VYFTIENDE HOOFTSTUK.

Indianen, inboorlingen van Guiana.--Voedzel,--Wapenen,

--Cieradiën,--Optooisels,--Bezigheden,--Vermaken,--Driften,

--Godsdienst,--Huwelyken,--Begravenissen, enz, van deeze

Volken.--De Caraïbische Indianen in 't byzonder, en hunne

koophandel met de Europeanen.--Boomen, Heesters en Planten.

Den 18den January 1774, verliet ik eindelyk den wachtpost van de

Hoop, welke den lezer misschien reeds zoodanig verveeld zal hebben,

als dezelve my te dier tyd gedaan had. Van daar zakte ik de Rivier

af naar de Plantagie Arentslust; en des anderen daags hield ik op de

Plantagie Katwyk, die zeer fraay is, het middagmaal. Ik dagt hier een

einde aan alle myne reizen te maken; want de heer GOETZER, eigenaar

van deeze Plantagie, my één van zyne paarden geleend hebbende, om

zyne bezittingen eens te doorkruissen, verdweenen wy, het dier en ik,

eensklaps; een houte brug, waar over ik heen reed, verrot zynde, brak

oogenblikkelyk aan stukken; ik viel in 't water, en had veel moeite

om de wal te bereiken; vervolgens eenige Negers geroepen hebbende,

trokken zy het paard, het welk in de modder gezonken was, 'er uit;

maar dit geschiedde egter niet zonder groote moeite.

Des avonds vertrok ik nog naar Paramaribo, alwaar ik met laag water

aankwam, het geen my gelegenheid gaf tot het beschouwen der boomen, die

aan den oever der Rivier Surinamen groeien, en met oesters, even als

vruchten, aan de takken vast zittende, bedekt zyn. Deeze byzonderheid

heeft gelegenheid gegeven tot de algemeene misvatting, dat zy aan die

boomen groeiende, 'er een gedeelte van zouden uitmaken; maar 'er is

niets byzonders in gelegen, dat zy zig zoo wel aan de eene als andere

zelfstandigheid vast hechten; want men vindt gemeenlyk verscheiden

zoorten van schelpvisschen, die zig aan de kiel der schepen, als aan

rotzen, vast houden. Deeze oesters, die de gedaante van paddenstoelen

hebben, zyn zeer klein en vry middelmatig; honderd van dezelve zyn

zoo veel niet waardig, als een dozyn Glocester oesters. Men vindt

ook mosselen in Surinamen, maar zy zyn zoo klein en smakeloos, dat

zy naauwlyks verdienen gemeld te worden.

Des anderen daags na myne aankomst, gaf ik een bezoek aan den

Gouverneur en aan den heer KENNEDY, als mede aan Mevrouwen LOLKENS en

DEMELLY: allen ontfingen zy my met zeer veel eerbewyzing, en wenschten

my geluk met myne kennis aan den heer DE GRAAF; zy keurden ook goed

het geen ik voor JOANNA en voor myn zoon gedaan had.

Den 22sten, het overschot van ons krygsvolk zig grootendeels op

Paramaribo bevindende, gaf de heer VAN EYS eene maaltyd aan de

geheele krygsbende.

Den 29sten, kwam een aanzienlyk getal Indianen in deeze hoofdstad

der Volkplanting aan. Deeze volken,die uit Guiana oorsprongelyk zyn,

schynen de gelukkigste schepzels, die onder den hemel leven, en zyn

in stammen (castes) verdeeld, als daar zyn,

De Caraïben. De Arrowouks.

De Accawaus. De Tajiras.

De Worrows. De Piannacotaus.

'Er zyn bovendien nog veele anderen, wier gebruiken en gewoonten

onbekend zyn. De Indianen van alle deeze stammen hebben in 't algemeen

een koper-kleur; terwyl de Africaansche Negers, die onder den zelfden

graad van breedte woonen, volmaakt zwart zyn. Men kan gemakkelyk van

dit onderscheid reden geven: de Indianen van Guiana worden door de

zeewinden, of de ooste winden, die tusschen de keerkringen waaien,

aanhoudend verfrischt. De inwooners van Terra Firma en Peru aan de

westkust van America, genieten ook denzelfden oosten wind, welke

dien grooten keten van bergen, in de binnen-landen gelegen, wier

kruin steeds met sneeuw bedekt is, en waar over die wind heen waait,

altyd frisch houdt. De inwooners van Africa, zuidwaarts van de Rivier

Senegal levende, hebben dien wind ook wel, maar na dat dezelve door

de verschrikkelyke meenigte woestynen, welke zy overwaait, brandend

geworden is.

Deeze zyn de waarschynlykste oorzaaken, waarom de Americanen alleenlyk

een koper- of roode kleur hebben, en dat de inwooners van Africa, welke

Negers genoemd worden, geheel zwart zyn; namelyk, om dat de straalen

der zon by de laatstgemelden meer brandende zyn, dan by de eersten, en

niet om dat zy twee geheele onderscheidene stammen of geslachten zouden

uitmaken: want ieder, die wel onderzoekt en opmerkt, ziet klaarlyk,

dat 'er maar eene zoodanige stam van het menschdom op de aarde is, en

dat het onderscheid tusschen de menschen alleenlyk voortkoomt uit het

verschil van luchtstreek en grond. Ik ben daarënboven van gedachten,

dat deeze Indianen altyd des te minder aangemerkt moeten worden als

eene stam, van die van het oude vaste Land verschillende, wanneer men

de nabyheid van Rusland aan Noord-America in aanschouw neemt. Uit het

eerstgemelde Land zullen de eerste Americaanen verhuist zyn, maar zy

hebben tot hier toe het nieuwe vaste Land slechts weinig bevolkt,

uitgenomen egter Mexico, en eenige andere gedeelten van America,

die door de gierigheid en het bygeloof der Spanjaarden ontvolkt zyn.

Ik kan deeze Indianen van Guiana gelukkig noemen, daar hunne zeden en

gerustheid door de gebreken der Europeanen niet zyn gestoord geworden,

daar zy geene misslagen dan die der onkunde hebben, welke geenzints

uit het bederf van eenen zoogenaamden staat van beschaafdheid, en

van eenen Godsdienst, van deszelfs grondbeginzel zoo zeer afwykende,

hunnen oorsprong nemen.

