Nieuwe wreedheden, nog onmenschelyker, dan alle de voorige.
--Verschillende zoorten van planten.--Papegaaijen en
Parkieten.--Surinaamsche Patrys.--Buitengewoone Insecten.
--Geiten van Guiana.--De Taïbo.--Verscheidene zoorten van
visschen.--Groote sterfte onder het krygsvolk, het welk
zig op de posten aan de Tempaty-Kreek, en de Commewyne bevond.
Myn eerste bezoek leide ik by den heer KENNEDY af, en betaalde hem de
vyf honderd gulden, voor den koopprys van QUACO, die toen mynen vryen
eigendom was. By myn verblyf op Paramaribo wierd ik door eene koorts
aangetast, die echter slechts weinige dagen duurde. Den eersten Mey,
aan den oever der Rivier wandelende, vernam ik, dat 'er eene groote
meenigte volks voor het huis van Mevrouw S.... vergaderd was, alwaar ik
eene verschrikkelyke vertooning zag. Een ongelukkig Mulatten meisje was
'er het voorwerp van. Zy baadde in haar bloed. Men had haar op eene
wreedaartige wyze in den strot gestoken, en negen of tien steeken in
de borst op verschillende plaatsen gegeven. Men beweerde, dat dit het
gevolg was van de jaloersheid van dit helsche beest, Mevrouw S...., die
haaren man verdacht hield, dat hy op dit ongelukkig meisjen verliefd
was. Dit wangedrocht van een wyf heb ik reeds bevoorens aangehaald,
toen zy een onnoozel kind, welks geschrei haar hinderde, verdronken
had. Men beschuldigde haar zelfs van eene nog grootere wreedheid,
indien 'er grooter zyn konde! Op zekeren dag op haare Plantagie
komende, om aldaar eenige slaven, die in 't kort gekocht waren, te
bezigtigen, viel haar oog op eene Negerin van omtrent vyftien jaaren,
die de taal niet verstond. Bemerkende, dat deeze jonge dogter zeer
schoon was, dreef haare verfoeijelyke jaloersheid haar op 't oogenblik,
om dit meisjen met een gloeiend yzer, aan de wangen, den mond, en het
voorhoofd te mismaken; zy sneed haar ook de pees van Achilles aan één
haarer beenen af, en maakte haar alzoo tot een gedrocht van leelykheid.
Eenige Negers deeden haar, by deeze gelegenheid, vertogen omtrent de
wreede straffen, welke zy dagelyks uitoeffende, en verzogten haar, om
haare slaven met meerder menschelykheid te behandelen. Men verhaalt,
dat Mevrouw S...., woedend kwaadaartig wordende, dadelyk aan een
ongelukkig slaven kind, zig aldaar bevindende, de herssens insloeg,
en vervolgens aan twee jonge Negers, die dit kind in den bloede
bestonden, en deeze schenddaad hadden willen beletten, het hoofd deed
afslaan. Toen zy de Plantagie verlaten had, wierden de beide hoofden
in een zyden doek gewonden, en door derzelver vrienden naar Paramaribo
gebragt, alwaar zy ze voor de voeten van den Gouverneur nederleiden,
en hem de volgende aanspraak deeden.
"Zie hier, uwe Excellentie, het hoofd van mynen zoon, en zie hier dat
van zynen broeder, (op zynen makker wyzende,) welke onze meesteresse
heeft doen afhouwen, om dat zy één der moorden, die zy dagelyks begaat,
hadden willen voorkomen. Wy weten wel, dat, vermits wy slaven zyn,
men ons getuigenis niet aanneemt; maar indien deeze bloedende hoofden
voor een genoegzaam bewys verstrekken van het geen wy zeggen, smeeken
wy, dat de vernieuwing van dergelyke wreedheden moge belet worden:
wy zullen daar voor eeuwig dankbaar zyn, en met genoegen ons bloed
plengen voor het behoud van onzen meester, onze meesteresse, en van
de geheele Volkplanting."
Men gaf deeze ongelukkigen ten antwoord, dat zy leugenaars waren,
en dat men hen veroordeelde, om op alle de straaten van Paramaribo
gegeesseld te worden. Dit onrechtvaardig vonnis wierd met de grootste
wreedheid ter uitvoer gebragt.
De wetten deezer Volkplanting brengen mede, dat men aldaar nooit het
getuigenis van eenen Neger aanneemt. Indien by den moord, door my
verhaald, een blanke was tegenwoordig geweest, zoude zyn getuigenis
bestaanbaar geweest zyn; maar dan zou deeze afschuwelyke boosdoenster
vry geweest zyn met de betaaling eener boete van vyftig ponden sterling
voor elken doodslag.--Maar laat ons eindigen.--Myne ziel heeft een
weerzin, om nopens zulke onderwerpen breeder uit te wyden.
Den 22sten Mey, volkomen hersteld zynde, verliet ik JOANNA, en mynen
zoon JOHNNY, aan wien ik dien naam by verkorting van den mynen gaf,
schoon echter de plechtigheid van den doop nog niet verrigt was. Zy
bleven beiden by mynen vriend, den heer DELAMARRE, en ik vertrok naar
Maagdenberg, in een overdekt vaartuig met zes roey-riemen.
