§ 55. De Duitsche Aufklärung.
Anders dan de Engelsche, anders ook dan de Fransche aufklärung verliep
de Duitsche. Duitschland was ook wel een ander land. Engeland had
sedert lang zijn burgerlijke vrijheden en zijn parlement; was, sedert
Cromwell's dagen, vooruitgegaan in handel en scheepvaart en had een
nijvere, welgestelde burgerklasse. Frankrijk had één absoluut hoofd
gehad in zijn vorsten, was een sterk gecentraliseerd land geworden,
en onder den druk van kerk en hof hadden zich allerlei vrije gedachten
ontwikkeld. Ook hier was een burgerklasse met geld en economischen
invloed, maar zonder politieke macht.
Duitschland had veel meer van de middeleeuwen bewaard. Terwijl aan
het uiteinde der middeleeuwen alle Fransche leenen aan de kroon zijn
gebracht, zoodat de leenadel weldra hofadel werd, terwijl Engeland
weldra met Schotland optreedt als het vereenigd koninkrijk, lag
Duitschland bij den aanvang der nieuwe geschiedenis uiteen in een
ontelbaar aantal grootere en kleinere Staatjes. In naam vereenigd
tot één keizerrijk, waren ze dikwijls inderdaad onafhankelijk.
Godsdiensttwisten en familieveeten vechten ze tegen elkaar uit en de
dertigjarige oorlog verdeelt Duitschland in twee kampen.
Verwoest, verzwakt, machteloos voor lange jaren blijft het rijk na
den vrede van Munster (1648). En ook dan nog is er geen rust. Uit
het zuiden dringt de Turk op, zelfs Weenen bedreigend; in het westen
stroopt en plundert de Franschman, de Rijnstreken met al den gruwel
van wilden oorlog bezoekend. De vorsten elkaar benijdend, en in de 18de
eeuw vooral met leede oogen de opkomst, den groei van de tot koninkrijk
geworden markt Brandenburg aanziend, jaloezie, die drijft tot den
geweldigen oorlog van 1756-1763, waarin Pruisen zich door gelukkig
toeval en het genie van Frederik den Groote staande kan houden.
In dit feodale Duitschland bloeit de burgervrijheid niet zooals in
Engeland, Nederland, Zwitserland. Veel minder ook dan het Calvinisme
is het Luthersche geloof democratisch gezind.
Wie nog een kijk wil hebben op dit politiek leven, zie naar het
fossiele staatje Mecklenburg, waar nog altijd naar van ouds afkomstige
regelen geregeerd en bestuurd wordt, alsof geen revolutie, geen 19de
eeuw bestaan had.
In dit land leeft de Aufklärung zich niet naar buiten uit maar
naar binnen. Duitschland was het land der bespiegeling. Eckhart
had er geleefd, Tauler en Suso hadden er gepredikt. De renaissance
was in Italië geleefd, in Duitschland geleerd. Kepler, de groote
sterrekundige, was een bespiegelende natuur geweest, Böhme was de
mysticus uit de protestantsche kringen. Is Engeland het land der
empiristen geweest, Frankrijk dat der rationalisten, Duitschland was
dat der innerlijke ervaring, werd dat der diepe speculatie.
Sommige van de mannen der Duitsche aufklärung hebben het pijnlijk
gevoeld, wat tegenstelling er was tusschen het weten van vele groote
dingen en de onmogelijkheid om ze uit te voeren.
Toch was er in dat versnipperde Duitschland nog wel een eenheid:
de taal. Eckhart had reeds in 't Duitsch geschreven, Böhme
eveneens. Luther's bijbelvertaling had voor de Duitsche taal gedaan wat
de Statenvertaling later deed voor de onze. De mannen der aufklärung
begonnen in die taal te schreven, al ging dat ook dikwijls tot groote
ergernis der geleerde heeren, die meenden, dat over wetenschap,
over filosofie niet in het Duitsch kon geschreven worden.
En die versnippering in landjes had een klein voordeel. Wanneer een
denker uit den eenen staat gewezen was, kon hij toch nog wel eens
een verblijfplaats vinden in een andere, in het eigen vaderland. En
onder die vorsten waren er ook verlichte en nobele personen, die kunst
en wetenschap steun verleenden. Frederik de Groote, in bewondering
voor al wat Fransch was, had weinig oog voor 't Duitsche, maar hij
maakte toch de fout van zijn vader goed en riep Wolff terug, maar
hij verviel toch niet in de dwaling van zijn opvolger, die Kant
't schrijven wou verhinderen. En met gulden letters blijft in de
geschiedenis der geestelijke ontwikkeling van Duitschland de naam
staan van den hertog van Saksen-Weimar-Eisenach, die de beschermer
werd van den grooten Goethe.
