MATERIALISME.

La Mettrie.

Jullien Offray de la Mettrie werd in 1709 te St. Malo geboren,

studeerde voor arts, praktiseerde een poos en ging in 1733 naar

Leiden, om Boerhave te hooren. Zooals Locke's vriend Sydenhamm in

Engeland de geneeskunde op redelijker grondslag gevestigd had,

deed Boerhave dat in ons land. De beteekenis van Nederland voor

de geestesontwikkeling schatte men niet gering. Asyl voor tal van

vervolgden of rust-zoekenden, hadden Descartes en Locke er geleefd. Te

Amsterdam verschenen tal van werken die in geen ander land geduld

werden; de Fransche achttiende eeuw kon in 't licht der Hollandsche

vrijheid hare ideeën aan de wereld toonen. Velen der schatrijke

kooplieden waren beschermers der wetenschap, legden groote bibliotheken

en verzamelingen aan. Zweden's groote plantkundige Linnaeus (1707-1778)

vond o.a. in Haarlem gastvrijheid en schreef daar belangrijke werken.

In Leiden werkte Boerhave en zijn roep lokte la Mettrie. "Om Boerhave

was toen, ofschoon hij geen college meer gaf, een schaar van jonge,

ijverige artsen verzameld. De Leidsche universiteit vormde een

middelpunt van geneeskundige studiën, zooals misschien nooit meer

bestaan heeft. Door zijn grooten naam had Boerhave, om wie zich zijn

jongeren met onbegrensde vereering schaarden, aanzienlijke rijkdommen

verworven, te midden waarvan hij zoo eenvoudig leefde, dat alleen zijn

weldadigheid er van deed blijken. Men roemde zijn onderwijstalent,

in 't bijzonder zijn karakter." (Lange).

La Mettrie vertaalde een aantal werken van Boerhave in 't Fransch. In

1742 werd hij militair arts, welke betrekking hij opgeven moest,

toen hij de "Natuurlijke historie der ziel" had laten verschijnen.

Naar Holland gevlucht, moest hij ook vandaar wijken na zijn bekendst

werk: "De mensch een machine" (1748). Frederik de Groote riep hem

tot zich en hij werd diens voorlezer. Voltaire, tegelijk met hem aan

't Pruisisch hof, noemt den opgewekten, van 't leven genietenden,

ietwat lichtzinnigen man een aangenaam gezelschap voor een kwartier,

maar vervelend op den duur. In 1751 stierf hij; hij had, luidde 't

gerucht, zich aan een pastei vereten, en overleed na heftige koortsen.

Een tijdlang is Mettrie geschilderd als een uiterst lichtzinnig

wellusteling, wiens heele theorie slechts diende, om zijn eigen

uitspattingen goed te praten.

Hoewel zeer zeker niet een der beste menschen, is La Mettrie niet

de slechtaard, dien men van hem gemaakt heeft. Hij toonde een warme

belangstelling voor de wetenschap en heeft een groote hoeveelheid

feitenmateriaal bijeenverzameld, om zijn theorie te stutten: het

materialisme.

We hebben deze leer herhaaldelijk al ontmoet, (Democritus, Hobbes).

Maar bij La Mettrie treffen wij haar zeer scherp geformuleerd aan,

en gesteund door vele feiten. Het scherpst heeft hij zijn denkbeelden

geuit in: "De mensch een machine." De hoofdgedachten zijn de volgende:

Het onderscheid, dat men aangenomen heeft tusschen mensch en dier,

is een graadverschil, geen wezensverschil. Is het dier een machine,

dan de mensch ook. Wanneer we de anatomie van menschen en dieren

nagaan, zien we groote mate van overeenkomst.

