Zoo hebben we dan de Aufklärung vervolgd.
In ENGELAND schept ze een diepgaande, maar niet afsluitende
kennistheorie, die aanknoopend aan Locke, in Berkeley en Hume
voortzetters vindt. Een kennistheorie, die het substantieprobleem en
het causaliteitsprobleem in al de scherpte stelt, maar niet oplost,
die met groote nauwgezetheid het ontstaan onzer voorstellingen nagaat
en beschrijft, maar niet alle schakels weet aan te wijzen.
Het deïsme geeft er een wereldverklaring, die tal van menschen weet
te bevredigen, en de voor dit stelsel kennelijke doelmatigheid der
wereld, gevolg van een schepping Gods, verbindt met een mechanische
natuurbeschouwing, daar het, in tegenstelling van het theïsme, de
inwerking Gods op de wereld ontkent. Ook hier bereidt Locke voor, en
voltooit Hume afbrekend, door de geliefkoosde stelling der deïsten,
dat de positieve religies ontaardingen zijn der eene, ware, eerste
natuurreligie, te bestrijden.
De moraalfilosofie kampt om de vraag of het belang dan wel de sympathie
de grondslag is der moraal en de cultuuropvatting slingert tusschen
het aesthetisch optimisme van Shaftesbury en het naturalistisch
pessimisme van Mandeville of het religieus pessimisme van sommige
christenpredikanten.
Op het gebied der staatsleer verkondt Locke de theorie van
het parlementarisme, en Smith wordt grondlegger der moderne
staathuishoudkunde.
Daarmee is in Engeland de periode der Aufklärung geëindigd: de
Schotsche school met Reid aan 't hoofd, met haar theorie voor 't
gezond verstand, belemmert een dieper wijsgeerige studie.
De Engelsche ideeën bevruchten FRANSCHE denkers, die het deïsme
tot atheïsme brengen, het empirisme tot sensualisme en verder
tot materialisme; de moraal grondvesten op eigen lust. Voltaire en
Montesquieu importeeren, Condillac zet de tweede schrede, La Mettrie,
Diderot, Helvetius, Holbach voltooien. Rousseau voltooit en reageert,
bij hem grenst de Aufklärung zichzelf af.
Door de heldere, populaire schrijfwijze der Fransche denkers worden
deze denkbeelden verbreid en gemeen goed.
DUITSCHLAND gaat voort door Wolff op de banen van het rationalisme,
maar hiermee vereenigt zich weldra het van de Engelschen en de
Franschen geziene Empirisme. Het godsdienstig leven, vrijgemaakt en
verdiept door het piëtisme, is nog levendig: de leerstukken van het
Godsbestaan en de onsterfelijkheid zijn levensbeginselen. Lessing en
Mendelssohn achten rede en religie verzoenbaar.
Het geestelijk verdiepen brengt tot erkenning van het gevoel
als bewustzijnsverschijnsel sui generis, en de aesthetica wordt
gegrondvest, zielkunde wordt veel beoefend.
Op maatschappelijk gebied begint door Mendelssohn de verheffing
der Joden. Door Francke, Basedow en Pestalozzi gaat het onderwijs
zeer vooruit.
Voor het overige werkt de Duitsche Aufklärung meer op het geheele
cultuurleven dan speciaal op wijsgeerig gebied.
Lessing, de Aufklärung vervolgende, is hier haar grens, daar hij ver
over haar heen ziet.
De overgang der Middeleeuwen in de nieuwe geschiedenis gaf ons
aanleiding tot een nieuw gedeelte, met het intreden der nieuwste
geschiedenis begint ook een nieuwe periode.
Op staatkundig en maatschappelijk gebied brengt de Fransche revolutie
een ommekeer. In Koningsbergen leeft "de alles verpletterende" Kant
en hij brengt op het gebied van het denken een omkeer, gelijk aan
dien van Copernicus, en voor de ontwikkeling der wijsbegeerte niet
minder gewichtig dan de Fransche revolutie dat was voor de omvorming
van staat en maatschappij.