Wolff. 1679-1754.
De leer van Leibniz werd gepopulariseerd en gekortwiekt door Wolff. Hij
trachtte haar in een ordelijk systeem te brengen, maar in de beide
hoofdbegrippen, de vooruit bepaalde harmonie en de monadenleer bracht
hij aanmerkelijke wijzigingen. Zijn zucht tot systematiseeren zette
Wolff tot in het overdrevene door. Wiskundig bewijst hij in zijn
gronden der bouwkunst, dat een venster zoo breed moet zijn, dat
er gemakkelijk twee personen naast elkaar voor kunnen staan! Dit
ondiepe, dor-systematische heeft Wolff later wel doen bespotten. De
geschiedschrijvers der Duitsche wijsbegeerte waardeeren hem toch op
eenige punten. Hij schiep voor een groot gedeelte de filosofische
vaktaal voor Duitschland. Zijn eenvoudige, methodische behandeling der
dingen bracht de filosofie in ruimen kring. Zijn indeelingen schiepen
een raam, een vorm, waarin zich nieuwe feiten lieten invoegen en zijn
leerlingen trachtten later zijn rationalisme te vereenigen met een
door Locke beïnvloed empirisme.
Piëtisme.
Heftig trad tegen de leer van Wolff op het piëtisme, dat in de
17de en 18de eeuw een grooten invloed had in Duitschland. Het was
een godsdienstige richting, die eigenlijk op religieus, of liever
op kerkelijk terrein deed, wat de aufklärung op wijsgeerig gebied
trachtte tot stand te brengen: vrijmaking. In dit geval vrijmaking
van de letter van geloofsbelijdenis en kerkvoorschrift, vrijmaking
van de knellende banden van streng-kerkelijke vormen, om daardoor
te komen tot een diep geloofsleven. De groote heilswaarheden konden
even goed in de ziel van den leek worden ervaren als in die van den
beroepsgeestelijke. Ieder mensch moest zijn eigen priester zijn (zie
ook blz. 224). Een heilig, rein, innig verdiept leven gold meer dan
een aanhangen der leer. Dit piëtisme echter, dat eerst Wolff bestreed,
ging een practischen kant op. Francke stichtte een weeshuis, waaraan
groote onderwijsinrichtingen verbonden waren, in Halle. Zoo werkte
het piëtisme practisch op onderwijsgebied, in zijn kring ontstond
de eerste onderwijsinstelling, die de voorbode zou worden onzer
tegenwoordige Hoogere Burgerscholen. Zoo werkte het piëtisme mee om
ook aan den burger- en handelsstand, die niet studeeren ging, meer
ontwikkeling te brengen dan de lagere volksschool geven kon.
Later waren er denkers, die piëtist en Wolffiaan waren: de beide
zijden der Aufklärung hadden elkaar leeren verstaan.
Godsdienst.
Niet zoozeer de kennistheorie hield de Duitsche achttiende eeuw bezig,
als wel de godsdienstwijsbegeerte en ook in Duitschland hing men
de natuurlijke religie aan, die voor velen samenviel met de moraal
en het geloof aan God en de onsterfelijkheid. Dat was het geval met
den Jood Mendelssohn (1729-1786), die zich met ongelooflijke vlijt
had omhoog gearbeid tot een gezien schrijver. Het was in die tijden
zelfs verboden aan de Joden, om Duitsch te leeren. Met stalen vlijt
en groote volharding leerde Mendelssohn Duitsch schrijven en kwam
op voor een beter behandeling zijner geloofsgenooten. In hem eeren
de Israëlieten een hunner groote voormannen en wegwijzers, die het
nationaal besef onder hen heeft wakker geschud en meegewerkt aan de
geestelijke verheffing der Joden.
