ZESTIENDE HOOFTSTUK.

Versterking van krygsvolk, uit Holland aangekomen.--De

Goijava-boom, en deszelfs vrucht.--Legerplaats by

Maagdenberg aan de Tempaty-Kreek.--Verschillende zoorten

van Aapen.--Een zeer maanzieke Neger.--Eekhoorntje van

Guiana.--Verscheidene zoorten van boomen.--Hagedissen.

--Bergen van mynstoffen voorzien.--Treffelyke gezichten.

--De Roucou-boom.--Fraaije Kapel.--Palmboom-worm.

Ik keere tans tot de krygs-verrigtingen van den Colonel FOURGEOUD te

rug. Ik heb reeds gezegd, dat men nieuw krygsvolk wagte, om ons zwak en

elendig leger te versterken; en den 30sten. January 1775, ontfing men

te Paramaribo de tyding, dat het transport-schip Maasstroom, Capitain

LEG, in de Rivier Surinamen was binnen geloopen, en voor het Fort

Amsterdam het anker geworpen had; twee divisiën van honderd twintig

mannen, onder bevel van den Colonel SEYBOURG, aan boord hebbende:

en men verwagtte nog twee andere.

Des anderen daags zakte ik de Rivier met eene kleine roeischuit

af, om deeze nieuw aangekomenen te gaan verwelkomen. Ik hield het

middagmaal aan boord met de Officiers, waar na men het anker ligte,

en ik voer met hun schip mede tot het Fort Zelandia, alwaar het aan

den wal ging leggen en door eenige kanon-schoten begroet wierd. Ik

had het genoegen, om onder de Officiers mynen ouden Hoog-Bootsman,

den Vaandrig HESSELING, te vinden, dien wy aan de Helder hadden

agtergelaten, aan de kinderziekte gevaarlyk ziek leggende, wanneer wy

uit Texel zeilden. Deeze jongman, die tans met den rang van tweeden

Lieutenant by ons was, was zedert zyne herstelling aller ongelukkigst

geweest. Zyne reize naar Surinamen hebbende willen voortzetten,

ging hy aan boord van een schip, het welk in de baay van Biscaije

eenen storm beliep, en na kaap Finisterre te zyn voorby gezeild, zyne

gangen en roer verloor: dit zelfde schip verloor vervolgens ook nog zyn

fokke-mast en steng. In deezen kommerlyken staat, en geen wind genoeg

hebbende, om Lissabon te bereiken, was hy verpligt het op Plymouth

aan te zetten. Van daar begaf zig de heer HESSELING aan boord van

eene kleine sloep, met kolen geladen, en waar op hy niet gelukkiger

was; want door onachtzaamheid van den schipper, stootte dit schip op

rotzen, waar door de kiel los geraakte, en het schip dadelyk zonk. De

heer HESSELING had echter, eer de sloep verging, den tyd om zyn maal

te openen, en 'er zyn linnen, en eenige der noodzakelykste goederen

uit te nemen, vervolgens ging hy in een slecht vaartuig over, en kwam

eindelyk te Brest aan. Hy ging aldaar spoedig scheep naar Amsterdam

op een Hollandsch schip, waar van de schipper niet veel bekwaamer dan

de voorgaande was, en zyn schip op het drooge liet loopen, alwaar het

byna aan stukken stootte. De heer HESSELING kwam nochtans gezond en

behouden te Texel aan, alwaar hy tweemaalen te vergeefs moeite deed,

om zig naar Zuid-America in te schepen. Hy slaagde eindelyk daar in,

en op zynen tocht had hy zulk een zwaaren storm, dat alle de sloepen,

schapen, varkens en gevogelte door de zee verzwolgen wierden.

By het aankomen van dit nieuw krygsvolk, noodigde de Colonel FOURGEOUD

de Officiers op het middagmaal, en deed hun niets anders dan gezouten

ossen- en varkens-vleesch, en oude erweten, voorzetten. Ik had de eer,

om mede aan deezen disch te zitten, en het vermaakte my zeer te zien,

met hoe veel verwondering de Colonel en zyne tafel door de gasten

wierd aangekeken. Des avonds geleidden wy hen naar den Schouwburg,

alwaar men den dood van CESAR, en CRISPYN den Doctor, vertoonde: het

eerste van deeze stukken wierd gespeeld op eene manier, die zoo wel

als het tweede deed lagchen. Des anderen daags hield de Gouverneur ons

des middags en des avonds ten eeten. Zyne tafel schitterde van rykdom

en pracht. Onze nieuwe medgezellen waren over deeze kostbaarheid zoo

zeer verwonderd, als zy het des avonds te vooren over de karigheid

van den Colonel geweest waren.

Op deeze maaltyd eenige ingelegde vruchten, waar onder de guava was,

ontmoet hebbende, zal ik deeze gelegenheid waarnemen, om 'er iets

van te zeggen. De Guava-boom, die deeze vrucht voortbrengt, groeit

tot de hoogte van vier-en-twintig voeten. Deszelfs schors is van een

heldere kleur, en het hout tusschen beiden; maar de vrucht, die geel

en eyrond is, en ten naasten by de grootte van een renet-appel heeft,

bevat een roodachtig vleesch, vol kleine zaden of korrels. Dit vleesch

is van een zeer zoeten smaak, en men kan het rauw eeten; men maakt

'er ingelegde geley van, die ongemeen lekker is. 'Er zyn tweërleije

zoorten van guavas: de zoetsten bevatten het minste zaad.

