VIERDE BRIEF.

Antwoord op de drie eerstgemelde Brieven, waar by de Fransche Ingezeten

de vraag omtrent ds afschaffing der slavernye, in de Volkplantingen,

alwaar dezelve nog plaats heeft, opzettelyk behandelt: hy raadt om

deeze verandering, die noodzakelyk geworden is, te bevorderen; en

geeft de middelen aan de hand, om daar toe te geraken, zonder aan

den voorspoed der Volkplantingen nadeel toe te brengen.

Ik ben u, myn lieven vriend, zeer verplicht voor de drie brieven,

welken gy my het genoegen gedaan hebt aan my te zenden, betrekkelyk het

bebouwen der lage landen, waar van wy, zedert eenige jaaren, begonnen

hebben proeven te nemen, en waar in gy onze meester zyt. Ik zal niet

alleen voor my zelven van uwe nuttige onderrigtingen gebruik maken,

maar ik zal ze ook ter kennisse brengen van alle myne medeburgers,

die, even als ik, met de voortbrengzels deezer landen aan te

kweken, voordeel bedoelen, of die zig by vervolg op zoortgelyke

ondernemingen zouden willen toeleggen, in een uitgestrekt land,

waar niets dan arbeidzaamheid noodig is. Uwe mededeelende inborst,

die het onderscheidend kenmerk van waare onderrigting, en de bezitting

van eerlyke harten is, geeft my de verzekering, dat ik aan uw oogmerk

voldoen zal, met deeze kundigheden, zoo veel my mogelyk zal zyn, te

verbreiden, en zelfs door de zeer voldoende brieven, welken gy my over

dit onderwerp geschreven hebt, ten algemeenen nutte te laten drukken.

Reeds hebben verscheiden van myne gebuuren, die even als ik op lage

landen arbeiden, nuttige lessen van u ontfangen; en reeds begon deeze

geheele streek gelukkig te worden, zoo dat men hope konde opvatten,

dat dezelve t'eeniger tyd uwe schoone Volkplantingen zoude naar de

kroon steken.

Maar zedert de omwenteling, die van Frankryk een Gemeenebest gemaakt,

en aan alle menschen, onder deszelfs bestuur levende, het genot

van alle de rechten van den mensch en burger heeft wedergegeven;

die de slavernye afgeschaft, en den Neger-handel vernietigd heeft,

is alles van gedaante veranderd. Men heeft op 't onverwagtst de

vryheid afgekondigd aan menschen, die met eene meer of min harde,

maar steeds willekeurige gestrengheid, gehouden waren tot eenen arbeid,

uit deszelfs aart verachtelyk, en welken zy, zonder eenig voordeel voor

zig zelven, ten nutte van een enkel persoon verrigtten. Men heeft hun

de volkomene vryheid overgelaten, om zig al of niet te verbinden aan

hun, die welëer eigenaars van hunne persoonen waren. Het gevolg hier

van is geweest, dat byna alle de Plantagiën, aan de Rivier Aprouago

op laage landen aangelegd, verlaaten, of merkelyk vervallen zyn.

Ik ben een vriend der vryheid, schoon ik voor deezen veele slaven in

eigendom bezat. Ik behandelde de mynen met eene byzondere gematigdheid,

en ik heb 'er verscheiden van behouden. Ik zoude ze zelfs allen

behouden hebben, indien de Regeering 'er niet op eene willekeurige

wyze over beschikt had, door hen op andere Plantagiën, in andere

landschappen, te gebruiken, om de Plantagiën, die onder handen van

het bestuur in bewaring gesteld waaren, boven anderen gelukkig te

doen zyn, of de belangen van byzondere persoonen te begunstigen.

Hier doet zig een vraag-punt op, het welk verscheiden Planters niet als

bedenkelyk beschouwen, maar waaromtrent ik niet van hun gevoelen ben,

en waar van de behandeling voor het menschdom van een byzonder belang

is: zy moet ook hoogst belangryk zyn voor de Hollandsche Colonisten,

onze nabuuren, wier Regeerings-bestuur, op dezelfde grondbeginzels,

als het onze, gebouwd, insgelyks tot de afschaffing der slavernye

zal moeten besluiten.

Om dit stuk in orde te behandelen, zal ik eerst de vragen voorstellen,

en wat de meeste onzer nabuuren 'er van zeggen.

