De Muitelingen verbranden drie Plantagiën, waar van zy
de bewoonders vermoorden.--Tafereel van armoede en elende.
--Optocht dwars door de bosschen van Surinamen.--De Colonel
FOURGEOUD en het overig krygsvolk verlaat Paramaribo.
Den 24sten Augustus, loste ik den Capitain ORZINGA af, en nam het bevel
op den wachtpost van Devil's Harwar op my. Ik was zes-en-vyftig dagen
aan boord van de Charon geweest, in den beklaagenswaardigsten staat;
maar ik hoopte dien tans door eenige ververschingen, als melk, enz.,
die ik my bevoorens niet konde aanschaffen, verzacht te zien. Het
krygsvolk der Sociëteit, ten getaale van meer dan honderd mannen,
moest des anderen daags vertrekken, om zig in myne vaartuigen, naar
den wachtpost van la Rochelle aan de Patamaca te begeeven. Ik deed
de monstering van de macht, die my nog overig was. Van vyf Officiers
waaren 'er maar twee in 't leven, en deezen waaren nog ziek. Het
getal van myne zee-soldaaten beliep slechts vyftien, zonder daar onder
een Sergeant en twee Corporaals te begrypen. Ik had echter, den 2den
July bevoorens, vier-en-vyftig soldaaten in volmaakte gezondheid met
my ingescheept. Eene zoo zwakke krygsbende, als de myne tans was,
was voor my onvoldoende, om een hospitaal vol zieken, magazynen met
krygs- en mondbehoeften, enz. te verdedigen op eenen post, die door
honderd soldaaten was bezet geweest, en zulks vooral op een oogenblik,
dat de vyand niet verre af was. Dit alles in aanschouw neemende,
gaf de Capitain ORZINGA my eene versterking van twintig mannen van
zyn volk. Op den dag van myne aankomst, gaf hy my en myne Officiers
eene avondmaaltyd, en hy onthaalde ons op versch gekookt en gebraden
vleesch; het geen ons een groot genoegen verschafte en uittermaaten
verwonderde. Maar hoe was ik ter nedergeslagen, wanneer ik vernam,
dat deeze lekkere spys aan ons was opgedischt ten kosten van de koe
en het kalf, waar op ik alle myne hoop gebouwd hadde! Het scheen,
dat deeze moord, want waarlyk het was niets anders, tusschen den
Capitain en één van zyne schildwachten, die veinsde deeze dieren door
onvoorzichtigheid gedood te hebben, was overlegt geworden. Dus beroofde
ons ORZINGA, voor het genoegen van een oogenblik, van eene verkwikking,
welke voor ons, by gebrek van gezond voedzel geheel uitgemergeld zynde,
zoo noodzakelyk geworden was.
Des morgens van den 28sten, begaf het krygsvolk van de Compagnie
zig naar de plaats van deszelfs bestemming. Na hun vertrek deed ik
onderzoek naar de manschappen, welke ORZINGA my had agtergelaten,
en ik vond niet dan koortzigen, gekwetsten, lieden door allerlei
zoorten van kwaalen aangetast, welke men des anderen daags in het
ziekenhuis moest doen gaan.
Den 29sten, liet ik aan mynen eenigen Stuurman stokslagen geven,
vermits hy de soldaaten bestal. Ik gaf vervolgens bericht aan den
Colonel FOURGEOUD van myne aankomst op deezen post: ik schetste hem
myne gesteldheid af, en verzogt om versterking. Den avond van den
zelfden dag stierven twee van myne soldaaten.
Na alle myne beschikkingen gemaakt te hebben, dankte ik den Hemel in
de hoop van eenige rust te smaken. Met deeze vleijende hoop vervult,
ging ik ten tien uuren des avonds in myn hangmat leggen slapen;
maar deeze rust was van korten duur; want naauwlyks had ik de oogen
gesloten, of ik wierd door mynen Sergeant wakker gemaakt, die my den
volgenden brief ter hand stelde: dezelve was aan my gezonden door
den Capitain der soldaaten, of van de vaartuigen aan de Cottica.
"Ik heb de eer u te berichten, myn Heer, dat de muitelingen aan uwen
kant drie Plantagiën, de Zuinigheid, Peru, en de Hoop hebben in brand
gestoken; dezelve branden nog; en dat zy bovendien aan alle blanken,
welken zy daar gevonden hebben, den hals hebben afgesneden. Dewyl
zy hunne te rug wyk nemen moeten by den post, alwaar gy u bevind,
geef ik 'er u kennis van, op dat gy op uwe hoede zyn zoude.--Ik ben
in haast, enz."
(Geteekend)