Van de nietigheid myner middelen van verdediging overtuigt zynde,
konde ik niet afzyn op het leezen van deezen brief te zidderen. Den
afgezonden bode, die my den brief gebragt had, de tyding, my daar by
aangekondigd, verspreid hebbende, was het onnoodig, om de algemeene
marsch te slaan, ten einde het volk by één te verzamelen. Niet alleen
de weinige soldaaten, die overig waaren, maar zelfs alle de zieken
van het Hospitaal, waaren in een oogenblik by elkanderen. Ik stond
'er wel by, de laatstgemelden wilden mede optrekken; zy kroopen op
handen en voeten, en verscheiden van hun stierven op het zelfde
oogenblik. Mogte ik nimmer een dergelyk schouwspel van schrik en
elende wederom aanschouwen! Verminkten, zieken, blinden, gekwetsten,
vlooden allen, in de hoop van een treurig aanzyn te behouden, naar
eenen onvermydelyken dood.
Wat my betrof, ik was in geen beter staat, zynde uittermaten
zwak. Echter bragten wy den geheelen nacht onder de wapenen door,
en ik verzogt den bode om by ons te blyven, ten einde ons getal met
nog één man te vergrooten: wy hadden beslooten ons leven zoo duur te
verkoopen, als ons mogelyk zyn zoude. Tegen den morgenstond, geenen
vyand ziende opdagen, begroeven wy onze dooden in hunne hangmatten,
want, op den geheelen post, was geen enkele plank om een kist te
maken. In deeze verschrikkelyke gesteldheid verloor ik myn geduld, en
ik verstoutte my om aan mynen Colonel te schryven, dat de soldaaten,
die my nog overig waaren, door de gevolgen hunner vermoeienis en lyden
afgemat, op den rand des grafs stonden, en dat men hen niet meer
konde oppassen, zoo als hun staat verëischte, vermits de oppassers
der zieken, by myne aankomst alhier, naar Paramaribo gevlucht waaren.
Ons getal, naar de stiptste waarheid, bepaalde zig tot twaalf mannen,
en men moest twaalf gebouwen bewaaren. Wy hadden niet meer overig dan
twee kistjes met oorlogs-behoeftens. Wy hadden geen middel om de zieken
te bergen, want het volk van Capitain ORZINGA was met myne vaartuigen
vertrokken, en ik had de laatste kano bestemd, om mynen brief aan den
Colonel te zenden. Den bode, die my den brief van STOELEMAN gebragt
had, by my willende houden, en beletten, dat niemand met hem ontsnappen
zoude, had ik zyne kano laaten wegdryven. In deeze gesteldheid zag ik
my gedwongen de slaaven in soldaaten te herscheppen. Ik wapende hen
met een byl, geen snaphaan aan hun durvende toe vertrouwen. Wy bleeven
dan, zoo als ik reeds gezegd heb, den geheelen nacht onder de wapenen,
en des anderen daags morgens vonden wy weder twee mannen overleden.
Ik begon waarlyk te gelooven, dat wy geschikt waaren, om buiten
bedenking verlooren te gaan. Alle de soldaaten, de regels van
onderwerping vergeetende, en zig met niets meer, dan het behoud van
zig zelf, bezig houdende, vervloekten den Colonel FOURGEOUD; en het
was my onmogelyk hunne verwenschingen te stuiten. Ik kan niet nalaaten
de bekwaamheid der muitelingen alhier op te merken, welke zig stil
gehouden hadden, tot dat het krygsvolk der Sociëteit op den post van
Devil's Harwar van daar vertrokken was, en welke overtuigt zynde,
dat dezelve door geene anderen, dan verzwakte en zieke soldaaten
bewaard wierd, op den dag zelven van dit vertrek, hunne verwoestingen
op de Plantagiën aan de Cottica gepleegd hadden. Zy wisten wel, dat
ik geen volk genoeg had, om hen te vervolgen, zelfs niet om my te
verdedigen. Dit alles echter beantwoordde aan myne verwachting. Maar
zoo myne macht voldoende geweest was, de muitelingen zouden niet
ontsnapt zyn; ik zoude hen ten minsten in hunnen te rug tocht hebben
afgesneden, vooral indien het krygsvolk, aan de Peréca geplaatst, met
dat van Cottica gezamenderhand was werkzaam geweest, door ronden te
doen op den weg, die tusschen deeze twee Rivieren gemeenschap heeft,
een weg, dien de muitelingen verpligt waaren twee maal over te trekken.