Als een der schoonste dragers der Aufklärung verschijnt dan Gotfried
Ephraim Lessing, die als letterkundig kritikus wel zijn grootsten
roem heeft behaald, maar ook als godsdienstig denker zijn beteekenis
heeft. Hij vertoont sterke overeenkomst met Spinoza, die in de
achttiende eeuw in Duitschland zeer gewaardeerd wordt. Lessing heeft
heel veel oog voor de geschiedenis. Hij leert, dat de geschiedenis
der godsdiensten een opvoeding van het menschelijk geslacht is door
goddelijke openbaring. De opvoeder kan niets vreemds in het kind
brengen, maar alleen een ontwikkeling leiden, en sneller maken. Zoo
heeft God de menschheid sneller vooruit gebracht door zijn openbaring
aan Mozes. Zonder deze had ze misschien nog millioenen jaren in het
polytheïsme geleefd. Zooals nu de opvoeder geleidelijk te werk gaat,
en niet alles in eens geeft, zoo geeft ook God zijn volle openbaring
niet in eens. Zeer scherpzinnig wijst Lessing aan, hoe er dan een
zekere ontwikkeling, een zekere opeenvolging is, en hoe geopenbaarde
waarheden ten slotte waarheden voor de rede worden.
Wij moeten dus trachten de waarheid te begrijpen en niet eenvoudig
blijven staan bij het geopenbaarde. Voor Lessing's oog ontvouwen zich
nog een groot aantal mogelijkheden, en hij heeft een diep besef, dat
wij steeds zullen moeten blijven zoeken naar verdere waarheden. Sterk
komt dit uit in zijn woorden:
"Niet de waarheid, in welker bezit eenige mensch is, maar de oprechte
moeite, die hij besteed heeft, om achter de waarheid te komen, maakt
de menschenwaarde uit. Want niet door bezit, maar door nasporing der
waarheid vergrooten zijn krachten zich, waarin alleen zijn steeds
groeiende volkomenheid bestaat. Het bezit maakt gemakzuchtig, lui,
trotsch... Indien God in zijn rechterhand al de waarheid, in zijn
linkerhand alleen de steeds werkzame begeerte naar waarheid had,... en
tot mij sprak, kies, dan zou ik vol deemoed zijn linkerhand grijpen:
Vader geef, de zuivere waarheid is immers slechts voor U alleen."
Lessing's streven naar verlichting gaat dus uit boven de gewone
Aufklärung: eerst door zijn historischen zin; dan door het besef,
dat er gezocht moet worden naar eigen onvolmaaktheden; dat men een
hoog ideaal moet nastreven, zelfs al weet men, 't niet te zullen
bereiken; eindelijk door het gemis aan genoeglijke zelfvoldaanheid,
kenmerk maar al te vaak van vele dragers der Aufklärung.
Psychologie.
Voor de psychologie is de Duitsche Aufklärung van beteekenis geworden
door de waarde, die zij toekende aan het gevoel. Tot dusver hebben
we allerlei indeeling der bewustzijnsverschijnselen ontmoet (Plato,
Aristoteles, Augustinus, Telesio, Hobbes, Locke, Hume) en daar wel
de tegenstelling aangetroffen van waarneming en denken, waarnemen,
herinneren, fantaseeren, intellect en wil, maar de indeeling in
drieën, die ons zoo gewoon is: kennen, gevoelen, begeeren, niet. Het
gevoel had men langen tijd beschouwd als meer een vaag bewustworden,
van onduidelijke, niet scherp onderscheiden voorstellingen. Rousseau
gaf het gevoel zijn eigen plaats en in de zielkunde voerde Tetens de
ons bekende indeeling in drieën in [80].
Baumgarten, een leerling van Wolff, gebruikte dan het woord aesthetica
voor het eerst (1750) als de leer van het schoone en vestigde daarmede
in Duitschland de wetenschap die Hutcheson en Buttler in Engeland
trachtten te bevorderen.
Opvoedkunde.
Rousseau's opvoedkundig ideaal werd in practijk gebracht door Basedow,
aan wien we vooral de volgende groote beginselen danken, zij het
dat zijn opvolgers (Campe, Salzmann, Guthsmuths) er meer aan deden
dan hij: Lichamelijke opvoeding, mildere tucht, beter kinderlectuur,
aangename leerwijze, practische leerstof.
Tot de mannen der Aufklärung wordt dan ook gerekend de Zwitser Johann
Heinrich Pestalozzi, de vader der 19de-eeuwsche schoolopvoeding, die
het eenzijdige uit Rousseau (de individueele opvoeding) weglatend,
in de opvoeding het middel zag, de gezonken menschheid op te heffen,
en die door zijn warme, onvermoeide toewijding, trots honderd kleinere
en grootere practische fouten, in wijden kring en langen tijd bezielend
werkte, wijl hij 't verstond, alles voor anderen en niets voor zich
zelven te zijn.