Deeze aanmerkingen herïnneren my natuurlyk het antwoord van eenen

Indiaan, met opzigt tot eene redenvoering van een Zweedsch Prediker,

ter gelegenheid van een Vredes-verdrag, te Covestogo gesloten. Zie

hier hetzelve in 't kort:

"Wel! gelooft gy in de daad, dat onze voorvaderen en wy allen,

zoo als gy zegt, veroordeeld zyn, om in eene andere weereld

eeuwig-duurende folteringen te ondergaan, om dat wy van uwe

geheimzinnige nieuwigheden niet zyn onderrigt geworden? Zyn wy niet het

maakzel van God? En kan deeze God zonder de hulp van een boek zynen

wil niet openbaaren? Indien dit waar is, en God is rechtvaardig, is

het dan met zyne rechtvaardigheid eenigermaten over één te brengen,

dat hy ons zonder onze toestemming in deeze weereld plaatsen zoude,

en ons vervolgens tot eene eeuwige verdoemenis verwyzen, om dat wy

met u niet eenstemmig denken. Neen, neen! wy zyn overtuigd, dat de

Europeanen een meer bedorven zedenleer, dan de Indianen, hebben,

indien wy hunne leer naar hun gedrag afmeten".

'Er is zekerlyk geen loffelyker onderneming, dan om de waarheden, door

God zelven aangekondigd, aan menschen, wier verstand zoo zuiver is,

en zoo zeer verdient opgehelderd te worden, mede te deelen: maar ik

vrees, en niet zonder reden, dat de pogingen van eenen achtenswaardigen

Prediker zeer weinige vorderingen maken zullen, zoo lang het gedrag van

het grootste gedeelte van andere zendelingen der Moravische Broederen,

zig onder de Indianen aan de oevers der Saraméca nedergezet hebbende,

alwaar zy zig met de bekeering der Indianen en Negers bezig houden,

niet hunne leeringen lynrecht strydig wezen zal.

Alle de Indianen van Guiana gelooven in eenen God, als de opper-oorzaak

van alles goeds, en die hun nooit het minste kwaad wil doen; maar zy

bidden den duivel aan, om de onheilen, waar mede hy hen kwellen kan,

af te weeren: zy noemen hem Yawahou; zy schryven aan hem de smart,

de ziekten, de wonden, en den dood toe, en overal, waar een Indiaan

sterft, verlaat zyn geheele huisgezin dadelyk dit verblyf, om voor

het vervolg den doodelyken invloed van het noodlot te ontwyken.

De Indianen van Guiana zyn volken, die volmaakt vry zyn; dat is,

zy kennen geene verdeeling van landen, en hebben geen ander bestuur,

dan dat der oudsten, die elk in hun huisgezin den post van Capitain,

Priester, en Geneesheer waarnemen; men bewyst hun eene eerbiedigende

gehoorzaamheid, en noemt hen Peji, of Pagaijers, en even als by

veele beschaafde volkeren, genieten zy meerder voorrechten, dan hunne

overige landgenooten.

De veelwyverye is onder deeze volken geoorloofd, en het staat aan

ieder man vry zoo veele vrouwen te nemen, als hy onderhouden kan,

schoon hy 'er doorgaans niet meer dan ééne heeft, op welke hy

uittermaten jaloers is, en die hy oogenblikkelyk om hals brengt,

zoo dra zy hem een sterk en zeker bewys van trouwloosheid geeft. De

Indianen slaan hunne kinderen nooit, om welke reden het ook zy; en

hun geheel onderwys bestaat in hen te leeren jagen, visschen, loopen

en zwemmen. Nimmer beledigen zy elkander met scheldwoorden, en begaan

geen diefstal; de leugen is onder hen eene onbekende zaak. By deeze

gelukkige hoedanigheden kan men voegen, dat geen volk dankbaarer is,

wanneer men hen met ordentelykheid behandelt; ik zal zelf, by vervolg,

daar van een merkwaardig bewys opgeven; maar aan den anderen kant

moet ik ook zeggen, dat deeze Indianen uittermaten wraakzuchtig zyn,

vooral wanneer zy vermeenen, dat men hen onrechtvaardig beledigd heeft.

De eenige gebreken, die ik in hun ken, indien men ze by hen als

zoodanig beschouwt, zyn de onmatige drift om zig dronken te drinken,

wanneer de gelegenheid zig daar toe aanbiedt, en hunne onbegrypelyke

agteloosheid. De eenige bezigheid van eenen Indiaan, wanneer hy niet

vischt, nog jaagt, bestaat om in zyn hangmat te gaan leggen, zig te

vermaken met het schoonmaken zyner tanden, met de hairen van zynen

baard tusschen zyne vingers te wryven, of zig zelf in een stuk van

een gebroken spiegel te bekyken.

De Indianen zyn in 't algemeen zeer zindelyk; zy baden zig twee of

drie maalen daags in de Rivier of in de Zee. Allen, van welke kunne zy

ook zyn, trekken zig al het hair uit, uitgenomen op het hoofd. Hun

hoofdhair is dik, en van een schitterend zwarte kleur; het word

niet grys, en nooit worden zy kaal; de mannen dragen het hair kort,

maar by de vrouwen hangt het tot op de helft van den rug. Het schynt

dat zy de Bybelleer volgen, waar in gezegd word, dat lange hairen de

cieraad van een vrouw, en de schande van een man zyn.

De Indianen van Guiana zyn noch groot, noch sterk, noch zwaar gespierd,

en over 't algemeen zeer gezond. Hun gelaat geeft niets dan vergenoegen

en goedäartigheid te kennen. Zy hebben regelmatige en schoone trekken,

dunne lippen, witte tanden, en zwarte, maar kleine oogen. Echter

mismaken zy zig allen meer of min door het gebruik van de Arnotta,

of Roucou, waar aan zy den naam van Cosowy, en de Hollanders dien

van Orlean geven. Het zaad van de Arnotta, in limoensap wel geweekt,

en gemengd met water, en de gom, die van den boom, Mawna genaamd,

afvloeit, of met oly van bevergeil, maakt eene scharlaken verwe,

waar mede alle de Indianen zig het lichaam, en de mannen zelfs hun

hoofdhair besmeeren, het geen aan de huid de kleur geeft van een

gekookte zee-kreeft. Zy hebben bovendien de gewoonte, om zig met

caraba, of krabben-oly, te wryven, en men moet erkennen, dat zulks

voor menschen, die byna naakt zyn, in eene brandende luchtstreek zeer

dienstig is. Op zekeren tyd aan 't lagchen geraakt zynde, op het

zien van een jongen Indiaan, die van onder tot boven besmeerd was,

en uit den omtrek van Caijenne kwam, antwoordde hy my in 't Fransch:

"Dusdanig gebruik verzagt myne huid; het belet eene al te overvloedige

uitwaasseming, en bewaart my gedeeltelyk voor het steken der insecten,

die u kwellen; zie daar, myn heer, waar toe, behalven het fraaije,

my die roode verwe dient. Zeg my nu eens, (wyzende op de poeder,

waar van myn hair vol was,) om welke reden zyt gy wit geverwd? Ik

vind geene reden, waarom gy op die wyze uw meel verdoet, uwe kleederen

vuil maakt, en grys gelykt, eer gy oud zyt".