Den eersten September, bragten wy ook den nacht wakende door, en
des anderen daags morgens begroeven wy nog eenen anderen soldaat. Ik
begryp niet, hoe zommigen van ons, in den zwakken staat, waar in wy
waaren, en in eene brandende luchtstreek, zulk een schouwspel konden
overleven. Eindelyk overtuigd zynde, dat de muitelingen het Cordon
waaren doorgetrokken, zonder dat zy dienstig geoordeelt hadden ons een
bezoek te geven, besloot ik om al myn volk naar binnen te doen gaan, en
hun toe te staan om op hun bed te sterven. Des avonds van dien zelfden
dag, wanneer wy zulks niet meer noodig hadden, zagen wy een Officier
en tien mannen van den post van la Rochelle aankomen. Bevoorens had ik
'er niet meer dan negen overig, die in staat waaren dienst te doen.
Den 2den stierf nog een ander soldaat. Ik deed op nieuw de monstering
van myn volk, en ik bevond dus agt Zee-soldaten, zonder de versterking
van verminkten uit het krygsvolk der Compagnie mede te rekenen. Echter
liepen wy geen gevaar meer om door de muitelingen vermoord te worden:
dank zy hunne kleinmoedigheid, of liever hunne overyling.
Ik ontfing op dit tydstip een brief van den Colonel FOURGEOUD, die
over het verlies van zoo veele braave Officiers zeer was aangedaan. Hy
gaf my ook kennis, dat ik versterking stond te ontfangen, en dat
myn Sergeant, CABANUS, op myne aanbeveeling tot Vaandrig benoemd
was. Deeze bevordering deed my een groot genoegen, en kwam juist
ter sneede, dewyl ik dien zelfden dag mynen armen MACDONALD, die een
gelyken rang had, in een zeer deerniswaardigen staat naar Paramaribo
zond. Ik antwoordde aan den Colonel, dat ik hem bedankte; maar dat,
indien ik geene versterking kreeg, ik niet konde instaan voor de
gebeurtenissen op eenen post, alwaar ik met afgematte soldaaten, en
zelfs zonder genoegzaame krygsbehoeften den geheelen loop van eene
Rivier had te verdedigen. Ik voegde 'er by, dat de zieken by gebrek
van gepaste geneesmiddelen, en van een Heelmeester om hen gade te
slaan, zouden omkomen; dat wy hier niet hadden dan twee noodhulpen
van den Heelmeester van 's Compagnies krygsvolk, en die tot niets
meer in staat waaren, dan om eenige aderlatingen te doen, of eenige
konst-bewerkingen, waar toe geene meerdere kunde vereischt wierd.
Den 4den, begroeven wy een Zee-soldaat, en des anderen daags stierf 'er
nog één. Toen had ik 'er geen enkele, die niet ziek of buiten dienst
was, door de gevolgen der ontsteeking, veroorzaakt door de jeukende
knobbels, die verscheiden aan de voeten hadden. Deeze ongelukkigen
waaren grootendeels Duitschers, en weinig geschikt voor zulk eene
brandheete luchtstreek. Ik begon niet meer te beven op het denkbeeld,
dat ik den laatsten man van myn volk ging begraven; ik zoude zelfs
gewenscht hebben met hem in 't graf neder te daalen, toen 'er een
vaartuig van Paramaribo aankwam, het welk eene bekwaame versterking
medebragt, gelyk ook krygs- en mond-behoeften, geneesmiddelen, een
Heelmeester, en den last van mynen Oversten, om op den eersten weg,
die met de andere wegen gemeenschap had, en het Cordon genaamt was,
tusschen de Rivieren Cottica en Peréca, het spoor der muitelingen
na te vorschen, en hem van den uitslag myner ontdekkingen bericht
te geven. By dien zelfden last gaf my de Colonel ook te kennen,
dat hy de magazynen op den post van Devil's Harwar wilde behouden,
en dat ik 'er geene moest oprichten op den streek lands, dien ik aan
de Barbacoeba-Kreek gevonden had.
