyk geheel doen
te niet gaan. Waar na men dezelven uittrekt, en nuttige planten,
die men voornemens is aldaar aan te kweeken, in de plaats zet, om
'er voordeel mede te doen. Indien dit koffy-boomen zyn, plant men
dezelven, geduurende het eerste en tweede jaar, in de schaduwe der
bananen-boomen, waar van men een gedeelte laat staan.
Voorts moeten wy nog aanmerken, dat op de groote, en vooral op de
Suiker-Plantagiën, de verdeeling der grachten een weinig anders
zyn moet.
Voor eene Suiker-Plantagie, alwaar men een water-molen maken wil,
moet men afzonderlyke gegravene vaarten hebben, benevens genoegzaame
vyvers, en bewaarplaatsen van water, die in slaat zyn het zelve aan
de molen te verschaffen; als mede eene bekwaame helling, geduurende al
den tyd, dat de Zee laag genoeg is, om de molen te kunnen laten malen.
'Er zyn ook grachten of vaarten noodig, die bevaarbaar zyn voor ligte
vaartuigen, rondöm elke verdeeling, ten einde het suiker-riet met
gemak en vaardigheid naar den molen te kunnen overvoeren.
Op de groote Koffy-Plantagiën graaft men ook eenigen van deeze vaarten,
tot het vervoeren van de ingeöogste vruchten in kleine vaartuigen;
het geen aan den arbeid der wyd afgelegene Plantagiën byzonder veel
gemak aanbrengt. Het is tot dit einde genoeg, een gracht te hebben van
twintig voeten breedte, die midden door de Plantagie, en vervolgens
naar de diepte heen loopt. Deeze gracht of vaart moet geene gemeenschap
met de anderen hebben; dewyl men zorgen moet, dat daar in altyd water
genoeg is, om te kunnen varen, en wel zoet water, gelyk reeds hier
vooren is opgemerkt; ook is het noodig aldaar eene kleine sluis te
leggen, die haar uitloop heeft naar de groote sluis, welke voor de
geheele droogmaking dient, ten einde deeze vaart te kunnen ontledigen,
wanneer 'er te veel water in is, of zelfs geheel en al uit te droogen,
indien dit noodig is, om dezelve schoon te maken, en diergelyken.
Ten aanzien van eene Suiker-Plantagie, is het met de verdeeling deezer
grachten en vaarten geheel anders gelegen: twee zaaken komen aldaar
in aanschouw; voor eerst, het maken van plaatsen, die geschikt zyn om
het water te bewaren, het welk noodig is, om den molen aan den gang
te houden; ten tweeden, om de middelen te verschaffen, tot het rondöm
vaaren van elk stuk lands, met suiker-riet beplant, en het zelve alzoo
naar den molen te kunnen vervoeren. Men moet die vaarten dus veel
grooter en meerder in getal maken. Zie hier de verdeeling van dezelven.
Men begint met omringende grachten te maken, die in grootte aan
de uitgestrektheid van het stuk lands geëvenredigd zyn; men maakt
vervolgens verdeelingen van 100 tot 100 toisen, maar niet verder,
dan tot omtrent in het midden van de diepte der Plantagie. De groote
gegraven vaart van zoet water, waar van wy gesproken hebben, en die
van de gebouwen der Plantagie af, tot in derzelver diepte, boven den
agter-dyk, doorloopt, moet eene veel grootere breedte hebben omtrent de
plaats, waar de molen staat, dan in een afgelegener gedeelte. Op deeze
vaart loopen andere kleinere vaarten of grachten uit, die geplaatst
worden tusschen de afdeelingen heen, zoo dat zy met de uitwaterende
vaarten geene gemeenschap hebben, maar alleenlyk met de middelste,
waar van zy als zoo veele armen uitmaken.
Behalven deeze groote vaart, en derzelver rechthoekige armen, zyn de
verdeelingen van den grond omringd door eene uitwaterende vaart of
gracht, en hebben nog eene andere in het midden van derzelver breedte,
alle welke met de omringende en uit waterende vaarten gemeenschap
hebben: en op die wyze geschiedt de droogmaking van den grond, als
mede van de afgedeelde stukken, die men, even gelyk in alle andere
droogmakingen, van 30 tot 30 voeten maakt.
Wanneer eene Suiker-Plantagie, of andere, van eene zekere
uitgestrektheid is, zyn 'er twee uitwaterende sluizen noodig, één
aan elk uitëinde van het voorste gedeelte des lands: men legt ook
nog een derde aan den ingang van de groote vaart, dienende tot een
bewaarplaats van water, om, wanneer men wil, het water in alle de
grachten te kunnen laten inloopen: en deeze sluis zet men open,
wanneer het buiten-water te hoog is.