De Indianen gebruiken ook tot het zelfde einde een zeer ligt gevlakt

blauw, het welk zy tapowripa noemen; maar dit heeft alleenlyk plaats,

wanneer zy zig willen opschikken, en het blyft negen dagen op de

huid. Zy maken dit van het sap van eene kleine vrucht, gelykende

naar een kleinen appel, en groeiende aan den boom, tawna genoemd, en

welke zy in water laten weeken; zy bedienen 'er zig van, om over hun

geheele lichaam en aangezicht een zooit van beeldspraken te teekenen,

waar van de grond altyd vierkant is. Dit smeersel zit zoodanig aan

de huid vast, dat één van onze Officiers, die zulks niet gelooven

wilde, uit aartigheid goedvond zig twee zeer groote knevels te laten

schilderen, welke hy tot ons groot vermaak verpligt was een geheele

week op Paramaribo te dragen; en hy moest den gewoonen tyd afwagten,

op welken deeze kleur weggaat, om daar van geheel en al ontheven

te worden.

De eenige kleeding, welke de Indianen hebben, bestaat in een

zwart of blauw windzel van catoene lywaat, het welk de mans om hun

midden dragen, en vry veel gelykheid heeft met het geen de Negers

hun camisa noemen. Zy binden het om hunne lenden, en laaten het

tusschen hunne beenen doorgaan; en dewyl het zeer lang is, hangen zy

het einde over hunne schouders, of laten het agteloos over den grond

sleepen. De vrouwen, hebben, in plaats van dit windzel, een zoort van

voorschoot van catoene lywaat, met koraalen verciert, en by hun queiou

genaamd. Dit voorschoot heeft maar een voet breedte tegen agt duimen

hoogte; het is met franjen omboord, en met koorden van catoene draaden

vast geknoopt. Schoon het zwaar is, maakt deeze kleinte het zelve niet

zeer geschikt tot het oogmerk, waar toe het dienen moet. Verscheide

vrouwen dragen ook een gordel van hair, waar aan zy van vooren en

van agteren, een groote vierkante lap zwart catoene lywaat hegten,

maar veel ligter en zonder sleep, zoo als de mannen aan hunne camisa

hebben. Beiden dragen zy dit zoort van kleeding zeer laag; het geen

hun het voorkomen van eene uittermaten lange gestalte geeft.

In de binnen landen gaan verscheiden Indianen van beiderleije kunne

geheel naakt. De opschik der vrouwen bestaat, om in kleine gaten,

welke zy zig in de onderlip maken, spelden te steken, en zelfs alle

de spelden, welke zy zig kunnen aanschaffen, en waar van de punten

haar, als een zoort van baard, op de kin hangen. Door dat zelfde

middel hangen zy ook brokjes kurk-, of ander ligt hout aan hunne

ooren. Zommige van haar steeken ook gaten in de huid van hunne wangen

of neus, om 'er vederen in te plaatsen; maar dit is zeer zeldzaam. Het

ongeschiktst cieraad in myn smaak is dat der jonge dogters van tien of

twaalf jaaren oud, en bestaande in een zoort van catoene koussebanden,

die om de enklauwen en beneden de kniën naauw zyn toegebonden, en altyd

zoo blyvende, de kuit van het been ongemeen dik maaken, wanneer zy

in haar groeijen zyn, en haar een lomp voorkomen geeven. Alle dragen

zy ook gordels, windzels, armringen van koraalen van verschillende

kleuren, of van schelpen, en van tanden van visschen: zy dragen die

om den hals, de schouders en de armen; maar de laatstgemelde meestal

boven den elleboog. De Indiaansche vrouwen hebben in 't geheel zeer

weinig bevalligheid in haare gestalte; zy zetten de voeten binnewaarts,

en haare opschik heeft slechts eene middelmatige aantrekkelykheid. Ik

moet egter hier van uitzonderen de vrouwen van zekeren byzonderen stam,

waar van ik in 'tvervolg spreken zal.

De cieraden der mannen bestaan in kroonen van vederen van verschillende

kleuren, of in een zoort van draagband, gemaakt van tanden van tygers

of wilde zwynen, welken zy als een teeken van hunne dapperheid en

werkzaamheid dragen. De hoofden des huisgezins bedekken zig zomtyds met

de huid van de eerstgemelde deezer dieren, met een zilvere plaat in de

gedaante van een kruis vastgemaakt, het welk ze caracoly noemen. Zy

steeken ook dikwils kleine brokken van dit zelfde metaal door het

kraakbeen in het midden van den neus, of zomtyds een steen van eene

groene of geele kleur. Alle deeze volken leven in de bosschen, by de

Rivieren, langs de Zeekusten, en bewoonen kleine gehuchten. Hunne

huizen of hutten, welke zy carbets noemen, zyn gebouwd, zoo als ik

van die der Negers reeds heb opgegeven; maar in plaats van met bladen

van Latanus-boomen bedekt te zyn, zyn zy bedekt met biezen, welke men

hier tas noemt, en die by bossen op moerassige plaatsen groeien. Meer

algemeen gebruiken zy hier toe troulies, een zoort van blaaden, aan den

wortel der plant wassende, niet minder dan twintig of vier-en-twintig

voeten lang, en twee of drie voeten breed zynde, welke geheele jaaren

eene kragtdadige beschutting tegen het guur weder verschaffen.

De huisraad en gereedschappen der Indianen zyn zeer eenvoudig, maar

tot hun gebruik voldoende: het zyn eenige potten van zwarte aarde,

die zy zelve maaken; eenige calebassen of kauwoerden; eenige korven,

welke zy pagala noemen; een steen om te malen, matta genaamd, en een

anderen om hun cassaven-brood te bakken; een zoort van waijer, om

het vuur aan te blazen; een houte stoel, mouly genaamd; een zeeft,

mounary genaamd; een pers, matoppy genaamd, dienende om het vocht

van de cassave uit te perssen; en eindelyk een catoene hangmat,

waar in zy slapen.

Door hunne betrekkingen met de Europeanen, hebben zy bylen of messen,

welken deeze aan hun bezorgen; en zy dragen de eerstgemelden altyd

om hun midden even als dolken. Elk huisgezin der Indianen is ook van

een groot vaartuig of kano voorzien, om alles, wat hy bezit, over te

voeren, wanneer zy te water reizen, het geen zeer dikwils voorvalt.