Den 3den, kwam ik op de Plantagie Egmondt, by den heer DE CACHELIEU;
en des anderen daags hield ik stil op de Plantagie Ornamibo,
alwaar ik mynen ouden vyand, den Capitain MEYLAND, met wien ik aan
de Wana-Kreek gevochten had, goedhartig onthaalde. Hy verklaarde my,
dat hy tegenwoordig van niemand in de geheele Volkplanting meer hield,
dan van my: hy kwam juist van eenen tocht van twaalf dagen uit de
bosschen te rug.
Ik vond onder zyne soldaten zekeren CORDUS, den zoon van een ordentelyk
man te Hamburg, in welke betrekking ik hem voor deezen gekend had,
en die tot den dienst van de West-Indische Compagnie was opgeligt. Ik
heb reeds gezegd, dat dit zoort van krygsvolk bestaat uit menschen
van allerleije natiën, en godsdiensten, Christenen, Heidenen, en
zelfs Joden.
Op deeze plaats, die wel eer bebouwd was geweest, maar die toen
met distelen en doornen bedekt was, zag ik eenige kruiden, welke ik
niet met stilzwygen kan voorbygaan, schoon ik dezelve niet kenne,
dan met den naam, dien 'er de slaven aan geven, uitgenomen egter één,
zynde de siliqua hirsuta, of stekende peul, door de Negers genoemd
crussy-wiry-wiry. Ik kan dezelve niet beschryven, dan als een zoort
van erwt, of liever een kleine platte boon, van eene purper kleur, en
zig in een bast of schel vormende, die aan een losse kruipende plant
groeit. Deeze schellen zyn met een zoort van elastieke punten bedekt,
die, wanneer men ze aanraakt, eene ondraaglyke jeukte veroorzaaken,
en die 'er afgenomen, en in een theelepel met geley gemengd zynde,
als een uitmuntend worm-afdryvend middel worden aangeprezen. De
slaven toonden my ook op deeze zelfde plaats, een zoort van hout,
het welk zy crassy-wood noemden. Het stak insgelyks, maar verdere
hoedanigheden weet ik 'er niet van. Ik vond bovendien heestergewassen,
consaca-wiry-wiry genoemd. Zy hebben breede groene bladen, waar
van de Negers zig bedienen om het ongemak aan de voeten, al mede
consaca genoemd, waar van ik gesproken heb, te geneezen, maar dit
is alleen by gebrek van citroenen of limoenen. Deeze plant levert
ook eene uitstekende salade op. De dea-wiry-wiry is een zeer fraay
en zeer gezond kruid, het welk om deeze reden zeer geacht is;
maar de coutty-wiry-wiry is eene der grootste pesten van deeze
Volkplanting. Het is een sterk en puntig kruid, het welk op zommige
plaatsen in overvloed groeit. Wanneer iemand al gaande met zyn been
'er dicht by koomt, snydt hy 'er zig aan, als aan een scheermes. Alle
de kruiden in dit Land worden door de Negers aangeduid onder den naam
van wiry-wiry.
Den 5den kwam ik te Maagdenberg aan. Hier scheenen de Colonel SEYBOURG,
en die geenen, welken hy zyne Officiers noemde, eene krygsbende te
willen uitmaken, afgescheiden van die van den Colonel FOURGEOUD. Zy
waren uittermaten onbeschaafd, en behandelden elkander met een zoort
van ruwheid. Hun Colonel was by onzen Bevelhebber zeer in den haat;
en deeze staat van zaken bragt veel toe, om onze gesteldheid steeds
onaangenaamer te maken. Ik had voor my zelf toen geene reden om my
te beklagen, want ik was zeer wel gezien by den Colonel, doch raakte
om een beuzeling byna uit zyne gunst. Hy had van eenige Indianen een
paar fraaije Kakatoes gekocht, welke hy in een kooy hield opgesloten,
en in 't kort naar Europa stond te verzenden, om aan haare Koninglyke
Hoogheid, de Princes van Oranje, ten geschenke te worden aangeboden. Ik
verzogt LAURENS my toe te staan, om 'er één van in de hand te nemen,
ten einde hem met meerder aandacht te beschouwen: maar de deur van de
kooy was zoo dra niet geopend, of de vogel ging aan 't schreeuwen, en
verdween in een oogenblik, met een snelle vlucht boven de Tempaty-Kreek
heen vliegende. De arme kamerdienaar stond verstomd, en konde niets
meer uitbrengen, dan deeze enkele woorden: Ziet gy wel? Ik nam de
vlucht, om het aannaderend onweder te ontwyken; maar ik verbergde my
in de struiken, door welke ik de bewegingen van den Colonel bespeuren
konde. Zoo dra hy deeze verschrikkelyke gebeurtenis vernomen had,
begon hy te vloeken, te brullen, en zig in alle bogten te wringen, als
een mensch die van zinnen beroofd is. In de hevigheid van zyne woede,
gaf hy een trap aan een arme eendvogel, die aan één van onze Officiers
toebehoorde, en trapte hem in ééns dood. Eindelyk nam hy zyne paruik
van 't hoofd, en smeet die tegen den grond. Ik stond te beven, en de
overige toekykers schaterden het uit van lagchen. Na verloop echter
van een halfuur, begon de gramschap van den Colonel te bedaaren, en
hy gebruikte toen een list, waar door de weggevlogen vogel weder in
zyne macht kwam. Na een kort eind touw boven aan de kooy gebonden te
hebben, haalde hy 'er het andere dier uit, en bond het met de poot
aan het tegenëinde van het zelfde touw vast. Hy plaatste deeze kooy
in de open lucht, leide eene rype banane binnen in, en liet de deur
open, zoo dat alle vogels, uitgenomen de geen, die vastgebonden was,
'er konden inkomen. Deeze, aan wien men niets te eeten gaf, door den
honger gedrongen, maakte zulk een schel geschreeuw, dat hy door zyn
makker gehoord wierd, die te rug kwam, en ziende de banane in de kooy,
daar binnen ging, en op nieuw van zyne vryheid beroofd wierd. De zaak
aldus afgeloopen zynde, kwam ik weder te voorschyn, en geraakte met
eene vriendelyke bestraffing vry; maar, zoo als men wel denken kan,
LAURENS kreeg een goede les.