"Hoe kan de in stand houding eener Plantagie, die zoo veel

arbeid, zoo veel uitschot van penningen vordert, met de vryheid

der plantende Negers bestaan? Ziet gy niet, dat de Hollanders,

die in deeze zoort van handel zulke groote vorderingen gemaakt

hebben, onder alle Europeanen die geenen zyn, welke de Negers met de

meeste gestrengheid behandelen? Dat zy met dit al in hun vaderland

Comptoiren of Maatschappyen hebben, die, naar mate van de begroote

waarde deezer landen, aanzienlyke sommen gelds opschieten aan de

Planters, die eigentlyk niets anders doen dan het huishoudelyk bestuur

der Plantagie voor hunne geldschieters waar te nemen? zouden wy,

die deeze bebouwing der lage landen van verre hebben beginnen na te

volgen, dit immer hebben kunnen uitvoeren, zonder de kragtdadige hulp,

welke de Regeering op allerleije wyze aan de eerste bebouwers deezer

landen verschaft heeft? zouden wy het hebben kunnen doen buiten het

middel der slavernye, waar in de mensch geen ander mogelyk bestaan

heeft, dan door eenen aanhoudenden en onäfgebroken arbeid, zonder

zelfs het recht te hebben, om zig te mogen beklagen? Ziet gy niet,

dat alle de Fransche Volkplantingen te vuur en te zwaard verwoest

worden, en dat wy eenigermaten deeze algemeene verwoesting ontduiken,

doordien wy op ons zelf staan, en door de zwakheid der bevolking,

die, op uitgestrekte ruimten verspreid zynde, tegen ons niet heeft

kunnen zamenspannen? Schoon wy de grootste onheilen agter ons hebben,

is het evenwel niet zichtbaar, dat alles in deeze Volkplanting,

zedert het tydperk der vryheid, in verval geraakt is, en dat vooral

de Plantagiën op lage landen het grootste verlies geleden hebben? Merk

daarënboven op, dat 'er zedert geene nieuwe onderneming van dien aart

is aangelegd. En, ach! hoe zoude men dien aanleg beginnen? Welke

middelen, zoudt gy by de hand nemen, om de zwarten aan te zetten

tot eenen arbeid, die uit deszelfs aart zwaar en onäangenaam is,

en welken men jaaren lang moet voortzetten, om deeze landen droog te

krygen, alvorens 'er eenige vruchten van te trekken? Ik gevoel, dat

gy t'eeniger tyd zult moeten toestemmen, om aan uwe landbouwers een

vierde van uwe inkomsten te geven, gelyk, zoo men zegt, op St. Domingo

plaats heeft: maar wat zult gy doen, eer het nog ver af zynde tydstip

daar is, dat dit vierde iets van aanbelang bedraagt"?

Zie daar de groote en voorname tegenwerpingen: ik zal 'er volkomen

op trachten te antwoorden. Het herstel der Fransche Volkplantingen,

en het behoud der geenen, die nog niets geleden hebben, wordt met

reden beschouwd van zulk een groot staatkundig belang te zyn, dat al

het geen eenig licht verspreiden kan omtrent de middelen, waar door

de één tot eenen gevestigden voorspoed komen, en de ander den schok

van eene noodzakelyk gewordene verandering in het bestuur ontwyken

kan, door de eigenaars in de Volkplanting met dankbaarheid behoort

ontfangen te worden.

Ik heb myne denkbeelden niet eeniglyk in deeze Volkplanting

opgezameld. Ik heb in de Volkplantingen van verscheiden Europeesche

natiën gewoond; ik heb my toegelegd, om den inborst der Negers te

leeren kennen; ik heb de verschillende manieren om hen te bestuuren,

en derzelver gevolgen onderzogt; ik heb alles gelezen, wat voor en

tegen de afschaffing der slavernye geschreven is geworden; en ik ben

volkomen overreed, dat het mogelyk is, om, zonder benadeeling der

Volkplanting, Zeden- en Staat-kunde met elkander over één te brengen,

mitsgaders arbeidzaamheid en voorspoed, die van elkander onafscheidelyk

zyn, onder de gezengde luchtstreek zamen te paaren.

Het geen ik te zeggen heb, is geschikt om de klagten der Colonisten te

bevredigen, die nog slaven bezitten, en, uit hoofde van de ellendige

inrigting der Volkplantingen, alle bewysredenen tegen de slavernye der

Negers, als eenen regelregten aanval op hunne eigendommen beschouwen.

Frankryk heeft het eerst, en onder de Europeesche volken nog alleen,

deeze schandelyke inrigting onbepaald en volkomen afgeschaft: de

gevolgen deezer omwenteling zyn byna overal schadelyk geweest; maar

kunnen wy over de gevolgen wel oordeelen, zonder dat wy de oorzaken

kennen; en zouden andere oorzaaken ook geene andere gevolgen hebben

te weeg gebragt? Zoude eene andere handelwyze, eene andere manier

om deeze verandering van slavernye in vryheid daar te stellen, geene

andere uitwerkingen gehad hebben? Hier aan valt niet te twyffelen.

De Nationaale Conventie, na de grondslagen tot verklaring van de

rechten van den mensch besloten te hebben, heeft deeze beginzels

niet in 't oog gehouden in alle de beschikkingen, betrekkelyk de

Volkplantingen, welken zy aan de ondermyningen der openbaare vyanden

van vryheid en gelykheid heeft overgelaten. Wel verre van het lot

der slaven te verbeteren, en de middelen tot hunne vrymaking met

verstand voor te bereiden, heeft zy zelfs het recht van burgerschap

aan de zwarten geweigerd, en daar door aan de Planters de magt

gegeven, om hun het staatkundig aanwezen te weigeren, na hun het

zelve voor een oogenblik te hebben toegestaan. Noch de Regeeringen

in de Volkplantingen, noch de eigenaars der Plantagiën, noch de

uitvoerders van het bestuur, wilden de vryheid niet, ja zelfs wilden

zy den verachtelyken en lagen staat, waar onder de zwarten zuchtten,

in de minste omstandigheid niet verzachten; integendeel scheen men

het 'er, na de omwenteling, op toe te leggen, om deeze vernedering

tot een grondbeginzel te vestigen. Door zulk eene handelwyze heeft

men te weeg gebragt, dat deeze zoort van menschen onze ergste vyanden

geworden zyn, en de schoone Volkplanting van St. Domingo het onderst

boven gekeerd hebben.

Toen vervolgens, in die ongelukkige tyden, in welken zy, die zig

tegen de verbetering van het bestuur der Volkplantingen verzetteden,

zig betoond hebben opentlyke vrienden van het Koningschap te

zyn, de Engelschen te hulp geroepen, en zelfs de Negers tegen ons

gewapend hebben, in de hoop, dat het hun gelukken mogt de slavernye

te herstellen; toen de uiterste middelen noodzakelyk geworden waren,

heeft de Nationale Conventie de grondbeginzels der vryheid eensklaps

te rug gebragt, daar het vry beter was geweest dezelven trapsgewyze

te vestigen: hier uit zyn onheilen voortgesproten, die aan de andere

Volkplantingen eene nuttige les geven kunden.

Zy moeten, zoo het mogelyk is, de vryheid bekomen, zonder eenigen

schok, zonder wanorde in de byzondere eigendommen, en vooral zonder

bloed te vergieten. Behalven het algemeen gevoelen van menschelykheid,

het welk ieder eerlyk en weldenkend man doet verlangen, dat deeze

verandering bewerkt worde zonder die schokken, welke zommigen van onze

Volkplantingen zoo zeer beroerd hebben, kan ik niet nalaten belang te

stellen in het lot van verscheiden deezer Volkplantingen, en ik moet

de inwooners aanzetten, om rypelyk te denken op de aanmerkingen, die

ik hun voordrage, en zig wel overtuigd te houden van deeze waarheid:

dat het onmogelyk is de hatelyke inrigting der slavernye langen tyd

te doen stand houden, en dat, om de afschaffing daar van voordeeligcr

te doen zyn, en minder ongeregeldheid te doen uitwerken, men daar in

goedschiks en met beleid moet te werk gaan.