We hebben het recht niet, om den dieren alle bewustzijnsverschijnselen,

die wij hebben, te ontzeggen. Onmiddellijk kennen we alleen onze eigen,

en tot de aanwezigheid van deze bij anderen moeten wij besluiten op

grond van uiterlijke teekenen. Maar bij dieren ontbreken die niet. Een

hond vertoont evengoed neerslachtigheid en teekenen van berouw, zoo

hij zijn meester heeft gebeten, als een mensch. Recht, om het zedelijk

gevoel den mensch alleen ingeboren te verklaren, heeft men dus niet.

Ja, de scheidslijn tusschen dier en plant kan ook wegvallen: al het

levende kan gewaarworden. Uit het lagere komt het hoogere op. Hoe

meer behoeften, hoe meer verstand.

Verwerpt La Mettrie dan eenerzijds de scherpe scheiding tusschen mensch

en dier [78], omdat deze beide geestelijke verrichtingen kennen,

anderzijds wil hij aantoonen, dat de geestelijke verrichtingen niet

aan een apart beginsel, de ziel, behoeven toegeschreven te worden. Hij

komt met een zeer groot feitenmateriaal, waarmee hij de inwerking

van het lichaam op onze bewustzijnsverschijnselen illustreert.

Hij had dit het eerst opgemerkt toen hij, koorts hebbende, den invloed

daarvan op zijn gedachten bemerkte.

Ziekten kunnen invloed hebben op ons denken en onze stemming. Menschen,

die den dood heldhaftig tegentraden, waren misschien kleinmoedig

geweest, als hun maar een kleinigheid aan milt of lever gemankeerd

had. Opium, wijn, koffie oefenen invloed uit op "de ziel." Een leger,

dat sterken drank gehad heeft, stort zich moedig op den vijand; had

't water gedronken, dan zou 't misschien lafhartig op de vlucht zijn

geslagen. Bij geestesziekten vindt men dikwijls hersenziekten, en,

treft men deze niet aan, dan kunnen er wel heel kleine veranderingen

zijn, die ons ontsnappen.

De dieren hebben dus geestelijke verrichtingen, de stoffelijke

toestand van het lichaam bepaalt dien van onzen geest. Ook om het

leven als zoodanig te verklaren, behoeft men zijn toevlucht niet te

nemen tot de ziel, want de beweging zit in de aparte deelen van het

lichaam. Hij geeft hiervoor vele voorbeelden. Na den dood bewegen

zich spieren en ingewanden nog; een haan, wien de kop was afgeslagen,

liep nog een poosje door, enz.

La Mettrie ontkent niet de mogelijkheid, dat God de materie heeft

geschapen, noch loochent hij de onsterfelijkheid, maar men kan hier

niet achter komen, en heeft er voor wetenschap en practijk niets aan,

die vragen te behandelen. Een staat van atheïsten is daarom niet alleen

mogelijk, zooals Bayle verondersteld had, neen, hij zou de gelukkigste

zijn, omdat de onzalige godsdiensttwisten er niet zouden voorkomen.

La Mettrie's moraal-filosofie, die menigeen ook door zijn smakelooze

behandeling van de kunst om te genieten, afschrikt en tegen de borst

stuit, wegens zijn te groote en noodelooze uitvoerigheid over 't

sexueele leven, bevat een zeer rijke toekomstgedachte.

Hij wil tal van misdadigers niet straffen, maar als zieken behandelen:

niet den scherprechter, maar den arts moet men de menschen overgeven,

die door ziekelijke hersenen en neigingen misdaden begaan. Het

laatst der 19de eeuw zou deze kwestie weer opnemen en er levendig

over discussieeren. (Vergel. deel II, Het positivisme, de crimineele

anthropologie).

Diderot, 1713-1784.

