Op beperkter terrein dan Voltaire bewoog zich Montesquieu. Hij
was president geweest van het parlement te Bordeaux, maar legde
zijn betrekking neder, om vreemde landen te kunnen bezoeken. Hij
bezocht Engeland ook en keerde van daar terug in hetzelfde jaar
als Voltaire. Onder zijn werken zijn te noemen de Perzische Brieven
(1721) waarin de Fransche Maatschappij van dien tijd door een man der
aufklärung bezien wordt, die zijn beschouwingen een paar in Frankrijk
reizende Perzen in den mond geeft. Zijn hoofdwerk is het in 1748
verschenen boek: "Over den geest der wetten." Montesquieu toont hierin
aan, hoe er, tusschen de wetten van een volk en zijn zeden, klimaat
en ligging verband bestaat. Het zou dan ook een toeval zijn, wanneer
de wetten voor twee geheel verschillende volkeren gelijk konden zijn.
In 't bijzonder heeft dat gedeelte van zijn werk, waarin hij zijn
landgenooten bekend maakt met de Engelsche staatsinstellingen, veel
invloed gehad. Hij ontleent echter zijn beschrijvingen meer aan Locke
dan aan den werkelijken toestand. Sterk legt hij den nadruk op de
onafhankelijkheid der rechterlijke macht, zeker wel noodig in het
Frankrijk der 18de eeuw, waar men op een bevelschrift der regeering
(lettre de cachet) in de gevangenis kon worden geworpen.
Terwijl Montesquieu vroeger meer gevoeld had voor een republiek, als
Zwitserland en ons land waren, is hij na zijn terugkeer uit Engeland
voorstander van de monarchie, waarin de koning zijn macht deelt met
een volksvertegenwoordiging. Hij meent dat dit een echt-Germaansch
systeem is, overblijfsel en nawerking van de vroegere volksvergadering
der Germanen. Dit schoone stelsel werd in de wouden uitgevonden.
Hoewel Montesquieu meer zin voor geschiedenis toont dan de andere
dragers der Fransche aufklärung, vervolgt hij toch de regeeringsvormen
niet voldoende in hun historische ontwikkeling, maar beschrijft
hen als vaststaand. "Alles ligt in hetzelfde vlak: de eenheid van
tijd, plaats en handeling is van den schouwburg overgegaan op de
wetgeving." (Sorel).
§ 53. Sensualisme. Materialisme.
Condillac, 1715-1780.
Locke's leer, dat al onze kennis uit de ervaring stamt,
werd door Condillac voortgezet en tot een volslagen sensualisme
gebracht. Condillac, die geestelijke was en later van de inkomsten van
een hem toegewezen abdij leefde, was een vreedzaam denker, uit wiens
werken meer strijdmateriaal werd gehaald, dan hij zelf bedoeld had.
Door den eenvoud zijner voorstellingswijze, de helderheid van zijn
stijl, maakte zijn filosofie grooten indruk, verdrong die van Descartes
en werd, tot aan het keizerrijk de heerschende aan de Fransche Scholen.
Condillac gaat uit van het beginsel, dat ons niets gegeven zijn dan
onze zinnelijke gewaarwordingen, die wij passief opvangen. Alle andere
geestelijke verrichtingen zijn wijzigingen der gewaarwordingen. Wanneer
een gewaarwording alléén ons bewustzijn in beslag neemt, is er
opmerkzaamheid en door deze kunnen wij een geheele reeks van gegevens
ontleden, en op één punt onze aandacht richtend, de elementen
onzer kennis duidelijk opvatten. Zijn er twee gewaarwordingen
in 't bewustzijn, dan vergelijken wij. Zijn er nawerkingen van
gewaarwordingen, dan spreken wij van herinnering. Een bijzondere
gewaarwording is die van lust en onlust en door deze krijgen
wij weer driften en neigingen. Het eerste is dus de zinnelijke
gewaarwording. Condillac echter erkent, dat gewaarwording iets
anders is dan beweging, en al ziet hij met Locke geen kans, om den
aard der ziel te beschrijven, hij neemt haar bestaan als geestelijke
zelfstandigheid aan. Dit element werd echter door hen, die uit zijn
werken strijdmiddelen haalden, gewoonlijk over 't hoofd gezien.
Helvetius, 1715-1771.
Wat Condillac deed op 't gebied der zielkunde, verrichtte Helvetius op
dat der zedeleer: hij verklaarde alle deugd afkomstig van één beginsel,
de eigenliefde.
Helvetius was als algemeen pachter der belastingen zeer rijk geworden
en, edele, milde, menschlievende persoonlijkheid, besteedde hij zijn
geld aan bevordering van kunsten en wetenschappen en aan weldadige
doeleinden. Na zijn dood schreef Frederik de Groote: "Zijn karakter
kwam mij bewonderenswaard voor. Misschien zou men kunnen wenschen,
dat hij liever zijn hart dan zijn verstand geraadpleegd had."
Voor Helvetius zijn van nature alle menschen gelijk. Zij hebben van
den schepper (Helvetius is deïst) één gave meegekregen: het kunnen
waarnemen van lust en onlust. Dat de menschen zoo ongelijk zijn, ligt
aan hun opvoeding, waaronder het geheel der invloeden te verstaan is,
die op den mensch inwerken. Maar allen worden bewogen door het streven
naar lust, welk beginsel Helvetius nieuw meent ontdekt te hebben. De
hoogste lust nu moet zijn de zorg voor 't algemeen welzijn. Geeft
men het volk geen aandeel aan de regeering, dan heeft het geen hooge
motieven, waarop het zich kan richten. Diep bezorgd is Helvetius dan
ook over den treurigen toestand van het vaderland. Hij betreurt het,
dat de moralisten en de theologen wel uitvaren tegen de individueele
ondeugden, maar niet de algemeene aantasten, de laatsten immers
oefenen zoo een slechten invloed uit. Dit is, naast de oorspronkelijke
gelijkheid en de almacht der opvoeding, een der hoofdgedachten uit
Helvetius' werken: de regeeringsvorm en de politiek en maatschappelijke
toestanden zijn van overwegenden invloed op de zedelijkheid.