De eenige plantgewassen, door deeze volken aangekweekt wordende, zyn

de ignames, de plantain-boomen, welken ik reeds beschreven heb, en in

't byzonder de Maniok, waar van zy de cassave maken. De laatstgemelde

plant is een zacht en grysachtig heestergewas, het welk omtrent

drie voeten hoog opgroeit. Deszelfs bladeren zyn gevingerd, breed,

en hangende aan steelen van eene kaneel-kleur. Deeze heesters

zyn van tweërley zoort, door de benaaming van zoete en bittere

onderscheiden. De wortels alleen zyn goed; zy zyn van een meelachtigen

aart, en van een zeer zoeten smaak; en ten aanzien van kleur, grootte

en gedaante, gelyken zy veel naar Europeesche witte wortelen. De zoete

maniok, even als de groene plantains, onder heeten asch gebraden,

en met boter gegeten, is een aangenaam en gezond voedzel, en heeft

den smaak van kastanjes. Maar de bittere maniok, wanneer hy raauw

is, is het doodelykst vergift, zoo voor menschen als beesten; en

ondertusschen hoe vreemd dit ook schynen moge, wanneer hy door het

vuur is gaar geworden, word hy een zeer heilzaam voedzel, en dient aan

de Indianen van dit Land, zoo wel als aan de Europeanen en Negers,

tot brood. Zie hier de manier, waar op de eerstgemelden de cassave

gereed maken: eerst malen of raspen zy de wortels op de matta, of

ruwe steen. Dit geraspte zetten zy vervolgens in een pers, om het

sap van de meelachtige zelfstandigheid af te scheiden. Deeze pers is

een zoort van zeer lange buis, van warimsbo, of gevlochten biezen,

gemaakt; na dezelve met geraspte cassave gevult te hebben, hangt men

die aan een boom, en maakt 'er van onderen een, stuk hout aan vast,

welks zwaarte deeze buis uitrekt; terwyl de langzaam voortgaande

drukking het vocht door derzelver openingen doet uitloopen. Deeze

bewerking geëindigd zynde, geeft men aan het meelachtig gedeelte de

ronde gedaante van een koek, welke men op een heeten steen laat bakken,

tot dat dezelve bruin en geroost is; als dan is het een zeer gezond

voedzel, het welk zes maanden lang bewaard kan worden. Men moet egter

toestemmen, dat door deeze behandeling de smaak van dit zoort van brood

zoetachtig en smakeloos word. Indien de slaven op de Plantagiën geene

zorge droegen, om het aldus uitgeperst vocht van deezen wortel weg

te werpen, zoude het vee en gevogelte 'er van drinken, het geen hen

oogenblikkelyk zoude doen opzwellen, en in doodelyke stuiptrekkingen

vervallen; en echter dient dit zelfde vocht, met geslacht vleesch en

peper gekookt, om 'er soep van te maken. Men moet geen maniok-wortel

tot voedzel nemen, zonder denzelven wel te kennen: verscheiden lieden

zyn, zoo als ik zeker weet, vergeven geworden, door het een voor het

ander te nemen. Het onderscheid tusschen de twee zoorten bestaat daar

in, dat een houtachtig en ruw vezel, of een zoort van koord, dwars

door den wortel van den zoeten of eetbaaren maniok loopt, terwyl de

bittere of vergiftige maniok zulks niet heeft. De Indianen eeten

ook acajou-nooten, en zy brengen ze dikwils te Paramaribo, alwaar

men ze inginotto noemt. De pitten van deeze nooten, die, ten aanzien

van de kleur en gedaante, naar lams-nieren gelyken, zyn uittermaten

lekker. De acajou-nooten groeien aan boomen, welke men niet dan zeer

diep binnen in 't land vindt, maar dewyl ik 'er geene gezien heb,

kan ik 'er geene beschryving van geven.

De Indianen voeden zig ook met land- en zeeschildpadden en met krabben,

welke zy syryca noemen, en welke men by laag water in meenigte langs

de kusten van Guiana in het slyk vindt. Zy zyn 'er zeer heet op, gelyk

ook op rivier-kreeften, welke zy sarosara noemen, en die in dit Land

zeer overvloedig zyn; maar geen zoort van voedzel behaagt hun meer,

dan de iguana, of de hagedis waijamaca, waar van ik reeds gesproken

heb. Al wat zy eeten, is zoodanig met peper van Caijenne aangezet,

dat een Europeaan het proevende den mond branden zoude. Zy gebruiken

weinig of geen zout, en laaten hun wildt in den rook droogen, het

geen het voor 't bederf bewaart. Indien een Indiaan verzuimt heeft,

om door jagen of visschen levens-middelen te vergaderen, stilt hy

zyn honger met het een of ander voortbrengzel der bosschen.

Deeze volken hebben verscheiden zoorten van drank, en onder anderen

het sap van zekere vrucht, by hen coumou genaamd. De boom, die deeze

vrucht voortbrengt, is een palmboom van het kleinste zoort. Deszelfs

zaad is besloten in bessen van een blauw gevlakte kleur, die naar

trossen gelyken, en wier vleesch aan een harde en ronde pit, als een

pistool-kogel, lugtig aanhangt. Men laat deeze bessen in kokend water

weeken en ontbinden: de inwooners van goeden smaak doen vervolgens

suiker en kaneel in dit vocht, het welk hun dan tot drank dient,

en zeer sterk de smaak van chocolaad heeft. Een andere drank, waar

aan de Indianen den naam van Pivorry geven, is een mengzel van

cassavebrood, door de vrouwen gekauwd, en in water uitgegist; het

heeft de smaak van zoet bier (aile), en kan iemand dronken maken. Men

vindt het dadelyk vreemd, dat menschen, van welken landäart ook,

een drank kunnen drinken, welken een ander in den mond gehad heeft:

maar zy, die de reizen van Capitain COOCK geleezen hebben, zullen

zig herinneren, dat deeze gewoonte op de door hem ontdekte Eilanden

mede plaats heeft, en dat, zoo hy zig daar niet naar geschikt had,

hy derzelver inwooners zeer te onvreden zoude gemaakt hebben. Zyne

Officiers echter vonden niet goed, om zig naar dit gebruik te voegen,

en weigerden, om van deezen walgelyken drank mede te drinken. Het

brood, van Turksch graan gemaakt, dient ook aan de inboorlingen van

Guiana, om 'er een ander zoort van drank van te maken; zy kruimelen

het, en laten het in water weeken, tot dat dit mengzel, even als

het voorgaande, is uitgegist, en zy noemen het zelve chiacoar. Deeze

volken hebben bovendien nog een vierde zoort, cassiry genaamd, waar

van zy veel gebruik maken. Het is zaamgesteld uit ignames, cassave,

zuure orange-appelen, en suiker of teriaak, in water wel geweekt en

uitgegist zynde. Ik moet 'er byvoegen, dat alle deeze dranken, als men

'er te veel van gebruikt, dronken maken, het geen aan de Indianen, mans

en vrouwen, dikwils gebeurd. Dan alleenlyk begaan zy ongeregeldheden,

en ontstaan 'er twisten onder hen.

