Voltaire, een notariszoon uit Parijs, had zijn naam Arouet l(e) j(eune)
(Arouet junior) omgezet tot Voltaire. Zijn opvoeding ontving hij
in het Jezuïtencollege te Clermont, waarover hij later zeer slecht
te spreken was. Gedeeltelijk moge dit aan Voltaire's haat tegen de
kerk gelegen hebben, gedeeltelijk ook aan de verslechtering die het
onderwijs der Jezuïeten sedert Descartes' dagen ondergaan had.
Reeds spoedig bekend als een scherpzinnig, hekelend schrijver,
geraakte hij in 1717 voor een jaar in de gevangenis, de Bastille.
Na zijn ontslag schreef hij eenige letterkundige werken, maar
weldra kwam hij er weer in. Hij werd nu niet losgelaten dan onder de
verplichting naar 't buitenland te gaan. Zoo bezocht hij Engeland,
leerde daar de staatsinstellingen zoowel als de godsdienstige en
wijsgeerige denkbeelden kennen, en na zijn terugkomst in 1729
maakte hij Frankrijk in zijn Engelsche brieven bekend met den
constitutioneelen, parlementairen regeeringsvorm, met de natuurkunde
van Newton, de wijsbegeerte van Locke. Hij moest weldra ondervinden,
dat de heerschende machten het werk als gevaarlijk beschouwden: het
werd verbrand. Tot 1749 leefde hij dan in Cirey, beschermd door de
markiezin De Châtelet. Gedurende dezen tijd schreef hij een groot
aantal werken van den meest verschillenden aard.
In 1750 ging hij naar Berlijn, naar 't hof van Frederik den Groote,
die gaarne Fransche geleerden en kunstenaars ontving. Hij bleef hier
drie jaar, maar vond zich in den man, dien hij eens den Salomon van 't
Noorden genoemd had, bitter teleurgesteld. Hij schreef aan zijn nicht,
dat in het woordenboek der koningen mijn vriend mijn slaaf beteekent.
Hij vertrok en vestigde zich in een kasteel bij de Jura te Ferney,
waar hij, daartoe in staat gesteld door een zeer groot vermogen,
gedeeltelijk door gelukkige speculaties verworven, als een groot heer
leefde. "De patriarch van Ferney" oefende een grooten invloed uit,
schreef veel, stond in correspondentie met tal van aanzienlijke
personen. In de practijk toonde hij zich soms van een ernstigen,
zedelijken wil en hij heeft veel moeite gedaan om sommige onschuldig
veroordeelden in hun eer hersteld te krijgen, voor welk optreden
hij een roem inoogstte, gelijk aan dien voor Zola's optreden in
de Dreyfuszaak.
In 1778 ging hij nog eens naar Parijs, waar hij met warmte en
geestdrift gehuldigd werd. Zijn hooge leeftijd was niet meer bestand
tegen de vermoeienissen en de aandoeningen van dit verblijf. Hij
stierf in 1778.
Voltaire is een zeer alzijdig mensch geweest, die, noch als
oorspronkelijk denker, noch als diepvoelend dichter, noch als groote
persoonlijkheid een der grootsten zijnd, door de veelzijdigheid van
zijn gaven, de helderheid van zijn stijl, de scherpte van zijn betoog
een overweldigenden invloed heeft gehad. Hij heeft meegewerkt aan
de verlichting, aan de verbreiding van tal van denkbeelden, die nu
gemeengoed voor ons zijn. Maar hij heeft ook al de fouten van zijn
tijd en zijn richting. In zijn zucht om alleen het begrijpelijke,
het redelijke te zien, ziet hij dikwijls alleen het voor de hand
liggende en heeft geen oog voor den dieperen samenhang van vele
schijnbaar gescheiden verschijnselen.
In godsdienstig opzicht bestrijdt Voltaire de dogma's der kerk. Den
strijd tegen deze gold hem als het hoogste doel, en hij zag den tijd
reeds naderen, dat alleen rede en verlichting zouden regeeren. Om de
leerstellige godsdienstige waarheden te gelooven, moest men 'n schurk
of een domkop zijn. Op de symbolische beteekenis van deze, voor het
feit, dat zij soms de kristallisatie zijn van diepe levenservaringen,
geeft hij geen acht. Dat de schijnbaar willekeurig verspreide eilanden
der godsdienstige overtuiging hunnen onderzeeschen samenhang kunnen
hebben en gevolg kunnen zijn eener vulkanische werking, komt in
Voltaire niet op. De kerk is voor hem de eerlooze, de schandelijke
(l'infâme), die verpletterd moet worden.
Voltaire gelooft aan God. Dit gelooft acht hij een eisch van 't
zedelijk bewustzijn en eveneens bewijsbaar uit de doelmatigheid der
natuur. "Als God niet bestond, zou men hem moeten uitvinden."
De onsterfelijkheid der ziel neemt hij eveneens aan: men moet met
't oog op de deugd aan haar gelooven.
Eerst een optimistische wereldbeschouwing toegedaan, verandert hij
na de geweldige aardbeving van 1755, die geheel Lissabon verwoestte,
van meening. Treffend spreekt hij dit uit in een vers van 1757:
"Van heel de schepping zuchten al de leden,
Geboren voor de ellend, sneeft d'eene na den ander."
Met bijtenden spot wijst hij de vele onvolkomenheden aan in de
schepping en geeselt hij hen, die roepen dat het geheel goed is.
Op staatkundig en maatschappelijk gebied kan Voltaire den afstand
niet vergeten tusschen de fatsoenlijke lui (honnêtes gens) en het
"gepeupel" (canaille). De verlichting is voor de eerste. Het komt
er niet op aan, schrijft hij in een brief aan d'Alembert, om onze
lakeien in het bezoeken van mis of predikatie te verhinderen.
Op kennistheoretisch en zielkundig gebied verklaart hij zich eens met
het sensualisme van Condillac, door hem den grooten filosoof genoemd.