Den 3den February wierd het krygsvolk, het welk ontscheept was, naar

het bovenste gedeelte van de Commewyne gezonden, om zig aldaar neder

te slaan. Ik spreek egter alleenlyk van de soldaten, want de meeste

Officiers bleven, om een festyn aan het huis van den heer MARCELLUS

by te woonen. Deeze Colonist, om aan de maaltyd luister by te zetten,

deed door een half douzyn Negers op trompetten en jagthoorns blazen,

tot dat eindelyk het geheele gezelschap door dit geraas verdoofd was.

Den 6den, ontfing de geheele krygsbende, zonder onderscheid,

bevel om Paramaribo te verlaten, en op den Maagdenberg, aan de

Tempaty-Kreek gelegen, dicht by dat gedeelte van de Commewyne,

werwaarts men, den 3den, de nieuw aangekomene manschappen gezonden

had, te gaan legeren. Dienvolgende alles tot een vierden veldtocht

hebbende gereed gemaakt, nam ik afscheid van myne kleine familie,

en van myne vrienden, en ik ging naar den oever, alwaar ik my in

het zelfde vaartuig, als de Colonel SEYBOURG, moest inschepen: maar

deeze, te onrecht vooronderstellende, dat het krygsvolk, met hem

uit Holland gekomen, eene bende uitmaakte, van die van den Colonel

FOURGEOUD afgescheiden, gaf last aan de Negers om voort te roeijen,

op het oogenblik, dat ik niet verder dan een pistoolschoot van hem

afwas, en liet my, ten uitersten daar over verwonderd, aan den wal

staan. Ik wist, dat de Colonel FOURGEOUD gezworen had, dat hy deezen

Officier tot gehoorzaamheid zoude noodzaken, zoo wel als den jongsten

Vaandrig van het Regiment, en daar in had hy volmaakt gelyk. Een

ander vaartuig genomen hebbende, haalde ik den Colonel SEYBOURG in,

die over deeze myne daad zeer verwonderd scheen, en wy kwamen te

gelyker tyd op de Plantagie Vossenburg, aan de Commewyne. Des anderen

daags bereikten wy de Plantagie Arentslust, na de zwaare vaartuigen,

die den 3den Paramaribo verlaten hadden, te hebben agtergelaten. Den

10den, kwamen wy aan de Hoop, alwaar ik bevorens verscheiden maanden

had doorgebragt. Ik voege hier by eene afteekening van het gezicht

deezer Plantagie, en van den post Klarenbeek, alwaar ons Hospitaal

steeds bleef. De Colonel FOURGEOUD vertrok ook den zelfden dag als wy,

en sliep op Wajampibo.

Den 11den, kwamen wy op de Plantagie Crawassibo, alwaar wy den

nacht doorbragten. De Opzigter van deeze Plantagie dreef aldaar

zyne onbeschoftheid tot die hoogte, dat ik, die reeds tegen al dit

zoort van lieden was vooringenomen, hem een frisschen vuistslag in

't aangezicht gaf. Hy rekende zig daar door zoo beledigd, dat, schoon

hy vry wat bloedde, hy zig met een enkelen Neger in een kano begaf, en

in dien staat te middernacht op 't alleronverwagtst voor den Colonel

FOURGEOUD verscheen, die in plaats van zyne klagten te beantwoorden,

hem al vloekende wegjoeg.

Den 12den kwamen wy op Maagdenberg, te weten, de Colonel FOURGEOUD,

de Officiers en de vaartuigen met zee-soldaten beladen. Zedert dat wy

de Hoop verlaten hadden, wierden de Plantagiën zeldzaamer, en na dat

wy die van Goed-Accord, welke tien of twaalf mylen verder ligt, voor

by waren, zagen wy geene bebouwde landen meer. De muitelingen hadden,

zoo als ik reeds gezegd heb, alle de Plantagiën, die hooger op lagen,

verwoest, uitgenomen eene kleine bezitting, zoo ik meen, Jacob genoemd,

alwaar men Negers hield, om hout te hakken. De Rivier word boven

Goed-Accord zeer naauw, en is van wederzyden door ondoordringbaare

heesterstruiken bezet, even als de Cottica, tusschen Devil's Harwar

en de Patamaca-Kreek. De Tempaty-Kreek, welke men als den oorsprong

van de Commewyne kan aanmerken, vernaauwde zig op gelyke wyze zeer

sterk. Maagdenberg, liggende honderd mylen van Paramaribo, was voor

deezen eene Plantagie; maar 'er zyn aldaar geene andere overblyfzels

van bebouwing, dan een oude oranje-boom: deeze plaats geeft thans

niets meerder dan een dor en woest gezicht.

Wy zagen hier en daar kleine schelpen verspreid, die het voorkomen

hadden van die geene, welke men de moeder der peerlen noemt, en ten

naasten by zoo groot waren als een Engelsche, schelling. Men vindt

in verscheiden gedeelten der Volkplanting van Surinamen, voetstappen

van bergwerken en mineraalen. De yzer-mynen zyn 'er gemeen; en ik

twyffel niet of men zoude 'er ook goud en zilver ontdekken, indien

de Hollanders 'er de noodige kosten toe wilden doen, en daar toe

onvermoeid lieten arbeiden. Ik heb reeds gesproken van den diamant

van Maroni, en van de roode en witte agaat, in het bovenste gedeelte

der Rivier van Surinamen.

De lucht was zuiverder en frisscher, en gevolgelyk veel gezonder op

Maagdenberg, dan in eenig ander gedeelte deezer Volkplanting.