De taal der Indianen in 't algemeen gelykt veel, ten aanzien van de

uitspraak, naar de Italiaansche. Hunne woorden zyn welluidend, en

eindigen met een klinkletter, zoo als men uit de door my bygebragte

zien kan. Tot hun Almanach hebben zy niets anders, dan een koord met

knoopen. Hun speeltuig bestaat voor eerst in een zoort van fluit,

toutou genaamd, van een zeer dik bies gemaakt, waar op zy geluiden

doen hooren, die niet veel aangenaamer zyn dan het gebulk van een os,

en zonder welluidenheid of maat. Eene andere fluit, door deeze volken

quarta genoemd, (veel overëenkomst hebbende met het geen OVIDIUS noemt

Syrinx, en eenige dichters het rietfluitje van PAN:) is gemaakt van

eene verzameling van rieten, aan het eene einde van ongelyke grootte,

en als de pypen van een orgel te zamen gevoegd. Om op deeze fluit te

spelen, neemt men ze met beide handen, en brengt ze aan de lippen,

alwaar men ze heen en weder draaiende, 'er een zoort van mateloos

en helder geluid mede maakt, het welk voor niemand aangenaam is,

dan voor deeze Indianen. Wanneer ik zoodanig één moedernaakt, in

het midden van een boschjen, op zyn rieten fluitje hoor speelen,

verbeeld ik my den God PAN te zien. Ik bezit tans ook nog eene fluit,

welke zy van een been van hunne vyanden maken. Hunne dans, indien men

'er dien naam aan geven kan, bepaalt zig tot sprongen, tot slingeren

op één been, en tot rond draaien in verschillende houdingen, tot dat

hun hoofd duizelig word.

De Indianen zyn zeer gemeenzaam onder elkander, en komen dikwils in

eene groote hut of carbet, die daar toe in ieder gehucht is opgericht,

by elkander. Zy danssen, zy speelen daar, of vermaken zig met het

hooren of doen van vertellingen van spooken, toovenaars, of het

verhaalen van hunne droomen, terwyl zy tusschen beiden dikwils in een

onmatig gelach uitbarsten. Zy scheppen groot vermaak in zig te baden,

het geen zy twee of drie maalen daags doen, mans, vrouwen, jongens,

meisjens, allen onder malkander; en by deeze partyen maken zy zig zelfs

niet aan de geringste onvoeglykheid schuldig, het zy met woorden, het

zy met daden. Zy zyn, allen zonder onderscheid, uitmuntende zwemmers.

De bezigheden der mannen zyn, zoo als ik reeds gezegd heb, weinig in

getal: men kan ze in twee woorden uitdrukken, jagen en visschen; en

zekerlyk zyn de Indianen op deeze beide oeffeningen meerder afgericht,

dan eenig ander mensch, tot welk volk hy ook behoore. Tot de jagt

bedienen zy zig van boogen en pylen, welken zy zelve maken; en van de

laatstgemelde hebben zy verschillende zoorten, naar den verschillenden

aart van het wildt, waar op zy ter jagt willen gaan. Hunne bogen

zyn van het stevigste en hardste hout gemaakt; zy geven aan dezelve

zes voeten, en polysten ze op het fraaist door middel van een steen:

deeze bogen zyn gespannen met koorden van zyde-planten, en de greep is

met catoen omwonden. Hunne pylen hebben doorgaans by de vier voeten

lengte. Zy zyn van een zoort van zeer sterk en recht riet gemaakt,

aan welks einde eene ligte roede van een voet lengte is vast gemaakt,

om ze in evenwigt te houden, en zy zyn met een staale punt, of een

vischgraat gewapend, welke altyd een weerhaak heeft. Zommige van de

pylen deezer volken hebben een punt als die van een lans; andere zyn

met dubbele en driedubbele weerhaken, en zoodanig in één gewerkt,

dat zy in de wond blyven hangen, wanneer zelfs het hout weggenomen

is; deeze zyn de pylen, waar van men zig voornamelyk voor het jagen

en visschen bedient; want, schoon zy niet doodelyk zyn, zyn zy voor

het wildt ongemeen hinderlyk, en door middel van een boey, welke men

'er aan vast maakt, dienen zy om de visch naar de oppervlakte van

het water te trekken, en mitsdien om zoo wel de een als de ander te

vangen. Deeze pylen zyn alle van vederen van zes of zeven duimen lang

voorzien. Verscheide hebben in plaats van punten rond gemaakte knoppen,

van de grootte van een kastanje; de Indianen bedienen 'er zig van om

de papegaijen en kleine apen te bedwelmen en te doen nedervallen,

waar na zy ze met de hand grypen; deeze dieren komen weder spoedig

by, en men zend ze levendig naar Paramaribo. Zommige van deeze pylen,

geschikt om de visschen te dooden, hebben de gedaante van een drietand,

hebbende tot drie en zelfs tot vyf punten. De Indianen doopen 'er

ook eenige, maar in een klein getal, in het vergift, wourara [27]

genaamd, het welk eene verschrikkelyke en schielyke werking doet;

maar wanneer zy vreezen, dat hun schot zoude mogen missen, bedienen zy

zig van een ander zoort van pylen, die niet meer dan tien of twaalf

duimen lang, uitermaten dun, en van de schors van zeer hard palmhout

gemaakt zyn. In plaats van vederen, is dezelve met catoen omwonden,

zoo veel als voldoende is tot het vullen van een holle buis, van

een riet gemaakt, en by de zes voeten lang, waar in deeze Indianen

met hun adem blaazen. Zy werpen deeze doodelyke werktuigen, op den

afstand van veertig schreden, en op zulk eene zekere manier, dat

het dier, het welk zy mikken, hun niet ontsnappen kan. De punt van

deeze laatstgemelde pylen word ook in het vergift wourara gedoopt,

het welk zulk een krachtig vermogen heeft, dat by den laatsten

opstand, in de Volkplanting de Berbices voorgevallen, eene vrouw,

die door eene deezer vergiftigde pylen ligt gewond was, niet alleen

byna oogenblikkelyk stierf, maar dat zelfs een kind, het welk zy aan

de borst had, schoon het door dit wreed wapentuig niet geraakt was,

insgelyks overleed, vermits het slechts een oogenblik aan de borst

zyner moeder, na dat deeze was gekwetst geworden, gezogen had.