Een weinig kracht bekomen hebbende, maakte ik my den 6den gereed,
om dit ontwerp uit te voeren, en ik deed de krygsbehoeften in het
Magazyn plaatsen.
De manier, op welke het krygsvolk in dit land optrekt, is zoo
verschillende van die in Europa, dat ik, alvoorens myn verhaal te
vervolgen, dezelve kortelyk zal trachten te beschryven.
Voor eerst is het in Guiana onmogelyk, om in twee of drie gelederen
te gaan; dus kent men daar ook niet het optrekken by divisiën of
pelotons. De geheele krygsbende stelt zig op ééne reije, met het
gezicht naar de rechte kant; en de Negers zyn onder de soldaten
verspreid, om op hen, en op de goederen, waar mede zy beladen zyn, te
passen. Dit zoort van optocht word genoemd het Indiaansch gelid. Om
een hoop van zestig mannen, namelyk een Capitain, twee Lieutenants,
twee Sergeanten, vier Corporaals, een Heelmeester, en vyftig soldaaten
te vergezellen, zyn ten minsten twintig Neger-slaven noodig, waar
van men de huur aan hunne meesters betaalt, tegen twee Engelsche
schellingen daags, ten kosten der Volkplanting. Wagens en paarden
zouden veel minder kostbaar zyn; maar men kan 'er zig tot den optocht
van krygsvolk in dit land niet van bedienen.
Zie hier, op welke wyze men de soldaten en Negers onder elkander
mengt: twee der laatsten trekken in 't algemeen het eerst op,
en dragen bylen om een weg te baanen. Zy worden gevolgt door een
Corporaal en twee mannen, die gelast zyn de plaatsen te bespieden,
en in geval van nood alarm te slaan. Een Officier, een Corporaal en
zes soldaaten maaken de voorhoede uit. Vervolgens koomt op eenigen
afstand de hoofd-bende in twee partyen. By de eerste bevinden zig een
Capitain, een Corporaal, twaalf soldaaten, een Heelmeester en twee
Negers, die het kruid dragen. De tweede partye bestaat uit twaalf
andere soldaaten, onder bevel van een Sergeant. De achterhoede,
bestaande uit een Officier, een Sergeant, een Corporaal en agtien
soldaaten, word door zestien Negers vergezelt, om de geneesmiddelen,
het vleesch, brood, rhum, wapenen, bylen, enz. en zelfs de zieken
en gekwetsten, te dragen. Dezelve bevind zig ook op eenigen afstand
van de hoofdbende. Na deezen komen een weinig verder, en het laatst
van allen, een Corporaal en twee mannen, die insgelyks last hebben
om alarm te slaan, indien de aanval achterwaarts geschieden mogt.
Alles, volgens de voorgemelde schikking, gereed zynde voor myne kleine
afgezondene krygsbende, bestaande uit my zelf als Capitain, den heer
HERTSBERG, Officier van het krygsvolk der Compagnie, een tweeden
Heelmeester, een Gids, twee Sergeanten, twee Corporaals, veertig
soldaten, en alleenlyk agt Neger-slaven, zoo om den weg te baanen, als
om de goederen te dragen, gingen wy in den vroegen morgenstond rechts
af, en wy begaven ons in de bosschen, zorg dragende om lynrecht op de
Peréca aan te trekken. Na het Cordon tot elf uuren des voor-middags
gevolgt te hebben, ontdekte ik het spoor der muitelingen, zoo als ik
dit ook verwagtte, aan hunne voetstappen in het slyk, aan gebrokene
flessen, schillen van weegbrée, enz., en ik bespeurde, dat zy den
weg naar Pinnenburg naamen, gelyk ik reeds gezegd heb.