De Kakatoes zyn minder groot, dan de Papegaijen. Derzelver pluimaadje
is groen, uitgenomen aan den kop, en eenige vederen van de staart,
die een bleeke roode kleur hebben. Deeze vogelen zyn gekroond met
een bos van vederen, die gewoonlyk agter over leggen, maar welke zy
in de hoogte steken, wanneer zy door het een of ander vertoornd of
verschrikt worden.
Ik heb in Surinamen ook een Papegaay gezien van eene hoog blaauwe
kleur, hoe zeer verschillende van die geene, welke men van de Kust van
Guinée aanbrengt, die veel eer eene gryze loodkleur hebben. Dit dier is
zeer zeldzaam, en bewoont de diepste schuilhoeken der bosschen, alwaar
de Indianen hem vangen, en vervolgens naar Paramaribo brengen. Hy
heeft de gestalte van de gewoone Papegaay; maar schynt zeer levendig
en zeer sterk. De gemeenste Papegaaijen in Guiana zyn die geene,
aan welke MARKGRAAF den naam van ajuruoura geeft. Deeze vogelen zyn
zoo groot niet, als die uit Africa komen. Zy zyn groen, en de borst
en buik zyn van eene bleek geele kleur. Boven op den kop hebben
zy een blaauwe vlak; hunne pooten zyn grys, en met vier klaauwen,
twee van vooren, en twee van agteren, gelyk alle anderen van dit
zoort. Op hunne vlerken ziet men eenige vederen van eene schitterend
blaauwe, en andere van eene hoog karmosyne kleur. Zy zyn in Surinamen
zeer talryk, maar meer schadelyk, dan aangenaam, want zy werpen zig
troepsgewyze op de Plantagiën van koffy, graanen en ryst, alwaar zy
groote verwoestingen aanregten; en het geen hun vooral ondraaglyk
maakt, is hun schel geschreeuw. Zy vliegen altyd aan paaren, en zeer
ligt. Ik heb waargenomen, dat zy, om de zon te ontmoeten, des morgens
oostwaarts, en des avonds westwaarts vliegen. In 't algemeen leven
zy op afgelegene plaatsen, en hunne wyfjes leggen niet meer dan twee
eieren. Toen ik my op de Plantagie Sporksgift bevond, schoot ik twee
van deeze Papegaaijen. Deeze dieren nog niet dood zynde, toen ik hen
opraapte, haalden zy my met hunne puntige klaauwen deerlyk de huid
open. Wy lieten ze koken, en zy gaven eene vry goede soep; men kan 'er
ook een pasty van maken; maar op eenige andere manier toebereid zynde,
zyn zy zeer slecht en taay. Men kan deeze Papegaaijen leeren spreken,
lagchen, schreeuwen, baffen, maauwen, fluiten, maar veel minder, dan
die in Africa geboren zyn. Men zegt, dat het zaad van catoen-schellen
hen dronken maakt. Zy zyn aan ziekten onderworpen, misschien uit hoofde
hunner geneigdheid tot gramschap; de Indianen egter schryven hun een
lang leven toe: zy hebben een sterken en gekromden bek, en bedienen 'er
zig van, om op de boomen te klauteren, om zeer harde noten te kraken,
en om pynlyke beeten te geven. Hun vermaak is, om zig op de takken der
boomen in evenwicht te houden, of daar aan te blyven hangen, en het zy,
dat zy zig in vryheid bevinden, het zy dat zy in de slavernye leven,
zy nemen hun voedzel met één van hunne klaauwen, als met de hand.
'Er zyn in Surinamen ook andere fraaije Papegaaijen, zynde een
zoort van Parkieten, en mede zeer gemeen. De aangenaamste hebben
de gedaante van eene zeer kleine duif. Derzelver pluimaadje is van
een zeer levendig groene kleur op den rug en de staart, maar de kop
is donker bruin; de hals van gelyken, met dit onderscheid, dat elk
der vederen een rand van eene fraaije goud-kleur heeft. De borst
is van eene lood-kleur, de buik violet, en de vlerken bestaan uit
verschillende vederen van eene oranje en hemels blaauwe kleur. Zyne
oogen hebben eene kleur als vuur, en de pooten byna wit. Het ander
zoort van Parkieten is volmaakt groen, met een witten bek, en eene
karmozyne vlak op den kop. Zy brengen een aangenaam gepraat voort;
maar men maakt ze zoo gemakkelyk niet tam, als de eerstgemelden.