De manier van visschen is by de Indianen byna dezelfde, als die, welke

ik reeds ter gelegenheid van den post de Hoop beschreven heb. Zy maken

een fuik van paalwerk, by den ingang van kleine kreeken en in laage

gronden; zy dooden aldaar de visch met hunne drietandige pylen, of

vergiftigen het water, door 'er wortels van hiary, in Surinamen den

naam van tringy-youco of konamy dragende, in te werpen. Deeze wortel

verdooft den visch; en in dien staat kan men hem met de hand grypen,

terwyl hy op de oppervlakte van het water dryft. De Indianen dryven in

deeze wortelen handel, en verzenden ze in meenigte naar de Plantagiën,

en naar Paramaribo. Zie daar, welke, behalven het maken van hunne

huisraad, cieradiën, en wapentuigen, by deeze volken de bezigheden

der mannen zyn.

Ik moet ook niet vergeten, dat elke Indiaan ter zyner verdediging

een knods draagt, welke men apoutou noemt, van het zwaarste hout uit

het bosch gemaakt: dezelve is agttien duimen lang, aan de twee einden

plat en vierkant; maar aan het eene einde veel zwaarer, dan aan het

andere: in het midden is dezelve het dunst; hy is omwonden met zeer

sterke draden catoen, dienende om hem met des te meerder vastheid aan

te vatten, en door een zoort van stootplaat gedekt, om de voorhand te

bewaaren. Door een slag met deezen knods, waar aan dikwils een puntige

steen word vast gemaakt, slaat men iemand de herssens in. De Indianen

van Guiana snyden dikwils op hun apoutou beeldspraakige vertooningen,

en het getal der vyanden, welken zy gedood hebben. Om den steen aan

deezen knods vast te maken, steekt men dien in den boom zelven, die

het hout levert, terwyl die in zyn groei is; dezelve hecht zig daar

aan als dan zoo vast, dat het niet mogelyk is 'er dien uit te trekken;

vervolgens hakt men dit hout, om 'er het fatsoen aan te geven.

De vrouwen houden zig bezig, om de maniok, de bananen, de ignames,

en andere wortelen te planten; zy maken de levens-middelen gereed,

maken aarde potten, catoene hangmatten, armbanden, en manden of

korven. De beste derzelve worden pagala genoemd; zy zyn van een

dubbele rieten mat gemaakt, die den naam van warimbo draagt, en eene

witte of bruine kleur heeft; en deeze dubbele mat is tusschen beiden

met bladeren van tas of trouly gevuld, om ze voor de vochtigheid te

beveiligen. Het dekzel is gewoonlyk veel hooger en breeder, dan de

mand zelve; het gaat over de geheele mand heen, en maakt dezelve op

die wyze nog sterker: de bodem rust op twee stukken hout, kruislings

gelegd. De hangmatten zyn geweven; het geen veel moeite en tyd vordert;

want men moet elke draad, één voor één, in de scheering steeken, byna

op dezelfde manier, waar op men koussen weeft. Men legt vervolgens

deeze hangmatten in eene verwe, van schorssen van boomen gemaakt,

volgens de kleur, die men 'er aan geven wil.

De Indiaansche meisjes bereiken de huwbaarheid voor den ouderdom van

twaalf jaaren, en zomtyds zelfs veel eerder. Men huwd ze op die jaaren

uit. De geheele plechtigheid bestaat, ten aanzien van den jongman,

daar in, dat hy aan de jonge dogter eene zekere hoeveelheid wildt

en visch, door hem gevangen, aanbied; en, wanneer zy dit aanneemt,

doet hy haar deeze vraag: "Wilt gy myne vrouw zyn"? Indien zy dit met

ja beantwoordt, is de zaak klaar; en wanneer het huis en de huisraad

gereed zyn, viert men de bruiloft door een feest, waar op men zig

dronken drinkt. De zwangere vrouwen kramen zonder hulp, en met zoo

weinig moeite en pyn, dat men haar schier ontheven zoude oordeelen

van het vonnis, tegen de eerste moeder van het menschelyk geslacht

uitgesproken. Zy verrigten alle de bezigheden van het huishouden

en bedienen haare mannen op den dag van haare verlossing zelven. Hoe

belachelyk en ongeloofbaar deeze gewoonte ook schynen moge, is het niet

minder waar, dat de man in dat geval, geduurende meer dan een maand,

in zyne hangmat leggen blyft, alwaar hy steent en zucht, als of hy

zelf van een kind stond te verlossen; en geduurende al dien tyd,

moet zyne vrouw hem zorgvuldig oppassen, en hem het beste voedzel

geven. Dit zyn de Indianen gewoon te noemen genot van zig zelven

te hebben, en van hunne vermoeidheid uit te rusten. Verscheiden van

deeze volken beschouwen een plat voorhoofd als eene groote schoonheid,

en zoo dra hunne kinderen geboren zyn, drukken zy derzelver voorhoofd

plat, zoo als eenige wilden in het Noorden van America doen.

De Indiaansche vrouwen eeten niet met hunne mannen, en zy bedienen

hun als slavinnen, het geen haar belet, om alle mogelyke zorge voor

haare kinderen te dragen; deezen zyn echter steeds wel gesteld en

sterk. Wanneer zy reizen, dragen zy dezelve in kleine hangmatten,

die op één der schouderen hangen; het kind zit in dezelve, met de

beenen, het één voor, het ander agter de moeder geplaatst.

Deze Indianen neemen sap van tabak, in plaats van een

braakmiddel. Wanneer één van hun op sterven ligt, het zy van ziekte,

het zy van ouderdom, (en dit laatste overkoomt hun meer dan het

andere) bezweert de Peji, of Priester, den Yawahou, of duivel, te

middernacht, door het roeren van een calebas, gevuld met steentjes,

erweten, en koraalen, geduurende welke verrigting hy eene lange

redenvoering doet. Het ampt van Priester is by deeze volken erffelyk;

en, zoo als ik reeds gezegd heb, hy, welke dien post vervult, heeft

de eerstelingen van alle zoorten van spyzen of dranken, en zelfs een

gemakkelyker leven. Wanneer een Indiaan gestorven is, wascht men hem,

wryvt hem met olie, en steekt hem in een zak van nieuw catoen; hy zit

daar in, met de elleboogen op de kniën, het gezicht met de palm van

beide handen bedekt, en al zyn krygs- of jagt-gereedschap word by

hem gelegd. Geduurende deeze plechtigheid, doen zyne nabestaanden,

zyne vrienden, zyne gebuuren, de lucht van een jammerlyk geschreeuw

weergalmen, maar kort daar na drinken zy zig aan sterke dranken

dronken, en spoelen dus hun hartzeer af, het welk niet voor het

volgende jaar weder te voorschyn koomt. Deeze gewoonte heeft daar door

eenige overëenkomst met die der Berg-Schotten, by het begraven hunner

dooden. Op het einde van het jaar haalt men het lyk uit den grond;

het vleesch is 'er dan van afgescheiden, en men verdeelt de beenderen

onder de nabestaanden en vrienden; men volgt dezelfde plechtigheden,

als de eerste keer; waar na de geheele buurt naar eene andere geschikte

verblyfplaats zoekt. Eenige byzondere stammen van Indianen volgen nu

en dan een verschillend gebruik. Na het lichaam van hunne overledene

nabestaanden of vrienden in de zoo even beschrevene houding geplaatst

te hebben, leggen zy het zelve in 't water, en laten het verscheiden

dagen daar in. De visschen eeten 'er wel dra het vleesch af, en wanneer

'er niet meer aan is, haalt men het geraamte uit 't water, laat het

in de zon droogen, en hangt het vervolgens van binnen aan het dak

der hutten of carbets. Dit is het grootste bewys van teedere liefde

en achting, welke men, by deeze volken, aan de dooden bewyzen kan.

