MONTESQUIEU. 1689-1755.

Op beperkter terrein dan Voltaire bewoog zich Montesquieu. Hij

was president geweest van het parlement te Bordeaux, maar legde

zijn betrekking neder, om vreemde landen te kunnen bezoeken. Hij

bezocht Engeland ook en keerde van daar terug in hetzelfde jaar

als Voltaire. Onder zijn werken zijn te noemen de Perzische Brieven

(1721) waarin de Fransche Maatschappij van dien tijd door een man der

aufklärung bezien wordt, die zijn beschouwingen een paar in Frankrijk

reizende Perzen in den mond geeft. Zijn hoofdwerk is het in 1748

verschenen boek: "Over den geest der wetten." Montesquieu toont hierin

aan, hoe er, tusschen de wetten van een volk en zijn zeden, klimaat

en ligging verband bestaat. Het zou dan ook een toeval zijn, wanneer

de wetten voor twee geheel verschillende volkeren gelijk konden zijn.

In 't bijzonder heeft dat gedeelte van zijn werk, waarin hij zijn

landgenooten bekend maakt met de Engelsche staatsinstellingen, veel

invloed gehad. Hij ontleent echter zijn beschrijvingen meer aan Locke

dan aan den werkelijken toestand. Sterk legt hij den nadruk op de

onafhankelijkheid der rechterlijke macht, zeker wel noodig in het

Frankrijk der 18de eeuw, waar men op een bevelschrift der regeering

(lettre de cachet) in de gevangenis kon worden geworpen.

Terwijl Montesquieu vroeger meer gevoeld had voor een republiek, als

Zwitserland en ons land waren, is hij na zijn terugkeer uit Engeland

voorstander van de monarchie, waarin de koning zijn macht deelt met

een volksvertegenwoordiging. Hij meent dat dit een echt-Germaansch

systeem is, overblijfsel en nawerking van de vroegere volksvergadering

der Germanen. Dit schoone stelsel werd in de wouden uitgevonden.

Hoewel Montesquieu meer zin voor geschiedenis toont dan de andere

dragers der Fransche aufklärung, vervolgt hij toch de regeeringsvormen

niet voldoende in hun historische ontwikkeling, maar beschrijft

hen als vaststaand. "Alles ligt in hetzelfde vlak: de eenheid van

tijd, plaats en handeling is van den schouwburg overgegaan op de

wetgeving." (Sorel).

§ 53. Sensualisme. Materialisme.

Condillac, 1715-1780.

Locke's leer, dat al onze kennis uit de ervaring stamt,

werd door Condillac voortgezet en tot een volslagen sensualisme

gebracht. Condillac, die geestelijke was en later van de inkomsten van

een hem toegewezen abdij leefde, was een vreedzaam denker, uit wiens

werken meer strijdmateriaal werd gehaald, dan hij zelf bedoeld had.

Door den eenvoud zijner voorstellingswijze, de helderheid van zijn

stijl, maakte zijn filosofie grooten indruk, verdrong die van Descartes

en werd, tot aan het keizerrijk de heerschende aan de Fransche Scholen.

Condillac gaat uit van het beginsel, dat ons niets gegeven zijn dan

onze zinnelijke gewaarwordingen, die wij passief opvangen. Alle andere

geestelijke verrichtingen zijn wijzigingen der gewaarwordingen. Wanneer

een gewaarwording alléén ons bewustzijn in beslag neemt, is er

opmerkzaamheid en door deze kunnen wij een geheele reeks van gegevens

ontleden, en op één punt onze aandacht richtend, de elementen

onzer kennis duidelijk opvatten. Zijn er twee gewaarwordingen

in 't bewustzijn, dan vergelijken wij. Zijn er nawerkingen van

gewaarwordingen, dan spreken wij van herinnering. Een bijzondere

gewaarwording is die van lust en onlust en door deze krijgen

wij weer driften en neigingen. Het eerste is dus de zinnelijke

gewaarwording. Condillac echter erkent, dat gewaarwording iets

anders is dan beweging, en al ziet hij met Locke geen kans, om den

aard der ziel te beschrijven, hij neemt haar bestaan als geestelijke

zelfstandigheid aan. Dit element werd echter door hen, die uit zijn

werken strijdmiddelen haalden, gewoonlijk over 't hoofd gezien.

Helvetius, 1715-1771.

Wat Condillac deed op 't gebied der zielkunde, verrichtte Helvetius op

dat der zedeleer: hij verklaarde alle deugd afkomstig van één beginsel,

de eigenliefde.

Helvetius was als algemeen pachter der belastingen zeer rijk geworden

en, edele, milde, menschlievende persoonlijkheid, besteedde hij zijn

geld aan bevordering van kunsten en wetenschappen en aan weldadige

doeleinden. Na zijn dood schreef Frederik de Groote: "Zijn karakter

kwam mij bewonderenswaard voor. Misschien zou men kunnen wenschen,

dat hij liever zijn hart dan zijn verstand geraadpleegd had."

Voor Helvetius zijn van nature alle menschen gelijk. Zij hebben van

den schepper (Helvetius is deïst) één gave meegekregen: het kunnen

waarnemen van lust en onlust. Dat de menschen zoo ongelijk zijn, ligt

aan hun opvoeding, waaronder het geheel der invloeden te verstaan is,

die op den mensch inwerken. Maar allen worden bewogen door het streven

naar lust, welk beginsel Helvetius nieuw meent ontdekt te hebben. De

hoogste lust nu moet zijn de zorg voor 't algemeen welzijn. Geeft

men het volk geen aandeel aan de regeering, dan heeft het geen hooge

motieven, waarop het zich kan richten. Diep bezorgd is Helvetius dan

ook over den treurigen toestand van het vaderland. Hij betreurt het,

dat de moralisten en de theologen wel uitvaren tegen de individueele

ondeugden, maar niet de algemeene aantasten, de laatsten immers

oefenen zoo een slechten invloed uit. Dit is, naast de oorspronkelijke

gelijkheid en de almacht der opvoeding, een der hoofdgedachten uit

Helvetius' werken: de regeeringsvorm en de politiek en maatschappelijke

toestanden zijn van overwegenden invloed op de zedelijkheid.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 82 / 105 题