Den 17den, vernamen wy, dat het transportschip de Maria Helena,

hebbende twee andere divisiën van honderd twintig mannen aan boord,

onder bevel van den Capitain HAMEL, den 14den deezer maand in de

Rivier Surinamen mede was binnen geloopen: dus bestond de geheele

versterking in twee honderd en veertig man, die den 3den Maart in

vaartuigen op Maagdenberg aankwamen, alwaar de geheele krygsmagt van

den Colonel FOURGEOUD zig toen by den anderen bevond. Den zelfden dag

kwamen 'er ook honderd Negerslaven aan, die bestemd waren om op onzen

tocht de pakken te dragen. Een van deeze Negers aan boord van één der

vaartuigen vermist wordende, wierd de bevelhebbende Officier, genaamd

CHATEAUVIEUX, en een schildwacht, welken men met bloed besmet vond,

in arrest genomen, om als beschuldigden van eene moord gevonnisd

te worden. Deezen zelfden dag hadden twee van onze Capitains een

tweegevecht, en één van hun wierd aan het voorhoofd gewond.

Den 13den, vond een vaartuig, met mondbehoeften geladen, van Paramaribo

komende, den Neger, die den 5den vermist was; hy lag aan den waterkant

in de heesterstruiken, zynde in de strot gestoken, maar nog levend,

vermits de steek de lugt-ader niet geraakt had. Het vaartuig nam

deezen ongelukkigen op, en bragt hem te Maagdenberg, alwaar door een

bekwaam Heelmeester, den heer KNOLLAERT, de wond wierd toegenaait,

en deeze man op eene wonderbaarlyke wyze herstelde, schoon hy negen

dagen zonder voedzel en zonder hulp gebleven was, in zyn bloed badende.

In de daar aan volgende week verloor ik byna door een toeval het

leven. Zie hier de zaak. De Colonel FOURGEOUD gebruikte twee Negers

van de Plantagie Goed-Accord, om voor hem te jagen en te visschen. Een

van hun, PHILANDER genaamd, stelde my voor, om hen in de bosschen

te vergezellen, alwaar wy eenige pingos, of eenige powesas zouden

kunnen ontmoeten; maar wy hadden nog geen twee mylen afgelegd, of wy

wierden door eenen geweldigen slagregen overvallen, die ons noodzaakte

om dit ontwerp te laten varen, en op den hoek lands, Jacob genaamd,

de wyk te nemen. Om daar te komen, moesten wy een moeras doorwaden,

zoo diep dat wy het water tot onder de armen hadden. PHILANDER

(de schoonste manspersoon, dien ik immer gezien heb,) begaf zig tot

zwemmen, en zyn medgezel van gelyken. Zy kliefden het water alleenlyk

met de eene hand; met de andere hielden zy hunne jagt-geweeren in

de hoogte. Zy noodigden my om hen daar te volgen, zoo als ik ook

deed, niets anders dan myn borstrok en broek aan hebbende; maar

na het maken van eenige bewegingen, zonk ik met myn snaphaan naar

den grond. Ik liet hem daar, en weder boven water komende, verzogt

ik PHILANDER te duikelen, en den snaphaan van den grond te haalen;

toen lag hy de zyne op een Palmiet boom, en haalde vervolgens de myne

zonder moeite. Op dit oogenblik hoorden wy een donderende stem uit

het midden der doornstruiken roepen:--"qui somma datty? en door een

ander, Souto, Souto da BONNY kiry da dago? Wie is daar? geef vuur! 't

is BONNY! slaat den schelm dood!" Ons oprichtende, zagen wy vyf of

zes snaphaanen, op eenen korten afstand op ons aangelegd. Ik duikte

dadelyk onder water; maar PHILANDER geantwoord hebbende, dat wy tot

den post van Maagdenberg behoorden, veroorloofde men ons, om één

voor één naar de Plantagie Jacob te gaan. Zy, die ons gezien hadden,

waren Neger-slaven, die in 't water hoorende roeren, naar den kant,

van waar dit gerucht kwam, keeken, en drie gewapende mannen in het

moeras ontdekten. Zy geloofden, dat het de muitelingen waren, die

voorwaarts trokken, onder geleide van BONNY zelven, voor wien zy my

aanzagen, om dat ik byna naakt, en myn lichaam door de zon verbrand

was; myne hairen, die kort en gekruld waren, deeden my naar eenen

Mulat gelyken. Na een weinig rhum gedronken, en onze kleederen voor

een goed vuur gedroogd te hebben, keerde men naar Maagdenberg te rug,

alwaar men my geluk wenschte met aan dit gevaar ontsnapt te zyn.

De Colonel FOURGEOUD toen van eene versterking van versche manschappen

voorzien zynde, deed, den 9den, alle zyne verminkten naar Holland

inschepen. Myn vriend HENEMAN vertrok ook, den 6den February, naar

dit zelfde Land, in eenen aller elendigsten staat.

Op den zelfden bodem, als deeze jongman, bevonden zig verscheide

andere Officiers, die gedwongen waren te vertrekken, niet door

ziekte, maar door afkeer en mismoedigheid, welke de onrechtmatige

behandeling van den Colonel, die, zoo als ik op het einde van het

tiende hooftstuk gezegd heb, hunne bevordering had tegengehouden,

aan hun veroorzaakte. Zy hadden gezien, dat jongelingen, die nog

ter school gingen, wanneer zy zelven in 't jaar 1772 reeds in dienst

der Volkplanting waren, aan hun wierden voorgetrokken. Die geenen,

welken de Colonel, den 6den December 1774, in arrest had doen zetten,

om in Holland gevonnisd te worden, wierden op het zelfde schip

gebragt. Dit schip was niets anders dan een hospitaal, maar zeer

slecht van ververschingen voorzien.