Wy vervolgden onzen tocht tot acht uuren des avonds, wanneer wy
te Soribo, een wachtpost van 's Compagnies krygsvolk, aan de Peréca
gelegen, aankwamen. Wy waaren in een deerniswaardigen staat. Wy hadden
verdronken landen en moerassen moeten doorwaaden, in het midden
van welke het water of de modder ons over de heupen kwam. Dikwils
ontmoetten wy omgevallen boomen, die de een over den ander lagen;
en wy waaren genoodzaakt, ten einde onzen weg te vervolgen, om 'er
over heen te klauteren, of op den buik onder door te kruipen. Dit
alles was egter het slimste niet, dat wy te lyden hadden; elk deel van
ons lichaam was ysselyk gehavend door de heesters en doornstruiken;
daarenboven hadden de mieren, de pattat-luizen, de wassy-wassy, of
de byen, ons onophoudentlyk gestoken. Deeze laatstgemelde insecten
zyn zwart, en hebben ten naasten by de grootte van de Engelsche. Het
is onmogelyk dezelve in byekorven by elkander te houden; zy vliegen
by zwermen in de bosschen, en maaken haare nesten in de holen der
boomen, of tusschen de takken. Deeze nesten zyn zomtyds zoo groot
als een koe-blaas, die opgeblaazen is; zy hebben daar mede veel
gelykheid, het zy ten aanzien van de kleur, het zy van de gladheid,
maar zy zyn van een minder geregelde eironde gedaante. Wanneer men
onvoorzigtiglyk of de takken of de nesten aanraakt, schieten 'er
duizend van deeze insecten uit hunne verblyfplaats, en maaken een
klein vliegend leger, dat allergeduchtst is. Zy hechten zig altoos,
uit een aangebooren neiging, aan de oogen, aan de lippen, en komen
zelfs in het hoofdhair, waar uit men hen niet gemakkelyk kan doen
verhuizen. Hunne steeken veröorzaaken doorgaans de koorts, en eene
ontsteeking, die, wanneer ze in de nabyheid der oogen is, iemand
eenige uuren blind maakt. Deeze bijen geeven een zeer bruine honig,
als mede wasch; maar beide zyn van weinig waarde.
Het geen ons echter het meest vermoeide, was het gaan in de hette van
een brandende zon. Wanneer dezelve was ondergegaan, vervielen wy in
eene stik donkere duisternis, en om gezamentlyk voorwaarts te komen,
moesten wy elkander by de hand vast houden. Ik was genoodzaakt tien
mannen agter te laten; de een konde niet meer zien, een ander had de
koorts, een derde de voeten vol met knobbels. Gelukkiglyk ontfing de
bevelhebbende Officier van den post van Soribo ons met de grootste
herbergzaamheid; maar by myne aankomst, noodzaakte my de koorts om
in myne hangmat te gaan leggen. De rust deed my goed, en des anderen
daags morgens bevond ik my beter. Wy waaren echter, zoo min de een,
als de ander, in staat om onzen voorigen weg weder te betreeden;
derhalven zond de Bevelhebber van den post eenige weinige manschappen,
om de ongelukkige zee-soldaaten, die ik des avonds te vooren was kwyt
geraakt, te gaan opzoeken; zy bragten 'er zeven van te rug, die elk
door twee Negers gedragen wierden in een hangmat, aan lange stokken
vast gemaakt. De drie anderen bereikten wederom, zoo goed zy konden,
Devil's Harwar.