Den zelfden avond, (op den 5den namelyk,) bood een soldaat my een
vogel aan van een geheel verschillend zoort, dien hy met de hand
gevangen had. Deeze was de Anamoe, of Surinaamsche Patrys, het
schoonste dier, dat ik immer gezien heb. Hy was zeer vet, en had
de grootte van een eendvogel. Zyne vederen, van eene donker bruine
kleur op den rug, de vlerken, en het bovenste gedeelte van den
kop, hadden aan het benedenste van den kop, en het geheele overige
gedeelte van het lichaam, eene fraaie witte room-kleur, doorsneden
met vederen van eene orange-kleur, en zeer kleine dwarsloopende zwarte
streepen. Deeze Patrys, die zonder staart is, had een lichaam van eene
eironde gedaante; een langen hals, een korten bek, die zeer puntig
en een weinig krom gebogen was. Zyne oogen, zoo zwart als een git,
vertoonden eenen zeer schitterenden glans, Hy had korte pooten, van
eene fraaie roode kleur, met drie sterke klauwtjes aan elke poot. Men
zegt, dat hy met eene verwonderlyke ligtheid loopt, dat hy zig tusschen
de kruiden en planten verschuilt, maar dat zyne dikte hem bezwaarlyk
doet vliegen; en deeze bezwaarde vlucht gaf gelegenheid, dat gemelde
soldaat deezen vogel met de hand gevangen had. Wy deeden hem braden,
en ik heb nooit iets lekkerder gegeten.
Den 9den, gebeurde 'er byna een toeval, het welk my een zeer gevoelig
en smartelyk hartzeer veroorzaakt zoude hebben. Myn Neger QUACO, myne
hangmat in de Tempaty-Kreek uitwasschende, wierd door den schielyken
stroom eensklaps naar den grond getrokken. Hoe zeer in de koorden van
dit zoort van bed, het welk met hem in 't water gezonken was, verward
zynde, gelukte het hem, schoon met veel moeite, om zig los te maken,
en tot myn onuitspreeklyk genoegen, kwam hy weder boven water, en wel
dra op 't land. Hy had toen de bedaardheid van geest, om een haak,
aan een sterke visschers lyn vast gemaakt, in 't water te doen zinken,
en door dit middel de hangmat wederom te krygen. Des anderen daags,
wanneer de Captain HAMER zig met visschen vermaakte, bleef zyne lyn
aan den grond der Kreek haken: ik was 'er by tegenwoordig, en sprong
oogenblikkelyk in 't water, om dezelve los te maken; maar ik stootte
den enklauw met zulk een geweld tegen een rots, dat het verscheiden
maanden aanliep, eer ik volkomen hersteld was.
Alle deeze toevallen scheenen den Colonel SEYBOURG zeer te vermaken,
terwyl ik van myn kant over zyn onheusch gedrag zeer verontwaardigd
was. Deeze tegenstrydigheid tusschen hem en my, deed my de gunst van
den Colonel FOURGEOUD verwerven, als of ik de helft van de muitelingen
der Volkplanting vernield had.--Echter kruisten 'er sterke wachten
tusschen de posten van Maagdenberg, van la Rochelle, en van de Savane
der Joden. Den 17den, trok de Opperbevelhebber met de helft van zyn
krygsvolk naar de Patamaca, en dewyl myne kwetsuur aan den enklauw my
niet toeliet hem te volgen, liet hy my het bevel over de manschappen,
die agterbleven.
Als toen het vooruitzigt hebbende, om eenigen tyd op Maagdenberg te
blyven, zond ik QUACO naar Paramaribo, om levens-middelen van daar
te halen, en my eene levende geyt mede te brengen.
Schoon de Colonel FOURGEOUD de muitelingen nog niet genoodzaakt
had, om tot een geregeld gevecht te komen, oeffende hy daarom niet
minder zyn krygsvolk en zig zelven. Dikwerf het bovenste gedeelte
der Rivieren overstekende, en de grenspalen der Volkplanting schoon
houdende, voorkwam hy het plunderen en verbranden der Plantagiën; en
op die wyze deed hy eenen zeer wezentlyken dienst aan de inwooners,
hoe zeer zulks veel menschen en geld kostte.
Daar ik derhalven tans Opperbevelhebber van den post was, hield
ik de twee Negers, waar van ik reeds gesproken heb, bezig, met
voor my te jagen en te visschen. Zy bragten my byna dagelyks één
of twee wilde varkens, of pingos, en een visch, newmara genoemd,
die zomtyds zoo groot is als een kabbeljauw, en welken ik by vervolg
beschryven zal. Ik onthaalde alle de Officiers zonder onderscheid op
deezen verschen voorraad, en ik gaf aan de zieken de plantains, de
bananen, de oranje-appelen, de limoenen, welke men van de Plantagiën,
aan het bovenste gedeelte van de Commewyne gelegen, aan my toezond:
nooit wierd een afgezonden Bevelhebber zoo wel behandeld. Ik vergat
echter de hoofdzaak niet, en zond regelmatig ronden uit in den omtrek
van Maagdenberg, die zoo oplettend waren, dat'er geen aanval der
muitelingen te duchten was. Deeze voorzorgen waren zeer noodzakelyk,
want zy hadden verscheide posten overweldigd, om zig van de wapenen en
het kruid meester te maken, het geen voor hun van een groot gewicht,en
voor de Volkplanting allernadeeligst is. Niet alleen hadden zy op
zommige van deeze posten die dingen geroofd, maar zelfs alle de
soldaaten vermoord.