Indien zy hier eenige middelen aantreffen, om deezen taak gemakkelyk

te maken, zal ik my by de Planters zeer verdienstelyk gemaakt hebben,

door te toonen, dat het in de Volkplantingen mogelyk is, om zig met

de voortbrengzels van het aardryk te verryken, zonder het menschdom

te doen beven, en dat men met een weldadig hart, zonder knaging van

't geweten, eigenaar van eene Plantagie kan zyn.

De vraag omtrent de slavernye der zwarten hield zedert langen tyd

de verstandigen bezig, eer dat men in Frankryk aan eene omwenteling

dagt; deeze vraag is door het Fransche Gemeenebest beslist: zy kan

de Regeeringen, die Volkplantingen bezitten, en waar het stelzel der

vryheid nog geen veld gewonnen heeft, in geene onverschilligheid laten.

De Negers zyn niet onkundig, of zullen ten minsten niet lang onkundig

kunnen blyven, hoe zeer hunne staat van die van huns gelyken in de

nabuurige Fransche Volkplantingen verschilt: wanneer men zulks voor

hun verbergen konde, denkt men dan nog, dat zy van hunne rechten

altyd onkundig zyn geweest, en dat de stem der natuur by hun ten

gevalle van hunne bezitters verdoofd is?

Hoe dom hunne lasteraars hen ook verbeelden te zyn, zy hebben getoond

met zeer grooten moed bezield te zyn: zy hebben, zoo als gy weet,

in uwe Volkplantingen van Hollandsch Guiana, gelyk ook in Jamaica,

het voorbeeld voor zig van een aantal menschen van hun geslacht,

die door hunnen moed zig de vryheid bezorgd hebben, in weêrwil van

hunne meesters, welken zy genoodzaakt hebben, om met hun over eene

volkomene onäfhangelykheid te handelen.

Men moet de noodlottigste gebeurtenissen duchten, indien men zig niet

met ernst bezig houdt met de verbetering van het lot van deeze zoort

van menschen, die uit hoofde der ryke voortbrengzels van hunnen arbeid

van zoo veel gewicht zyn, en tevens zoo weinig bescherming ontmoeten,

zoo mishandeld worden. Men zoude kwalyk doen, om in eene onvoorzigtige

gerustheid te blyven sluimeren.

Het voorbeeld der Fransche Volkplantingen moet aan deeze aanmerkingen

klem byzetten: door zig tegen de vryheid te verzetten, zyn zy verwoest

geworden, zy herstellen zig met derzelver zoeten invloed, onäangezien

alle de noodlottigheden van den oorlog.

Wat kunnen zy, die de slavernye voorstaan; tog inbrengen? Zy zullen

zig beroepen op het oud gebruik der Volkplantingen, de voorgewende

onmogelykheid, om dezelven zonder zwarten en zonder slaven te bebouwen,

op het belang van den staat, om koopwaren uit de Volkplantingen

te trekken. Men beroept zig op het geluk der Negers in hunnen

tegenwoordigen staat, die, zoo men ons beduiden wil, verre verkieslyk

is boven het lot van onze boeren. Men zegt, dat de luiheid, het bedrog,

en alle slechte hoedanigheden, die harde en inhalige meesters, hun

slechts als lydelyke werktuigen van hun fortuin beschouwende, in hun

vinden, van het character der Negers onäfscheidelyk zyn; maar deeze

kwaade hoedanigheden en gebreken zyn, of betrekkelyk tot het begrip

en vooröordeel, het welk hunne staat inboezemt, of veröorzaakt door

de manier, waar op men hen behandelt: deeze gebreken, die aan alle

menschen, en in alle maatschappyen gemeen zyn, verdwynen, of nemen

ten minsten merkelyk af onder een menschlievend en redelyk bestuur,

zelfs onder slaven: zulks heeft my eene onäfgebrokene en aandachtige

ondervinding klaar bewezen.

De voorstanders der slayernye kunnen voor het overige in hunne

verschillende redeneeringen in het geheel geen gebruik maken van

de zaak der menschelykheid, noch van de rechtvaardigheid, noch

van het recht der natuur, als welken geen mensch ter weereld door

verjaring kan verliezen, van welke kleur hy ook zyn moge, en het zy de

omstandigheden zyner geboorte meerder of minder gunstig zyn. "Wy hebben

Volkplantingen noodig, men kan dezelven zonder slaven niet bebouwen;

dus is de slaven-handel en het bezitten van slaven noodzakelyk". Zie

daar, waar op hunne redeneeringen altyd nederkomen.

Aan den anderen kant zyn zy, die voor de afschaffing der slavernye

pleiten, door de reden, de rechtvaardigheid, de weldadigheid, en

alle eerbiedwaardige beweegredenen, welken de menschelykheid aan de

hand geeft, aangevuurd, dikwils veel te verre gegaan, en hebben zig

dus aan de berisping hunner tegenpartyen, die by de handhaving der

slavernye belang hadden, bloot gesteld; zy hebben gezondigd, het zy

door buitensporigen yver, het zy door de staatkundige betrekkingen uit

het oog te verliezen, welk laatste echter niet behoort te geschieden,

zoo men een aantal lieden, wier fortuin van de beplantingen afhangt,

niet in hevige klagten wil doen uitbarsten: op dien zelfden voet

voortgaande, hebben zy zig de berisping der Planters ook nog op den

hals gehaald, door niet wel te bevroeden alle de middelen, die tot

het bewerken der verlangde omwenteling verëischt werden. 'Er zyn

noodlottige gebeurtenissen voorgevallen, die de redeneeringen van de

voorstanders der slavernye schynen te versterken; maar wat valt daar

uit te besluiten, dan alleen dit, dat de ontwerpen der menschelykheid

ten voordeele der zwarten, overëenkomstig eene goede staatkunde, niet

behooren uitgevoerd te worden, dan door den tyd en trapsgewyze? dat

eene overylde en onbepaalde vrylating, zonder uitzondering of mitsen,

aan het voorgesteld oogmerk zeer slecht voldoet, en zelfs groote

ongelegenheden veröorzaakt? In de daad, men moet toestemmen, dat de

nieuwe Negers, die aan de taal en gebruiken der Europeanen nog niet

gewoon zyn, zonder gevaar voor de Plantagiën, noch zonder benadeeling

van hun zelven, niet allen op eenmaal, zonder tusschenpoozing of

voorzorgen, in vryheid gesteld kunnen worden. Het is 'er mede gelegen,

als met het gezicht, dat door eene lange duisternis verzwakt is,

en niet met overyling het licht weder kan aanschouwen, zonder 'er

door verbysterd te worden: men moet hun het licht by trappen en met

beleid te rug geven.