Den 21sten, deed de Colonel met genoegen de monstering van zyn

klein leger, en het smertte my zeer de Neger-Jagers daar niet by te

zien. De eerste zorge van den Bevelhebber was vervolgens, om eene wacht

aftezenden, tot het bespieden der omleggende streeken van zyne nieuwe

legerplaats, en ik had de eer daar toe te behooren. Geduurende deezen

kleinen tocht viel 'er niets merkwaardigs voor, dan het ontmoeten van

eene groote meenigte Coïatas (quoata in Guiana, quatto in Surinamen,

chameck in Peru genaamd) zynde een zoort van aapen, die zeer veel

opmerking verdienen, uit hoofde van hunne overëenkomst met den mensch,

eene hoedanigheid, welke ik niet met stilzwygen mag voorby gaan. Op

zekeren avond met mynen kleinen QUACO buiten de legerplaats wandelende,

naderden deeze aapen van zeer naby, om ons te bekyken, en zy wierpen

kleine stukjens hout, en hunne vuiligheid naar ons toe. Wy bleven

staan, en ik konde hen gemakkelyk waarnemen. De Coïata is zeer groot,

en zyne staart ongemeen lang. Zyne armen en beenen zyn met lange zwarte

hairen bedekt, het welk een zeer onaangenaam gezicht maakt. De huid

van zyn aangezicht is rood, en zonder hair, de oogen zyn ingedoken,

en ten dien opzigte gelykt hy niet kwalyk naar een oud Indiaansch

wyf. Zyne ooren zyn kort; zyne handen of voorpooten hebben vier

vingeren en geene duimen; maar de agterpooten hebben vyf toonen, allen

met zwarte nagels. Het uiteinde van zyne staart is krulswyze gedraait;

zy is zonder hair en eeltachtig, vermits hy 'er dikwils gebruik van

maakt, om aan de takken der boomen te blyven hangen, en dan dient zy

hem tot een vyfde lid. De gezwindheid, waar mede de Coïata van de

eene boom op de andere overgaat, is wonderbaarlyk; maar ik heb hem

niet zien springen. Het schynt, dat deeze eigenzinnigheid, om kleine

stukjens hout, en vuiligheid te werpen, slechts eene naarbootzing van

de bewegingen der menschen is; want hy doet het altyd in 't wild, en

heeft de behendigheid noch kragt niet, die 'er noodig zyn, om het door

hem gemikte voorwerp te raken; en zoo dat al gebeurt, het is by louter

toeval. Maar in de Coïata is dit zeer merkwaardig, dat zoo dra hy door

een snaphaanschoot of pyl gewond is, hy aanstonds zyn poot op de wonde

legt, zyn bloed ziet vloeijen, en met behulp van zyne medemakkers,

boven op den boom klimt, een droevig geschreeuw makende. Hy maakt

zig aldaar met de staart aan een tak vast; en gaat voort zyn lot

te betreuren, tot dat hy, door het verlies van zyn bloed verzwakt,

voor de voeten van zynen vyand dood nedervalt. [29]

Het is niet verwonderlyk, dat deeze aap, wanneer hy gewond is, door

de dieren van zyn zoort geholpen word, om op den top van eenen boom

te klimmen; maar dat zy kennis genoeg van de kruidkunde hebben zouden,

om de wond-planten uit te zoeken, te kaauwen, en op den wond te leggen,

dit is iets het geen ik niet gelooven kan, schoon zeker reiziger het

nog onlangs verzekerd heeft. Betreffende de hulp, welke zy elkander

toebrengen, om over een Rivier te komen, en die daar in bestaat,

dat zy de staart van den één aan den ander vastbinden, tot dat de

laatste van de reije zig van boven van een tak van een boom geworpen

heeft, hoe groote achting ik ook heb voor ULLOA, die dit verhaalt,

en die zulks in eene plaat vertoond heeft, durve ik echter, dewyl hy

'er geen ooggetuige van geweest is, hier aan twyffelen, en zelfs aan

hem, die beweert het zelve gezien te hebben. [30]

Ik moet ook nog spreken van een anderen aap, dien ik by den Colonel

FOURGEOUD zag, en wien men in Surinamen den naam van Wanacoe

geeft. Hy is met lange zwarte hairen bedekt, even als de Coïata,

maar zyne ledematen zyn veel korter, hairachtiger, en zyn aangezicht

is van eene vuile witte kleur: deeze aap is de eenige van zyn zoort,

die voor geen maatschappelyk leven is; men vindt hem altoos alleen. Dit

eenzaam dier word door de aapen van andere zoorten zoo veracht, dat zy

hem by aanhoudenheid slaan, en hem zyn voedzel ontsteelen; hy is al te

langzaam om hun te ontsnappen, en al te lafhartig, om hen te bevechten.

De Saki-winki is de kleinste van de aapen met lange hairen, en

misschien van die van Guiana, zoo niet van de geheele weereld; want

hy is niet veel grooter dan een Noorweegsche rot.

Deeze aap is een allerliefst diertje, hebbende gekruld en zwart grys

hair, een aangezicht van eene witte kleur, en zeer schitterende

oogen. Zyne ooren zyn breed en kaal, maar weinig zichtbaar, zynde

bedekt door een baard, die hem rondom het aangezicht groeit; zyne

pooten gelyken naar die van een eekhoorntje; zyne staart is dik en

met ringen. Hy is zoo vatbaar voor de koude, dat men hem naauwlyks

levendig in Europa brengen kan, en dat hy, aldaar aankomende, gaat

kwynen en sterft. De Hollanders noemen hem chagryntje, om dat hy

zig ligtelyk aan treurigheid overgeeft. Ik heb de groote Coaïta,

en de kleine Saki-winki op de nevensstaande plaat afgeteekend, ten

einde myn penceel de onvolmaaktheid van myne pen mogt aanvullen.