Te dier tyd geen werkend deel aan de krygsverrigtingen kunnende
hebben, maakte ik van dit oogenblik van rust gebruik, om een groot
getal afteekeningen te maken; en toen kwam my het eerst het denkbeeld
in de gedachten, om dezelve in 't licht te geven, indien het lot over
my beschoren was, om in Europa te rug te komen.
Een van myne Negers bragt my, den 24sten van deeze maand, twee zeer
merkwaardige insecten, die ik tans beschryven zal. Een van de twee,
die naar een sprinkhaan scheen te gelyken, was die geene, welke
men doorgaans alhier Spaansche Juffer noemt; nimmer heb ik iets
meer buitengewoons in deeze Volkplanting gezien. Het lichaam van dit
wonderbaarlyk insect, schoon het niet veel dikker was, dan de schacht
van een gewoone veder, was zeven en een halve duim lang, de staart
daar by gerekend, welke, even als die van veele andere insecten, uit
verschillende gewrichten bestaat.--Hy liep, even als een spinnekop,
op zes pooten van by de zes duimen lang, en hy had geene vlerken. Vier
hoorens, waar van twee de lengte hadden van vyf duimen, en de andere
veel korter waren, staken hem uit den kop. Deeze kop was klein, maar
met groote zwarte en uitpuilende oogen. Het lichaam van dit insect had
eene bruinachtig groene kleur, en over 't geheel had hy het voorkomen
van een gedrocht in zyn zoort. Men vindt hem op moerassige plaatsen,
alwaar zyne lange pooten hem ongetwyffeld dienen om te gaan, en niet
om te zwemmen, als daar toe ongeschikt zynde, want zy eindigen met
twee kleine nagels, als die der kevers. Het andere insect is door
Mejuffrouw DE MERIAN afgeteekend, die het de waaker genoemd heeft;
maar de Hollanders geven hem een naam, die betrekkelyk is tot het
geraas, het welk hy tegen den avond doet hooren, en vry veel gelykt
naar het geluid van een cymbaal, of naar dat van het slypen van
een scheermes. Dit merkwaardig insect, welks gebrom altyd met het
ondergaan der zon, of des avonds ten zes uuren begint, word ook
lantaarn-drager genoemd, uit hoofde van het licht, het welk hy des
nachts verspreidt, een licht, veel sterker, dan dat van een vuur-mug,
van welk zoort hy ook zyn moge, en met behulp van 't welk men alles
doen kan. De lantaarn-drager is meer dan drie voeten lang. Hy heeft
een dik en groenkleurig lichaam, met vier doorschynende vlerken,
die, onaangezien deeze hoedanigheid, eene groote verscheidenheid
van kleuren laten schitteren, vooral van onderen, alwaar men twee
ronde moesjes opmerkt, veel gelykheid hebbende met die van een
paauwen-staart. Onder den kop van dit insect ziet men een lynregte
snuit, als eene naald, waar mede men zegt, dat hy het sap uit de
bloemen zuigt. Met dit werktuig vooronderstelt men ook, dat hy het
zoo even gemelde onaangenaam en sterk geraas maakt. Ik voor my zoude
het veel eer aan de beweging zyner doorschynende vlerken toeschryven,
zoo als men dit van zommige muggen in Engeland beweert. Eene sterke
snuit, met roode en geele streepen, en hebbende de gedaante van het
eerste gewricht van een's menschen vinger, steekt hem uit het voorste
gedeelte van den kop, en maakt een derde der lengte van het geheele
dier. Deeze uitwas word gemeenlyk de lantaarn van dit insect genoemd,
en doet het licht voortkomen, waar van hy zynen naam draagt. Ik zal
zyne beschryving eindigen met te zeggen, dat hy zeer langzaam loopt,
maar met eene verbaazende gezwindheid vliegt.
Den 26sten, kwam myn kleine QUACO van Paramaribo te rug, met zig
brengende al het geen ik hem gelast had: men had de geit niet vergeten,
en men zond 'er my een met haar jong, waar voor ik twintig guldens,
of by de twee ponden sterling betaalde.
De geiten zyn echter in geheel Guiana zeer gemeen; zy zyn aldaar niet
groot, maar fraay; haare hoornen zyn zeer klein; haar hair is kort,
zacht, en van eene donker bruine kleur; haare gezwindheid is niet te
vergelyken, dan by die der harten. Men kweekt ze op de Plantagiën aan,
alwaar zy vermeenigvuldigen, en veel melk geven. Wanneer men ze jong
doodt, is haar vleesch goed om te eeten.
Ik ontfing toen de onaangenaame tyding, dat het Schip, waar mede
myne brieven naar Europa vertrokken waren, in de nabyheid van Texel
vergaan was. Ik vernam te gelyker tyd met aandoening, dat myn vriend,
de heer KENNEDY, zyne vrouw en huisgenooten, aan de Volkplanting hadden
vaarwel gezegd, en naar Holland waren ingescheept. De gemelde heer
KENNEDY, de heer GORDON, en de heer GOURLUY, waren Schotten; de heer
BUCKLAND, de heer TOWNSEND, en de heer HALFHIDE, waren Engelschen de
heer MACNEYL was uit Ierland: 'er waren geene anderen van hunne natie,
die deeze Volkplanting bewoonden.