Intusschen is het geenzints onmogelyk, maar het is zelfs nuttig

en staatkundig, om de middelen tot afschaffing der slavernye voor

te bereiden. Men kan dit oogmerk bereiken, terwyl men tevens het

belang van den Staat, en de staatkunde der volken in het oog houdt,

de Volkplantingen, die nog geene veranderingen ondergaan hebben,

bewaart, zonder de eigendommen der ingezetenen te bederven, noch

hunne inkomsten te verminderen. Het tydperk, binnen het welk men

trapsgewyze aan de Negers de vryheid zoude kunnen schenken, zoude

niet verre af zyn; en de goede geneigdheid van verscheiden Planters

zoude het zelve meerder verkorten, dan men denkt. 'Er zyn 'er veelen,

die, om wel te doen, slechts verlangen omtrent hunne waare belangen

te worden ingeligt; dit kan men door tyd en ondervinding te weeg

brengen; en de Regeeringen behooren, overëenkomstig dien regelmaat,

de gebrekkige inrigting, die nog in zwang is, en tot hier toe door

de wet gehandhaafd is geworden, te verbeteren.

Alle eerlyke, gevoelige en belanglooze harten zyn van de zaak zelve

wel overreed; maar men moet aan de Regeering betogen, en aan de

eigenaars der slaven bewyzen, dat men deeze veranderingen bewerken

kan door middelen, die geene beweging maken, en aan de veiligheid,

noch aan het voordeel der Planters geen leed toebrengen. Het is tot

dit einde noodig, om alle vooröordeelen aan een zyde te stellen, en met

onpartydigheid de middelen te overwegen, door welken men langzamerhand

in de verbetering van de gebrekkige inrichting der Volkplantingen

kan slagen, zonder de Plantagiën en derzelver bebouwing te bederven.

Het eerste middel moet zyn de afschaffing van den slaven-handel.

Deeze handel is met de slavernye op 't naauwst verbonden, om dat zy

aan dezelve voedzel verschaft, en de Planters in 't begrip staan,

dat, indien de slaven-handel ophield, het getal van de bewoners der

Volkplanting wel dra tot niet zoude loopen, en derzelver bebouwing

ook in evenredigheid verminderen, en dat, vermits de slavernye eene

geöorloofde zaak is, de slaven-handel het insgelyks behoort te zyn:

edoch niets dan de verfoeijelykste heerszucht is in staat, om deezen

hatelyken handel, die een zamenweefzel van barbaarsheden is, te willen

laten stand houden.

Wat doet het 'er toe, of wy onrechtvaardig en wreed zyn, mits wy maar

rykdommen vergaderen. Zie daar in korte woorden, waar toe men alle de

redeneeringen brengen kan, die ten voordeele van deezen handel worden

aangevoerd. Maar indien dit niet alleen eene onrechtvaardigheid, maar

zelfs eene mistasting is; indien deeze handel, verre van voordeelig

te zyn, voor de belangen van het volk, dat denzelven dryft, hoogst

nadeelig is; wat moet 'er dan worden van den eenigen grond, waar mede

men deszelfs voortduuring wil goed maken?

Deeze handel, staatkundig beschouwd, brengt niet dan nadeel te

weeg. Dezelve bederft de zeden van elk volk, het welk zig daar aan

overgeeft, door hun eene geneigdheid tot wreede daden in te boezemen;

door dezelven eindelyk by veele persoonen als wettige daden te doen

beschouwen; door een aantal lieden te gewennen, om hun fortuin door

de vernieling van het menschdom te beproeven; want het is eene

bewezene waarheid, dat de oorlogen, gevoerd om slaven te hebben,

de onaangenaame overtochten, de mishandelingen, en de wanhoop, veel

meer Negers doen sneven, dan 'er in de Volkplantingen aankomen. Deeze

handel is schadelyk voor de zeevaart, uit hoofde van het verlies van

een groot aantal matroozen, veröorzaakt door de kwade lucht, het slecht

voedzel, en andere vernielende omstandigheden, die op de schepen,

tot de overvoering der Negers bestemd, noodwendig plaats hebben. De

slavenhandel is, in één woord, een schande voor het menschdom, een

vlak op elk volk, die denzelven gedoogt, eene openbaare strydigheid

met de grondbeginzels en inrigting van alle Gemeenebesten.

Maar, werpt men ons tegen, hoe zal men eene bevolking in stand houden,

die geduurig afneemt, en hoe zult gy Volkplantingen hebben, indien

gy den slaven-handel op de kust van Africa laat varen?

Het getal der Neger-slaven neemt in eene verbazende meenigte af by

de Planters, die weinig menschelykheid of gevoel bezitten; maar het

vermeerdert langzamerhand by hun, die de noodige zorgen aanwenden

tot behoud van hunne slaven, en om, zoo veel in hun is, de wet der

slavernye te matigen. Mitsdien is het, onder het bestuur van eene wel

geregelde vryheid, buiten allen twyffel, dat de volkrykheid schielyk

zal vermeerderen, gelyk de ondervinding dit bewyst in alle Landen,

alwaar de mensch gelukkig is, en wel geregeerd wordt.