Een der merkwaardigste verschijningen van de achttiende eeuw is de

groote encyclopedie, een werk, dat kennis en verlichting in wijden

kring verbreidde en waaraan tal van mannen, de encyclopedisten genoemd,

meewerkten. Hoofd was Denis Diderot, dien men een Franschen Leibniz zou

kunnen noemen, met 't oog op zijn zeer veelzijdige belangstelling, zijn

veelomvattende arbeidzaamheid en kennis, die vooral de encyclopedie

ten goede kwamen. Als meer Fransche denkers uit dezen tijd is hij

dichter en wijsgeer, en gevoelvolle ontboezemingen wisselen af met

de ontvouwing van geniale gedachten. Eerst in de 19de eeuw zijn z'n

eigenlijk wijsgeerige werken uitgekomen; voor den tijdgenoot was

Diderot vooral letterkundige, al oefende hij, door zijn woord en

omgang en brieven ook veel invloed uit op de filosofische ontwikkeling.

Op metafysisch gebied is het standpunt van Diderot niet steeds

hetzelfde, maar nadert hij het materialisme, (dat hij niet in Frankrijk

gebracht heeft, maar dat hem veeleer gewonnen heeft) na eerst een

stadium van een sceptisch gezind deïsme doorgemaakt te hebben.

Het bewustzijn is voor Diderot niet gebonden aan een bepaalde

organisatie van atomen, maar hij neemt aan, dat aan elk deeltje

het vermogen, om waar te nemen, toekomt. Daar dit aan Leibniz'

monaden herinnert, heeft men ook een sterken invloed van Leibniz op

Diderot aangenomen. Hoe nu uit de samenvoeging van verschillende, tot

gewaarwording in staat zijnde deeltjes, een bewustzijn kan ontstaan,

dat éénheid heeft, verklaart Diderot niet uitvoerig, al roert hij

deze kwestie aan.

Op ethisch gebied begon hij met een aanhanger van Shaftesbury's

moraal te zijn, maar langzamerhand laat hij de stelling, dat wij een

oorspronkelijken zedelijken zin bezitten, vallen. Ons zedelijk oordeel,

onze daden ondergaan den invloed van een groot aantal kleinere en meer

belangrijke ervaringen, die op een gegeven oogenblik tot vorming van 't

oordeel, tot het ontstaan van de daad kunnen meewerken, ook al worden

ze niet bewust. Voor Diderot is er dus groei van zedelijk inzicht,

hij beseft, zij 't vaag, dat het zijn historische ontwikkeling heeft.

Maar die natuurlijke ontwikkeling heeft het sociale gevoel voor

hem niet; dat maatschappelijke verhoudingen kunnen ontstaan

zijn en vergroeien tot iets heel anders, ziet hij niet. Echt

kind der aufklärung, ziet hij in de politieke, burgerlijke en

godsdienstige instellingen slechts het product van sluwheid en

heerscherswillekeur. Het verleden biedt niets dan schurkenstreken

voor den man, die alles van de toekomst hoopt.

Op religieus gebied is Diderot van deïst atheïst geworden. Het geloof

aan God is dwaas; hoe, met het vele kwaad in de wereld de goedheid

Gods te gelooven? De godsdienst voert verder tot ceremoniën en dogmen,

die in de plaats komen van de natuurlijke moraal; het geloof aan God

is schadelijk.

Om Diderot, die de leidende geest der achttiende eeuw is, in zijn

invloed te begrijpen, moet men niet alleen letten op wat hij geschreven

heeft, maar vooral ook op zijn persoonlijken invloed. "Hij was slechts

geheel zich zelven, wanneer hij zich, zooals Socrates, opgeheven had

tot de idee van het ware, het goede en het schoone.

In deze extase (die ook aan zijn uiterlijk opgemerkt kon worden,

en die hij, naar zijn eigen beschrijving, het eerst voelde aan het

bewegen zijner haren op het midden van 't voorhoofd, en aan een

huivering, die al zijn leden doorliep), was hij de echte Diderot,

wiens geestdronkene welsprekendheid, evenals die van Socrates, alle

toehoorders met zich meesleepte." (Rosenkranz).

Holbach, 1723-1789.