Den 28sten, kwam de Colonel FOURGEOUD van zynen tocht naar de Patamaca
te rug. Zyn krygsvolk was van vermoeienis afgemat, en hy zelf had veel
geleden. Hy had een groot getal zyner soldaten in het Hospitaal van la
Rochelle agtergelaten; maar hy vernam zelfs de muitelingen niet, schoon
hy bestendig zynen weg veranderd had. Het scheen derhalven, dat zy in
wanorde waren, zoo zy al in 't kort eenig vast verblyf gehad hadden;
maar waar konde men hen in dit eindeloos bosch ontdekken? Daar kwam
het op aan. De Colonel wanhoopte echter niet, dit te zullen doen. In
de daad, hy stelde den zelfden yver te werk om hen te vervolgen,
als voorheen, om de schuilhoeken van het wildt te ontdekken.
Den 29sten, bood de heer MATHIEU, één van onze Officiers, die ter
jagt gegaan was, my den Taïbo aan, een dier, alhier onder den naam
van Boschrot bekend. Hy had de grootte van een jonge haas, maar was
aan het einde van zyn lyf uittermaten dun; hy had eene huid van eene
rosachtig bruine kleur, lange pooten, een ronde kop, en zyne staart
geleek naar die van een speenvarken; zyne klauwen hadden juist de
gedaante van die van een gewoone rot, maar in evenredigheid veel
grooter; zoo als ook de kop, de bek, de knevels, en de tanden; hy had
korte en kaale ooren; de oogbal zyner zwarte en uitpuilende oogen was
wit. Men beweert, dat deeze boschrot zeer schielyk loopt. Wy lieten
hem gereed maken: men had ons gezegd, dat hy goed om te eeten was,
en wy vonden dit ook bewaarheid; hy had een uitmuntenden smaak, en
was malsch en vet, hoe zeer hy mager scheen. Dit dier herinnert my,
uit hoofde van deszelfs gedaante, een ander, in dit Land bekend onder
den naam van crabbo-dago, of den koppigen hond, welken men hem geeft
van wegens zyne voorbeeldelooze woestheid; want alle viervoetige,
vliegende of kruipende gedierten, welken hy ontmoet, doodt en verslindt
hy; hy schynt nooit van bloed verzadigd te zyn. Zonder door den honger
gedreven te worden, doodt hy alle dieren, welken hy overwonnen heeft;
zyn moed, zyne kragten, zyne werkzaamheid hebben weinig huns gelyken,
schoon hy niet veel grooter, dan een gewoone kat is. Volgens het geen
ik hier opgeeve, verdenke ik sterk, dat hy naar den Ichneumon gelykt;
maar nog meer naar het dier, in de Natuurlyke Historie van BUFFON
gemeld, die, volgens de verzekering van den heer ALLEMAND, het zelve
den Grifon noemt: die geen, waar van ik spreek, is echter een weinig
grooter. Deeze Schryver zegt, dat schoon het oorsprongelyk een dier
uit Surinamen is, niemand van hun, die van daar komen, 'er bericht
van kunnen geven. Indien hy het zelfde dier is, en ik twyffel 'er niet
aan, strekt het my tot genoegen, om 'er aan den lezer de beschryving
van op te geven. Ik zal dus de plaats uit het werk van den Graaf DE
BUFFON, die zulks van den heer ALLEMAND zelf ontleend heeft, letterlyk
aanhaalen. Indien ik deeze opgaave by het leven van deezen beroemden
Natuur-kenner gelezen had, zoude ik de vryheid gebruikt hebben, om
hem de waarneemingen te schryven, welke ik aan het Publiek onderwerpe.
"Ik heb uit Surinamen het diertjen ontfangen, het welk op Plaat
VIII. verbeeld is, en op de lyst van het geen in de kist, waar in
hy ingepakt was, gevonden wierd, den naam droeg van de gryze wezel,
waar van ik den naam van Grifon gemaakt heb, om dat ik den naam niet
weet, dien men hem in zyn land geeft, en om dat zyne kleur denzelven
genoegzaam aanwyst. Het geheele bovenste gedeelte van zyn lichaam
is met hairen van eene donker bruine kleur bedekt, met witte punten,
het geen eene gryze kleur maakt, waar in het bruin doorsteekt; maar
boven op den kop en hals heeft hy eene helderer gryze kleur, om dat de
hairen aldaar zeer kort zyn, en om dat het witte gedeelte in lengte met
het bruine gelyk staat. De snoet, het geheele onderlyf, en de pooten,
zyn van eene zwarte kleur, die eene zonderlinge tegenstrydigheid maakt
met de gryze kleur, waar van de zelve aan den kop is afgescheiden door
eene witte streep, beginnende aan den eenen schouder, en doorgaande
onder de ooren, boven de oogen en den neus, en zig tot den anderen
schouder uitstrekkende.