Wanneer deeze Indianen te land reizen, neemen zy altoos hunne kano met

zig, welke gemaakt is van den stam van een grooten boom, door middel

van het vuur uitgehold. Dezelve dient hun dan tot het overbrengen van

hun reistuig, wanneer zy moerassen doorwaden, of kreeken of rivieren

over moeten; en is, even als zy zelven, geheel rood geverwd. Indien

zy te water reizen, gaan zy doorgaans tegen den stroom, om het wildt,

het welk zy op de boomen, of aan den oever zien, des te gemakkelykcr

te kunnen dooden; indien zy met den stroom mede roeiden, zou de

kragt van 't water hen noodzaaken om gezwind voort te gaan. Wanneer

zy de zeekusten volgen, gebeurd het dikwils, dat eene golve hunne

cano met water vult; maar in weerwil van dit ongeluk, lyden zy nooit

schipbreuk. In zoodanig geval werpen zy allen, mans en vrouwen, zig

oogenblikkelyk in het water; met de eene hand houden zy zig aan de

kano vast, en met de andere maken zy dezelve met calebassen ledig.

Schoon de Indianen van Guiana zeer vreedzaame volken zyn, voeren

zy echter zomtyds oorlog, eenvoudiglyk om gevangenen te hebben: de

Europeanen zetten hen maar al te dikwils daar toe aan, om dezelven

van hun te koopen, en 'er slaven van te maken; maar zy dienen niet

meer dan tot eene uiterlyke vertooning, dewyl zy volstrekt weigeren te

arbeiden: indien men hen mishandelt, en vooral indien men hen slaat,

kwynen zy, teeren uit, en weigeren alle voedzel, tot dat zy eindelyk

van verzwakking en smarte sterven.

De Indianen doen altyd hunne aanvallen midden in den nacht; hunne

krygsverrigtingen gelyken meer naar die van een beleg, dan naar

die van eenen veldslag; zy bestaan in het omcingelen der vyandelyke

gehuchten, terwyl derzelver bewooners in diepen slaap liggen; in het

gevangen nemen der vrouwen en kinderen van beiderleije kunne; in het

dooden der mannen met hunne vergiftigde pylen, of in dezelven met

hunne apoutous, of knodsen, de herssenen in te slaan. Zy ontnemen

ook aan de laatstgemelden het hoofdhair, en brengen het als een

zegenteeken t'huis, om het aan hunne kinderen en vrouwen te toonen,

of zy verkoopen het aan de Europeanen op Paramaribo. In de vechteryen

van twee partyen, maar die zeer zeldzaam onder hun voorvallen, zyn de

boog, en met weerhaaken voorziene pylen, hunne voornaame aanvallende

wapentuigen. Deeze raaken den vyand, en doen denzelven omkomen,

op den afstand van meer dan zestig schreden. De ligtste vogel zelf

in zyne vlugt, indien hy slechts de grootte van eene kraay heeft,

kan hun niet ontsnappen.--De behendigheid van deeze volken, in

alle hunne krygsoeffeningen, is zoo groot, dat de beste schutters,

in de veldslagen van Crecy, van Poitiers en van Agincourt, voor

hun zouden hebben moeten onderdoen.--Ik moet 'er nog byvoegen, dat

wanneer deeze Indianen gaan oorlogen, zy eenen Generaal verkiezen,

wien zy den titel van Outil geven.

De koophandel, welken de Indianen van Guiana met de Hollanders dryven,

bestaat in ruilingen. Zy leveren slaven, waterkruiken, kano's en

hangmatten, Brasilie-hout, hiary wortelen, kapellen, papegaijen, apen,

copaiva-balsem, arracocerra-gom, oly van acajou-noten, en arnotta;

waar voor zy wederkeerig ontfangen gecouleurde stoffen, snaphaanen,

kruid, bylen, messen, scharen, glaswerk, spiegels, visch-haaken,

kannen, naalden, spelden, enz. De copaïva-balsem druipt van de

schors van eenen dikken boom, die zeer verre binnen in het Land

groeit, welks bladeren breed en puntig zyn, en die eene vrucht

draagt, als een komkommer. Deeze gom is geel, hard, doorschynend,

en naar amber gelykende. Wanneer men ze ontbindt, geeft ze een

aangenaame geur van zig, en dient tot een water-afdryvend middel,

en tot een vernis. De gom, aracocerra genoemd, loopt uit een boom,

die men insgelyks in het binnenste des lands vindt. Zy is geel, gelyk

de eerstgemelde, maar zwaar, en zacht in het aanraken: derzelver

reuk is ook veel geuriger. De Europeanen en Indianen waardeeren

dezelve zeer, uit hoofde van haar krachtig vermogen tot geneezing

van wonden en andere kwaalen. De caraba, of oly van acajou-noten,

word op deeze wyze gemaakt: men klopt, stampt en kookt de pitten,

welke men uit de hoekachtige en bruine vrucht haalt, groeiende

aan een boom van denzelfden naam, die de gedaante van een goeden

kastanje-boom heeft. Deeze oly is bitter. De Indianen bedienen 'er

zig van, om 'er het lyf mede te besmeeren, en de Europeanen gebruiken

ze tot verschillende einden. De boom, wiens bladeren naar die van

den laurierboom gelyken, groeit tot de hoogte van meer dan vyftig

voeten; maar dewyl ik denzelven, noch ook de twee eerstgemelden,

niet gezien heb, kan ik 'er niet meer van zeggen. De Mawna-boom is

hoog, recht, en van een helder bruine kleur; deszelfs bladeren zyn

eirond, en de noten gelyken naar muscaat noten; maar zy hebben 'er de

geur niet van. De gom loopt uit den stam door insnydingen, welke men

'er in maakt; de Indianen laaten dezelve in water ontbinden, en, zoo

als ik reeds gezegd heb, zy mengen die onder de arnotta, om zig te

beschilderen. De Palma-Christi by de kruidkundigen onder den naam van

Ricinus, of den Wonderboom, bekend, is een heester van omtrent vier

voeten hoog. Hy is recht op geschoten, en met breede gevingerde bladen

bedekt, hangende aan lange steelen, en zulks zoo wel de stam, als de

takken. Deeze heesters zyn van tweederley zoort, roode en witte. Zy

brengen driehoekige nooten voort, zittende in groene schillen, die

bruin worden, en afvallen, wanneer de vrucht ryp is. Men perst uit

deeze noten de oly, aan welke men in Surinamen den naam geeft van

carapat. Derzelver smaak gelykt veel naar die van olyf-olie.