Terwyl wy te Soribo waaren, schreef ik aan den Colonel een brief,
welken my, dit is waar, de gramschap ingaf. Ik verhaalde hem, dat ik
de voetstappen der muitelingen gevonden had; dat indien men my in tyds
versterking bezorgt had, ik hun belet zoude hebben te rug te keeren,
maar dat het te laat was, en dat myne soldaaten afgemat waaren zonder
eenige vrucht. Ik heb naderhand vernomen, dat deeze brief, zoo als
men kan naargaan, den Colonel in den hoogsten graad verbitterde. Na
dat wy genoegzaam hadden uitgerust, om ons weder op weg te begeven,
verlieten wy op den 9den den post van Soribo, des morgens ten vier
uuren, en wy kwamen des avonds ten vier uuren op Devil's Harwar aan, na
onuitspreekelyk veel geleden te hebben. Wy waaren met bloed en modder
als overdekt: onze dyen en beenen waaren door de doornstruiken van
één gereeten; de meeste soldaaten hadden geene schoenen nog koussen;
en ik, die by verkiezing op deeze wyze ging, was de geen die het minst
te lyden had, vermits ik my langzamerhand gewend had blootsvoets op
de vaartuigen te gaan.
Te Devil's Harwar te rug gekomen zynde, vond ik aldaar den Lieutenant
Colonel WESTERLOO, die 'er het bevel op zig nam. Hy was alleenlyk
door een Quartier-meester vergezelt, maar zyn volk moest des anderen
daags komen. Ik was verheugd over deeze gebeurtenis, die my eenige
rust beloofde. Na myne orders aan deezen Officier te hebben ter hand
gestelt, en hem in 't Magazyn, Hospitaal, enz. gebragt te hebben,
ging ik my in de Rivier baden. Ik had dit zeer noodig, als zynde
uittermaten verhit. Ik ontfing denzelfden dag eene meenigte schoone
vruchten, Jamaicasche rhum, wyn en suiker, my door myne geliefde JOANNA
toegezonden.--Maar hoe verstyfde my het bloed, toen de Quartiermeester
my als een geheim verhaalde, dat myn Sergeant, genaamt FOWLER, na
myn wyn te hebben uitgedronken, aan dit ongelukkig meisjen geweld
had willen plegen; dat hy, des anderen daags te Devil's Harwar komen
zoude, en dat ik de teekens der billyke gramschap van JOANNA op zyn
gezicht zien zoude.
Ik weet niet of men myne drift verschoonen zal: ik zwoer, dat ik
dit monster dadelyk by myne aankomst vernielen zoude. Ik gelastte
dienvolgende aan een Neger, om twaalf bambous-rieten te snyden,
en ik bleef t'huis, als een mensch, die van zyne zinnen beroofd is.
Den 10den, kwamen in een tweede vaartuig, vol met krygsbehoeften
van allerlei zoort, en met geneesmiddelen, twee Lieutenants en
een vry groot getal soldaaten. Zoo dra zy in hun kwartier waaren,
liet ik FOWLER haalen, die op drie plaatsen in het aangezicht
gekwetst was. Ik sloot hem in een kamer op; en zonder hem een enkel
woord te zeggen, sloeg ik hem zes bambous-rieten op het hoofd aan
stukken. Eindelyk sprong hy, geheel bebloed, het venster uit, en myne
gramschap bedaarde. Zy hernieuwde zig egter kort daar na, maar om eene
andere reden: ik vernam, dat de Colonel FOURGEOUD alle myne goederen
had doen in beslag nemen; dat zy in een ledig Magazyn gebragt en
verzegeld waaren; dat myne wooning aan een ander gegeven was; en dat
'er geen middel was geweest, om my de noodzakelykste kleederen toe
te zenden. Ik wierd nogtans door de hoop om naar Paramaribo te rug te
keeren, getroost. De andere nieuwstydingen bragten mede, dat de Colonel
eindelyk in persoon met het grootste gedeelte van het krygsvolk deeze
Stad verlaten had; dat hy het zelve post deed vatten te Devil's Harwar
aan de Cottica; op de Plantagie Bellair, aan de Peréca; en op die
van Klarenbeek en Cravassibo, aan de Commewyne; dat hy gezamentlyk
met de krygsmagt der Compagnie, en de Neger-Jagers, de muitelingen
moest vervolgen; dat hy ook bevel gegeven had, om al het volk van
de vaartuigen te ligten, waar van het overschot de manschappen der
opgemelde posten zoude versterken. Ik moet erkennen, dat alle deeze
schikkingen zeer verstandig en met veel bekwaamheid ontworpen waaren.