De kop van dit dier is zeer groot in evenredigheid van zyn lichaam;
zyne ooren, die byna een halve cirkel maken, zyn meer breed dan hoog;
zyne oogen zyn groot: zyn bek is gewapend met maaltanden, en sterke
en puntige honds-tanden. 'Er zyn zes sny-tanden in elk kakebeen;
maar die van de beide reijen zyn alleen zichtbaar; de vier tusschen
beiden staande komen naauwlyks uit derzelver holligheden. De pooten,
zoo wel die van vooren, als van agteren, zyn verdeeld in vyf klauwen,
die met sterke geelachtige nagels gewapend zyn. Zyn staart, die vry
lang is, eindigt puntsgewyze.
De wezel is onder alle dieren van ons vaste Land die geene, waar
mede deeze Grifon de meeste overëenkomst heeft; dus ben ik niet
verwonderd, dat hy my onder dien naam uit Surinamen is gezonden
geworden. Nogtans is het geen wezel; schoon hy wegens het getal en de
gedaante zyner tanden 'er veel overëenkomst mede heeft, is zyn lyf
zoo langwerpig niet, en zyne pooten zyn veel hooger. Ik ken geen
schryver nog reiziger, die 'er van gesproken heeft, en de geen,
die my gezonden is, is de eenige, welken ik immer gezien heb. Ik
heb hem aan verscheiden lieden getoond, die langen tyd hun verblyf
in Surinamen gehouden hadden; maar hy was hun onbekend; derhalven
moet hy op de plaatsen, van waar hy herkomstig is, zeldzaam zyn, of
oorden bewoonen, die weinig bezogt worden. De zender van dit dier
had geene byzonderheid opgemerkt, geschikt om deszelfs natuurlyke
geschiedenis op te helderen; dienvolgende heb ik niets anders kunnen
doen, dan eene afteekening van hem te maken". (Hist. Nat. de BUFFON;
Edit. de Hollande, Tom. XIV. pag. 65.)
Het is waar, dat dit dier in Surinamen zeer zeldzaam is; maar dat hy
door de natuur-kenners niet beter beschreven is, moet men ongetwyffeld
toeschryven aan zyne ongemeene woestheid, die byna altyd belet,
om hem levend te vangen.
De Bevelhebber en ik waren toen boezemvrienden, en dagelyks noodigde hy
my aan zyne tafel. Hy verzogt my, om hem zyn pourtrait levensgrootte
te maken, en hem in zyne veld-kleeding te vertoonen. Zyn oogmerk
was, om dit naar Europa mede te neemen: hy hoopte, dat de Stad van
Amsterdam het zelve op haare kosten zoude doen in 't koper brengen;
hy oordeelde zig iemand te zyn van zoo veel gewicht voor Holland, als
de Hertog van Cumberland, na den slag van Culloden, voor Engeland was.
My van een blad groot papier, en Chineesche inkt voorzien hebbende,
ging ik aan 't werk. Terwyl ik bezig was, om de trekken van myn
oorsprongelyk stuk naauwkeurig naar te gaan, wierd de berg door
eenen vervaarlyken donderslag ylings geschokt, zoo dat alle de
eieren van een hen, die in een hoek van onze hut te broeien zat,
aan stukken braken. De straal van den blixem ontstelde de trekken
van den Colonel voor een oogenblik; maar hy herstelde zig schielyk,
en ik ging voort. Het werk was korten tyd daar na tot zyn groot
genoegen afgemaakt.
De Neger SEPTEMBER, die in 't jaar 1774. gevangen genomen was,
stierf, byna op deezen tyd, aan de waterzucht. De Colonel had hem
gedwongen hem te volgen op alle zyne tochten, even als een geketende
hond. Hy verbeeldde zig, dat deeze Neger, vroeg of laat, hem in de
onderscheidene bezittingen der muitelingen brengen zoude, maar hy
bedroog zig, De andere slaven, hem verdacht houdende van reeds eenigen
raad aan den Bevelhebber gegeven te hebben, schreven zynen dood aan de
Goddelyke rechtvaardigheid toe, die hem strafte wegens het verraden
van de trouw, welke hy buiten twyffel aan zyne landgenooten gezworen
had. De lezer herinnert zig waarschynlyk, het geen ik in het derde
hooftstuk gezegd heb, dat de Africaansche Negers gelooven, dat hy,
die zynen eed schendt, elendig moet omkomen, en eene eeuwige straffe
in de andere weereld ondergaan.
De post van de Hoop aan de Commewyne was, wegens gebrek aan
zindelykheid, tans zeer ongezond geworden: het krygsvolk, het
welk aldaar na myn vertrek de wacht gehouden had, was uittermaten
onachtzaam, om deezen post in goeden staat te houden. De dood had
reeds verscheiden soldaaten weggerukt, en de ziekte belette den
bevelhebbenden Officier en een gedeelte van zyn volk, om dienst te
doen. De Colonel FOURGEOUD zond den Capitain BRANT en eenige soldaaten
derwaarts, met last, om alle de zieken, welken men op deezen post
vinden zoude, niet naar de Stad Paramaribo, maar naar Maagdenberg te
doen vertrekken. De Colonel, deezen Capitain met dien tocht belastende,
behandelde hem met eene groote hardheid, en vergunde hem zelfs den tyd
niet, om zyne goederen mede te neemen. Van een anderen kant, ontnam de
Colonel SEYBOURG hem den eenigen slaaf, dien hy tot zynen dienst had,
en hield dien voor zig zelven. Deeze behandeling deed den armen BRANT
zoo geweldig aan, dat hy begon te schreijen, en verklaarde, dat hy
wenschte zulke mishandelingen niet te overleven. Hy vertrok vervolgens
naar den post van de Hoop; met een hart van droefheid overstelpt.