By myne te rug komst op Maagdenberg, wierd ik door eenen zwaaren boom,

die van ouderdom voor myne voeten nederviel, byna verpletterd. Dit

toeval gebeurt in de bosschen van Guiana meenigmaal, en zelfs wierden

twee of drie zeesoldaten op die wyze, maar ligtelyk, gewond. Geduurende

al den tyd, dat onze ronde duurde, hadden wy veel regen, en doorwaadden

eene kleine Kreek. Wy hakten een palmboom om, die aan den waterkant

stond; hy viel aan de andere zyde over, en diende ons alzoo tot

een brug.

Te rug gekomen zynde, ging ik den ongelukkigen Neger bezoeken, dien

men met een steek in de strot gevonden had, en die op dit oogenblik vry

wel hersteld, en in staat was, om te kunnen spreken. Hy verklaarde my,

dat hy zig zelf zoodanig verminkt had. Ingevolge deeze verklaaring,

wierden de Officier en de schildwacht, welken men verdacht gehouden

had, oogenblikkelyk weder in vryheid gesteld. Ik vroeg deezen man,

welke reden hem had kunnen bewegen, om zig zelven te willen van kant

maken? Hy antwoordde my:--Geene hoe genaamd.

"Ik heb, zeide hy my, ik heb den besten meester, en de beste

meesteresse van de weereld; ik heb eene familie, welke ik bemin, en

die my bemint. Ik had den geheelen nacht, tot vier uuren des morgens,

sterk geslapen, toen ik, ontwakende, het mes nam, om met de punt myne

tanden schoon te maken, en op 't oogenblik stak ik my in den strot,

zonder te weten waarom. Een oogenblik daar na had ik berouw over 't

geen ik gedaan had. Ik stond toen uit myne hangmat op, en ging in de

kano, om my te wasschen, en de wond, zoo mogelyk, toe te maken. Gebukt

hebbende, om water te scheppen, en by aanhoudenheid veel bloed kwyt

raakende, stortte ik in eene flaauwte, en viel in de Rivier. Toen

had ik geen kracht meer, om my op te richten, noch zelfs om hulp te

roepen. Echter gelukte het my, na veele pogingen, den oever der Rivier

te bereiken, alwaar ik op nieuw flaauw viel, en alleen bleef leggen,

tot op het oogenblik, dat het vaartuig, het welk naat Maagdenberg

ging, my aan boord nam. In al dien tusschentyd, die negen dagen duurde,

bleef ik volkomen by myne kennis, en zag een Ouarini, (mier-eeter,) die

aan het bedorven bloed, het welk ik rondom den hals had, kwam ruiken;

maar ik maakte eenige beweging, en hy keerde naar het bosch te rug".

Ik gaf aan deezen ongelukkigen eenige beschuit, welke men my van

Paramaribo gezonden had; ik voegde 'er een groote calebas vol garst

by, om soup voor hem te maken, en een fles wyn. Deeze Neger scheen

my toe omtrent zestig jaaren oud te zyn.

Ik ontfing op dit tydstip, en met moeite, eenen brief van den heer

KENNEDY, die zig gereed maakte, om naar Holland in te schepen,

en my verzocht, om mynen kleinen QUACO naar zyne Plantagie te rug

te zenden; het geen ik oogenblikkelyk deed, aan deezen jongen slaaf

eenen brief medegevende, waar by ik aan zynen meester een aanbod deed,

om denzelven van hem te koopen, zoo dra het in myne macht zoude zyn,

om 'er hem den koopprys voor te betaalen.

Den 2den April gaf de Colonel FOURGEOUD aan alle de zieken, die in de

Volkplanting gebleven waren, bevel, om zig naar Maagdenberg te begeven,

alwaar hy een hospitaal en een groot Magazyn voor de mondbehoeften

liet oprichten. Dus kwamen alle de verminkten van Klarenbeek alhier

aan, vergezeld van heelmeesters, apothecars, derzelver knechts,

enz. De lucht was in de daad, zoo als ik hier boven heb aangemerkt,

op deeze hoogte beter, dan ergens elders. De Colonel was op dit

oogenblik in een zeer kwaden luim, en mishandelde vriend en vyand,

zonder onderscheid. Hy zwoer, dat geen krygsman, onder zyn bevel

staande, van den dienst ontheven zoude worden, indien hy slechts op

zyne beenen staan konde. Byna te gelyker tyd zond men eene aanzienlyke

krygsbende naar de Plantagie Brouyingsbourg, aan de Commewyne, alwaar

men voor eenen opstand beducht was, om dat de Negers geweigerd hadden

des Sondags te werken: men dwong 'er hen echter door zweepslagen toe.

Wy waren in het midden van het regen-saisoen, het welk den Bevelhebber

niet wederhield, om ons zyn oogmerk tot het doorkruissen der bosschen

te verklaaren; en dienvolgende gaf hy last, ten einde twee sterke

kolommen des anderen daags zouden optrekken.

De reden, die hem bewoog, om zulk een gevaarlyk jaargetyde te

verkiezen, bestond hier in, dat indien het hem nu gelukte de

muitelingen te doen verhuizen, hy hen tot hongersnood zoude doen

vervallen, het geen in het saisoen van droogte, wanneer de bosschen

van allerleije zoort van vruchten en wortelen rykelyk voorzien zyn,

niet geschieden konde. Dit was echter, naar myn inzien, eene verkeerde

rekening; want men moest ook in 't oog houden, welke verwoestingen zulk

een ongezond jaargetyde, het welk twintig van onze soldaten tegen éénen

muiteling zoude doen omkomen, onder ons krygsvolk stond aan te rechten.