In deeze vooronderstelling zal de veiligheid en goede regeerings-orde

in de Volkplantingen grooter zyn; haar onderhoud zal minder kostbaar

worden, uit hoofde van eene sterke vermindering, zoo al niet eene

volkomene vernietiging van de kosten, op de uitöeffening der Politie

en Justitie, het houden van krygsvolk, het straffen van misdadige, en

het vervolgen van weggeloopene Negers, het onderhoud van gevangenissen,

enz. vallende.

Na alzoo den slaven-handel te hebben afgeschaft, zal men de

noodige beschikkingen maken tot handhaving van de goede orde in

de Volkplantingen, tot derzelver veiligheid, en tot aanwas der

bevolking. Voorzeker, wanneer men alle de Plantagiën in haare

tegenwoordige werkzaamheden laat blyven, gelyk ook de regeling van

goede orde, die op elk derzelven past, zal men niemand van de eigenaars

iets doen verliezen.

Dan zal het noodig zyn, dat men zig ernstig bezig houde, om overal,

op eene éénstemmige wyze, wel beredeneerde wetten te maken, die niets

willekeurigs meer in zig bevatten, en waar by men de geregelde orde

in den arbeid, en de behoorlyke tucht zal handhaven. Zonder de wet

te willen stellen aan die Volkplantingen, alwaar de slavernye nog

heerscht, is het geen herssenschimmig denkbeeld, dat wel zaamgestelde

vergaderingen, uit den bloem der Colonisten verkozen, zelve die

Reglementen van Politie, en die geschikte en éénstemmige wetten zouden

voorstellen, die op alle Plantagiën passen zouden, en waar naar ieder

verpligt zoude zyn zig te gedragen; en hier uit zoude de grootste

voorspoed voor elk in 't byzonder, en voor de geheele Volkplanting in

't algemeen, voortvloeijen.

De Planters van Jamaica en Grenada hebben zedert lang het ontwerpen

van Reglementen voor hunne Volkplantingen in den zin gehad. Een van

hun laat zig in dit opzigt in deeze merkwaardige woorden uit. "Het

staat in onze macht, om den welvaart van tweemaal honderd duizend

menschen, wier arbeid ons het dagelyks middel van bestaan verschaft,

te bevorderen; wy hebben het vermogen van, om zoo te spreken, eene

nieuwe schepping te vormen. Welk edeler voorwerp kan immer onzen yver

aanvuuren, en de natuurlyke neiging, die ons tot weldadigheid heen

leidt, opwekken? Wanneer men de zaak uit het oogpunt van ons persoonlyk

belang beschouwt, is het zeer zeker, dat hoe meerder menschelykheid

iemand bezit, hoe beter staatkundige hy is: dus zullen wy door de

neiging van ons hart te volgen, den welvaart van onze bezittingen,

met der menschen goedkeuring, en des Hemels zegen zamen paaren.

De Planters van Grenada hebben in hunne Volksvergadering Reglementen

van inwendige Politie, en wetten ten voordeele der slaven, vast

gesteld, waar by zy, in hunne Acte van 4 November 1788. deeze

verstandige inleiding laten voorafgaan.

"Overwegende, dat de noodzakelykheid van den invoer van Negers zal

ophouden op het oogenblik, dat zy met menschlievenheid behandeld,

en niet meer met onmatigen arbeid bezwaard zullen worden, en men dus

op de wetten der natuur in de vereeniging der kunnen acht zal geven;

Gemerkt, dat de wetten, die tot hier toe tot handhaving der slaven

zyn afgekondigd, onvoldoende bevonden zyn; en de menschelykheid, zoo

wel als het belang der Volkplanting, vordert, dat men de slavernye

zoo dragelyk make, als mogelyk is, om de volkrykheid der Negers te

bevorderen, het eenig middel, om de noodzakelykheid hunner invoering

van de Americaansche kusten door den tyd geheel te vernietigen;

En gelet, dat men zulk een heilzaam oogmerk niet kan bereiken,

dan door aan de magt der meesters, en van de geenen, die met het

opzicht over de slaven belast zyn, palen te stellen; het zy door

hen te verpligten, om hun op eene gepaste wyze van huisvesting,

voedzel en kleeding te voorzien, het zy door hun onderwys en goede

zeden te beschikken, hen aan te zetten tot het aangaan van huwelyken,

tevens deeze wettige verbintenissen eerbiedigende en beschermende:

om alle deeze redenen", enz.

Zonder van stuk tot stuk de Reglementen op te geven, die het gevolg van

deeze Acte zyn, noch ook alhier te ontvouwen, wat men van dien aart het

best zoude kunnen doen, indien men, met reden en menschlievendheid,

de hier boven uitgedrukte gevoelens ter uitvoer trachte te brengen,

is het genoeg door deeze twee voorbeelden aan te toonen, dat de

Planters zedert lang gevoeld hebben, dat hun eigen belang dergelyke

wetten vorderde, dat deeze wetten noodig waren tot in stand houding

en aanwas der bevolking, om den invoer der zwarten van de Africaansche

kust te vernietigen, als mede tot groot voordeel der inwooners.

Het Reglement op het bestuur der Plantagie vast gesteld en in schrift

gebragt zynde, zoude op de werkplaatsen gelezen en afgekondigd, en

van tyd tot tyd vernieuwd worden: men zoude daar by voorziening doen

omtrent het voedzel, de kleeding, en de woning der Negers: men zoude

hun den eigendom van hunne tuinen, vogelaryen, en beesten-kwekeryen

verzekeren: men zoude daar by melding maken van het bezorgen van

oppassing aan de zieken, oude lieden en verzwakten; aan de zwangere

vrouwen, aan de zoogsters en kinderen: dat de noodige voorzorgen

gebruikt zouden worden tot handhaving der goede zeden, tot onderwys

der jeugd, en de goede orde in de huisgezinnen, enz.

Te gelyker tyd zouden de uuren van arbeid daar by worden aangewezen,

als mede het geregeld bestuur en onderwerping. De geringe misslagen

zouden gestraft worden, na dat de beschuldigde in tegenwoordigheid

der verstandigsten en oudsten van de Plantagie zoude zyn gehoord:

de misdaden zouden aan de gewoone Rechters verwezen, en volgens

de wet gestraft worden. Voor deugdryke en uitmuntende daden zouden

belooningen plaats hebben.