Zijn afsluiting vond het wijsgeerig materialistisch denken der 18de

eeuw in een werk, dat ontstaan is in den kring van baron Holbach,

een Duitsch edelman, die van zijn jeugd af in Parijs woonde en een

aantal radicale schrijvers om zich heen had verzameld. Het verscheen

in 1770 onder een pseudoniem te Londen, onder den titel: "Systeem

der Natuur." Waarschijnlijk is de indeeling, het stelselmatige, van

Holbach, en hebben Diderot en Lagrange hulp verleend. Van de werken van

La Mettrie en Diderot onderscheidt het zich meer door zijn vastheid van

overtuiging, stelselmatigheid en strakheid, dan door zijn inhoud. Het

mist de levendige pittigheid der Fransche auteurs en heeft iets van

het langdraderige der Duitschers te pakken. Het maakte zooveel opgang,

dat men 't wel den bijbel van 't materialisme genoemd heeft. Het

is, na de meer uitvoerige behandeling van La Mettrie minder noodig,

uitvoerig over het werk te spreken. In hoofdzaak worden de volgende

stellingen verkondigd.

Niets anders dan stof en beweging bestaat.

De beweging is aantrekking of afstooting.

Uit deze beide soorten beweging laten zich alle andere bewegingen

verklaren, en door de verschillende bewegingen zijn weer de dingen

ontstaan naar eeuwige, onveranderlijke wetten. Als er niets is dan stof

en beweging, zoo is de mensch ook uitsluitend stoffelijk, en het is een

dwaling en ongeluk geweest, lichaam en ziel te scheiden. Wie dit doen,

scheiden eenvoudig de hersenen af van het overige lichaam. Evenals

de tweeheid van den mensch: ziel en lichaam een hersenschim is,

zoo is ook die andere tweeheid een waanbeeld: God en wereld. De

oorzaken, die den mensch tot het vormen der Godsvoorstelling gebracht

hebben, zijn lijden, vrees, onwetendheid. Wij sidderen, omdat onze

voorouders gesidderd hebben. Voor dit atheïsme is moed en verstand

noodig. Ongewenscht is het, zelf de religie te verwerpen, maar die

voor minder ontwikkelden noodig te houden, opdat het volk in banden

blijve. Vrijheid en onsterfelijkheid bestaan niet: de mensch is een

schakel in den keten van den oorzakelijken samenhang der dingen,

andere onsterfelijkheid dan die in de gedachten der menschen, die

na ons komen, is er niet. Voor de practijk zal deze leer groote

vruchten dragen: de godsdiensttwisten zullen eindigen, de onrust,

die de godsdienst bij menigen mensch veroorzaakt, zal wijken voor

zielsrust. Grondslag der zedelijkheid is de zelfliefde, en hij, die

zijn eigen belangen zoodanig bevordert, dat anderen daartoe bijdragen

om huns zelfs wil, is een goed mensch.

Het systeem der Natuur is het systeem der Fransche aufklärung, die

tot het materialisme gekomen was door vele stadiën. Maar voor dat het

opgesteld was, had reeds in Frankrijk de stem geklonken, die zich tegen

deze richting zou verheffen, en een man, die zelf in allerlei zedelijke

diepten zonk, zou "Frankrijks geweten" worden: Jean-Jacques Rousseau.

§ 54. Rousseau.

Leven.

Welk een deerniswekkend man! In Genève in 1712 geboren, verliest

hij vroeg zijn moeder, wordt door een vader, "man van plezier,"

onbekwaam opgevoed. Na een gelukkigen tijd te platten lande in een

predikantsgezin, in Genève in de levenspractijk: graveursleerling. Uit

Genève gevlucht, door geen vader tegengehouden. In aanraking met een

weduwe, in dienst der katholieke propaganda, Mad. de Warens; door

haar naar Turijn gezonden; hier tot het katholicisme overgegaan;