De Colonel was van een zeer sterk gestel, en hy had byna zyn geheele

leven in de oeffeningen der jagt doorgebragt. By deeze gave der

natuur voegde hy eene andere, de gematigdheid, en voorts gebruikte

hy dagelyks zynen geneesdrank.

Zyne geheele kleeding bestond in een overrok, waar in zyn degen door

een knoopsgat doorging. Op zyn hoofd droeg hy een catoene muts,

met een witte hoed 'er op. In zyn hand hield hy een rotting, maar

zelden droeg hy zyn snaphaan of pistolen. Ik heb hem wel gezien,

zeer slecht gekleed en blootsvoets, als de gemeenste soldaat.

Den 3den April, des morgens ten zes uuren, trokken de twee colommen op

weg, de eene onder bevel van den Colonel FOURGEOUD, de andere van den

Colonel SEYBOURG; ik had de eer tot de eerste te behooren. Onze arme

soldaten waren verschrikkelyk beladen; zy hadden bevel ontfangen, om

hunne snaphanen in hun knapzak te steeken, den mond derzelve alleen

uitgezonderd: dit geschiedde, om hun geweer voor de stortregens

te beveiligen. Wy trokken zuidoost-waarts langs de oevers van de

Tempaty-Kreek, en wel dra ontmoetten wy moerassen, waar in wy tot

over de kniën door 't water gingen.

Geduurende den tocht van den eersten dag, ontmoetten wy eenige fraaije

eekhoorntjes, van welke dieren in dit Land verscheide zoorten zyn. Die

wy zagen, waren bruin, den buik wit, en de staart een weinig dik;

zy waaren zoo groot niet, als die in Europa. Men vindt 'er in Guiana,

die wit zyn, met roode oogen; 'er zyn 'er ook die vliegen. Men weet,

dat de laatstgemelde geene vlerken hebben, maar dat een vlies, een

gedeelte van hunne huid uitmakende, van wederzyden tusschen de voor-

en agter-pooten geplaatst, hun daar voor dient. Deeze huid, wanneer

zy springen, spreidt zig uit als de vlerk van een vledermuis; door

dit middel vliegen deeze dieren door de lucht tot eenen zeer verren

afstand.

Des anderen daags, den 4den April, vervolgden wy onzen tocht

zuidoost-waarts, tot twee uuren toe; maar vervolgens namen wy onzen

weg ten zuid-zuidwesten.

Deezen dag trokken wy voorby eenige hoopen fraay werkhout, het

welk op den grond lag te verrotten zedert het jaar 1757, wanneer de

Plantagiën door de Neger-slaven, die toen in opstand geraakt waren,

waren vernield geworden. Onder dit hout ontdekte ik, dat van den rood-

of purper-hout boom, van den yzer-hout boom, en van de bourracourra.

De purper-hout boom groeit zomtyds tot de hoogte van veertig voeten,

en heeft een stam van eene geëvenredigde dikte. Zyn schors is bruin en

glad; zyn hout is van eene fraaije purper kleur, en van eene aangenaame

reuk. Men waardeert hem zeer, uit hoofde van deszelfs vastheid.

De yzer-hout boom, aldus van wegen deszelfs hardheid genoemd, verheft

zig byna tot de hoogte van zestig voeten. Zyn schors heeft eene heldere

kleur. De Indianen en Europeanen maken veel werk van deszelfs hout,

om dat het zoo hard en in één gedrongen is, dat het zelfs de byl

wederstaat, en voor eene zeer schitterende gladheid vatbaar is:

in het water gaat het te niet.

De bourracourra verheft zig tot de hoogte van dertig of veertig

voeten; maar hy is niet zeer dik, en zyn schors is rood. Het hart

alleen van dit hout is goed; maar wanneer men 'er het spint afneemt,

is deszelfs middellyn merkelyk verkleind. Intusschen is het zoo

wel fraay als nuttig, zynde van een zeer fyne karmosyn-kleur, met

onregelmatige en zwarte moesjes gevlakt, waarom de Franschen 'er

den naam van letterhout aan gegeven hebben. Het is in één gedrongen,

vast, en hard, schoon een weinig tot breken geneigd, en het neemt ook

den schitterendsten glans aan. Het letterhout is zeldzaam in Guiana;

maar de twee eerstgemelde zoorten zyn 'er in meerder overvloed, en

groeien op de hooge gronden. Men vindt in dit Land ook ebbenhout. De

boomen van hard hout, tot planken voor de suiker-molens gezaagd, worden

voornamelyk verzonden naar de Engelsche Eilanden in de West-Indiën;

men verkoopt dezelve zeer duur.

Het bevel tot den tocht op den 5den gegeven zynde, vouwden wy onze

hangmatten op, en wy trokken ten zuid-zuid-oosten, vervolgens ten

zuid-oosten, door gevaarlyke en diepe moerassen, alwaar wy tot aan de

borst toe door het water gingen, en de regen viel als met bakken van

den hemel. In deeze elendige gesteldheid, hadden wy eene onaangenaame

ontmoeting, niet door de muitelingen veroorzaakt, maar door een hoop

groote aapen, die wy vervolgens boven in de boomen vernamen, Zy sloegen

een zoort van noten tegen de takken, om 'er de pit uit te haalen; het

geen zy met eene groote regelmatigheid deeden, laatende tusschen elken

slag eene tusschenpoozing van tyd verloopen. Sommigen van hun wierpen

van die noten naar ons toe; en zelfs bekwam één van onze soldaaten

daar door een gat in 't hoofd. Het geraas, het welk deeze aapen by

het breken van die noten maakten, had ons in de gedachten gebragt, dat

het de muitelingen waren, die in het bosch, met een byl hout hakten.