By zyne aankomst vernam hy, dat de Capitain BROUGH, de laatste
Bevelhebber op deezen post, zoo even overleden was. Deeze
Officier, zeer zwaarlyvig zynde, had groote vermoeïngen in de
bosschen ondergaan. De hette was voor hem ook doodelyk: hy had eene
versmelting van vochten, die op een rotkoorts uitliep, en hem uit
't leven wegnam. De Colonel SEYBOURG volgde den Capitain BRANT wel
dra naar de Hoop, om aldaar de zieken te bezoeken. Geduurende al
dien tyd had ik niets te doen. Ik zal my dus bezig houden met twee
visschen te beschryven, die eenen byzonderen aandacht verdienen.
De eerste heeft de gedaante van een groote bokking; ik had ze van dit
zoort nog niet gezien, en zekerlyk, behalven den zee-braassem, kende ik
'er geene, die fraaijer gekleurd was. Zyn rug en zyden hebben streepen
van eene fraaije geele en van eene ryke en donkere blaauwe kleur, zyn
buik heeft eene witte zilver-kleur. Hy heeft zwarte en goudkleurige
oogen, doorschynende vinnen van eene zeer levendig roode kleur. Zyne
gedaante gelykt vry veel naar die van eene forelle, en hy is met kleine
schubben bedekt; hy heeft eene vinne op den rug, en het teeken van eene
andere by den staart, die gespleten is; onder den buik ziet men aan hem
vyf andere vinnen, waar van twee tot de borst behooren, en de laatste
achter den navel. Zyn benedenste kakebeen steekt meer voorwaarts dan
het bovenste, en zyn bek schynt eene omgekeerde gedaante te hebben:
eindelyk heeft hy zeer kleine kieuwen of ooren. Ik deed onderzoek naar
deezen visch; maar alles wat een oude Neger 'er my van berigten kon,
was, dat men hem dago-faisy noemde.
De andere was die groote en fraaie visch, die by de Engelschen den
naam van rock-cod draagt, by de Indianen dien van baroketta, en by de
Negers dien van new-mara. Ik heb 'er reeds verscheiden malen melding
van gemaakt; maar ik heb hem nog niet beschreven. Men vindt deezen
visch zeer dikwils in het bovenste gedeelte der Rivieren. Hy heeft de
gedaante van eene groote kabeljauw, maar met schubben bedekt. Zyn
rug heeft eene donkere olyf-kleur, zyn buik is wit, zyn kop is
groot met kleine oogen, waar van de appel zwart en de oogbol grys
is. Zyn breed kakebeen is van boven en onder van eene reije puntige
tanden voorzien, even als die van een snoek. Hy is, gelyk dit dier,
uittermaten vraatächtig. Hy heeft een stompen staart, en, zoo als ook
de vinnen, van dezelfde kleur als het lichaam: deeze vinnen zyn zes in
getal, één op den rug, twee aan de borst, twee onder aan het lyf, en
de laatste aan den onderbuik. Zommige lieden vergelyken den smaak van
deezen lekkeren visch by dien van Zalm. Hy is by de blanken in deeze
Volkplanting zeer geacht; maar zeldzaam te Paramaribo, schoon hy, gelyk
ik gezegd heb, boven in de Rivieren overvloedig gevonden word. Ik heb
ze beiden zeer naauwkeurig afgeteekend, zoo wel de dago-faisy, als de
new-mara. Men vond 'er ook in Surinamen naauwkeurige afteekeningen van.
Verscheiden Officiers, die gevogelte en varkens aankweekten, verloren
dezelven tans allen in den tyd van twee dagen: zy waren waarschynlyk
vergeven door het eeten van duncane, of van eenige andere vergiftige
plant, die ons onbekend was. Echter heeft men in 't algemeen opgemerkt,
dat de aangeboren neiging der dieren hun de heilzaame kruiden van de
schadelyke doet onderscheiden.
De heer SEYBOURG kwam toen al zegevierende van de Hoop te rug: hy
bragt den Lieutenant DEDERLEIN, één der Officiers van den Colonel
FOURGEOUD met zig, doende denzelven door een Sergeant en zes soldaten,
met de bajonnet op de snaphaan, bewaren, om dat hy, zoo hy zeide,
hem de verschuldigde achting niet betoond had.
Den 7den, kwamen de zieke Officiers, en soldaten van denzelfden post,
in vaartuigen aan. Verscheiden van hun, welken men inscheepte, vonden
zig buiten staat om vervoerd te worden, en geraakten, zonder eenige
hulp, op de reize om 't leven. Een van onze Heelmeesters stierf
ook, den zelfden dag, op de legerplaats, en aanhoudend begroef
men soldaaten. Deeze waren de gevolgen van eenen tocht, in een zoo
vochtig jaargetyde ondernomen; maar onze Colonel oordeelde het zelve
meer geschikt dan eenig ander, om eindelyk eens de muitelingen uit
de bosschen van Guiana te verdryven.