Onder alle de Indiaansche volken, onderscheiden zig de Caraïben door

hun getal, werkzaamheid, en dapperheid. Zy woonen grootendeels naar

den kant der Spaansche bezittingen, die zy dikwils ontrusten door

een geest van wraakzucht over de wreedheden, omtrent de volken van

Mexico en Peru, welken de Caraïben als hunne voorvaderen beschouwen,

door deeze Europeanen zynde gepleegd geweest; zy hebben een Capitain

aan hun hoofd, en verzamelen zig by elkander op het geluid van een

zeeschelp; dikwils leveren zy ook slag aan de Indianen uit hunne

nabuurschap; maar eene byzonderheid, die schier ongelooflyk schynt,

en sterk is tegengesproken geworden, steldt hen beneden alle de andere

volken van het vaste Land; zy zyn Cannibalen, of menschen-eeters. Dit

is ten minsten zeker, dat zy hunne vyanden eeten, wier vleesch zy

met de gretigheid van een gier inslokken, schoon men in algemeen

vooronderstelt, dat zy daar toe meer door wraakzucht, dan door een

bedorven smaak, gedreven worden.

De Accawaus-Indianen zyn weinig in getal, en van de zee-kusten meer

af gelegen, dan de eerstgemelden. Zy leven in goede verstandhouding

met de Hollanders; maar zy zyn valsch, en weeten een langzaam vergift

te bereiden, het welk zy onder hunne nagels verbergen. Hunne hutten

zyn omringd met staketzels, van palen gemaakt, waar van de punten

ook vergiftigd zyn.

De Worrows-Indianen, zoo zy niet de wreedsten zyn, mogen ten minsten

voor de verachtelyksten van alle de Indianen in Guiana gehouden

worden. Zy woonen langs de Orenoco, tot aan de Volkplanting van

Surinamen. Hunne kleur is onaangenaam en bleek. Zy zyn wel sterk,

maar kleinmoedig. Hunne natuurlyke vadzigheid en hunne elende, een

gevolg van hunne gevoelloosheid, is zoo groot, dat zy naauwlyks zoo

veel hebben om die deelen te bedekken, welke de schaamte gebiedt

te verbergen, en dat zy zig daar toe dikwils van den schors van een

palmboom in plaats van linnen bedienen. Zomtyds gaan zy geheel naakt,

en geven een ondraaglyken stank van zig. Hunne luiheid noodzaakt hen

den meesten tyd, om alleen van wilde vrugten te leven, en niets dan

water te drinken. Het moge vreemd dunken, wanneer men zegt, dat dit

volk wel te vreden is; maar men moet begrypen, dat deszelfs verlangen

zig tot deeze genietingen bepaalt, en dat men nooit een Indiaan hoort

klagen, dat hy ongelukkig is.

De Tajiras bewoonen ook de zeekust, tusschen de Volkplanting

van Surinamen, en de Rivier der Amazonen; hun getal is het meest

aanzienlyk; men berekent ze op byna twintig duizend zielen in deeze

bezitting alleen. Deeze Indianen zyn vreedzaam; maar zeer ongevoelig,

en in veele opzigten gelyken zy naar de Worrows.

De Piannacotaus leven zeer verre in de binnen landen, en zyn

vyanden van de Europeanen, met wien zy weigeren te handelen, of in

de minste betrekking te staan. Dit kan ik 'er bovendien van zeggen,

dat zy alle de Christenen in Guiana vermoorden zouden, indien zy

'er de magt toe hadden.

De eenige Indiaansche natie in dit Land, die my nog staat op te noemen,

is die der Arrowouks: ik verkies dezelve boven alle anderen;--maar

dewyl dit hooftstuk reeds vry lang geworden is, zal ik 'er by eene

andere gelegenheid van spreken. Ik stap derhalven voor een oogenblik

af van dit gelukkig volk, het welk noch van onderscheidingen van rang,

noch van verdeelingen van landen, de bronnen van wanorde en twist

by de verlichtste volken, eenige kennis heeft. Dit zelfde volk weet,

in deszelfs gelukkig Land, alwaar groente en bloemen zig onophoudelyk

vertoonen, in 't geheel niet wat behoefte en moeite is. De wenschen van

hun, die deeze volken uitmaken, zyn bepaald, maar altyd voldaan. Deeze

gelukkige Indianen hebben, met het denkbeeld van een toekomend leven,

geene de minste ongerustheid over deeze toekomste, en sterven in

vrede. Men kan van hun, naar de letter, zeggen, dat zy dikwils niet

op den dag van morgen denken; maar met hun dit zoort van ontkennend

geluk toe te staan, beweere ik egter niet, dat het zelve voor een

Europeaan benydens-waardig is.

Om een naauwkeuriger denkbeeld van de wapenen, huisraad, werktuigen,

en onderscheidene cieradiën der Indianen van Guiana te geven, verwyze

ik den lezer naar de daar van gemaakte afteekening. Zie hier de lyst

der dingen, die daar op vertoond worden. [28]

1. Eene Coriola, of Indiaansche kano, doorgaans van den stam

van een boom gemaakt.

2. Een Pagaije, of roei-riem.

3. Een zeeft, manary genaamd.

4. Een Indiaansche blaasbalg, of way-way.

5. Een stoel, of zitbank, mouly genaamd.

6. Een korf, of pagala.

7. Een pers voor de cassave, matapy genaamd.

8. Een Indiaansche boog.

9. Een pyl om de visch te dooden.

10. Een pyl met een ronde knop voor de vogelen.

11. Een gewoone pyl met weerhaken.

12. Een kleine vergiftigde pyl.

13. Een pyp of fluitje, waar door men blaast, om de pylen

te doen afgaan.

14. Een kroon van verschillende vederen.

15. Een voorschoot, queiou genaamd.

16. Een Indiaansche aarde pot.

17. Een Indiaansche knods, of apoutou.

18. Een catoene hangmat.

19. Cieradiën, van tanden van tygers, of wilde zwynen gemaakt.

20. Een toover-schelp, of calebas.

21. Een Indiaansche fluit, tou-tou genaamd.

22. Een fluit, van het been van een vyand gemaakt.

23. Een Indiaansche fluit, quarta genaamd.

24. Een steen, om de maniok te malen, genaamd matta.

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet · 第 80 / 135 题