Geene Plantagie zoude door deeze beschikkingen in wanorde geraken:

integendeel zouden de Planters by deeze verbetering in het bestieren

der zwarten onëindig veel winnen, uit hoofde van derzelver gehechtheid

aan hunne meesters en hunne gewilligheid tot den arbeid.

Dit ontwerp tot stand gebragt zynde, zal men, van dien tyd af aan,

de benaming van slaven en slavernye veranderen: het waare anders

te vergeefs de zaak zelve te hervormen; zy zoude altyd een hatelyk

voorkomen blyven behouden; zy zoude weder tot den vorigen stand

vervallen, indien men een gehaten naam liet blyven. In de daad, in

den redelyken en gematigden staat, aan de Planters voorgeschreven door

verstandige Reglementen, geene willekeurige, geene wreede behandeling

gedogende, zouden hunne verpligtingen, zoo wel als hunne rechten,

door vaste wetten volkomen bekend, en zy geene eigentlyk gezegde

slaven meer zyn.

'Er blyft dan niets meer overig, dan een enkelen stap te doen in

den loopbaan der weldadigheid en goede bestiering, ten einde deeze

gelukkige verandering te volmaken, de overgang namelyk van slavernye

tot vryheid: gy zult my uwen aandacht nog een oogenblik niet weigeren.

Na dat men dus op eene wyze, die geen zweem van willekeurigheid

meer overlaat, de werkzaamheden der arbeiders zal geregeld hebben,

behoort men hun eene belooning toe te zeggen, om hen tot een goed

gedrag en yverigen arbeid aan te moedigen; dit zoude moeten bestaan

in een gedeelte van de inkomsten der Plantagie, in het begin een

klein gedeelte, en alleenlyk een tiende van de zuivere voortbrengzels.

Het is meer dan waarschynlyk, dat deeze uiterlyke opöffering van

een gedeelte der inkomsten, door den eigenaar aan zyne arbeiders

overgelaten, ten minsten deeze inkomsten op dezelfde waarde zal

houden; naardien het belang, het welk de zwarten zelve daar by hebben,

hen zal aanzetten, om met den meesten yver te arbeiden, om met lust

mede te werken tot bevordering van den welvaart der Plantagiën, en

de inzameling der vruchten, tot het beletten der diefstallen, tyd

verspillingen, en verscheidene misbruiken, welken de al te strenge

bestiering der slaven doet vermeenigvuldigen.

Wie is 'er, hy moge nog zoo veel bezet zyn met vooröordeelen,

welke thans nog eenige Colonisten, voorstanders der slavernye,

verblinden, die gelooven kan, dat de Plantagiën in het byzonder, en

de Volkplantingen in het algemeen, den trap van geluk, die aan haare

volkrykheid geëvenredigd is, bereiken kunnen, zoo lang de arbeiders,

by de vruchten van hunnen eigen arbeid, en de vermeerdering van

den oogst, zelve belang hebbende, daar toe geenen yver aanwenden,

die men onmogelyk verwagten kan van een zoort van beesten, die door

zweepslagen geregeerd worden, en wier eenige hope bestaat in eenige

uuren rust te genieten, en kastydingen te ontduiken.

Wanneer men door de ondervinding van één of twee jaren gezien zal

hebben, dat de arbeiders zig onder dit nieuw ontwerp wel gedragen

hebben; dat dit tiende gedeelte der vrugten, tot eene belooning aan de

zwarten gegeven, de uitwerking gehad heeft, welke men 'er zig van had

voorgesteld; dat deeze Plantagiën 'er niet door geleden hebben, maar

veel eer door bevoordeeld zyn, zal men deeze belooning vermeerderen,

en, in het volgende jaar, tot een negende gedeelte der zuivere vrugten

brengen, ten einde als nog te beproeven, of, door deeze opoffering,

de inkomsten op dezelfde waarde voor den eigenaar blyven zullen.

Ik twyffele ann den goeden uitslag niet, daar ik zelf in de gelegenheid

geweest ben, om 'er eenige proeve van te nemen, en ik verzekere u,

dat deeze belooning, of dit aandeel in de inkomsten, aan de arbeidende

Negers toegestaan, van jaar tot jaar kan vermeerderd worden. Men

zal het van tyd tot tyd tot een agtste, een zevende, een zesde, een

vyfde, een vierde, en eindelyk tot een derde der zuivere inkomsten

brengen, zonder dat daar door de eigenaar zelf eenige vermindering

ondervindt. Dit derde der inkomsten, door den Planter aan de arbeiders

afgestaan, zal zyne eigene inkomsten nog des te meer verzekeren; en de

uitvoer van koopwaren uit de Volkplanting zal vermeerderd worden met

dit derde, het welk mede onder de voorwerpen van den koophandel komen

zal. De invoer van koopwaren zal in gelyke evenredigheid vermeerderen

door de verteeringen, welken de Negers, thans eene zekere zoort van

levens-gemak genietende, maken zullen; en deeze menschen, tot hier

toe toe zoo mishandeld, zullen allengskens hun geluk beginnen te zien,

en hunne meesters beminnen.

Ik begryp, dat de trapswyze voortgang in dit ontwerp, dien men

noodzakelyk behoort te volgen, een tydvak ten minsten van negen jaaren

noodig heeft. In het tiende jaar (of zoo dra deeze ondervinding zal

gevestigd zyn, en de goede uitwerkzels van deeze huishouding zullen

zyn gebleeken,) zal men deeze schikking tot eene vaste wet maken,

die de rechten der eigenaars en arbeiders met billykheid zal regelen;

tot eene wet der Volkplanting, waar in niet meer gesproken zal worden

van slavernye, maar van een wederkeerig verdrag tusschen de arbeiders

en de eigenaars van den grond.