als lakei in dienst bij een adellijke familie. Door heimwee naar

de bergen terug naar mad. de Warens, bij haar lange jaren, met

verschillende onderbrekingen, studeerende in allerlei werken. Zij

oefent grooten invloed op hem uit; hij is als haar zoon--en haar

minnaar tegelijk. Bij haar eindelijk voor goed vandaan, in Parijs

(1741-1756). Hier in 1750 plotseling beroemd door de ontkennende

beantwoording eener prijsvraag, of het herstel van kunsten en

wetenschappen had bijgedragen tot loutering en verbetering der

zeden. In aanraking met de encyclopedisten, maar van deze later

gescheiden: uitwendige omstandigheden werkten mee, maar meer het diepe

verschil. Zijn negatie van de beteekenis van cultuur en ontwikkeling,

was Rousseau geen spel, geen schitterende paradox, om de aandacht op

zich te vestigen, zij was hem ernst; en ernst en een overstroomend

gevoel scheidde hem van de geestige schrijvers, die zich dikwerf in

de salons meer aangename causeurs en gewikste debaters toonden, dan

peinzende en piekerende of geestdriftvolle denkers, als hoedanig we

Rousseau beurtelings zien. Een verbinding met een zeer goedhartig, maar

op het onnoozele af dom meisje, Thérèse Levasseur, die zich door haar

familie liet uitbuiten, wordt later ontgoocheling en drukkende last,

die argwaan voedt en geestelijke gemeenschap buitensluit. In 1761

geeft hij een roman, "de nieuwe Heloïse", een dier sentimenteele,

waaraan de 18de eeuw rijk is, waaraan in Duitschland Goethe nog

geofferd heeft, waaraan in ons land de naam van Feith geknoopt

blijft. Dan komen in 1762 zijn hoofdwerken: "de Emile," waarin hij

Lockes gedachten over opvoeding voortzet, verdiept en populariseert,

het "Maatschappelijk verdrag," waarin hij, de aloude staatsleer nieuw

leven door zijn helderen stijl gevend, op staatkundig gebied het

ideaal verkondigt, dat Emile op opvoedkundig terrein uitspreekt. En

toen begon de vervolging. Rust is er niet. Noch in Zwitserland, noch

in Engeland bij Hume, vanwaar zijn tot waanzin geworden wantrouwen hem

dreef. Om zich te verdedigen tegen werkelijke of ingebeelde vervolgers,

schrijft hij zijn: "Confessies," eerlijk bedoeld, maar niet absoluut

vertrouwbaar, gekleurd als ze zijn door de het verleden vervormende

verbeelding, geschreven als ze werden in tijden van achterdocht en

wantrouwen. Dan komt, nog onverwacht, de dood, en het gebeente van

den armen zwerver vindt nog niet eens rust: het maakt de wisseling

der revoluties in verheerlijking of versmading mee.

Niet te verwonderen, dat wij van dezen man met geringe voorstudie,

met weinig aanleg voor gezetten arbeid, met een overmatig groot

gevoel, in ongunstige levensomstandigheden geplaatst, geen scherp

omlijnde leer kunnen verwachten; dat bij hem meer allerlei treffende

gedachten, prikkelende opmerkingen, fijne overwegingen, innig gevoelde

ontboezemingen zijn te vinden. Half literator, half filosoof, bekleedt

Rousseau toch in de geschiedenis van het denken niet een onbelangrijke

plaats en in wijde kringen heeft zijn invloed gewerkt. Op den dag,

dat Kant zijn "Emile" las, liet de Koningsberger denker, tot groote

verwondering zijner buren, zijn dagelijksche wandeling na! En dat

zegt veel! (Zie deel II).

Het cultuurprobleem.

Wij hebben reeds eerder kennis gemaakt met het cultuurprobleem. Bij

de Grieken waren het de cynici, (blz. 79) die het stelden en in den

tijd van Mandeville werd het ernstig besproken (311). Rousseau maakte

ook ernst met het cultuurprobleem: is de beschaving, zooals wij die

kennen, een goed of een kwaad, heeft zij meegewerkt aan menschelijk

geluk en heeft zij de zedelijkheid bevorderd, of heeft zij ongeluk

en boosheid met zich gebracht?

