VOLTAIRE 1694-1778.

Voltaire, een notariszoon uit Parijs, had zijn naam Arouet l(e) j(eune)

(Arouet junior) omgezet tot Voltaire. Zijn opvoeding ontving hij

in het Jezuïtencollege te Clermont, waarover hij later zeer slecht

te spreken was. Gedeeltelijk moge dit aan Voltaire's haat tegen de

kerk gelegen hebben, gedeeltelijk ook aan de verslechtering die het

onderwijs der Jezuïeten sedert Descartes' dagen ondergaan had.

Reeds spoedig bekend als een scherpzinnig, hekelend schrijver,

geraakte hij in 1717 voor een jaar in de gevangenis, de Bastille.

Na zijn ontslag schreef hij eenige letterkundige werken, maar

weldra kwam hij er weer in. Hij werd nu niet losgelaten dan onder de

verplichting naar 't buitenland te gaan. Zoo bezocht hij Engeland,

leerde daar de staatsinstellingen zoowel als de godsdienstige en

wijsgeerige denkbeelden kennen, en na zijn terugkomst in 1729

maakte hij Frankrijk in zijn Engelsche brieven bekend met den

constitutioneelen, parlementairen regeeringsvorm, met de natuurkunde

van Newton, de wijsbegeerte van Locke. Hij moest weldra ondervinden,

dat de heerschende machten het werk als gevaarlijk beschouwden: het

werd verbrand. Tot 1749 leefde hij dan in Cirey, beschermd door de

markiezin De Châtelet. Gedurende dezen tijd schreef hij een groot

aantal werken van den meest verschillenden aard.

In 1750 ging hij naar Berlijn, naar 't hof van Frederik den Groote,

die gaarne Fransche geleerden en kunstenaars ontving. Hij bleef hier

drie jaar, maar vond zich in den man, dien hij eens den Salomon van 't

Noorden genoemd had, bitter teleurgesteld. Hij schreef aan zijn nicht,

dat in het woordenboek der koningen mijn vriend mijn slaaf beteekent.

Hij vertrok en vestigde zich in een kasteel bij de Jura te Ferney,

waar hij, daartoe in staat gesteld door een zeer groot vermogen,

gedeeltelijk door gelukkige speculaties verworven, als een groot heer

leefde. "De patriarch van Ferney" oefende een grooten invloed uit,

schreef veel, stond in correspondentie met tal van aanzienlijke

personen. In de practijk toonde hij zich soms van een ernstigen,

zedelijken wil en hij heeft veel moeite gedaan om sommige onschuldig

veroordeelden in hun eer hersteld te krijgen, voor welk optreden

hij een roem inoogstte, gelijk aan dien voor Zola's optreden in

de Dreyfuszaak.

In 1778 ging hij nog eens naar Parijs, waar hij met warmte en

geestdrift gehuldigd werd. Zijn hooge leeftijd was niet meer bestand

tegen de vermoeienissen en de aandoeningen van dit verblijf. Hij

stierf in 1778.

Voltaire is een zeer alzijdig mensch geweest, die, noch als

oorspronkelijk denker, noch als diepvoelend dichter, noch als groote

persoonlijkheid een der grootsten zijnd, door de veelzijdigheid van

zijn gaven, de helderheid van zijn stijl, de scherpte van zijn betoog

een overweldigenden invloed heeft gehad. Hij heeft meegewerkt aan

de verlichting, aan de verbreiding van tal van denkbeelden, die nu

gemeengoed voor ons zijn. Maar hij heeft ook al de fouten van zijn

tijd en zijn richting. In zijn zucht om alleen het begrijpelijke,

het redelijke te zien, ziet hij dikwijls alleen het voor de hand

liggende en heeft geen oog voor den dieperen samenhang van vele

schijnbaar gescheiden verschijnselen.

In godsdienstig opzicht bestrijdt Voltaire de dogma's der kerk. Den

strijd tegen deze gold hem als het hoogste doel, en hij zag den tijd

reeds naderen, dat alleen rede en verlichting zouden regeeren. Om de

leerstellige godsdienstige waarheden te gelooven, moest men 'n schurk

of een domkop zijn. Op de symbolische beteekenis van deze, voor het

feit, dat zij soms de kristallisatie zijn van diepe levenservaringen,

geeft hij geen acht. Dat de schijnbaar willekeurig verspreide eilanden

der godsdienstige overtuiging hunnen onderzeeschen samenhang kunnen

hebben en gevolg kunnen zijn eener vulkanische werking, komt in

Voltaire niet op. De kerk is voor hem de eerlooze, de schandelijke

(l'infâme), die verpletterd moet worden.

Voltaire gelooft aan God. Dit gelooft acht hij een eisch van 't

zedelijk bewustzijn en eveneens bewijsbaar uit de doelmatigheid der

natuur. "Als God niet bestond, zou men hem moeten uitvinden."

De onsterfelijkheid der ziel neemt hij eveneens aan: men moet met

't oog op de deugd aan haar gelooven.

Eerst een optimistische wereldbeschouwing toegedaan, verandert hij

na de geweldige aardbeving van 1755, die geheel Lissabon verwoestte,

van meening. Treffend spreekt hij dit uit in een vers van 1757:

"Van heel de schepping zuchten al de leden,

Geboren voor de ellend, sneeft d'eene na den ander."

Met bijtenden spot wijst hij de vele onvolkomenheden aan in de

schepping en geeselt hij hen, die roepen dat het geheel goed is.

Op staatkundig en maatschappelijk gebied kan Voltaire den afstand

niet vergeten tusschen de fatsoenlijke lui (honnêtes gens) en het

"gepeupel" (canaille). De verlichting is voor de eerste. Het komt

er niet op aan, schrijft hij in een brief aan d'Alembert, om onze

lakeien in het bezoeken van mis of predikatie te verhinderen.

Op kennistheoretisch en zielkundig gebied verklaart hij zich eens met

het sensualisme van Condillac, door hem den grooten filosoof genoemd.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 81 / 105 题