Des avonds sloegen wy ons neder by de Tempaty-Kreek. Wy ontstaken op

deeze plaats groote vuuren, en bouwden aldaar vry goede hutten: dus

bragten wy deezen nacht door, beveiligd voor de vochtigheid. Wy vonden

hier het beste water, het welk ik immer gedronken heb; en ik zag op

de legerplaats twee merkwaardige hagedissen, dragende in dit Land den

naam, de één van bosduivel, en de andere agama. De eerste is klein en

leelyk, en van eene zeer hoog bruine, of zelfs zwartachtige kleur. Hy

klimt op de boomen, en koomt met eene ongelooflyke schielykheid weder

naar beneden; hy heeft geene schubben; zyn kop is breed, en men zegt,

dat hy byt, het geen de hagedissen anders niet gewoon zyn. De tweede

heeft ook den naam van de Mexicaansche Kameleon. Hy is ongemeen schoon,

en even als alle anderen van dit zoort, bezit hy het vermogen om

van kleur te veranderen; maar geen tyd gehad hebbende, om hem met

aandacht te onderzoeken, kan ik van zynen aart en hoedanigheden

niets meer zeggen. In Surinamen is ook nog een zoort van Hagedis,

bekend onder den naam van Salamander; maar ik heb hem nooit gezien.

Den 6den, vervolgden wy onzen tocht, nemende den weg westwaarts tot

den middag toe. De regen viel steeds geweldig, en wy liepen door het

water. Op het gemelde uur, veranderden wy onzen weg, om noordwaarts

te gaan, en wy trokken langs zeer hooge bergen, die, zoo als ten

minsten veelen vooronderstellen, in hunnen boezem schatten bevatten:

"Rotsen met kostbaare gesteenten verrykt; bergen, waar op de

glinsterende aderen van schitterende mynstoffen blinken; die ketenen

vormt, boven den middaglyn in hoogte verheven; waar uit talryke beken

ontspringen, om over het gouden zand heen te rollen; ontzag verwekkende

bosschen, wier bladeren allerleije levendige kleuren vertoonen, die uwe

golfswyze toppen op een onmeetlyk toneel in evenwicht houdt. (THOMSON)"

De twee hoogste bergen in het zuiden van America, zyn het Andische

gebergte, door de bewooners des Lands Chimborazo genoemd, het welk

zig twintig duizend vierhonderd zestig geometrische voeten boven de

oppervlakte der Zuid-zee verheft, en, schoon onder, den middellyn

gelegen, aanhoudend met sneeuw bedekt is, tot op den afstand van

vier duizend voeten beneden deszelfs kruin. De andere berg is die,

op het vallen van welken de Stad Quito gebouwd is; deszelfs hoogte is

negen duizend driehonderd zeventig voeten, en men rekent denzelven

voor het hoogste van alle bewoonde Landen in Zuid-America, zoo niet

in de geheele weereld.

Den 7den, trokken wy al verder noordwaarts, over gebergten, van

welker kruin wy de verrukkelykste gezichten zagen. Wy ontdekten aldaar

een onmeetlyk en woest Land, geheel en al bedekt door een treffelyk

bosch, welks geboomte door eene verscheidenheid van schaduwen, en het

schitterendst groen veraangenaamde. Ik zag hier een houtsnip, die my

dezelfde kleur, als de Europeesche, scheen te hebben, maar langzaamer

vliegt; men verhaalde my egter, dat zy met eene ongelooflyke ligtheid

kan voortloopen. De Arnotta-boomen, welken ik vond, schoon in een

klein getal, trokken vooral myne aandacht naar zig, en ik heb 'er

een tak met de grootste naauwkeurigheid van afgeteekend. De Arnotta,

dien men ook den Roucou-boom noemt, en door de Indianen genoemd word

Cossowy, is veel eer een heestergewas, dan een boom, want hy groeit

slechts tot de hoogte van twaalf voeten. Deszelfs lange, smalle,

puntige, en beurtelings geschaarde bladeren, zyn aan de eene zyde

hooger groen, dan aan de andere, en door vezelen van eene roodachtig

bruine kleur verdeeld; de steel heeft ook de zelfde kleur. De bast

van de vrucht, naar een klein hoender-ei gelykende, is vol puntige

stekels, als de schel van een kastanjen: in 't begin heeft zy eene

fraaije roozen-kleur; en naar maate dat zy ryp word, verandert zy,

en krygt eene donker bruine kleur; als dan gaat zy van zelve open,

en vertoont een vleesch van eene fraaie karmozyn kleur, waar in zwart

zaad zit, even als druiven korrelen. Toen ik van de inboorlingen, of

Indianen van Guiana sprak, heb ik het gebruik, beschreven, waar toe

hun de Arnotta dient. In de afbeelding, welke ik den lezer aanbiede,

beteekent de letter A, het blad van boven; de letter B, het blad

naar beneden; de letter C, de bast der vrucht, eer dezelve ryp is;

de letter D, de rype schel, het vleesch vertoonende; de letter E,

het zwart zaad, door een gedeelte van het vleesch overdekt. Ik moet

hier aanmerken, dat de tak van den Roucou, door de beroemde Juffrouw

DE MERIAN afgeteekend, met alle die geene, welke ik gezien heb, weinig

overëenkoomt; en, het geen my zeer verwonderd heeft, zy verklaart, dat

dezelve door eenen boom van aanmerkelyke grootte word voortgebracht.