Het is gemakkelyk te bezeffen, dat door deeze maatregelen, welken

ik hier in het ruwe schetse, langzamerhand in werking te brengen,

geen groote eigendom in wanorde geraken zal; maar dat de volkrykheid

der Negers onder een menschlievender bestuur zal aanwassen. Deeze

gelukkige verandering zal bewerkt worden, zonder eenigen schok of

beweging te veroorzaken. Deeze arbeiders zullen zig, langzamerhand,

en als ongevoelig, aan eene zekere gemakkelykheid en aan eene betere

levens-manier gewennen, die hun goed gedrag, hunne werkzaamheid en

vlyt ten grondslag hebben zal. 'Er zal in hunne denkbeelden geene

overylde omwenteling plaats hebben, waar door men eenig kwaad gevolg

te vreezen heeft, dewyl de eerste aanbiedingen slegts voorwaardelyke

gunstbewyzen zyn zullen, welken de meesters altyd zullen kunnen

intrekken, in geval de Negers zig dezelven onwaardig maken mogten.

Huisgezinnen, die zig toeleggen om hunne inkomsten een weinig te

besparen, ten einde kleine afzonderlyke eigendommen te verkrygen,

zullen gelegenheid vinden, om het bezit daar van te bekomen: zy

zullen daar door een bewys van hunne bekwaamheid ten toon gespreid,

en een waarborg voor hun toekomend goed gedrag gegeven hebben. Deeze

verhuizingen van zommige huisgezinnen der arbeiders, die van tyd

tot tyd groote Plantagiën verlaten zullen om kleine op te rigten,

zullen op de eerstgemelden door den ontwyffelbaaren aanwas hunner

volkrykheid rykelyk vervuld worden.

Naar mate de Colonisten tot deeze oogmerken van menschlievendheid en

goede orde de hand zullen leenen, door voor het uiterlyke de edelste

opöffering te doen, zullen zy hun eigen voordeel behartigen; men

zal de Volkplantingen en den koophandel meerder zien bloeijen: men

zal aldaar meerder gerustheid, meerder veiligheid, een aanhoudende

aanwas der bevolking ondervinden, zonder eenig middel van geweld, of

het welk met goede grondbeginzelen strydig is, te bezigen. Om hier van

overtuigd te zyn, behoeft men zig slechts deeze alöm bekende waarheid

voor oogen te stellen, dat de bevolking overal zigtbaar aanwast,

waar voorspoed en middelen van bestaan gevonden worden.

Deeze regelmaat, op reden, rechtvaardigheid en goede Staatkunde

gegrondvest, is in de Fransche Volkplantingen, die deeze omwending

ondergaan hebben, niet gevolgd geworden. Alles is by deeze volken aan

het gisten en in wanorde geraakt. Geene der partyen, van welke classe

ook, wilde opregtelyk de vryheid, noch den algemeenen voorspoed;

geene derzelven wierd door oprechte oogmerken gedreeven, maar allen

wierden zy aangezet door haat, door het een of ander denkbeeld van

haatlyke beschuldiging, en voor al door een lust tot plundering,

die door wanorde zoo wonderbaarlyk geholpen word. De Regeering, die

opzettelyk de Volkplantingen kwalyk bestierde, om 'er de omwenteling

te doen vervloeken, en het Koningschap te doen beminnen, heeft de

wanorde vermeerderd door een zoort van lieden, welken zy met haar

gezag bekleed heeft. De Nationale Conventie, die over 't algemeen

de zaken der Volkplantingen met een onverschillig oog beschouwde,

heeft zig door die partye, welke de vryheid naar het hart stak, door

tegenstrydige besluiten, die met de grondbeginzels niet strookten,

laten wegslepen.

Vervolgens is het stelzel van ROBESPIERRE gekomen, welke zeide: Laaten

de Volkplantingen verloren gaan, liever dan dat men een oogenblik

de grondbeginzels zoude doen wankelen. Men heeft de vryheid in de

Volkplantingen verspreid, niet als een weldaad, maar als een middel

van oorlog en verdediging tegen de bestryders der omwenteling, en de

vyanden van het Gemeenebest. De regeeringloosheid en ongebondenheid

hebben 'er zig meester van gemaakt, en men heeft 'er alle misdaden

en driften toomloos zien woeden; deerniswaardige gesteldheid, waar

in de slechtste menschen de teugels van 't gezag in handen krygen,

en de brave en vreedzame lieden vermoord of verjaagd worden. De

wanorde is ten hoogsten top gestegen, vooral in verscheiden gedeelten

van St. Domingo, tot dat een wyzer bestuur, zig op de grondslagen

van deeze vryheid vestigende, maar dezelve volgens de wetten en de

Constitutie regelende, eindelyk deeze schoone bezittingen weder in

orde gebragt heeft.

In onze arme Volkplanting van Caijenne is de oprigting der vryheid

niet vergezeld geweest van eenige afschuwelykheid, in vergelyking van

die van St. Domingo; maar de landbouw heeft 'er veel geleden: laten

wy de oorzaken en de omstandigheden in overweging nemen, en wy zullen

zien, dat men den gepasten weg niet betreden heeft, dien ik hier boven

aan de Volkplantingen heb aangeraden, die de noodzaakelyk gewordene

verandering van slavernye in vryheid nog niet ondergaan hebben.

Men heeft de vryheid der Negers, te Caijenne, zonder voorzorg en

zonder bepaaling afgekondigd. Deeze schielyke en onverwagte overgang

van onderdrukking tot toomloosheid is minder verderffelyk geweest,

dan zy natuurlyk zyn moest, niet alleen, om dat deeze bevolking zeer

klein en verstrooid is, maar ook om dat, zedert verscheiden jaaren,

een menschlievend bestuur, het welk alle de onheilen der slavernye

gevoelde, den weg tot deeze verandering gebaand had, door de wreedheden

en het onredelyk gedrag der meesters in te toomen, en door aan de

Negers jegens de blanken goedhartigheid en vertrouwen in te boezemen,

door het wegloopen en zwerven uit te roeijen, en door de Negers te

gewennen, om van hunnen arbeid een zeker voordeel te trekken, en zig

zelven als menschen te beschouwen. De onderdrukking aldaar minder

zynde, is de gisting ook minder geweest, op het oogenbik dat de oude

orde van zaken vernietigd wierd: maar het was onmogelyk, dat menschen,

verpligt voor anderen te werken, zonder eenig nut voor hun zelven,

eensklaps vry en meesters van hunne daden zyn zouden, bekwaam om van

gezagvoerende posten voorzien te worden, even als de geenen, die te

vooren hunne meesters waren, en voor wien men hun tot hier toe eenen

Godsdienstigen eerbied had ingeboezemd; het was onmogelyk, zeg ik,

dat zy zig met aan eene onbezonnen vreugde zouden overgeven, en dat

de Plantagiën, en dezelver bebouwing, niet in zekeren zin verlaten

zouden worden, zoodanig zelfs, dat hunne zorgeloosheid hen noodwendig

in gevaar moest brengen, om van honger te vergaan.