Als we ons Rousseau's denken in hoofdlijnen voorstellen, vinden wij een

betrekkelijk eenvoudigen gedachtengang, die veel belangwekkends bevat.

Oorspronkelijk heeft de mensch in een natuurtoestand verkeerd,

waarin hij, door zijn instinct geleid, zijn behoeften wenschte te

bevredigen. Daar die echter weinige waren, omdat hij niet nadacht,

en zijn verbeelding hem niet allerlei voorspiegelde, vond hij licht

de middelen, om zijn begeerten te bevredigen. De natuurmensch wordt

geleid door zelfliefde.

Maar het bewustzijnsleven groeit uit.

Nadenken en fantasie scheiden zich van het instinct. De verbeelding

spiegelt den mensch allerlei goederen voor, die hij niet heeft. Deze

zoekt hij te verwerven. Zij zijn veel moeilijker te verkrijgen,

dan de eenvoudige dingen, die hij eerst noodig had. Hij geraakt nu

in strijd met zijn medemenschen, die hij verdringt.

De zelfliefde is zelfzucht geworden.

Kennis, beschaving doen zien, wat er is, en te genieten zou zijn. Men

bezit 't echter niet. Nu treedt zwaarmoedigheid op; het leven verliest

zijn waarde, zelfmoord komt voor.

De voortschrijdende beschaving heeft de behoeften vergroot en een

wanverhouding geschapen tusschen wat men heeft en wat men begeert. Zoo

brengt de cultuur ongeluk, levenszatheid. De kracht wordt verlamd.

Hoe gelukkig was de menschheid op 't oogenblik dat zij, niet

geheel meer door de blinde instincten geleid, toch nog niet zooveel

nadacht. Dit was haar jeugd, die zij nooit had moeten verlaten. Maar nu

het eenmaal is geschied, is terugkeer tot een vroegeren natuurtoestand

onmogelijk. Het is dus nu de vraag, hoe een nieuwe maatschappij te

vestigen, waarin meer overeenkomstig de natuur geleefd wordt. Op drie

punten begeert Rousseau deze vernieuwing: op het gebied van godsdienst,

op dat van den staat en op dat der opvoeding.

Opvoeding.

Zijn opvoedkundige ideeën, die voor een groot gedeelte aansluiten bij

die van Locke, heeft Rousseau ontwikkeld in zijn Emile. Hij pleit er

voor, dat de moeders zelf hunne kinderen zullen zoogen, en eischt een

zorgvuldige hygiënische opvoeding. Het onderwijs moet niet te vroeg

beginnen, er moet bij den leerling belangstelling opgewekt worden,

zoodat hij de behoefte gevoelt, van te weten. Het is zoo aanschouwelijk

mogelijk; niet de boeken, maar natuur en menschenleven zijn allereerst

de groote kennisbronnen. Op zedelijk gebied heersche geen autoriteit of

wrekende straf. Emile moet de gevolgen zijner handelwijze ondervinden

(b.v. kou vatten door een in zijn kamer gebroken raam) en aldus hun

draagwijdte leeren beseffen. Dit is het systeem der z.g. natuurlijke

straffen.

Een gouverneur leidt de opvoeding, die dus als bij Locke, niet in de

klasse geschiedt. Hij is een oudere vriend, een wijze raadsman voor

Emile, die zijn opvoeder ook geheel moet vertrouwen.

Bijzondere beteekenis hecht Rousseau aan het intreden der

geslachtsrijpheid. Veel meer, dan tot dusver nog geschiedt, wenscht

hij met den puberteitsleeftijd in de opvoeding rekening te houden,

daarmee in overeenstemming met een thans veelvuldig gestelden eisch.

Emile huwt ten slotte met Sophie, aan wier opvoeding de schrijver

slechts een kort gedeelte wijdt van zijn werk. Voor de verstandelijke

ontwikkeling van meisjes gevoelde hij niet veel.