Na, des avonds, eenen arm van de Mapany-Kreek doorwaad te hebben,

kwamen wy in onze legerplaats te Maagdenberg te rug. Veelen van

onze Officiers waren zoo kwalyk gesteld, dat zy door Negers in hunne

hangmatten gedragen moesten worden; anderen bevonden zig zoo zwak,

dat zy met moeite staan konden; maar het klagen was loutere dwaasheid;

men moest bezwyken en sterven. Ik was geduurende deezen tocht zeer

gelukkig; want ik vermoeide my niet, en ondervond geene kwaade

behandeling van den Bevelhebber. De tweede kolom kwam des anderen

daags aan; zy had, zoo min als wy, eenigen vyand ontmoet.

Myn kleine QUACO kwam, den 29sten, van Paramaribo te rug. De heer

KENNEDY verkogt hem my, voor eene somme van 500 Hollandsche guldens,

die, met eenige kosten, ten naasten by 50 ponden sterling bedraagen,

tot welker betaaling de Colonel FOURGEOUD de beleefdheid had my een

order briefje op den waarneemer zyner zaaken te geven. Ik was verrukt

van eenen zoo getrouwen dienaar in eigendom verkregen te hebben; en

deeze gebeurtenis verdubbelde myn ongeduld, om het verlangd oogenblik

te zien, dat ik myne geliefde JOANNA, en mynen zoon, van wier eigenaar

ik nog geen antwoord ontfangen had, zoude kunnen vry koopen.

Terwyl wy op Maagdenberg waren, bood een Neger my eene fraaie Kapel

aan, welke ik met alle mogelyke naauwkeurigheid afteekende. In de

verzameling van Mejuffrouw DE MERIAN heb ik dezelfde gezien, alwaar

die zeer slecht gekleurd is. De myne was van een zeer dof blaauwe

kleur, hellende naar het groen, en geheel bedekt met moesjes, even

als een paauwen-veder; op elke vlerk had dezelve een vlak van eene

bleek geele, en van onderen eene purper karmozyn kleur. De rups van

deeze kapel is geel en bruin, met agt hoornen op den kop en twee op

de staart.--Byna te gelyker tyd kwam de Capitain FREDERIK van eenen

tocht in de bosschen te rug. Een van zyne Corporaals was by het

oversteeken van een Kreek verdronken. Het is niet zeldzaam, dat in

dusdanig geval iemand in het water valt, maar doorgaans haalt men hem,

wien zulk een ongeluk wedervaart, in tyds 'er uit. Dit was het lot

niet van deezen ongelukkigen, die met al zyn reistuig oogenblikkelyk

naar den grond zonk.

Een ander Neger bragt my ook een kookzel van groegroe, zoo als men

het in Surinamen noemt, en zynde van Palmboom-wormen toebereid. Het

zyn groote zwarte koorn-wormen, die hunne eieren in het merg van

afgekapte of afgebrokene Palmboomen nederleggende, dezelven alzoo doen

geboren worden. Deeze wormen hebben de gedaante en grootte van een

menschenduim. Welk walgelyk voorkomen zy ook hebben mogen, eeten 'er

verscheiden lieden met smaak van, en men verkoopt ze ten allen tyde

te Paramaribo: men bakt ze in de pan met boter en een weinig zout;

of men braad ze, en rygt ze aan kleine houte pinnen. Zy hebben een

smaak, uit dien van alle Indiaansche speceryen, als de muscaat-nooten,

kruid-nagelen, kaneel, enz. zaamgesteld. De Palmboomen, die beginnen

te verrotten, leveren dit zoort van wormen op; maar allen hebben zy

dezelfde grootte niet. De eene en andere hebben eene bleeke geele

kleur, meteen zwarte kop; de Indianen en Negers noemen dezelven

toecoema.

Den 16den, deed men een hoop krygsvolk naar la Rochelle, aan de

Patamaca, vertrekken. Des anderen daags zond men een Capitain met

eenige soldaaten naar den post van de Hoop aan de Commewyne, om aldaar

alle de Plantagiën, aan de oevers deezer Rivier gelegen, te beschermen.

Den zelfden dag zag men den ongelukkigen Neger, die den 5den Maart zig

in den strot gestoken had, en die tans van zyne wonden genezen was,

het bosch ingaan. Hy hield een mes in de hand, en deeze keer mislukte

hem zyn slag niet. Men liep hem na, maar vond hem dood. Zyn meester

berigtte ons, dat hy zedert eenigen tyd van maand tot maand pogingen

deed, om zig van kant te helpen.

Den 17den, kwamen de manschappen, die naar den post van la Rochelle

afgezonden waren, van daar te rug; al het krygsvolk der Sociëteit

was daar ziek.

De Colonel FOURGEOUD behandelde my in dit oogenblik met de grootste

beleefdheid. Op zyn verzoek zond ik hem, den 20sten verscheide

afteekeningen, die hem zelven en zyn krygsvolk verbeeldden, worstelende

tegen alle de moeielykheden, die zig elk oogenblik in onzen dienst

opdeeden; hy zeide my, dat zyn oogmerk was dezelve aan den Prins van

Oranje en aan de Staaten Generaal aan te bieden, om hun te doen zien,

wat zyn volk al in de bosschen van Guiana geleden had.

Hy gaf my toen een verlof van veertien dagen, om naar de Stad te

gaan, en den heer KENNEDY goede reize te wenschen. Zynen goeden

luim niet willende laten verkoelen, verliet ik Maagdenberg binnen

't uur, en maakte zoo veel haast, dat ik den 22sten te Paramaribo

aankwam. Ik vond myne kleine familie aldaar zeer welvarende. Op 't

oogenblik van myne aankomst, zond men my dezelve by den heer DELAMARRE;

maar geduurende myne afwezigheid, had dezelve het huis van den heer

LOLKENS niet verlaten, en was aldaar steeds met veel oplettenheid en

achting behandeld.

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet · 第 81 / 135 题