Toen men vervolgens deeze zwarigheid wilde afwenden, en deeze

menschen door gezag tot den arbeid en landbouw te rug brengen, heeft

men insgelyks verkeerde maatregelen genomen; men heeft de arbeiders

willekeuriglyk op geheel andere Plantagiën geplaatst, dan op welken

zy gewoon waren; men heeft het herstel van de eene begunstigd, en de

andere laten verloren gaan, volgens den willekeur der bestuurders;

men heeft de Negers op een daggeld van drie en vier stuivers gesteld,

eene belooning, die geheel onvoldoende en bespottelyk was, die deeze

menschen niet kon aanzetten, om met yver te arbeiden, en die tevens,

hoe klein zy ook wezen mogt, voor de eigenaars tot een' grooten last

was, daar zy dikwils van het werk der arbeiders zoo veel niet trokken,

als noodig was, om die onkosten op te diepen.

Te gelyker tyd heeft men een zeer overbodig aantal van deeze arbeiders

gewapend, naar mate van de uitgestrektheid der Volkplanting, die nimmer

is aangevallen geworden. Men heeft uitgestrekte landstreeken, maar in

welken byna geene andere bewooners, dan Aapen en Papegaaijen zyn, in

orde geregeld: men heeft aldaar een geheelen stoet van bedieningen en

posten ingevoerd, zoo als die in de meest bevolkte Fransche Gewesten

gebruikelyk zyn: men heeft rangen, geld, ampten en gezag verleend aan

menschen, die nog lezen nog schryven konden, en welken men tegen alle

reden aan den landbouw onttrokken heeft.

Hoe zoude, in zulke omstandigheden, eene zoo weinig gevorderde

Volkplanting niet verminderd en verslimmerd zyn? Maar zoo dra een

verstandig Regeerings-bestuur aldaar een goed Reglement, betreffende de

bebouwing der Plantagiën, zal hebben vast gesteld, op de grondbeginzels

der Staats-regeling gebouwd, en op de vryheid steunende, volgens

welken de arbeidende Negers een behoorlyk aandeel trekken van de

inkomsten, die hunne arbeid aanbrengt, zullen de Plantagiën haaren

aanwas spoedig hernemen.

Thans schiet nog overig eene zwarigheid op te lossen, die men

tegenwerpt, betrekkelyk de groote uitschotten, die 'er noodig zyn, om

de bebouwing der lage landen vol te houden: maar is 'er overal niet

veel noodig, om nieuwe Plantagiën aan te leggen? en zyn de kosten,

die men maken moet, met één, of twee jaaren, of zelfs iets langer, de

arbeiders en bewerkers van den grond te betaalen, zonder voordeelen te

trekken, in vergelyking te stellen met de kosten, die het aankoopen van

Negers, en de sterfte onder dezelven, noodwendig moesten veröorzaken?

De zaak koomt my zoo klaar voor, dat ik, om dezelve duidelyker te

bewyzen, niet oordeele noodig te hebben eene vergelykings-rekening

tusschen den koop-prys der Negers, en de dag-gelden, die men eenigen

tyd verpligt is te betalen, om het land tot het voortbrengen van

gewassen, en het geven van eenen goeden oogst, toe te bereiden. Het

is genoeg te hebben aangemerkt, dat men voor den prys, dien men

voorheen tot verkryging van den eigendom van één mensch betaalde,

een vry persoon drie jaaren lang kan huuren, zonder te rekenen het

gevaar van sterfte, het wegloopen, den verloren tyd, de ziekten,

het onderhoud van vrouwen, kinderen, oude lieden, en gebrekkelyken,

enz. enz.

Ik eindige eenen brief, die reeds vry lang geworden is, maar die door

de schoonheid van het onderwerp, en myne wenschen tot bevordering

van uw geluk breeder is uitgeloopen: laat ik den inhoud zakelyk by

één trekken.

De slavernye is eene verkeerde en onrechtvaardige inrichting, die

allen nayver en vlyt uitdooft. De Volkplantingen kunnen zeer wel

zonder slaven bebouwd worden. Wy hebben het voorbeeld van veele

landstreeken der Indianen en anderen, op dezelfde breedte, als wy,

woonende, alwaar vrye volken aan den landbouw arbeiden, en alle

zoorten van werk, waar toe vlyt verëischt wordt, bloeijen. Het is

derhalven te wenschen, dat men die Volkplantingen, welke nog onder

het juk der slavernye zuchten, tot den gelukkigen staat der vryheid

te rug brenge; maar het is staatkundig, het is menschlievend, om deeze

verandering trapsgewyze en met omzichtigheid te bewerken. Men moet aan

deeze omwenteling verscheiden jaaren besteeden; het is noodig, dat de

beschikkingen der Planters en eigenaars overéénstemmen, en zamenwerken

met de daaden van het hoog gezag van hun moederland; en dat zy beiden,

door de voorbeelden van tweedragt en wanorde, die op andere plaatsen

zoo veele onheilen berokkend hebben, voorgelicht, hun goed oogmerk door

redelyke en vreedzaame middelen bereiken, in plaats van een stelzel

van onderdrukking en onrechtvaardigheid, het welk nooit lang duuren

kan, met overyling, en verbaazende verscheuringen, om verre te werpen.

Niemand neemt meer belang, dan ik, in uwen voorspoed, en die van uwe

mede Colonisten in 't algemeen, van welken ik zoo veele blyken van

vriendschap en achting ontfangen heb.

Het is met deeze gevoelens, dat ik u opregtelyk groete.

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet · 第 110 / 135 题