Godsdienst.

Zijn godsdienstige overtuigingen heeft Rousseau het schoonst

uitgesproken in de geloofsbelijdenis van den Savooischen vicarius,

ingevlochten in "de Emile." Theoretisch staat Rousseau op het standpunt

van het deïsme. Toch onderscheidt hij zich van de deïsten door een

zeer merkwaardig verschil. Zijn geloof aan God is een gevolg van zijn

gemoedsbehoeften, uit hen ontspringt zijn geloof aan een persoonlijke,

scheppende, wereldvormende wil. Hij moet aan God gelooven. En nu hij

eenmaal aan Hem gelooft, ziet hij de bewijzen van diens bestaan in

de harmonie, de doelmatigheid der schepping. Maar deze is dus niet

de grond van zijn geloof. Het probleem van het kwade in de wereld

lost hij op, door aan te nemen, dat de stof zekere tegenwerking bood

aan de volvoering van Gods wil. Hij wil liever iets van Gods Almacht

opofferen, dan Zijne goedheid betwijfelen.

Deze godsdienst kan--al is hij een natuurlijke en geen

geopenbaarde--het Christendom omvatten en Rousseau noemt zich zelven

met overtuiging een christen.

Staatsleer.

Op het gebied der Staatsleer brengt Rousseau de leer van het

maatschappelijk verdrag tot een uiterste en populariseert hij

die. Alle macht hoort bij het volk. Hij verdedigt beslist de

volkssouvereiniteit. Opdat het volk zijn souvereiniteit kan

uitoefenen, moet het van tijd tot tijd verzameld worden, teneinde

over de voorgestelde wetten te stemmen.

Een staat mag dus niet te groot zijn.

Het uitvoerend bewind kan verschillend zijn. Een gekozen

aristocratische regeeringsvorm schijnt Rousseau het best. Rousseau is

er echter ver vandaan, om te meenen, dat men overal maar dezelfde wet

kan toepassen. Hij heeft meermalen te kennen gegeven, dat de historie

en de natuurlijke gesteldheid van een land zijn wetten bepaalden.

Hoewel dus in Rousseau's werken het beginsel der volkssoevereiniteit

scherp uitgesproken wordt, zijn ze toch niet de tot bloedige

revoluties aansporende geschriften, waarvoor men ze soms houdt, omdat

de revolutiemannen zich wel op Rousseau (dikwijls met zeer eenzijdig

gebruik zijner werken) beriepen.

Invloed.

Rousseau's invloed is groot geweest. De liefde voor de natuur

versterkte hij en wekte hij op. Op opvoedkundig gebied werkte hij zeer

prikkelend en de philantropijnen trachtten iets van zijne ideeën in

practijk te brengen. [79] Voor de zielkunde legde hij den nadruk op

de groote beteekenis van het gevoel.

Tot het nadenken over allerlei problemen van godsdienstigen,

zedelijken, maatschappelijken en letterkundigen aard prikkelden zijn

werken, dikwijls juist door hun paradoxalen of overdreven vorm.

Deze man, die zelf dikwijls zooveel dieper zonk in zedelijk opzicht,

dan de andere denkers der 18de eeuw, had toch een levendig gevoel van

goed en kwaad, dat dezen ontbrak. Zich richtend tegen de verzadigde

kultuur der 18de eeuw en schijnbaar tegen alle kultuur, legde hij

mee den grondslag eener nieuwe. Gedeeltelijk kind der aufklärung,

breekt hij haar mee af, door het zich direkt uitsprekende gevoel

een plaats te geven naast het koele wel-overwegende verstand der

18de eeuw. Zoo is Rousseau een zeer gewichtige cultuurverschijning,

al is hij niet een der grootste denkers--en een historieschrijver

kan hem het geweten van het Frankrijk der 18de eeuw noemen.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 83 / 105 题