Wy vernaamen ook, door middel van den wachtpost aan de Patamaca, dat
de muitelingen, by het oversteken van de Rivier boven den post van
la Rochelle, eene kleine Plantagie vernielt, en derzelver eigenaar
den heer NYBOUR vermoord hadden.
Byna op dien zelfden tyd ontsnapte hun een Opzigter van eene Plantagie
door behulp van eenen jongen Neger: dezelve deed hem in een kano
gaan, en plat op zyn buik leggen; vervolgens sprong hy in 't water,
alwaar het hem, met de eene hand zwemmende, en met de andere de
kano voort-trekkende, in weerwil van het vuur der muitelingen,
gelukte deezen man, gezond en behouden, aan de Patamaca-Kreek te
brengen. Een dienst van zulk een ongemeen gewicht wierd echter,
eenige dagen daar na, met drie honderd geesselslagen betaald, welke
deeze zelfde Opzichter aan den jongen Neger liet geven, om dat hy
vergeten had een sluis te openen. Ik zal geene aanmerkingen maaken op
deeze onmenschelyke daad, maar myn droevig verhaal vervolgen. Aan den
Lieutenant Colonel WESTERLOO voorgehouden hebbende, dat de slegte
staat van myne gezondheid my belette, om het krygsvolk op zynen
tocht te volgen, verzogt ik hem my de vryheid te vergunnen, om naar
Paramaribo te rug te keeren, ten einde ik my aldaar zoude trachten
te herstellen; maar volgens den uitdrukkelyken last van den Colonel
FOURGEOUD, weigerde hy my zulks. Deeze onbeschaafdheid deed my byna
het verstand verliezen. De ontroering van mynen geest was zoo groot,
dat ik des anderen daags morgens, den 12den, besloten hebbende, om
op de eene of andere manier mynen staat te veranderen, myn verzoek
hernieuwde. Ik verzogt, of dat men my zou toestaan oogenblikkelyk te
vertrekken, of dat men my maar om hals zoude brengen, dewyl, volgens
het getuigenis der Heelmeesters, de dood voor my niet verre af was,
indien myn vertrek langer wierd uitgestelt. De Lieutenant Colonel
nam de zaak op nieuw in overweging, en eindelyk wilde hy wel bevel
geven, om my in een vaartuig te laten gaan, maar zonder toe te staan,
dat eenige blanke my zoude vergezellen, ik verliet derhalven deezen
Officier, die zig bezig hield om Devil's Harwar met goed paalwerk te
versterken, bevindende zig aldaar toen eene talryke bezetting. Op den
middag bereikte ik den oever der Rivier, wordende op de schouders van
eenen Neger gedragen, tot op het oogenblik dat ik in het vaartuig
stapte. Myn kleine QUACO vertrok met my, en eindelyk verliet ik
deezen vervloekten post, alwaar ik zoo veele dappere lieden in het
graf agterliet.
Na een nacht en dag gereist te hebben, kwam ik den 14den, ten
twee uuren des morgens, te Paramaribo aan. Ik was zeer ziek. Geene
huisvesting in deeze stad meer hebbende, wierd ik op de vriendelykste
wyze ontfangen door een koopman, genaamt DELAMARRE. Deeze braave
man, zig met deeze daad niet vergenoegende, zond dadelyk één van
zyne bedienden, om myne arme JOANNA, die by haare moeder was, te
haalen. Tevens liet hy een Geneesheer komen, wiens hulp, in eene zoo
droevige gesteltheid als de myne, voor my hoogst noodzakelyk was.